FLORENCE NIGHTINGALE.

1830-1910.

In de Meimaand van het jaar 1810 werd in het zonnige Italië een meisje

geboren, wier leven eenmaal een gouden zonnestraal zou worden op

het pad van duizenden ongelukkigen. In Florence zag zij het eerste

levenslicht en kreeg zij den naam van hare geboorteplaats. Zij

stamde af van een oud-adellijke Engelsche familie. Haar vader was een

aanzienlijk Engelsch edelman, die, zelf kunstenaar en geleerde, aan

zijne beide dochters, waarvan Florence de jongste was, eene zorgvuldige

opvoeding schonk. Al vroeg moest Florence in zijne studiën deelen,

hij liet haar veel reizen, om andere landen en volken te leeren kennen,

en hij oefende haar voortdurend in de kennis van de vreemde talen. Al

op jeugdigen leeftijd sprak zij behalve haar moedertaal, Fransch,

Duitsch en Italiaansch. Door haar ook voortdurend met merkwaardige

tijdgenooten te doen verkeeren, wist hij haar geest tot groote

ontwikkeling te brengen.

Squire Nightingale bezat in Engeland uitgestrekte landgoederen, die

hij met de uiterste zorg beheerde, waarbij zijne beide dochters hem

de behulpzame hand moesten bieden. Zij moesten hem helpen in zijne

zorg voor zijne pachters en hunne gezinnen en toezicht houden op

het getrouwe schoolbezoek van de kinderen. Zij bezochten de zieken

en armen, waar zij troost en hulp brachten, en gaven les in de

Zondagsschool.

Reeds als jong meisje gaf zij blijken van hare grootheid van ziel,

die haar later eenmaal wereldberoemd zou maken. Toen zij weer eens een

zomer op een der landgoederen van haar vader in Derbyshire doorbracht,

ontmoette zij een ouden herder, dien zij van haar vroegste jeugd af

gekend had, en zag het hem dadelijk aan, dat hij bedroefd was.

Onmiddellijk begaf zij zich naar den ouden man, en vroeg, wat hem

scheelde.

"Ach," zei hij met tranen in de oogen, "mijn trouwe hond is gekwetst

en zal wel sterven."

"Hoe jammer," zei Florence, die dadelijk diep medelijden met den ouden

man kreeg, omdat zij begreep, hoe smartelijk hem het verlies van zijn

trouwen hond moest zijn. Al sedert zoo vele jaren was deze immers

zijn onafscheidelijke metgezel geweest, als hij met zijn kudde naar

buiten trok in den vroegen morgen, om pas bij het dalen van de zon

naar de kooi terug te keeren. Hoe graag zou zij den ouden man helpen,

als dit in haar vermogen was.

"Waar is uw hond?" vroeg zij, vast besloten om te gaan zien, of hare

hulp nog baten kon.

"Daar, ginds in de schuur," zei de man.

Dadelijk begaf Florence zich naar de aangewezen plaats, en vond daar

den hond op eenig stroo uitgestrekt. Zij bukte naast het dier neder,

en bemerkte, dat hij zijn poot gebroken had. Het beest, dat kermde

van pijn, keek haar smeekend aan. Met teedere hand, maar toch met

groote vastberadenheid zette zij het pootje van het arme dier, en

legde er met haar zakdoek een stevig verband om. En zij verzorgde

den herdershond zoo lang, tot hij geheel hersteld was en zijn ouden

meester weer op zijn lange tochten kon vergezellen als voorheen.

's Winters bracht zij hare dagen in de groote stad door, en leidde daar

het leven van alle adellijke jonge dames, hetwelk bestond in bezoeken

afleggen, feesten bijwonen en schouwburgen bezoeken. Hare opvoeding

was echter te degelijk geweest, dan dat dit leventje van plezierig

nietsdoen haar zou kunnen bevredigen. Neen, al spoedig voelde zij

al de leegheid daarvan en kwam het verlangen in haar op, zich nuttig

te maken voor anderen. Zij wilde haar leven rijker en grooter maken,

door zich een levensdoel te scheppen, waaraan zij zich geheel wijden

kon. Maar wat zou dat doel zijn?

Zij wist het langen tijd zelf niet, tot haar opeens op ongezochte

wijze de weg gewezen werd.

