UIT HET LAND DER VERSCHRIKKING.

Lopouloff was een kapitein van het Russische leger onder de regeering

van Czaar Paul I en had, om ons onbekende redenen, een vreeselijk

vonnis tegen zich hooren vellen. Een misdadiger kon hij in geen geval

genoemd worden. Vermoedelijk had hij eene onvoorzichtigheid begaan,

die het wantrouwen van zijn keizerlijken meester had opgewekt,

en dat alleen was reeds voldoende, om levenslang naar Siberië te

worden verbannen. Een vreeselijke straf! Siberië wordt het land der

verschrikking genoemd, en duizenden bij duizenden hebben daar in

den loop der eeuwen hun leven in droefheid en ellende gesleten. Ook

nu nog wordt die straf maar al te dikwerf toegepast. Ook nu nog

worden de ongelukkige bannelingen, met kettingen aan elkander

verbonden en door zweepslagen voortgedreven, naar dat rampzalige

oord getransporteerd. Wèl wordt de straf tegenwoordig niet meer

in al hare gestrengheid toegepast, wel zijn aan de arme bannelingen

enkele voorrechten toegestaan, maar nog altoos is eene verbanning naar

Siberië voor elken Rus een straf, die den veroordeelde menigmaal tot

vertwijfeling brengt.

Ook Lopouloff werd daarheen gevoerd, niet als een misdadiger,

aan handen en voeten in ketenen geklonken, en veroordeeld om zijn

verder leven door te brengen als arbeider in de mijnen,--maar als

staatsgevangene. Hij mocht zijn gezin meenemen en kreeg van den

Staat eene kleine toelage, waarvan hij op armoedige wijze in zijn

nooddruft kon voorzien. Was die toelage onvoldoende, dan kon hij door

jacht of landbouw zijne inkomsten eenigermate vergrooten. Maar--het

koude klimaat en de dorre grond waren voor den landbouw ongunstig,

en de jacht leverde ook bitter weinig op.

Kapitein Lopouloff werd naar het dorp Ischim gevoerd, dat gelegen

was ten noorden van Tobolsk. 't Was voor den armen banneling een

groote troost, dat zijn vrouw niet van hem wilde scheiden en met

hem meetrok naar het oord der verschrikking. En ook zijn eenig kind,

zijn driejarig dochtertje Prascovia, bleef nu voor hem behouden. O,

als hij ook dat kind, zijn oogappel, had moeten missen, als hij haar

lief, kinderlijk gebabbel niet meer had gehoord, hare lachjes niet

meer had gezien, hare mollige armpjes niet meer om zijn hals had

gevoeld,--dan zou de dood hem welkomer zijn geweest. Hij ontving

slechts tien kopekken per dag, niet meer dan twintig cents dus,

om in de behoeften van zijn gezin te voorzien. Wel een klein bedrag

voor iemand, die tot nog toe als kapitein bij het Russische leger in

de hoogere standen der maatschappij in weelde had geleefd. Gelukkig,

dat zijn vrouw hem in de grootheid van haar hart ter zijde bleef en

hem troostte en bemoedigde. Met een moed boven ieders lof verheven

schikte zij zich in de moeilijke omstandigheden, waarin het lot

haar had geplaatst, en toonde zij haar man en kind steeds een blij

gezicht. Zij was het zonnetje in het huis der ellende, dat met hare

stralen de huisgenooten verkwikte en verwarmde.

De kleine Prascovia leed het minst van allen onder de veranderde

omstandigheden. 't Ging met haar als met een vogel, die nooit de

vrijheid heeft gekend, nooit op trillende wieken het zonnelicht al

zingende is tegemoet gesneld, nooit rondgedarteld heeft in de takken

en twijgen der boomen. Hij beschouwt immers zijne kooi als de wereld

en haakt niet naar de vrijheid.

Ook Prascovia had de schoone wereld met al hare heerlijkheden niet

gekend. Het koude, donkere Siberië was al spoedig háár wereld geworden,

waarin zij lachte en speelde, danste en zong. Heerlijk vond zij het,

op haar vaders knie te zitten en paardje te rijden, of te luisteren

naar de vertellingen van hare moeder.

En toen zij ouder werd, hielp zij haar vader werken op het land,

of arbeidde zij zelfs wel in het dorp bij de andere bannelingen,

om als loon een bundeltje rogge thuis te kunnen brengen.

