NIELS FINSEN.

In den laatsten tijd hebben beroemde mannen eigenschappen in het licht

ontdekt, die nog niet bekend waren. Dat wij zonder licht niet kunnen

leven, wist natuurlijk sedert langen tijd iedereen. Als we de zon niet

hadden, werd onze aarde in korten tijd een ijsbol, waarop geen levend

wezen bestaan kan. Zij is het, die onze aarde vruchtbaar maakt, onze

heerlijke vruchten rijpt, en onze schoone bloemen doet bloeien. Maar

zij is het ook, die onzen levenslust opwekt, ons vroolijk en opgeruimd

doet zijn, ons kracht tot werken geeft. Maakt een grauwe lucht ons

droefgeestig en somber, het schoone zonnelicht, die heerlijke gave

Gods, verjaagt alle zwartgalligheid en melancholie.

't Was ook bekend, dat men het licht kan ontleden, zooals dat ook

gebeurt als de zon schijnt en het gelijktijdig regent. Dan verschijnt

aan den hemel de regenboog met zijne roode, oranje, gele, groene,

blauwe en violette stralen. Diezelfde kleuren verkrijgt men ook,

wanneer men wit licht door een prismatisch geslepen glas laat gaan. We

verkrijgen dan het zoogenaamde zonnespectrum.

In de laatste jaren echter zijn de Röntgen-, Becquerel- en

radiumstralen ontdekt. Van deze stralen is het eigenaardige, dat zij

door vaste stoffen heendringen, en dat men de radiumstralen zelfs

door metalen voorwerpen heen kan zien. De Röntgenstralen hebben aan

de menschheid reeds groote diensten bewezen. Vooral in oorlogstijd

maakt men er gebruik van om te zien, waar zich in een menschelijk

lichaam een kogel bevindt, die verwijderd moet worden. De lichtstralen

dringen door het vleesch heen, maar niet door den kogel. De plaats,

waar deze zich bevindt, wordt dus met groote juistheid aangewezen.

In Denemarken woonde een professor, Niels Finsen genaamd, die

reeds lang de wonderbare kracht had opgemerkt, welke de zon op

zijn ziekelijk lichaam uitoefende. Van zijn jeugd af was hij zwak

en ziekelijk geweest, en het was hem niet ontgaan, dat hij zich

veel prettiger en opgewekter voelde, als het zonnetje aan den hemel

schitterde, dan bij somber, druilig weer. Datzelfde verschil merkte

hij op, wanneer hij in een vroolijke, zonnige, of wel in eene donkere,

sombere kamer was. Hij begreep, dat dit groote verschil niet alleen een

gevolg kon wezen van stemming, maar dat het wel degelijk moest worden

toegeschreven aan de genoemde kracht van het licht. De gedachte maakte

zich van hem meester, dat het licht dienstbaar kon worden gemaakt

aan de geneeskunde, en dat het wellicht niet onmogelijk zou zijn,

de lijdende menschheid in sommige gevallen door de kracht van het

licht genezing te brengen. Inzonderheid meende hij, dat huidziekten,

die door bacteriën ontstaan, door middel van het licht zouden kunnen

worden genezen.

Toen die gedachte zich eenmaal van hem had meester gemaakt, begon

hij verschillende proeven te nemen. Hij onderzocht, of de kleuren,

waarin men het licht kon ontleden, gelijken of verschillenden invloed

uitoefenden op de voorwerpen, die er door werden beschenen. En zoo

bleek het hem al spoedig, dat de invloed van die verschillend gekleurde

lichtbundels niet dezelfde was en dat men te doen had met twee soorten

van lichtstralen, n.l. de _warmtestralen_, waartoe de roode behooren,

en de _chemische stralen_, waaronder de violette vielen. Finsen

onderzocht, welken invloed die verschillende stralen hadden op

vlinders, die hij in een bak plaatste, welke hij met verschillend

gekleurde glazen: roode, groene, gele, blauwe, enz. afsloot. Hij

merkte op, dat de vlinders kalm en rustig bleven onder het roode glas,

waardoor dus alleen de roode stralen toegang hadden,--terwijl zij

zeer onrustig werden onder de blauwe glazen. Zij trachtten dan zoo

spoedig mogelijk weer hunne schuilplaats onder het roode licht te

bereiken. De verschillende werking der roode en blauwe stralen werd

daardoor duidelijk aangetoond.

