EDELE ZELFOPOFFERING.

Hoe meer de macht van het oude Rome door zijne vele en schitterende

oorlogen naar buiten toenam, en hoe groot er de schatten waren, welke

dientengevolge de stad binnenstroomden, des te grooter werd ook het

zedenbederf van de inwoners. Schitterende feesten waren aan de orde van

den dag, en de hooggeplaatste Romeinen maakten zich aan de onzinnigste

verkwisting schuldig. Dreigde men daardoor tot armoede te vervallen,

welnu, dan liet men het volk feestvieren, hoeveel dat ook kosten mocht,

want het was een zekere weg om een of ander staatsambt te veroveren,

dat nieuwe rijkdommen zou verschaffen. Om aan te toonen hoe groot

de geldverspilling onder de hooggeplaatste Romeinen soms was, zij

vermeld, dat iemand op eigen kosten een schouwburg liet bouwen, die

80.000 personen kon bevatten. Na slechts één maand gebruikt te zijn,

werd hij weer afgebroken.

De openbare feestdagen namen niet minder dan een vijfde deel van het

jaar in beslag. Zij waren over zeven tijdvakken verdeeld, die te zamen

66 dagen duurden. Aan die feesten nam bijna het geheele volk deel,

en de regeering kon met vrij groote zekerheid op een oproer rekenen,

wanneer zij niet kostbaar en bloedig genoeg waren. Want men verlangde

uitsluitend tooneelen van luidruchtigen en bloedigen aard. Hoe meer

dooden er vielen, des te grooter gejuich. Bij de groote feesten bleef

geen Romein thuis; alle inwoners der stad trokken dan naar den circus

of het amphitheater. En zelfs uit de overige steden van Italië stroomde

men toe, om de spelen bij te wonen. Dikwijls moesten zij in schuren,

kramen en tenten overnachten, omdat er geen plaats genoeg beschikbaar

was om hen te herbergen.

Toen Julius Caesar den circus had laten verbouwen, behoorde deze tot

de grootste en fraaiste gebouwen van Rome. Hij besloeg een oppervlakte

van ongeveer een Hectare. De zitplaatsen liepen amphitheatersgewijze

op en konden wel 150.000 toeschouwers bevatten. In dit gebouw hadden

wedrennen van ruiters plaats, men hield er wedloopen, vuistgevechten,

spiegelgevechten,--maar 't meest geliefd van alles waren de wedrennen

met wagens. In het midden van den circus bevond zich bijna over de

geheele lengte een lage muur, aan de beide uiteinden echter zooveel

ruimte vrijlatende, dat vier wagens, elk bespannen met vier paarden,

konden passeeren. Die wedrennen leverden een woest schouwspel op. De

duizenden toeschouwers verkeerden dan in een staat van opgewondenheid,

die aan razernij grensde. Een beroemd geschiedkundige schrijft er van:

"Bij het geliefkoosde rennen met een vierspan liepen de paarden

naast elkander, het beste als linker handpaard, de middelsten

gingen in het juk. De wagenmenners stonden op den wagen, gekleed in

een korte tunica zonder mouwen, die om het midden door een gordel

werd samengehouden; op het hoofd hadden zij een soort van helm, die

voorhoofd en wangen beschermde en bij een onverhoedschen val lichte

kneuzingen kon voorkomen. In de hand hielden zij eene zweep, en in

den breeden gordel stak een mes, om in geval van nood de teugels los

te snijden. Dit laatste was vooral noodzakelijk, daar de leidsels

gewoonlijk aan den gordel verbonden waren.

Als het schouwspel beginnen zou, liep door de opgewonden menigte een

dof gemompel, gelijk aan het gebruis der onstuimige baren. Aller oogen

waren gevestigd op de poorten, achter welke de paarden, die aan den

wedren zouden deelnemen, zich al stampend en brieschend lieten hooren.