Zoo groeide zij op tot een meisje van vijftien jaar, te midden van

veel ijs, sneeuw en duisternis. Maar toen ook begon het langzamerhand

tot haar door te dringen, hoe diep ellendig hare ouders zich wel

moesten gevoelen in dit rampzalige oord, waar de zon niet door de

nevelen kon dringen, waar de aarde bijna een woestenij was, en waar

een ellendige hut hun tot woning diende. O, Prascovia had hare ooren

goed open gehad, zoo dikwijls zij anderen hoorde spreken over die

andere wereld, ver van daar, waar alles zooveel heerlijker was en

waar de menschen mochten gaan en staan, waar zij wilden, en waar

vroolijkheid heerschte en levenslust.

En dáár hadden immers hare ouders eenmaal gewoond, dat heerlijke

leven hadden zij gekend en genoten, daar hadden zij in volle vrijheid

geleefd en zich gelukkig gevoeld. En van dien tijd af werd het meisje

stil en in zichzelf gekeerd. Hare vroolijkheid verdween meer en meer,

en al hare gedachten waren samengetrokken op een enkel punt, namelijk

hoe zij hare ouders zou kunnen verlossen uit den poel van ellende,

waarin zij waren nedergestort.

Lopouloff had zich tot nog toe goed gehouden, maar nu hij bij zijn

geliefd kind alle vroolijkheid en opgeruimdheid meer en meer zag

verdwijnen, wat hij toeschreef aan een onuitgesproken verlangen naar

de vrijheid,--toen verloor ook hij allen levenslust. Hij besloot,

een verzoekschrift tot den Gouverneur van Siberië te richten, om in

vrijheid gesteld te worden. Zijne ballingschap had nu reeds twaalf

jaren geduurd. Hij stelde zijn geschrift aan een officier ter hand,

die hem beloofde het aan den Gouverneur over te brengen en tevens

zijn voorspraak te zullen zijn.

Eerst wachtte hij geduldig af, wat er het gevolg van zou zijn. Maar

toen de eene koerier na den anderen van Tobolsk kwam, zonder eenig

antwoord op zijn brief te brengen, toen verviel hij langzamerhand

tot groote somberheid, en begon hij jammerlijk te klagen over zijn

bitter lot, en stortte hij tranen, als hij aan zijn kind dacht,

dat opgroeide in ellende, niet het minste onderwijs had genoten en

op het land onder vreemden arbeidde als een lijfeigene.

Er heerschte toen somberheid zoowel in als buiten de armoedige stulp,

die zij bewoonden. Elken avond, voordat Prascovia naar bed ging,

knielde zij neer en bad God om uitredding voor haar arme ouders, die

wegkwijnden van verdriet. En eenmaal, toen zij weer hare gebeden opzond

tot den Allerhoogste, schoot haar plotseling als een bliksemstraal

de gedachte door het hoofd:

"Waarom zou ik zelf niet naar Petersburg gaan en den machtigen Czaar

om genade voor mijn vader smeeken?"

Die gedachte verliet haar geen oogenblik meer, maar zij durfde er

met hare ouders niet over spreken.

't Was immers toch een onmogelijkheid?

Toch kon zij er eindelijk niet langer over zwijgen, en sprak zij er

hare ouders over.

Haar vader keek haar eenigszins spottend aan, en zeide tot zijne vrouw:

"Zoo'n dwaas kind! Dat wil naar Petersburg gaan, naar den Czaar,

om genade voor mij te vragen! Hoe bedenkt ze het in vredesnaam!"

"Ze deed beter met op haar werk te letten," sprak hare Moeder. En

toen Prascovia in tranen uitbarstte, gaf hare moeder haar een laken,

en zei lachend:

"Hier, mijn kind, dek de tafel voor het eten,--en dan mag je naar

Petersburg gaan."

Prascovia hield echter, nu zij er eenmaal over begonnen was, voet

bij stuk en verdedigde haar plan met al de middelen, die haar ten

dienste stonden. Telkens kwam zij er opnieuw op terug en geen dag

ging er voorbij, dat zij haar ouders niet smeekte haar toestemming te

geven om de groote reis te ondernemen. Haar vader werd er eindelijk

wrevelig over en verbood haar kort en goed, dit onderwerp ooit weer

aan te roeren. 't Was immers eene onmogelijkheid? Hoe zou een jong

meisje geheel alleen die groote reis maken, zonder zelfs eenig geld

tot hare beschikking te hebben. En dan eene reis zoo moeilijk en vol

gevaren als deze?

