Frankrijk was in de macht geraakt van de Salische Franken onder hun
koning Chlodvig. Wel is waar had deze niet meer dan een legertje
van vijf duizend man onder zijne bevelen, maar hij vergoedde aan
dapperheid, wat hem aan macht ontbrak. Hij was uit het geslacht der
Merovingers, die zich van de andere Franken door hunne lange, op de
schouders neergolvende lokken onderscheidden.
Chlodvig was dapper, maar trouweloos en wreed. In 486 begon hij den
oorlog tegen de Romeinen, die toen nog een deel van Gallië in hun
bezit hadden. Hij versloeg Syagrius en doodde hem. Vele kerken werden
in dien tijd door Chlodvig's soldaten geplunderd, want evenals hun
koning waren zij toen nog heidenen.
Daarin zou echter verandering komen. Hij koos zich Chlotilde, de
nicht van den Bourgondischen koning, tot gemalin, en daar deze eene
Christin was, rustte zij niet, voordat ook Chlodvig den Christelijken
godsdienst had omhelsd.
In verscheidene oorlogen maakte hij zich van een groot deel van
Gallië meester, en overal voerde hij den Christelijken godsdienst
in. 't Moet echter gezegd worden, dat zijne Franken meer in naam dan
metterdaad Christenen waren, want zij bleven een zeer ruw volkje,
dat het woord zachtmoedigheid niet kende.
De Roomsch-Katholieke geestelijken werden door Chlodvig met de meeste
onderscheiding behandeld, en daar hij veel deed om den Christelijken
godsdienst uit te breiden, stond hij bij hen zeer hoog aangeschreven en
vergaven zij hem menige daad van geweld, ja zelfs moord en doodslag,
die zij in een ander zeker streng zouden hebben afgekeurd. Hij
stierf in 511, en liet zijn machtig rijk na aan zijne vier zonen,
die elk een deel in bezit namen, maar voortdurend met elkander in
oorlog waren. 't Waren ruwe mannen, die voor geen daad, hoe slecht
ook, terugdeinsden. Geen denkbare misdaad was er, die niet door hen
werd gepleegd.
Toen eens weer een verwoede oorlog was gevoerd tusschen de broeders
Theodorik, die het zuidelijk deel van Gallië beheerschte, en
Childebert, die koning was over het vroegere Romeinsche gebied,
bestaande uit Parijs met de daarom liggende landen,--werd de vrede
na een langen strijd bezegeld met wederkeerig aan elkander eenige
gijzelaars over te leveren, bestaande uit de aanzienlijkste jongelingen
der beide landen.
Zoo zag ook Gregorius, de Bisschop van Langres, zich gedwongen, zijn
neef Attalus te zien vertrekken naar een vreemd land, waar hij als
gijzelaar moest verblijven. Het afscheid viel den hoogen geestelijke
zwaar, want hij hield veel van den jongeling. Wel wist hij, dat
Attalus niet als gevangene werd weggevoerd, en dat hij in den vreemde
als gast bij een van de hoofden zou worden gehuisvest, maar hij zag
hem toch met droefheid vertrekken naar de ruwe, onbeschaafde Franken,
die als ware barbaren leefden. Hoe ongelukkig moest zijn jonge neef,
die eene beschaafde opvoeding had genoten, zich wel onder die ruwe
mannen gevoelen!
Hij bleef echter hopen, dat Attalus vroeger of later weder in vrijheid
zou worden gesteld en naar hem zou kunnen terugkeeren. Maar deze hoop
was vergeefsch. Attalus keerde niet terug, en de Bisschop toonde zich
daarover meermalen zeer bedroefd. Zijne dienaren, welke in die dagen
nog lijfeigenen of slaven waren, spraken meermalen over hun jongen
meester, van wien zij om zijn beminnelijk karakter allen veel hielden.
En 't zou nog erger worden. Tusschen de beide broeders ontstond
een nieuwe twist, waarvan de wederkeerig uitgeleverde gijzelaars
de treurige slachtoffers werden. Zij hielden op de gasten te zijn
van hunne meesters, en werden tot slaven verlaagd. Iets ergers had
deze jongelingen, die tot de aanzienlijkste geslachten huns lands
behoorden, niet kunnen treffen. Zij, die vroeger zelf meester over
vele slaven waren geweest, moesten thans het geringste werk verrichten
en zich voeden met het karige maal, dat ook aan de andere slaven werd
toebedeeld. De jonge Attalus werd tot paardenknecht verlaagd.