De voorzitter, die geplaatst was op een balkon boven den hoofdingang,

gaf het teeken om te beginnen door een witten doek in de baan te

laten vallen. Men hoorde gekletter, op hetzelfde oogenblik vlogen

de deuren open, de wagens stormden de baan in, en een oorverdoovend

gejuich vervulde de lucht.

Weldra omhulde een dichte stofwolk de rennende wagens, op welke de

menners, ver voorover gebogen, hunne paarden door een luid geroep

aandreven. De afstand, dien zij moesten afleggen, (eerst langs

den rechterkant van den circus, terug langs de andere zijde van den

lagen muur, welke rit zevenmaal moest gedaan worden) bedroeg ongeveer

twee uren.

Ervaren menners spaarden aanvankelijk de kracht hunner rossen

tot den laatsten, beslissenden tocht, en haalden dan dikwijls de

oningewijden in, die in het begin vooruitgesneld waren, doch thans

tevergeefs de uitgeputte paarden door zweepslagen zochten voort te

drijven. Meermalen stortten de menners van hun wagen en werden zij

door de paarden vertreden. De meeste moeite en het grootste gevaar

bestond bij het maken van den bocht aan de einden van den muur,

waar drie zuilen geplaatst waren. Ieder wilde zijn draai zoo kort

mogelijk nemen, maar--werd een der wagens tegen de zuilen geslingerd,

dan stortten de volgenden over dezen heen, en menschen, dieren en

splinters lagen daar als één bloedende klomp op en onder elkander."

Hoe meer de woeste ren het einde naderde, des te meer klom de

opgewondenheid, de spanning, de angst, de razernij van het volk. Het

geschreeuw van de toeschouwers ontaardde in een dierlijk gebrul,

men juichte, zwaaide met doek of kleedingstuk, strekte de armen

uit, knarste op de tanden, of jubelde zijne blijdschap uit, tot

eindelijk een van de wagens het eerst de eindstreep bereikte en dus

de overwinning had behaald.

Deze wedrennen duurden met korte tusschenpoozen van den morgen tot

den avond. Telkens kwamen nieuwe renners in de baan, om elkander te

bekampen, en het volk werd nooit moede om er naar te zien. Het bleef

er den geheelen dag.

Nog veel menschonteerender waren de schouwspelen, die het amphitheater

te zien gaf. Daar werd ook om den prijs gestreden, maar die prijs

was het leven. Overwonnen te worden beteekende te sterven. En die

er streden, waren menschen! Zij werden gladiatoren of zwaardvechters

genoemd. 't Waren meestal krijgsgevangenen, slaven, of misdadigers,

die in plaats van tot den dood, tot den strijd in de arena werden

veroordeeld. Soms ook waren het vrije mannen, die door woesten

strijdlust, of ook wel door honger en armoede gedreven, het onteerend

bedrijf aanvaardden.

De gladiatoren werden voor hun afschuwelijk werk opgeleid in scholen,

waar zij met verschillende wapens leerden omgaan. En het schouwspel,

dat zij te zien gaven, werd steeds bloediger. Reeds ten tijde van

Julius Caesar kon een wedstrijd te zien gegeven worden, waar niet

minder dan 320 paar elkander bestreden.

't Getuigt wel voor de diepe ontaarding van het Romeinsche volk,

dat het in dergelijke bloedige vertooningen behagen schepte. Het

kwaad nam steeds grooter afmetingen aan, en de gladiatorengevechten

verdrongen zelfs langzamerhand de wedrennen.

De gladiatoren zelf werden door de Romeinen diep veracht. Gedurende

den keizertijd werden op kosten van den Staat oefenscholen voor de

gladiatoren opgericht, waar door middel van de gruwelijkste wreedheid

een strenge tucht werd gehandhaafd.

's Avonds vóór den strijd werd hun een overvloedig maal voorgezet,

waarbij het publiek toegang had om de menschen, die den volgenden

dag om hun leven zouden kampen, te gaan monsteren. Daar werden, reeds

weddingschappen aangegaan op het leven van den een, op den dood van

den ander.