"Ik verbied je er ooit weder een woord over te spreken. 't Is een

onzinnig plan, dat je zoo spoedig mogelijk uit je gedachten moet

zetten!"

Zoo gingen weer drie jaren voorbij, jaren, waarin de ellende in de

kleine kluis nog grooter werd, daar hare moeder door eene ernstige

en langdurige ziekte werd aangetast, die haar aan den rand van het

graf bracht.

Toen eerst leerden hare ouders de groote liefde van hun kind

kennen. Niet alleen had zij voor de huishouding te zorgen, maar

bovendien moest zij hare zieke moeder verplegen, van welke zware taak

zij zich met zooveel liefde en zelfopoffering kweet, dat hare ouders

haar niet langer als een kind beschouwden, en voortaan met meer ernst

toeluisterden, als zij weer haar plan ter sprake bracht.

Eindelijk gelukte het haar toestemming te verkrijgen, om de groote reis

te ondernemen. Maar daaraan had zij niet genoeg. Zonder toestemming

van den Gouverneur mocht zij Ischim niet verlaten. Ze zou, indien ze

het toch deed, ongetwijfeld binnen korten tijd weer naar haar dorpje

worden teruggevoerd. Zij had een paspoort noodig, en het verkrijgen

daarvan scheen een moeilijke zaak. Verzoekschrift op verzoekschrift

zond zij aan den Gouverneur, maar al hare brieven bleven onbeantwoord.

Zoo gingen weer zes maanden voorbij, toen eindelijk een koerier het

lang gewenschte stuk bracht. Zij kreeg werkelijk verlof, Siberië te

verlaten en de groote reis te ondernemen.

Maar zie, nu het gewichtige oogenblik eindelijk was gekomen, trok haar

vader, bevreesd voor de gevaren, die zijn geliefd kind op den grooten

tocht bedreigden, zijne toestemming in, en weigerde hij haar te laten

gaan. Het paspoort nam hij onder zijne berusting en sloot het weg.

Prascovia barstte in tranen uit, en smeekte zoo lang, dat haar vader

ten slotte toegaf. Toch beproefde hij nog, haar van haar plan terug

te brengen.

"Goed," zei hij, "je kunt gaan, kind, omdat ik zie, dat je niet

anders wilt. Maar heb je wel bedacht, dat je niet eens tot den keizer

zult worden toegelaten? Weet je wel, dat schildwachten zijn paleis

bewaken en dat het je nooit gelukken zal, den drempel daarvan te

overschrijden? En zou je in je armelijke kleeren bij den keizer

toegelaten willen worden? Kom, kom, er is geen denken aan."

"Toch ga ik, en God zal mij helpen," hield Prascovia vol. Zoo had zij

dan eindelijk alle bezwaren overwonnen en zou zij met toestemming

van hare ouders de reis ondernemen. Het vertrek werd op den 8en

September bepaald. Bij het krieken van den dag stonden zij op. Zij

had het weinige, dat zij op haar tocht zou meenemen, geborgen in een

klein zakje, dat zij om den hals droeg onder hare kleeren.

Vader, moeder en dochter waren hoogst ernstig gestemd en spraken

weinig. Toen de eerste zonnestraal door het venster naar binnen drong,

begaven zij zich volgens Russisch gebruik in het gebed, en smeekten

zij God om Zijn hulp en bijstand. Daarna breidde de vader zijne armen

over het hoofd van zijn dochter uit en gaf haar zijn zegen. Hij reikte

haar ook een zilveren roebel toe, een geldstuk ter waarde van ongeveer

twee gulden. 't Was alles, wat hij haar kon meegeven.

"Och, waartoe zou dat geld mij dienen," zei Prascovia. "'t Is te

weinig, om mij van nut te kunnen zijn, terwijl het voor u een groote

waarde vertegenwoordigt. Houd u het maar."

Hiervan wilde haar vader echter niet weten en hij dwong haar

het geldstuk aan te nemen. Er kwamen ook nog twee van de armste

bannelingen, die haar dertig kopekken aanboden en een stukje

zilverwerk. Maar Prascovia, hoewel getroffen door deze eenvoudige daad,

weigerde beslist, ze aan te nemen.