Finsen had zich ook de vraag gesteld, waarom de Schepper de bewoners

der tropische gewesten eene donkere huidskleur had gegeven. Hij had

de overtuiging, dat dit niet zonder doel was geschied, en dus niet

te denken was aan bloot toeval. Hij nam daarom de volgende proef. Op

zijn arm schilderde hij met Oostindischen inkt een zwarte plek, waarin

hij echter twee plekken, die den vorm hadden van zijne voorletters

N. F., onbeschilderd liet. Die plekken bleven dus wit. Vervolgens

bevestigde hij op zijn arm door middel van vischlijm verschillend

gekleurde reepjes glas, een stuk gewoon glas, en ook nog een stuk

bergkristal. Hij liet nu onder voortdurende afkoeling licht van

bepaalde sterkte en op een bepaalden afstand op dien arm inwerken. Hij

gebruikte daarvoor zoowel zonnelicht als electrisch licht, en wel

booglicht van 20 ampères.

Het bleek hem, toen de belichting lang genoeg geduurd had, dat

op de plaatsen, waar de gekleurde glaasjes, het gewone glas en de

Oost-indische inkt hadden gezeten, het licht zijne inwerking niet

vertoonde, maar dat onder het bergkristal en op de plaats der beide

letters N. F. een ontsteking van de huid was opgetreden. Na verloop

van tijd verdween die ontsteking wel weer, doch nog wel een half jaar

later kon hij door sterke wrijving de beide letters weer zichtbaar

laten worden. Hij begreep nu, waarom de bewoners der tropische gewesten

met een donkere huidskleur waren gezegend.

Meermalen was het ook gebleken, dat gletscherbeklimmers bij

hunne tochten onder aan de kin uitslag kregen tengevolge van de

reflexwerking van de zonnestralen op het bergkristal, terwijl proeven

hadden aangetoond, dat bergkristal alleen de chemische of blauwe

stralen doorlaat. Finsen kwam daardoor tot het besluit, dat alleen

de chemische stralen de ontsteking op zijn arm hadden veroorzaakt.

Hij nam nog meer proeven, en zag, dat salamandereieren, die gedurende

langen tijd aan den invloed van electrisch licht waren blootgesteld,

afstierven. Ook op kikvorsch-eieren hadden de chemische stralen eene

doodelijke inwerking. Bovendien hadden de geleerden reeds sedert langen

tijd opgemerkt, dat rood licht op pokkenlijders een zeer eigenaardigen

invloed had. 't Was namelijk gebleken, dat de ongelukkige lijders aan

deze ziekte in kamers, waarin alleen rood licht kon doordringen, niet

zulke hooge koortsen kregen als gewoonlijk bij deze ziekte het geval

is, en dat de pokpuisten niet in verettering overgingen, zoodat de

patienten sneller herstelden en geen litteekens behielden. Dit reeds

was een groote schrede voorwaarts op het gebied der geneeskunde,

die den armen lijders ten goede kwam.

Ook Finsen had reeds lang proeven in die richting genomen. Eindelijk

kwam hij tot het besluit te onderzoeken, of het mogelijk zou

zijn ziekte-veroorzakende bacteriën door middel van het licht te

dooden. Hij liet voor zijne proeven, glazen buizen vervaardigen met

vlakke wanden, en kweekte daarin verschillende soorten bacteriën. Toen

liet hij de chemische stralen op deze kolonies inwerken, en kwam

tot het verrassende resultaat, dat de bacteriën inderdaad werden

gedood. Dit was een reuzenschrede voorwaarts naar het doel, dat hij

zich had gesteld, n.l. het middel te vinden om den tuberkel-bacil,

waardoor de gevreesde lupusziekte ontstaat, te dooden. Wie kent niet

de beklagenswaardige lupuslijders met hunne bloederige gezichten,

weggeteerde neuzen, opgezette lippen, tranende oogen? Wie voelt geen

medelijden met deze ongelukkigen, die weten, hoe afzichtelijk hun

uiterlijk is en zich door allen geschuwd zien? 't Was voor Finsen het

levensdoel geworden, voor hen het middel te vinden, dat hun redding

bracht. En hij heeft het gevonden.