Nauwelijks was de oorlog ontbrand, of eene groote droefheid maakte
zich van Bisschop Gregorius meester. Hij begreep zeer goed, dat het
thans met de vrijheid van zijn jongen bloedverwant voor goed gedaan
was en dat hij ongetwijfeld een bitter lot te verduren moest hebben.
Ach,--en hij wist niet eens, waar de ongelukkige zich bevond. Alleen
had hem wel eens het gerucht bereikt, dat hij ergens in den omtrek van
Metz leefde, maar wáár precies, wist hij niet. Eindelijk kon hij die
onzekerheid niet langer verdragen, en besloot hij boden uit te zenden,
om zijne verblijfplaats op te sporen. Zoo deed hij, met het gevolg,
dat hij te weten kwam, wáár hij zich bevond, en dat hij, als gemeene
slaaf, tot paardenboef was verlaagd.
Dadelijk besloot de Bisschop een bode naar den meester van Attalus te
zenden met geschenken, om hem te verzoeken, den ongelukkigen jongeling
in vrijheid te stellen.
De Frank hoorde den bode met een spottenden lach aan, weigerde de
geschenken aan te nemen, en zeide:
"Ik denk er niet over. Als Attalus inderdaad de neef is van
Bisschop Gregorius, en tot eene zoo voorname familie behoort, kan
hij alleen voor een groote som zijne vrijheid terugkrijgen. Zeg
aan den Bisschop, dat ik hem voor tien ponden goud wil ontslaan, en
voor niets minder. Voor iemand, zoo machtig en rijk als de Bisschop,
is het niet moeilijk, deze som bij elkaar te brengen. Tot zoolang
blijft Attalus mijn slaaf."
Met deze boodschap kon de bode terugkeeren, en de Bisschop was ten
einde raad, toen hij den hoogen eisch van den Frank vernam. Dadelijk
begon hij op middelen te peinzen, om den losprijs op de eene of
andere wijze bij elkaar te krijgen, maar hij koesterde weinig hoop,
dat hem dit gelukken zou.
Ook onder de lijfeigenen van den Bisschop werd over het geval
gesproken, en allen koesterden innig medelijden met hun jongen meester,
die onder den ruwen Frank ongetwijfeld een zwaar lot te verduren
had. Een van hen, Leo genaamd, die als kok in de keuken van den
Bisschop werkzaam was, begaf zich naar zijn heer, en stelde hem voor
eene poging te wagen, om Attalus uit zijn slavernij te verlossen. Hij
smeekte den Bisschop hem toe te staan, zich naar den Frank te begeven
om te zien, wat hij doen kon. Hij begreep, dat hij zich aan groote
gevaren ging blootstellen, maar hij had zijn leven gaarne over om
zijn jongen meester de vrijheid te hergeven.
De Bisschop gaf zijne toestemming, en Leo vertrok. Te voet begaf
hij zich op weg naar Trèves, waar Attalus zich bevond, en daar
wachtte hij een gunstig oogenblik af, om zich met hem in verbinding
te stellen. Eindelijk zag hij Attalus, maar in welk een staat! Zijne
sierlijke kleeding, waarin hij hem vroeger had gezien, was vervangen
door lompen, zijne haren slingerden hem ordeloos om het hoofd, zijn
gelaat was groezelig en vuil. De jonge slaaf had moeite zijn vroegeren
meester te herkennen.
Leo begaf zich naar een Gallier en zei:
"Wilt ge geld verdienen? Ga dan met mij mede naar gindschen Frank,
en verkoop mij aan hem als slaaf..."
De Galliër keek hem ongeloovig aan.
"Ge begrijpt, dat ik hiermede mijne bedoeling heb," ging Leo voort,
"maar die houd ik geheim. Alleen verzoek ik u, mij als slaaf aan dien
Frank te verkoopen. Het geld moogt gij behouden. 't Is dus voor u
een gemakkelijke en voordeelige zaak."
De Galliër stemde toe, en beiden begaven zich naar den Frank, wien
Leo te koop werd aangeboden.