Toen nam zij een teeder afscheid van hare ouders en ging op weg. Hare

ouders staarden haar met betraande oogen na, tot zij haar niet meer

zien konden. En de beide arme vrouwtjes vergezelden haar zoover

het haar geoorloofd was. Voordat zij afscheid van haar namen,

achterhaalden zij eenige meisjes, die op een der dorpen woonden,

waar Prascovia langs moest. Deze meisjes waren zeer vriendelijk voor

haar en een van haar bood haar zelfs een nachtverblijf aan, waarvan

Prascovia dankbaar gebruik maakte. 's Morgens vroeg vervolgde zij

haar tocht weer, maar 't was moeilijk voor haar, den rechten weg te

vinden. Als zij iemand den weg naar Petersburg vroeg, keek men haar

aan, of zij niet goed bij haar verstand was, of wel men lachte haar

smakelijk uit over zoo'n domme vraag. Petersburg immers lag op zoo'n

verbazend grooten afstand, dat men hier in Holland even goed aan een

voorbijganger zou kunnen vragen: "Loop ik zoo goed naar Rome?"

Den tweeden dag dwaalde zij dan ook van den rechten weg af en kwam

eenige uren na haar vertrek tot hare verbazing in hetzelfde dorp terug,

waar zij den nacht had doorgebracht. Zij gaf echter den moed niet op,

maar begon haar tocht opnieuw. 't Was uiterst moeilijk voor haar,

om eenigszins de richting te bepalen, die zij nemen moest, want namen

van steden en dorpen, die zij op haar weg passeeren moest, kende zij

niet. Eindelijk meende zij, dat de stad Kiev wel de eerste plaats

van beteekenis was, die zij bereiken moest, en zoo vroeg zij steeds,

hoe zij loopen moest, om daar te komen.

Als de avond viel, trachtte zij hier of daar bij vriendelijke menschen

een nachtverblijf te vinden. Op kleinere plaatsen gelukte haar dat

meestal nog al goed, maar op de grootere kostte het haar niet weinig

moeite. Meestal werd zij aan de deur op ruwe wijze afgesnauwd, en

menigmaal moest zij hooren, dat men voor dieven en landloopsters

geen nachtverblijf beschikbaar had. Als zij honger en dorst kreeg,

bedelde zij aan de huizen om een bete broods of een dronk waters,

wat haar in de meeste gevallen gaarne gegeven werd.

Toen zij eens den geheelen dag geloopen had en vermoeid was, werd

zij tegen den avond overvallen door een vreeselijken storm, en

de regen viel bij stroomen neder! 't Werd zwaar weer, zoo zelfs,

dat op korten afstand vóór haar een boom ontworteld werd en met

een zwaren slag op den grond neerplofte. Bijna was zij er onder

verpletterd geworden. Angstig keek zij uit, of zij ergens in den

omtrek huizen ontwaarde, maar zij zag er geen. Alleen een dicht

kreupelbosch bood haar eenige bescherming aan. Zij zocht daar dan

ook haar toevlucht. Zij werd doornat en beefde van koude. En met

schrik zag zij, dat de duisternis snel toenam en dat zij gedwongen

zou zijn, den nacht onder den blooten hemel te moeten doorbrengen. Een

vreeselijke gedachte voor de arme Prascovia. De wind loeide door het

geboomte en deed haar huiveren van koude en angst. Hare kleeren waren

doorweekt van den regen en de honger kwelde haar. Met den rug tegen

een boomstam geleund, bracht zij den langen nacht onder angst en

beving door. Eindelijk bedaarde de storm, en bij zonsopgang verliet

Prascovia hare schuilplaats, om haar tocht voort te zetten.

Gelukkig reed haar een boer achterop, die haar een plaatsje op zijne

kar aanbood. Zoo bereikte zij tegen acht uur een dorp, waar de boer

haar midden op de straat afzette. Het arme meisje zag er ontoonbaar

uit. Hare kleeren zaten vol modder en waren doornat. Zij vroeg aan

verscheidene huizen om een stuk brood en smeekte hare kleeren te mogen

drogen, maar zij werd overal afgewezen. De jongens jouwden haar uit

voor dievegge en landloopster en wierpen haar met steenen. Uitgeput,

half verhongerd en moedeloos ging zij voor een huis op den stoep

zitten, maar zij werd er al spoedig vandaan gejaagd. Voor eene andere

woning was ze al even ongelukkig. Ten slotte bereikte zij de kerk. Ha,

dáár zou men haar toch den toegang niet weigeren. Haastig snelde zij

er heen, maar helaas, de deur was gesloten. Ze ging voor het portaal

zitten en barstte in tranen uit.