In hare naaste omgeving kwamen twee ziektegevallen voor, die haar

geheel in beslag namen. Met de uiterste zorg nam zij de verpleging

van de zieken op zich, en het bleek al spoedig, dat zij daarvoor een

bijzonderen aanleg bezat. En toen de zieken hersteld waren en hare

hulp dus niet meer noodig hadden, zie, toen wist zij, wat voortaan

haar levensdoel zou zijn. Zij wilde anderen gelukkig trachten te

maken door hun lijden te verzachten en troost te brengen, waar

de dood onverbiddelijk komen moest. Zij wilde zich aan het werk

der ziekenverpleging wijden, dat in die dagen op een zeer laag

peil stond. Ziekenhuizen waren er slechts weinig en stonden onder

bestuur van lieden, die van verpleging niet het minste verstand

hadden. De verpleegsters behoorden tot de laagste standen der

maatschappij. Zij waren vuil en slordig, droegen weinig of geen

zorg voor de hun toevertrouwde zieken, gaven zich veelvuldig aan

dronkenschap over en leidden een slecht, schandelijk leven. 't Is

gemakkelijk te begrijpen, hoe treurig het met de verpleging der

zieken stond. Florence Nightingale besloot, voor zij de grootsche

taak, die zij zich als levensdoel had gesteld, ter hand nam, van

de ziekenverpleging een uitgebreide studie te maken. En door de

gasthuizen in de verschillende steden te bezoeken, wilde zij zich

met eigen oogen van den huidigen toestand een beeld vormen.

Wat zij daarbij te zien kreeg, overtrof nog verre hare

verwachtingen. In Londen, zoowel als te Edinburg en Dublin vond zij de

ziekenzalen vervuild, de verpleegsters ruw, onwetend, onbeschaafd en

aan den drank verslaafd. Een schrijfster [3], wier levensbeschrijving

van Florence Nightingale bij deze schets in hoofdzaak gevolgd wordt,

zegt er van: "In hooge, houten bedsteden lagen soms drie tot vier

volwassen zieken naast elkander; ongedierte kroop rond in het

beddegoed, dat niet verwisseld werd als een nieuwe de vrijgekomen

plaats van een genezen of overleden kranke kwam innemen. In een

Edinburgsch gasthuis vond Florence Nightingale ten minste nog de

bepaling, dat in geval van besmettelijke ziekte de matrassen gelucht

en de bedlakens gewasschen moesten worden, maar in ieder ander geval

scheen men het ook daar onnoodige weelde te vinden. Vaak moesten de

kranken de verpleegsters te vriend houden door omkooperij, zouden

dezen hun de allernoodigste hulp bewijzen, de voor hen bestemde

verkwikkingen, die meest op de ziekenzaal moesten worden toebereid,

niet zelven tot zich nemen, hen niet berooven van wat vriendelijke

handen hun hadden gebracht of van het vast rantsoen van brood, dat den

patienten dagelijks ééns per etmaal werd uitgedeeld, en dat zij in hun

bed of onder hunne matrassen bewaarden met hunne kleederen en kleine

bezittingen. Het reinigen der kranken, voor zoover men daaraan deed,

en het afleggen der dooden geschiedde ten aanschouwe van al de andere

lijders in de ziekenzaal. Overdag hielpen de herstellenden bij de

verpleging der allerergsten. Des nachts werd geen hulp verleend en

menigeen werd des morgens dood gevonden ten gevolge van uitputting

en kracht verlies, die niet tijdig waren opgemerkt."

Florence Nightingale besloot de hand aan den ploeg te slaan, om

aan dezen allertreurigsten toestand een einde te maken. Haar hart,

zoo rijk aan liefde voor haar evenmensch, bloedde bij het zien van

al de ellende, waaraan de bevolking der ziekenhuizen bijna overal in

Engeland ten prooi was.

Zij stelde zich daarom in verbinding met Mrs. Fry, die op een harer

reizen naar het vasteland kennis gemaakt had met Pastor Fliedner's

diaconessen inrichting te Kaiserswerth, en de daar gevolgde wijze van

verpleging ook in Engeland wenschte in te voeren. Zij raadde haar aan

zich naar Kaiserswerth te begeven, en daar van de ziekenverpleging eene

grondige studie te maken. Deze raad werd door Florence opgevolgd. Zij

maakte een flinken leertijd te Kaiserswerth door, en bezocht ook

verscheidene ziekenhuizen in Frankrijk en Italië.