Het feest begon met een optocht van de gladiatoren door de arena. Zij

waren dan in feestgewaad gekleed, en de schetterende tonen der muziek

vulden het gebouw.

Dan werden eerst spiegelgevechten gehouden, die dikwijls wonderen

van behendigheid te zien gaven, tot plotseling een signaal weerklonk,

dat het teeken was om den bloedigen strijd te beginnen.

De gladiatoren waren op verschillende wijzen gewapend. Sommigen waren

half naakt, en gewapend met een drietand, een dolk,--en tevens een

net, dat zij over hun tegenstander moesten zien te werpen om hem

onschadelijk te maken. Dan konden zij hem met hun dolk of drietand

dooden. Hun tegenstanders waren gewapend met helm, schild en zwaard,

maar moesten desondanks toch dikwijls het onderspit delven.

Sommige strijders bezaten een groot vierkant schild, van een

manslengte, en een kort zwaard, terwijl hun tegenpartij een geducht

kromzwaard hanteerde, doch slechts een klein schild tot dekking

had. Zoo was er bij deze bloedige tooneelen gezorgd voor veel

afwisseling, welke de spanning ervan voor de in wreedheid verfijnde

toeschouwers verhoogde.

Viel een der strijders nog levend in de handen van zijn vijand, dan kon

hij van de toeschouwers zijn leven afsmeeken door den wijsvinger omhoog

te heffen. Werd dat gebaar door het publiek beantwoord door het zwaaien

met doeken, dan was zijne bede verhoord en werd zijn leven gespaard,

maar wee hem, indien door het draaien met den duim het teeken werd

gegeven, dat hij sterven moest. Hij werd dan afgemaakt als een dier.

Menigmaal ook moesten menschen optreden tegen uitgehongerde

verscheurende dieren.

Toen echter in den loop der eeuwen het Christendom ook in Rome meer

vorderingen maakte, begon men de stem tegen deze verschrikkelijke

schouwspelen te verheffen. De leer van Christus, die liefde en

zachtheid, zelfs jegens zijne vijanden, predikte, liet meer en meer

haar beschavenden invloed gelden, en vervulde zijne volgelingen met

afschuw voor de bloedige tooneelen, die in de arena werden afgespeeld.

Maar het aantal der Christenen was gering, en hun stemmen gingen

verloren onder het gehuil der bloeddorstige toeschouwers, die dronken

van opgewondenheid waren bij het zien dezer vreeselijke spelen.

Maar eindelijk toch zou een einde komen aan deze ontaarde wreedheid. Na

eene overwinning tegen de vijanden trok de jonge keizer Honorius in

triomf de stad binnen. 't Was een luisterrijke zegetocht, maar--de

laatste, die Rome binnen hare muren zou zien. Er werden gedurende

vele dagen schitterende feesten gevierd. In den circus zoowel als in

het amphitheater verkeerde de bevolking in een roes van razernij bij

het zien van de stroomen bloeds, die er vloeiden.

Een Christen-dichter, wien deze ontzettende tooneelen tegen de borst

stuitten, smeekte in een roerend gedicht den keizer, om de bloedige

spelen te staken, maar zijne stem werd niet gehoord. Tevergeefs wees

hij op de wreedheid en doelloosheid van deze menschenslachting;

slechts spot en hoon was zijn deel. De spelen duurden voort, de

menschenslachting hield aan. Elke nieuwe dag bracht nieuwe offers.

Het amphitheater was tot in de verste rijen gevuld, geen plaats

bleef onbezet. Gevolgd door een schitterenden stoet trad de jonge

Keizer binnen, om van de spelen getuige te zijn. De Voorzitter geeft

het teeken om te beginnen, en onder schetterende muziek treden de

gladiatoren binnen in feestgewaad gekleed, om den gewonen ommegang

te doen.