De Frank bekeek den slaaf van het hoofd tot de voeten, en vroeg:
"Wat kan hij doen?"
Leo haastte zich te zeggen:
"O Heer, ik ben een bekwaam kok en kan u de lekkerste tafel bereiden,
die maar te bedenken is. Zelfs al kreeg u koningen aan uw disch,
zij zouden niet anders dan Uw tafel prijzen, Heer!"
"Ha, dat treft!" riep de Frank uit. "Zondag komen mijne vrienden en
kennissen bij mij eten. Maak dan een tafel gereed, waarvan zij zeggen:
"ik heb zelfs aan de tafel des konings niet lekkerder gegeten."
"Het zal geschieden, Heer," sprak Leo eenvoudig.
De koop werd gesloten voor twaalf goudstukken, en zoo kregen Leo en
zijn jongen meester denzelfden heer.
De gasten kwamen en kregen een feestmaal, zooals alleen de bekwaamste
Romeinsche koks dat konden bereiden, en de gasten betuigden
herhaaldelijk hunne groote verwondering over de fijne gerechten,
die hun werden voorgezet.
Geen wonder, dat Leo bij zijn nieuwen heer in de grootste gunst kwam,
wat juist zijne bedoeling was. Weldra mocht hij in de woning van den
Frank doen en laten, wat hij wilde.
Attalus had hij al meermalen ontmoet, maar hij had hem al dadelijk te
kennen gegeven, dat zij zich moesten houden, of zij vreemden voor
elkander waren. Tevens had hij hem gezegd, dat hij gekomen was,
om hem te redden.
Zoo ging een jaar voorbij. Leo was nu de verklaarde gunsteling geworden
van zijn heer. Hij gaf toen aan Attalus te kennen, dat thans het
oogenblik gekomen was, om de vlucht te wagen.
"Houd u van avond wakker, en wees dadelijk gereed, als ik u een
teeken geef."
Zoo werd afgesproken. Leo had het dien dag zeer druk, daar zijn
meester gasten had, waaronder ook zijn schoonzoon.
Deze gebood Leo, toen hij naar bed ging:
"Breng mij wat honigwater in mijn slaapvertrek; ik zal vannacht wel
dorstig wezen."
Toen Leo aan dat verlangen voldeed, zei de jonge man vroolijk:
"Wel, je ziet er uit of je van plan bent, dezen nacht op een van mijn
paarden de vlucht te nemen."
Leo schrok niet weinig, toen hij zoo onverwachts hoorde uitspreken,
wat hij werkelijk voornemens was, maar hij hield zich goed, en
antwoordde lachend:
"Ik was juist van plan, dat dezen nacht te doen."
De Frank, die slechts geschertst had, beschouwde dit antwoord ook
als een grap, en lachte er om.
Toen allen sliepen, begaf Leo zich naar den stal en gaf zacht een
teeken aan Attalus, die zijne slaapplaats bij de paarden had. Dadelijk
liet deze Leo binnen en zadelden zij twee van de vlugste rossen.
"Ik heb geen ander wapen dan deze kleine lans," zei Attalus.
"Wacht, ik zal andere halen," zei Leo.
Hij begaf zich naar het huis van zijn heer en drong zelfs tot diens
slaapvertrek door, om diens zwaard en schild weg te nemen. Maar tot
zijn grooten schrik werd de Frank wakker en vroeg:
"Wie is daar?"
"Ik ben het,--ik Leo!--Ik ben opgestaan om Attalus te zeggen, dat
hij de paarden morgen vroeg buiten moet brengen, maar hij slaapt als
een dronkaard."
De Frankische edelman luisterde al niet meer naar hem en sliep weer
in. Toen haastte Leo zich met schild en zwaard naar buiten, en gelukte
het hem en Attalus ongezien buiten de omheining te komen.