Vervolgens keerde zij naar haar vaderland terug, om haar verkregen

kennis dienstbaar te maken ten bate der lijdende menschheid. Zij

schreef een werkje over hare onderzoekingen en ondervindingen op het

gebied der ziekenverpleging, en riep de jonge vrouwen en de meisjes

op om zich aan deze edele taak te wijden.

Daarna begaf zij zich naar Frankrijk, om zich in de practijk van de

ziekenverpleging verder te bekwamen en de chirurgie te bestudeeren. Zij

werd in dien arbeid gestoord door een zware ziekte, die haar dwong naar

huis terug te keeren. Zoodra zij hersteld was, wijdde zij zich aan de

opvoeding van havelooze kinderen, en verbond zich aan een tehuis voor

verarmde bejaarde dames uit den deftigen stand, waarvan zij het bestuur

op zich nam. Dit tehuis was vervallen en verwaarloosd. De bewoonsters

leden er gebrek aan het allernoodzakelijkste. Maar Florence bracht

er in korten tijd orde en gezelligheid. Daar bleef zij, tot in 1851

de geweldige oorlog uitbarstte in het Oosten, die haar opriep tot de

edele taak, welke haar naam eenmaal zou brengen op aller lippen.

't Was de oorlog van Engeland, Frankrijk en Turkije tegen

Rusland. Juichend had men in Engeland de oorlogsverklaring begroet,

maar helaas, die juichkreten zouden weldra jammerkreten worden. Immers,

het bleek maar al te spoedig, hoe lichtzinnig men de duizenden

Engelsche jongelingen naar het tooneel van den strijd had gezonden,

zonder ook maar op eenigszins behoorlijke wijze voor hunne uitrusting

en verpleging te zorgen.

Vreeselijke berichten drongen tot het vaderland door over de gewonden,

die niet werden verzorgd, de stervenden, die niet werden getroost. De

hevigste ziekten verspreidden zich in de kampen en brachten dood,

angst en vertwijfeling onder de troepen. In juli waren er 6937 zieken,

in September steeg dat getal reeds tot 11.693, in November tot 16.846

en in Januari 1855 werd zelfs het ontzettende cijfer 23.076 bereikt. Er

stierven 390 officieren en 20.707 manschappen. 1407 officieren en

14901 manschappen werden invalide naar huis gezonden. Van een totaal

verlies van 35.598 krijgslieden stierven er op het slagveld slechts

2755 en overleden er 1619 aan bekomen wonden. Al die anderen stierven

tengevolge van ontberingen, slechte verzorging en gebrek aan hulp.

De toestand van het leger was "ellendig, deerniswekkend, hartbrekend,"

schreef een hooggeplaatst officier. "Het had geen schoenen en

geen kapotjassen. Officieren gingen in vodden en konijnenvellen,

manschappen in broodzakken en lompen. Er waren geen medicijnen,

nergens vond men beschutting. Dag in dag uit moesten de ongelukkigen

zwoegen door sneeuw en modder. Zij sliepen in gescheurde tenten, ten

prooi aan de meedoogenlooze stormen van een Russischen winter. In

open loopgraven waren de uitgeputte krijgslieden blootgesteld aan

het vuur van de Russische kanonnen en stonden voortdurend bloot aan

de overvallen van de gevreesde Kozakken. Zij waren gekampeerd op een

doorweekten grond, die bedekt was met sneeuw of bezaaid met plassen

vuil water, verontreinigd door lijken van paarden.

Pest en cholera sleepten de ongelukkigen ten grave, en er waren veel

te weinig officieren van gezondheid, om de zieken te helpen. De meest

gewone hulpmiddelen ontbraken. Er werd geen rekening gehouden met

de reinheid. De sterfte was ontzettend. Vele mannen stierven zelfs,

zonder dat ook maar eene enkele poging in het werk werd gesteld, om

hen redden. Er waren veel te weinig verplegers om te kunnen helpen,

waar dat noodig was. De zieken en gewonden bleven liggen, zooals zij

waren neergelegd door kameraden, die hen op hun rug voorzichtig van

het slagveld naar het hospitaal hadden gedragen, maar niet bij hen

konden blijven.