Op dat oogenblik naderde haar eene vrouw, die blijkbaar medelijden

met haar had.

"Wat scheelt u, meisje?" vroeg ze.

Toen vertelde Prascovia haar van den verschrikkelijken nacht, dien

zij had doorgebracht, en hoe hongerig en moede zij was.

"Ga mede naar mijn huis," sprak de vrouw.

Prascovia wilde opstaan, maar hare beenen weigerden haar den

dienst. Zij waren geheel verstijfd, en hare voeten waren gezwollen. Ook

had ze een van hare schoenen verloren.

Er kwamen meer menschen toeloopen, en toen zij hoorden, hoe dit

meisje hier gekomen was en hoe zij den nacht onder den blooten

hemel had doorgebracht, en toen zij zagen, hoe pijnlijk hare voeten

waren,--toen hadden zij medelijden met haar en brachten haar op eene

kar naar de woning van de goede vrouw, die vol medelijden haar een

onderdak aanbood.

Prascovia was zoo uitgeput, dat zij verscheidene dagen in

de vriendelijke woning moest blijven, eer zij haar tocht kon

voortzetten. Van een der dorpelingen kreeg zij een paar nieuwe

schoenen. Zij toonde hare dankbaarheid, door voor haar vriendelijke

gastvrouw naaiwerk te verrichten. Toen zij hersteld was, nam zij

afscheid en ging verder.

Op een anderen keer had zij eene ontmoeting, waaraan zij later niet

dan met ontzetting kon terugdenken.

Ze was tegen den avond in een dorp gekomen en had overal tevergeefs om

een nachtverblijf gevraagd. Eindelijk kwam zij aan het laatste huis,

en herhaalde ook daar hare bede. De man keek haar een oogenblik scherp

onderzoekend aan, en wees haar toen op ruwe wijze af.

Maar een oogenblik later riep hij haar terug. Zij trad dus de

woning binnen, doch zag tot haar schrik, dat de deur door palen werd

afgesloten. En ook zag ze, dat zoowel de man als de vrouw een zeer

ongunstig uiterlijk hadden.

"Waar kom je vandaan?" vroeg de man.

"Van Ischim," zei ze. "Ik ga naar Petersburg."

"Naar Petersburg? En heb je geld genoeg voor zoo'n groote reis?"

"Slechts 80 kopekken," antwoordde Prascovia, die blij was, dat ze

op dat oogenblik niet meer geld in haar bezit had. Ze was stellig

overtuigd, dat de menschen, bij wie ze in huis was, slechte bedoelingen

hadden en haar wilden bestelen, misschien zelfs wel vermoorden.

"Je liegt!" schreeuwde de man haar toe. "Niemand maakt zoo'n groote

reis zonder geld."

En toen Prascovia volhield, dat zij niet meer bezat, werd de man ruw

en woest, wat haar zeer beangstigde. Gaarne was zij dit ongastvrije

dak ontvlucht, maar de deur was zorgvuldig gesloten en zij zag geen

kans haar te openen. Bovendien zou haar dat stellig belet zijn.

Eindelijk zette de vrouw haar wat gekookte aardappelen voor en zei,

dat ze op de kachel mocht liggen om te slapen, zooals dat bij de arme

Russen gebruikelijk is.

Prascovia deed dat, maar zij durfde niet te gaan slapen. Zij was

overtuigd, dat de menschen slechte bedoelingen hadden. In die

overtuiging werd zij versterkt, toen zij de vrouw haar man hoorde

toefluisteren:

"Zij moet meer geld hebben. Ik zag om haar hals een koord met een

zakje er aan. Daar moet het geld in zijn."

Prascovia lag doodstil. Opeens bemerkte zij tot haar schrik, dat

de vrouw op de kachel klom en, in de meening, dat zij sliep, haar

het taschje van den hals nam en keek, hoeveel geld het bevatte. Ook

onderzocht zij hare kleeren en zelfs hare schoenen. De man lichtte

haar bij tijdens dat onderzoek.