Hij was zoover gevorderd, dat hij wel de lupus-bacillen in zijne

glazen buizen kon dooden, maar bij de lijders zitten zij tot diep in

de huid doorgedrongen. Hij moest dus nu onderzoeken, of de chemische

stralen ook daar hunne doodende uitwerking zouden hebben, of zij

zouden doordringen tot de diepere lagen van de huid.

Om dit na te gaan nam hij proeven op honden en katten. Buisjes gevuld

met chloorzilver, dat bij de inwerking van 't licht ontleed werd,

bracht hij onder de huid van deze dieren, en zie, toen hij het licht

een geruimen tijd had laten inwerken, bleek het hem tot zijne groote

vreugde, dat ook in de diepte de chemische stralen hun invloed hadden

doen gelden. Het chloorzilver was wel degelijk ontleed.

Zoo achtte hij dan eindelijk het oogenblik gekomen, om zijne studiën

ten bate der lijdende menschheid in toepassing te brengen. En hij

mocht in 1897 de voldoening smaken een lupus-patient volgens de door

hem gevonden methode te genezen, voorwaar een gulden daad, die zijn

naam voor altoos terecht beroemd zou maken.

Bij de behandeling van zijne patienten gebruikte hij in den eersten

tijd het zonnelicht, maar daar in het hooge noorden de zon zich al even

weinig laat zien als bij ons, ging hij er toe over, het electrisch

licht voor zijn doel aan te wenden. Dat licht bevat betrekkelijk

een veel grooter aantal chemische stralen dan het zonnelicht, wat

een groot voordeel voor hem was. Hij bedacht nu een instrument,

bestaande uit een koperen cilinder met bergkristallenzen, veel

gelijkend op een grooten verrekijker. Hieruit liet hij een bundel

electrische lichtstralen op zijne patienten vallen. Dit licht is zoo

schel, dat de patient zijn oogen moet sluiten en de verpleegsters,

die de lens richten, schermen voor de oogen moeten dragen.

Hij bemerkte al spoedig eene leemte. 't Bleek hem namelijk, dat het

bloed de genezing van de ziekte tegenhield. Hij bedacht daarom, het

zieke deel zoodanig met bergkristal te drukken, dat het bloedledig

werd, en tot zijn groote blijdschap verrichtten de lichtstralen toen

wonderen. Al na weinige dagen trad de beterschap in, en zoo mocht

het hem gelukken, zeer vele lijders van de gevreesde ziekte te doen

herstellen.

Als een bewijs, hoe de Deensche Staat Finsen's werk waardeerde, zij

vermeld, dat deze dadelijk eene groote som gelds beschikbaar stelde,

waardoor Finsen de gelegenheid kreeg, een grootsche inrichting

voor lupuslijders te openen. Ook viel hem de Nobelprijs ten deel,

welke alleen wordt uitgereikt aan hen, die zich jegens de menschheid

buitengewoon verdienstelijk hebben gemaakt.

Finsen, die gedurende zijn geheele leven zwak en ziekelijk was geweest,

stierf op den leeftijd van 44 jaar. Ware hem een langer leven beschoren

geweest, wie weet, wat hij misschien nog meer ten bate der lijdende

menschheid had gedaan,--maar 't heeft zoo niet mogen zijn.

Gedurende zijne laatste levensjaren was hij aan het ziekbed

gekluisterd, maar zijn geest bleef even onvermoeid en werkzaam. Hij

liet zijn ledikant naar zijn instituut overbrengen, en iederen morgen

kwamen de dokters en verpleegsters aan zijn bed om zijne bevelen te

vernemen. Tot aan zijn dood toe bleef hij denken en zoeken, om zoo

mogelijk zijn instrumenten nog te verbeteren. 't Schijnt evenwel,

dat die de volmaaktheid reeds nabij komen, want niettegenstaande

velen getracht hebben zijn werk te verbeteren, zijn toch overal in

de wereld lampen in gebruik, zooals Finsen die heeft uitgedacht. Er

is nog zoo goed als niets aan veranderd.

Uit alle streken der wereld bezoeken geneeskundigen de inrichting van

Finsen, om zijne geneeswijze te bestudeeren en die in hun vaderland

toe te passen. Honderden bij honderden lupus-lijders zijn sedert

van hunne ziekte genezen, en zullen zeker den naam van den Deenschen

professor Niels Finsen levenslang in gezegend aandenken houden.

Gouden Daden · 第 28 / 36 题