Den 20en September 1854 werd de slag van Alma geleverd, het eerste

bloedige samentreffen van beteekenis. Na den strijd was het slagveld

bezaaid met dooden en gewonden. De laatsten lagen, zonder hulp,

te kreunen van de pijn. De Engelsche dokters konden het verbinden en

verzorgen niet af. 't Was hartverscheurend, die arme slachtoffers daar

te zien liggen in de brandende zon, zonder iemand om hen te helpen,

of zelfs maar een dronk waters te brengen."

De berichten in de Engelsche dagbladen deden de harten der lezers

trillen van deernis en verontwaardiging.

"Zijn er onder ons dan geen vrouwen vol toewijding," schreef dezelfde

hooggeplaatste officier tot het Engelsche volk, "geneigd en bekwaam om

uit te gaan tot de zorg voor de lijdende soldaten in de hospitalen te

Scutari? Is geen enkele der dochters van het Engelsche volk, nu de nood

dringt, gereed tot dit werk van barmhartigheid? Frankrijk heeft zijne

liefdezusters bij scharen uitgezonden, en aan het leger van gewonden en

stervenden schenken dezen verlichting en vertroosting, zooals alleen

de hand der vrouw die kan schenken. Staan wij, Engelschen, dan zoo

ver beneden de Franschen in zelfverloochening en in toewijding tot

een arbeid, dien Christus zoo bijzonder heeft gezegend als een werk

aan Hem zelven verricht, zeggende: "Ik ben ziek geweest, en gij hebt

Mij niet bezocht."

De treurige berichten in de dagbladen maakten een diepen indruk op

het hart van Florence Nightingale, en dadelijk greep zij naar de

pen om aan Mr. Sidney Herbert, hoofd van het Departement van Oorlog,

hare diensten aan te bieden. Zij verklaarde zich bereid, persoonlijk

naar de hospitalen te Scutari te gaan, om daar alles te doen, wat hare

hand vinden zou om te doen. En wel toevallig: nog voor haar brief het

Departement van Oorlog kon hebben bereikt, ontving zij een schrijven

van de Regeering, waarin haar dringend werd verzocht, de leiding van de

ziekenverpleging in de hospitalen op zich te nemen. Mr. Sidney Herbert

schreef haar, dat zij in de nieuwsbladen zeker wel zou hebben gelezen,

dat er in de hospitalen groot gebrek aan verpleegsters heerschte. Dat

er ook gebrek zou zijn aan medische hulp en verbandmiddelen kon hij

zich niet voorstellen, daar er een voldoend aantal officieren van

gezondheid in het leger aanwezig was en de geneesmiddelen in groote

hoeveelheid afgezonden waren. 't Moest alles ongetwijfeld op een

verkeerde plaats zijn ontscheept, of niet doorgezonden zijn naar de

hospitalen te Scutari. Maar dat er gebrek was aan vrouwelijke hulp,

erkende hij. Hij drong er in zijn schrijven op aan, dat Florence

Nightingale de leiding van de verpleging op zich zou nemen, omdat

zij de eenige vrouw was in Engeland, die hij er toe in staat achtte

aan de tegenkanting, die zij voorzeker van vele zijden zou ontmoeten,

het hoofd te bieden.

Onverwijld begon Florence aan de uitvoering van de haar opgedragen

taak. Zij koos zich een aantal geschikte verpleegsters, om haar naar

Scutari te vergezellen, en stoorde zich niet aan den spot van vele

menschen en zelfs van groote bladen, die het een dwaas denkbeeld

vonden, dat vrouwen op een oorlogsterrein tot iets goeds bekwaam

zouden zijn. Spottend werd er geschreven over de "Nachtegaaltjes,"

die voor zieke soldaten zouden gaan zingen, maar niet de minste kennis

hadden van het verplegen van gewonden en zieken.