Toen de beide menschen alles doorsnuffeld hadden, gingen zij

slapen. Prascovia had een verschrikkelijk oogenblik doorleefd. Zij

meende niet anders, of die menschen zouden haar vermoorden. Maar nu

zij sliepen, werd zij kalmer en viel eindelijk ook in een diepen slaap,

waaruit zij niet ontwaakte, dan toen de vrouw haar riep.

Deze was nu zeer vriendelijk voor haar en gaf haar een uitstekend

ontbijt, en ze deed Prascovia allerlei vragen. 't Scheen wel een heel

ander mensch dan den vorigen avond. Ze sprak ook over het onderzoek,

dat zij toen had ingesteld.

"Wij dachten, dat je oneerlijk was, maar je zult later wel merken,

dat wij geen dieven zijn of slechte bedoelingen hadden," zei ze

tot Prascovia.

Deze was blij, toen zij de woning goed en wel verlaten had, maar

toen zij later haar taschje nakeek, zag zij, dat er geen 80 kopekken

in waren, maar 120. De oude vrouw moest er dus 40 bijgedaan hebben,

en Prascovia had haar ten onrechte gewantrouwd.

Eenigen tijd later werd zij door eenige dorpshonden

aangevallen. Verschrikt hief ze haar stok op en trachtte de woeste

dieren te verjagen, maar dat gelukte haar niet. Met woest geblaf

sprongen zij om haar heen. Vol angst liet zij zich eindelijk voorover

op den grond vallen, haar gelaat met de handen bedekkende. O,

ongetwijfeld zouden de beesten haar thans verscheuren!--Maar zie,

de honden besnuffelden haar maar even en deden haar in 't geheel geen

kwaad. En een voorbijkomende boer joeg hen weg met zijn stok.

Zoo reisde Prascovia steeds verder, tot zij eindelijk in haar tocht

werd gestuit door een hevigen sneeuwstorm, die niet minder dan acht

dagen aanhield en de aarde met een dikke laag sneeuw bedekte.

Gelukkig vond Prascovia een gastvrij onderdak, waar zij door het

doen van de wasch en het verrichten van naaiwerk zich verdienstelijk

trachtte te maken. Toen de storm uitgewoed had, wilde Prascovia

vertrekken, maar de boeren verklaarden, dat het zelfs een sterken

man het leven zou kosten, indien hij te voet eene lange reis door de

sneeuwvelden ondernam. Zij raadden haar aan te wachten, tot er een

convooi van sleden door het dorp kwam, dat elk jaar daar langs trok,

om naar Jekaterinenburg te gaan met goederen voor het kerstfeest. Na

eenige dagen verschenen de drijvers dan ook met hunne sleden. De

boeren vertelden hun, dat Prascovia op weg was naar Petersburg,

om genade voor haar vader te vragen, en verzochten aan de drijvers,

haar een plaatsje op een van de sleden te geven. Dat wilden zij gaarne

doen. De drijvers hadden medelijden met haar en bewonderden ook hare

liefde voor haar ouders en haar moed.

't Was heerlijk voor Prascovia, op deze gemakkelijke manier hare

reis te kunnen voortzetten, want zij was door en door vermoeid. Maar

ongelukkig waren hare dunne kleeren totaal onvoldoende, om haar tegen

de snerpende koude te beschutten, en zelfs, toen de mannen haar met

hunne mantels bedekten, bleek de koude nog te hevig. Na eene reis

van vier dagen tilde men haar aan een eenzame halte verstijfd van

de slede, en bleek het, dat hare wang bevroren was. Dadelijk wreven

de drijvers haar met sneeuw, waardoor erger voorkomen werd, maar zij

durfden haar toch niet verder meenemen, als zij geen schapenvacht had

om zich te verwarmen. Prascovia had geen geld om er een te koopen,

en toen hare brave geleiders het geld bij elkaar hadden gelegd,

bleek er zelfs op deze eenzame plaats geen te koop te zijn.

Toen besloten zij, Prascovia een schapenvacht van een hunner af

te staan, en het om beurten zelf zonder zulk een onmisbare pels te

doen. Zoo kwam Prascovia te Jekaterinenburg aan, vol dankbaarheid

jegens de goede lieden, die haar met zooveel zelfopoffering hadden

voortgeholpen.