Zij sprongen te paard en reden snel den grooten Romeinschen weg
op, die naar Trier voerde. Den eersten hinderpaal ontmoetten zij
aan eene rivier, waar zij de brug bewaakt vonden. Zij zagen zich
daardoor gedwongen zich met hunne paarden op eenigen afstand te
water te begeven en de rivier over te zwemmen. Ongedeerd bereikten
zij den anderen oever, en zoo snel het gaan kon, vervolgden zij
hun tocht. Zij voedden zich met eenige pruimen, die zij aan een
boom vonden. 's Morgens reden zij verder in de richting van Rheims,
steeds voortgejaagd door de vrees, dat hunne ontvluchting ontdekt
zou zijn en hunne vervolgers wellicht reeds op weg waren, om hen te
achterhalen. O, als dat gebeurde, zou hun lot bij den wreeden Frank
ongetwijfeld vreeselijk zijn.
Voort dus, altoos voort! Zij gunden hunne rossen ternauwernood de
noodige rust, en 't was de dieren aan te zien, dat zij vermoeid werden
en slechts met moeite verder konden.
Opeens hoorden zij werkelijk ver achter zich hoefgetrappel op den hard
geplaveiden weg. Angstig keken zij rond, waar zij zich verbergen
konden, en ontdekten gelukkig een kreupelbosch, dat misschien
gelegenheid bood om zich te verschuilen. Haastig sprongen zij van
hunne paarden en drongen zoo diep mogelijk in het bosch door. Op eene
plaats achter veel takken en bladeren bonden zij hunne paarden vast,
en wachtten toen met getrokken zwaard de komst der vervolgers af.
Zij naderden! Het hoefgetrappel kwam snel naderbij, en de vluchtelingen
zagen de harnassen hunner vervolgers schitteren in de zonnestralen. Nu
hadden zij het kreupelbosch bereikt. En o schrik,--daar hielden zij
stand en sprongen van de paarden.
Hadden zij hun spoor ontdekt? De beide ongelukkigen hielden vol
spanning den adem in.
Neen,--zij namen slechts een oogenblik rust, om hunne harnassen te
verschikken en even te verpoozen. Weldra sprongen zij weder te paard
en vervolgden hun tocht.
O, hoe heerlijk was het voor hun beiden om te luisteren naar het zich
steeds verwijderende hoefgetrappel, dat weldra geheel wegstierf in
de verte.
Zij hielden zich nog langen tijd schuil en bereikten den volgenden
nacht de stad Rheims, waar zij een priester kenden, Paul geheeten,
die een vriend was van Bisschop Gregorius. Zij waren zoo gelukkig
hem te vinden, juist toen de bel werd geluid voor den morgendienst,
wat hun aangenaam in de ooren klonk. Dadelijk maakte Attalus zich
aan hem bekend, en de goede man gaf hun brood en wijn, om zich te
verkwikken. Zij hadden in langen tijd niets gegeten. Bovendien wees
hij hun eene schuilplaats aan, waar zij zich verbergen konden. Dat
was maar goed ook, want op datzelfde oogenblik doolde de Frank reeds
door de straten van Rheims, om zijne weggeloopen slaven op te sporen.
Eindelijk kwam hij zelfs bij den priester Paul, om hem te ondervragen,
want hij wist, dat de priester een vriend was van Attalus' oom,--maar
de brave man verried hen niet.
Na twee dagen vruchteloos in Rheims te hebben gezocht, gaf de Frank
zijne pogingen op en keerde naar huis terug. En toen waagden Attalus
en Leo het uit hun schuilplaats te voorschijn te komen, en, na den
Priester hartelijk dank te hebben gezegd, hun weg te vervolgen. Het
grootste gevaar was nu geweken, en ongedeerd bereikten zij het doel
van hunne reis.
Ontroerd vielen Bisschop Gregorius en Attalus elkander in de armen,
en Leo ontving het loon, dat hij door zijn trouw en moed dubbel
had verdiend. Hij werd met groote plechtigheid naar de kerk geleid,
waarvan alle deuren wijd werden open gezet ten teeken, dat hij een
vrij man was, die zich begeven mocht, waarheen hij wilde.
Toen nam de Bisschop hem bij de hand, en staande voor den
Aarts-bisschop verklaarde hij, dat hij hem de vrijheid gaf en
tot Romeinsch burger maakte. Nooit meer kon hij tot den staat van
slavernij vervallen. Wie in de kerk, ten aanhoore van Bisschoppen,
dekens of priesters eenmaal tot een vrij man was verklaard, bleef
dat gedurende zijn geheele leven.
En dat geluk viel Leo te beurt als loon voor zijn moed en trouw.