Anderen daarentegen juichten het plan van de regeering uitbundig

toe. Iemand schreef van Florence: "Zij is iemand, die God heeft

voorbestemd tot groote dingen. Men behoeft haar maar te hooren spreken,

zelfs nog zonder tot haar te hebben opgezien, om te gevoelen, dat zij

een buitengewone persoonlijkheid is. Zij is eenvoudig, verstandig,

vriendelijk en welwillend. Zij is rijzig van gestalte en mat van

tint. Haar gelaat is uiterst aantrekkelijk, en het beste daarin

is het stralende zieleleven, dat hare wezenstrekken zoo heerlijk

verlicht. Er is niets liefelijker denkbaar dan haar glimlach, die is

als een zonnige zomerdag."

Florence trok zich van het een noch het ander iets aan en ging

voort, met zich voor haar taak voor te bereiden. Veel tijd, om hare

verpleegsters in de kunst van het verplegen te onderrichten, had zij

niet, want zij moest zich zoo spoedig mogelijk aan boord van het schip

begeven, dat haar naar het oorlogsterrein zou overbrengen. Reeds zes

dagen na het ontvangen van den brief van Sidney Herbert, zeilde zij

uit met 38 verpleegsters, en bereikte zonder tegenspoed het groote

hospitaal te Scutari. Daar deed zij hare intrede als Superintendante

van den verplegingsdienst in het Oosten, met den titel van Lady in

Chief. Zij was belast met het oppertoezicht in alle acht hospitalen

aan de Zwarte Zee, waarvan Scutari het middelpunt was. 't Lag op den

top van een hoogen heuvel, en had een prachtig uitzicht op den Bosporus

en op Constantinopel. Het hospitaal was een gewezen kazerne, heerlijk

schoon gelegen in een landschap, dat was, volgens een schrijfster,

als een Hof van Eden,--maar verkeerde in een onbeschrijfelijken

staat van vervuiling en ellende. Met de grootste zorgeloosheid had

men gewonden naast choleralijders gelegd, en de zieken lagen er als

het ware opgepropt. In de eerste maanden van den veldtocht was er aan

alles gebrek geweest. Er was geen huisraad, geen vaatwerk, geen zeep,

geen handdoeken, geen zakdoeken, geen lijflinnen. De gewonden lagen

er in hun van geronnen bloed verstijfde kleeren, zonder zelfs maar

onderzocht, veel minder verbonden te zijn. Zij lagen te sterven in

lokalen, verpeste holen, vol ratten en ongedierte.

En hoe waren die ongelukkigen in dit verblijf der ellende

aangeland? Ontscheept aan den voet van den heuvel, waren zij door hunne

kameraden tegen de hoogte opgesjouwd, of zelfs zonder hulp naar boven

gekropen. En de ongelukkigen kwamen daar om hulp te zoeken,--die er

niet was.

Zelve schreef Florence Nightingale, na haar eerste ronde door de

verontreinigde lokalen te hebben gedaan: "De ligplaatsen der mannen

stonken, en de dekking was van zaklinnen, zoo ruig, dat de zieken

smeekten hun enkel hunne velddekens te laten; en voor mannen, die

in zulk een staat van uitputting verkeerden, was het ook niet om uit

te houden onder die harde lakens. Er was geen enkel stuk huisraad van

welken aard ook. Ledige wijn- en bierflesschen dienden voor kandelaars,

en dat was alles."

Nergens was er gelegenheid, om de kleeren der mannen te wasschen,

en ook rondom het gebouw heerschte de grootste vuilheid. Uit een

raam ziende, ontdekte Florence niet minder dan zes doode honden in

een staat van verregaande ontbinding.

Alles in één woord ontbrak. De gewonden hadden niets dan lompen aan

hun lichaam, en er was geen linnengoed, om ze te vervangen. Zelfs

waren er geen keukens. Er werd slechts gekookt in groote ketels,

op open wachtvuren. 't Eten was òf half gaar, òf bijna rauw. De

hospitaal-dokters waren òp van vermoeidheid en konden haast niet

meer voort. De komst van Florence Nightingale beschouwden zij als

een nieuwen last bij hun toch al zoo zware taak. Immers, wat zou deze

vrouw, die boven hen gesteld was en wie zij dus moesten gehoorzamen,

anders geven dan de meest dwaze bevelen?