In deze stad hoorde zij veel spreken over de menschlievendheid van

zekere Madame Milim, en zij besloot de hulp van deze vrouw in te

roepen. Toen zij bij eene kerk eene dame ontmoette en haar vroeg,

waar Madame Milim woonde, bleek het de aangesprokene zelf te wezen,

en deze brave vrouw vatte eene groote genegenheid voor het meisje

op. Zij nam haar mede naar hare woning en hield haar den geheelen

winter bij zich. Zij vond het onverantwoordelijk, het jonge meisje

in het barre jaargetijde verder te laten gaan. Zij leerde haar lezen

en schrijven en bracht haar zooveel algemeene ontwikkeling bij,

als in zulk een korten tijd maar mogelijk was. Toen de lente intrad,

vertrouwde zij Prascovia toe aan de hoede van een harer kennissen,

die naar Niezjnii-Nowgorod voor zaken op reis ging. Op de boot werd

hij echter zwaar ziek, zoodat men hem in een klein plaatsje moest

achterlaten. Onderweg trof Prascovia nog een ander ongeluk. Zij werd

met nog twee andere passagiers door een noodlottig toeval overboord

geworpen. Zij werden wel dadelijk gered, maar hadden geen gelegenheid

om zich te verkleeden, wat hare gezondheid in gevaar bracht. Te

Niezjnii-Nowgorod overviel haar eene ernstige ziekte. Gelukkig werd

zij in een klooster opgenomen, waar zij met de grootste liefde werd

verpleegd. De dokter vreesde, dat zij sterven zou, doch Prascovia

zeide: "Dat geloof ik niet. De goede God zal mij niet laten sterven,

vóór ik mijne taak volbracht heb."

En ze genas inderdaad, maar zoo langzaam, dat de zomer voorbij was,

eer ze de reis kon voortzetten.

Eindelijk vertrok ze in eene slede naar Moskou. Ze was toen nog

erg zwak, te zwak zelfs om in rammelende en schokkende postwagens

te rijden. Gelukkig had Madame Milim haar van eenig geld voorzien,

zoodat ze nu althans niet meer te voet het land behoefde door te

trekken, bedelende om een stuk brood. Ook had hare weldoenster haar

brieven medegegeven voor vrienden. Van Moskou vervolgde zij haar

tocht naar Petersburg, waar zij aankwam 18 maanden na haar vertrek

uit Ischim. Zij was ook in het bezit van een aanbevelingsbrief voor

een Prinses, maar het gelukte haar niet, deze te ontmoeten.

Op raad van een harer kennissen stelde zij een verzoekschrift op om

het vonnis van haar vader te herzien, en met dit geschrift in de hand

plaatste zij zich voor het regeeringsgebouw, in de hoop, dat een der

hooge personen, die daar dagelijks in en uitgingen, het van haar zou

willen aannemen. Er werd echter niet naar haar geluisterd, soms zelfs

werd zij met ruwheid bejegend. Zoo gingen verscheidene weken voorbij.

Gedurende dien tijd was zij gastvrij opgenomen ten huize van een

koopman, die echter voor zaken op reis was naar Riga.

Hoe dikwijls Prascovia ook werd teleurgesteld, zij verloor

nooit den moed. Nu eens beproefde zij hier, dan weer elders haar

geluk. Zij wendde zich tot verscheidene hooggeplaatste personen,

en ontmoette zelfs de Prinses, voor wie zij een aanbevelingsbrief

bij zich had, en al die menschen waren wel vriendelijk voor haar,

maar deden weinig of niets, om haar te helpen bij het bereiken van

haar doel. Tot zij eindelijk het geluk had kennis te maken met een

der Secretarissen van Keizerin Maria, de weduwe van den vorigen en

de moeder van den regeerenden Czaar. Hij hoorde haar droevig verhaal

met groote belangstelling aan en beloofde haar, een goed woord voor

haar te zullen doen bij Keizerin Maria, die om hare zachtmoedigheid

en vriendelijkheid algemeen bekend en bemind was. Deze was dan ook

dadelijk bereid, Prascovia te ontvangen en hare wenschen te vernemen.

Toen Prascovia dat hoorde, werd ze doodsbleek van ontroering en

klopte haar hart van dankbare vreugde. Zij sloeg de armen ten hemel,

en stamelde:

"O God, dan heb ik niet tevergeefs op u vertrouwd!"

Nog dienzelfden avond begaf ze zich naar het paleis van de Keizerin,

en dacht bij zichzelf:

"O, als mijn vader mij nu eens kon zien, wat zou hij blij zijn!"