De spiegelgevechten nemen een aanvang, tot eindelijk de langgerekte,

doffe toon van een tuba den strijd op leven en dood aankondigt.

Ha,--nu zal het bloedige spel beginnen. De toeschouwers rekken de

halzen, hun oogen glanzen van een dierlijken gloed. In de arena worden

de zwaarden getrokken en vangt de strijd op leven en dood aan. 't

Wordt weldra een oorverdoovend gejoel in den circus. Het volk huilt

en schreeuwt in dolle razernij, en wil bloed zien, veel bloed...

Onder de toeschouwers is er slechts een, die zwijgt,--een, wien het

hart samengenepen wordt van smart bij het zien van het vreeselijke

schouwspel, dat in de arena wordt afgespeeld. Zijne lippen beven, zijne

neusvleugels trillen zenuwachtig, zijne oogen vullen zich met tranen.

't Is een Christen,--een monnik, die hier op deze plaats des bloeds

verschenen is, om zijne stem te verheffen tegen dit schandelijke spel,

dat de menschen verlaagt tot dieren, die geen kennis hebben van goed

en kwaad.

Hij vouwt de handen en prevelt een gebed. Zijn boezem

zwoegt. Plotseling heft hij zich op en dringt naar voren. Zijne oogen

schieten vlammen. Een heilig vuur gloeit in zijn binnenste. Hij legt

zijn hand op den rand, die de arena omgeeft, en springt te midden

der gladiatoren, die den strijd om het leven strijden.

Hij schrijdt voorwaarts tot voor den zetel van den jongen Keizer,

die met zijn hofstoet ademloos den strijd volgt.

Telemachus, de monnik, heft de armen ten hemel, en roept den Keizer

toe:

"In den naam van Christus, houd op met dit spel, dat den mensch

onwaardig is..."

Twee gladiatoren strijden dicht in zijne nabijheid. Hij snelt op hen

toe, en poogt hen te scheiden.

Deze daad van den monnik heeft een geweldige opschudding ten

gevolge. Wat? Wil men den Romeinen hun geliefd spel ontnemen? Wil

men de verachte gladiatoren in bescherming nemen. "Weg met dien

monnik! Doodt hem! Doodt hem!"

In woede ontstoken en onder een helsch getier rukt men de steenen

uit den grond, en werpt ze naar den monnik, die met luider stem van

den Keizer eischt, dat het bloedige spel gestaakt worde. Kalm en

onverschrokken staat hij in de arena. De woorden vloeien hem snel van

de lippen, en de jonge Keizer luistert met ontzetting naar de stem

van dezen Christen-held. Zijne woorden, die de woorden waren van een

stervende, maken een onvergetelijken indruk op hem. Hoor, hij smeekt

in den naam van Christus, dat de Keizer het spel verbieden zal...

Maar de steenen vliegen bij honderden rondom den held, die keer op

keer getroffen wordt. Het volk joelt en krijscht. Men eischt zijn

dood. De steenen beuken zijn lichaam.

De edele held stort op de knieën, maar nog verheft hij zijne stem,

om den Keizer te smeeken...

Weldra zwijgt hij voor altoos. Zielloos ligt zijn lijk te midden van

dat der overwonnen gladiatoren. Maar het doel is bereikt. 't Was het

laatste bloedige tafereel, dat in het amphitheater werd afgespeeld.

De Christelijke geestelijken zetten na den dood van Telemachus den

strijd tegen het afschuwelijke spel voort, met het schoone gevolg,

dat keizer Honorius een wet uitvaardigde, welke de menschenoffers

in het amphitheater afschafte. De prediking van de Christenen en de

edele zelfopoffering van Telemachus hadden niet nagelaten zooveel

indruk op de Romeinen te maken, dat zij zich zonder morren aan de

wet van Honorius onderwierpen.

Gouden Daden · 第 25 / 36 题