De toestand werd nog donkerder, toen enkele uren na de aankomst

van Florence Nightingale de gewonden in den slag bij Inkerman

in schrikbarenden getale werden aangebracht. De zalen waren reeds

overvol, zoodat de ongelukkigen in de gangen op den grond moesten

worden neergelegd. Sommige moesten zelfs tevreden wezen met een

ligplaats op den vervuilden grond buiten het gebouw. Vijf dagen hadden

zij aan boord van het schip doorgebracht, en nòg waren hunne wonden

niet gereinigd, nog veel minder verbonden. Bij dozijnen stierven zij

weg tengevolge van uitputting en ellende.

't Was hartverscheurend.

Florence Nightingale, wier hart bloedde bij het aanschouwen van al deze

ellende, begreep, dat hier krachtig moest worden gehandeld. Zij liet

met milde hand groote hoeveelheden versterkende middelen uitdeelen,

die zij op eigen kosten had medegebracht. Overal en in alles bracht

zij orde en verbetering. De gebouwen werden gereinigd, de gewonden

afgezonderd van de lijders aan cholera en andere besmettelijke

ziekten. Zij gaf de noodige bevelen, opdat het hospitaallinnen en

de geneesmiddelen, die wel van uit Engeland gezonden maar nog niet

aangevoerd waren, omdat alles nog in de schepen opgeladen lag, ten

spoedigste naar de verschillende hospitalen werden afgezonden. Zonder

aarzelen, zonder zich te storen aan tegenkanting en bezwaren van

anderen, bracht zij den hospitaaldienst op geregelden voet, zoodat zij

binnen tien dagen reeds eene keuken in werking had, waar dagelijks

voor 800 man versterkende levensmiddelen werden bereid. Zij richtte

eene wasscherij in voor de kleeding van de zieke soldaten en zorgde

er voor, dat het vervuilde beddegoed werd ontsmet. Op eigen kosten

liet zij duizend hemden uit Constantinopel komen, en zij wist in den

vreeselijken warboel in korten tijd orde en regel te scheppen. Haar

arbeid werd een zegen voor duizenden. Waar zij aan de bedden der

zieken verscheen, overal riep hare tegenwoordigheid een glimlach van

dankbaarheid op de van pijn verwrongen gelaatstrekken der arme gewonden

en zieken. Hare verschijning was als van een engel, en zij waarde door

de groote zalen rond als de fee van het geluk. Zelfs voor de vrouwen,

die hare mannen op het oorlogsveld waren gevolgd, zorgde zij met de

meeste toewijding. Zij gaf haar werk in de keuken en de wasscherij, en

richtte zelfs voor de kinderen een school en een kinderbewaarplaats op.

In korten tijd had zij allen onwil en tegenkanting overwonnen, en

stormenderhand had zij de harten veroverd van allen, die met haar in

aanraking kwamen.

Zij gunde zichzelve geen oogenblik rust. En 't zou nog erger worden,

het uiterste zou van de toewijding van deze edele vrouw worden

gevergd. De troepen hadden het beleg geslagen om Sebastopol, waar

zij dikwijls 36 uren aan een stuk dienst moesten doen, met alleen

wat pekelvleesch met suiker, een slok rum en een paar beschuiten tot

voedsel. De dienst in de loopgraven gedurende, de koudste wintermaanden

deed den ongelukkigen de ledematen bevriezen, terwijl bovendien

nog cholera en dysenterie met vernieuwde felheid hunne slachtoffers

kozen. De hospitalen lagen overvol. Meer dan 5000 zieken waren over de

verschillende inrichtingen verdeeld. In de gangen gingen steeds twee

reeksen van draagbaren in tegengestelde richting elkander voorbij, een,

die de gewonden aanvoerde, de andere, die de dooden wegdroeg. 't Was

vreeselijk om aan te zien. De cholera-patienten stierven meestal binnen

den tijd van vijf uren, de ongelukkigen, die met bevroren ledematen

werden binnengebracht, leden de afschuwelijkste pijnen. De kleeren

waren aan hunne lichamen vastgevroren, en bij het verwijderen van de

schoenen, hoe voorzichtig ook gedaan, kwamen steeds de teenen mede.