De Keizerin-Moeder liet Prascovia bij zich in haar eigen kamer

komen. Eerst was het meisje wel wat beschroomd, maar de hooge Vrouw

had zulke eenvoudige manieren, dat zij zich spoedig op haar gemak

voelde. Prascovia vertelde toen van het rampzalig lot harer ouders,

die nu al sedert vele jaren als bannelingen in Siberië vertoefden, en

van hare langdurige reis en van hare vergeefsche pogingen, om bij den

Keizer toegelaten te worden. De Keizerin hoorde haar met de grootste

belangstelling aan en was diep getroffen door het ongekunstelde

verhaal van het eenvoudige, brave meisje.

"Je hebt een gulden daad verricht, mijn kind," zei ze, toen Prascovia

haar verhaal geëindigd had. "Ik beloof je, bij den keizer uw voorspraak

te zullen zijn. Houd maar goeden moed, je zult weldra van mij hooren."

Ze gaf haar 300 roebel, om in haar onderhoud te kunnen voorzien. Vol

hoop verliet Prascovia het paleis, en nog geen twee dagen later

betrad zij het opnieuw. De Keizerin-Moeder had haar laten ontbieden,

om met haar een bezoek te brengen aan haar zoon Czaar Alexander en

diens gemalinne Keizerin Elizabeth. Prascovia beefde van ontroering,

nu zij eindelijk haar doel zou bereiken en den keizer van aangezicht

tot aangezicht zien zou.

En weldra zag zij hem. Zij wierp zich voor hem op de knieën en smeekte

voor haar vader om genade.

Wat er verder gebeurd is in dat keizerlijk paleis, meldt de

geschiedenis niet. Alleen dit weten we, dat de keizer haar 5000 roebel

schonk en haar toevoegde:

"Uw vader zal van dit oogenblik af vrij zijn."

Zoo was dan eindelijk het groote doel bereikt. Een ongekend gevoel

van vreugde doortintelde haar gansche lichaam, en 't was haar, of zij

in een droom leefde. Tranen droppelden haar uit de oogen en de tong

weigerde haar den dienst. Zij kon niet anders, dan enkele woorden

van dank stamelen.

Men liet haar de verschillende deelen van het paleis zien, en zoo

kwam ze ook in de troonzaal, waar men haar den troon des keizers wees.

"Is dat de troon?" zei ze zacht. "De troon van den Keizer, die mijn

vader zijne vrijheid hergaf?"

Met eerbied trad zij nader, boog de knieën en kuste de treden van

den troon. En ze bad:

"Vader in den hemel, zegen dezen troon en zegen hem, die er op zetelt,

en maak hem gelukkig, zooals hij mij gelukkig heeft gemaakt."

Met moeite slechts kon men haar van den troon verwijderen.

Een paar dagen later kwam een gezant van den Keizer haar vragen,

of zij misschien ook iets voor zichzelve wenschte.

"Neen," sprak Prascovia eenvoudig, "maar als het Zijne Majesteit

behagen mocht, de beide arme bannelingen, die mij uitgeleide deden,

toen ik Ischim verliet en mij hare weinige kopekken schonken, genadig

te zijn, zooals hij mijn vader genadig is geweest, dan zou ik mij

zeer gelukkig achten en hem innig dankbaar zijn."

De Keizer kon zijne ooren bijna niet gelooven, toen hij dit antwoord

vernam.

"Wenscht zij niets voor zichzelf, zij, een jong meisje, dat toch

ongetwijfeld een tal van wenschen zal koesteren? En vraagt zij alweer

voor anderen? Zij is een edel en goed kind. Haar wensch zal worden

vervuld."

Prascovia meende God niet beter haar groote dankbaarheid te kunnen

toonen, dan door haar verder leven als non in een klooster door te

brengen, en 't allerliefst zou ze dat doen in het klooster, waar zij

zoo liefderijk was verpleegd.

Ze werd daar inderdaad als non aangenomen en mocht het genoegen smaken

daar hare ouders te ontmoeten, toen dezen uit Siberië terugkeerden.

't Was een aandoenlijk en gelukkig wederzien. Hare ouders bleven

langer dan een week bij haar en zetten toen hunne reis voort.

Prascovia bleef in het klooster, maar kwam nooit de gevolgen van

hare moeitevolle reis te boven. Hare gezondheid was kwijnend, en

voortdurend werd zij zwakker. Den 9en December 1809 blies zij den

laatsten adem uit.

Gouden Daden · 第 33 / 36 题