Florence scheen wel overal tegenwoordig te zijn. Men zag haar

troostend verwijlen aan de bedden der stervenden, luisterende naar

hunne laatste wenschen, om hun groeten en laatste spaarpenningen over

te brengen aan de geliefden in het vaderland, dat zij nooit zouden

terugzien,--zij bemoedigde de gewonden, die vreeselijke operaties

of amputaties moesten ondergaan, wat in die dagen nog niet pijnloos

geschiedde, omdat chloroform nog weinig werd gebruikt,--of zij gaf

versterkende middelen aan de zwakken, die van uitputting dreigden

te sterven. En daarbij hield zij toezicht op alles, wat er in de

hospitalen geschiedde, op de reiniging, op de voedingsmiddelen, op

de verpleging der zusters, en zelfs ook over de laatsten waakte zij

met groote liefde, opdat zij niet te veel van hare krachten zouden

vergen en zichzelven daardoor te gronde richten.

En wanneer 's nachts de doctoren reeds lang weg waren en men slechts

de zusters, die de wacht hadden, zich geruischloos zag bewegen, dan

deed nog Florence Nightingale met een brandende lamp in de hand,

de ronde door de groote zalen vol lijdenden, om nog een kussen te

verschikken hier, een dronk waters te reiken daar, een woord van

troost en bemoediging te spreken tot een stervende elders. Met innige

vereering zagen de stumperds dan op tot de Vrouw met de lamp, die

voor hen een engel der liefde was in deze gebouwen der verschrikking.

Toen zij zes maanden onafgebroken had gearbeid in Scutari, en de lente

gekomen was, begaf zij zich naar het Schiereiland de Krim, om met

eigen oogen te zien, hoe het met de verpleging der gewonden gesteld

was op het oorlogsterrein. Bij hare aankomst aldaar wenschten de

autoriteiten haar met groote plechtigheid te ontvangen, maar toen zij

aan het schip kwamen, was Florence daar reeds niet meer. Zij was reeds

aan land gegaan en had al met hare inspectie een begin gemaakt. Van

den top van een hoogen heuvel overzag zij het oorlogsveld. Daar

zag zij de duizenden witte tenten, hoorde zij de trompetten steken,

de kanonnen bulderen en de trommen roffelen.

Zij begaf zich te midden van de soldaten, die haar niet kenden. Maar

nauwelijks drong het gerucht tot hen door, dat het Florence Nightingale

was, die zij in hun midden hadden, of zij werd met een oorverdoovend

hoerageroep door hen begroet. Op dat oogenblik ontving zij den dank

van het leger voor al hare toewijding en liefde, aan de zieke en

gewonde soldaten betoond.

In hare inspectiereis werd zij gestoord door een ernstige ziekte, die

haar aan den rand van het graf bracht. Dagen lang lag zij doodelijk

krank ter neder, en reeds ging in de hospitalen de treurige mare rond,

dat zij overleden was. De dokters raadden haar aan, naar Engeland

terug te keeren en daar haar volledig herstel af te wachten. Maar

zij wilde er niet van hooren, en keerde, zoodra hare krachten haar

dat toelieten, naar Scutari terug, om zich daar opnieuw aan de haar

opgedragen taak te wijden.

Eindelijk moest Sebastopol bezwijken, in September 1848, en werden

de vredesonderhandelingen geopend, die aan den bloedigen oorlog een

einde zouden maken.

Maar Florence Nightingale achtte hare taak nog niet afgedaan. Zij

begaf zich naar de Krim, en vestigde het hoofdkwartier van den

verplegingsdienst op een der Balaclavaheuvels. Zij leef de daar

met drie zusters in een kleine keet, bestaande uit drie kamers,

midden tusschen de barakken. 't Was ijzig koud, 's nachts bevroor

daar alles, tot zelfs de inkt. Eens werden de zusters wakker onder

een laag van sneeuw, die door de reten van de keet naar binnen was

gewaaid. Maar Florence, onvermoeid en opofferend als zij was, liet zich

door sneeuwjacht noch vorst weerhouden, dagelijks de barakken en de

tenten te bezoeken, waar zij alles deed om de soldaten, die hersteld

waren van hunne wonden, aangenaam bezig te houden. Zij stichtte kleine

bibliotheken voor hen, waarvan een dankbaar gebruik werd gemaakt. Zelfs

richtte zij een spaarkas op, waar de soldaten hunne spaarpenningen in

bewaring konden geven, waardoor zij in staat werd gesteld iedere maand

ongeveer 12000 gulden naar Engeland te zenden voor de familieleden der

soldaten. Zij deed dat, omdat de mannen zich veel aan dronkenschap

overgaven en al hun geld voor sterken drank uitgaven. Die spaarkas

was eene ware weldaad, wat ook de Regeering inzag. Deze richtte zelfs

vijf hulppostkantoren op, waar het geld kon worden ingebracht.

Ongeveer April 1856 werd de vrede geteekend. De soldaten werden

ingescheept, om naar het vaderland terug te keeren. En eerst, toen

het laatste hospitaal gesloten was, rekende ook Florence Nightingale

zich ontslagen van hare taak. Voor haar vertrek liet zij op een der

hoogste heuvels van Balaclava uit eigen middelen een hoog marmeren

kruis oprichten als een gedenkteeken voor de gesneuvelden. 't Was

twintig voet hoog, en tot ver in zee zichtbaar.

Hoe hoog hare diensten werden gewaardeerd, kan hieruit blijken, dat zij

als afscheid van den Sultan een kostbaren diamanten armband ontving,

terwijl koningin Victoria haar een halssieraad schonk, bestaande uit

een St. Joriskruis met het naamcijfer der koningin, en daaromheen,

als randschrift: "Zalig zijn de barmhartigen."

't Was te verwachten, dat het Engelsche volk haar, bij het terugkeeren

in het vaderland, eene grootsche hulde wilde brengen. Reeds had men

eene groote som gelds bijeengebracht, niet minder dan een half millioen

gulden, welke men haar wilde aanbieden als blijk van erkentelijkheid

van het Engelsche volk. En nog dagelijks stroomden de gelden toe. Er

verschenen brochures, waarin haar groote lof werd toegezwaaid over

haar werk van menschlievendheid, de nieuwsbladen gaven artikelen

vol groote waardeering, men maakte lofzangen ter harer eer, en haar

portret lag voor alle winkelramen.

Van eene grootsche ontvangst kon echter niets komen. De bescheiden

Florence onttrok zich aan alle openlijke hulde, door zich te Marseille

te ontschepen en naar Parijs te gaan, waar zij eenigen tijd rust

nam. Daarna begaf zij zich onder den aangenomen naam van Miss Smith

naar Engeland en bereikte, zonder opgemerkt te zijn Lea Hurst, het

landgoed van haar vader.

Maar hare aankomst werd spoedig bekend, en duizenden bij duizenden

trokken op naar het park van Lea Hurst, in de hoop haar, al was het

ook maar in de verte, te mogen aanschouwen. IJdele hoop. Florence,

"de heldin van de Krim," bleef meestal onzichtbaar. Zij hield zich in

hare vertrekken teruggetrokken, om uit te rusten van de doorgestane

vermoeienissen, die haar gestel krachtig hadden aangegrepen. Haar

gezondheid was voor goed geknakt en er bestond weinig hoop, dat zij

ooit weder geheel zou herstellen.

Toch bereikte zij een zeer hoogen leeftijd. Enkele dagen geleden,

in Augustus 1910, overleed zij ruim 90 jaren oud, en geen blad ter

wereld is er, dat niet eenige kolommen wijdt aan hare nagedachtenis

en aan de schoone daden, door haar, gedurende haar geheele leven,

verricht. Want ook na hare terugkomst uit den Krim-oorlog bleef zij

voortbouwen op het eenmaal gelegde fundament, waardoor zij het mocht

beleven, dat door de, oprichting van het Roode Kruis de verpleging te

velde op vasten grondslag werd geregeld. Dat was de kroon op haar werk.

Eene schrijfster vermeldt, dat aan een maaltijd van uit den Krimoorlog

terugkeerende officieren aan elk een strookje papier werd gegeven,

met het verzoek, daarop den naam te schrijven van den persoon,

wiens diensten wel het langst en het dankbaarst bij het nageslacht

in herinnering zouden blijven.

En al de briefjes droegen, zonder uitzondering, den naam van Florence

Nightingale.

Wel een bewijs, welk een gezegende arbeid door haar is verricht. Haar

gansche leven was één gouden daad.

Gouden Daden · 第 34 / 36 题