Voor een klein huis in een van de nauwste straten van de stad Boston
stond, een 70 jaar geleden, een man met de grootste aandacht door een
raam te turen. Blijkbaar gebeurde daar iets, dat hem meer dan gewone
belangstelling inboezemde, want hij had oog noch oor voor hetgeen er
rondom hem gebeurde, maar hield zijn blik onafgebroken op eenzelfde
punt in het eenvoudige huisje gericht. 't Is den man aan te zien, dat
hij een werkman is, die in behoeftige omstandigheden verkeert, want
zijne kleeding is armoedig en zijn geheele uiterlijk verraadt kommer.
Wat mag er toch wel in dat huisje geschieden, dat zoozeer zijne
belangstelling boeit?
Och, iets heel eenvoudigs en gewoons. Niets anders, dan een eenvoudige
linnenwever, die voor zijn weefstoel gezeten aan den arbeid is,
en zijn spoel heen en weder beweegt. En toch is het die eenvoudige
arbeid, die zoo bijzonder de aandacht van onzen toeschouwer trekt.
Zijn naam is Elias Howe, en hij is werktuigkundige van beroep. Toen
hij, jaren geleden, bij een patroon werkzaam was, zei deze eens:
"Ha, als het eens iemand gelukken mocht, een naaimachine uit te vinden,
een toestel, dat licht, vlug en goed werkt, dan was zijn fortuin
gemaakt. Ik durf voorspellen, dat hij in korten tijd millionair werd!"
Van dat oogenblik af liet de gedachte hem geen rust, dat hij een
naaimachine zou uitvinden, die hem schatrijk zou maken. Maar 't kwam
heel anders uit. Zijn gedachten waren niet meer bij zijn werk, en
zijn lust daartoe was verdwenen. Hij werd een slecht arbeider, die
overal ontslagen werd en eindelijk nergens meer werk kon vinden. En
de menschen hielden hem voor niet-toerekenbaar. Zij vonden hem min of
meer krankzinnig, en hielden hem meermalen voor den gek. Zijn buren
en kennissen lachten om hem, en zijn vrouw was knorrig en boos en
schold hem meermalen uit voor een zot, die zijn tijd wel beter kon
gebruiken, dan zulk een hersenschim na te jagen. Zij zou het wijzer
van hem vinden, als hij het brood voor zich en zijn gezin verdiende,
in plaats van altoos te mijmeren over zijn idée om een naaimachine
te maken, wat hem toch wel nooit zou gelukken.
Maar hij gaf zijne pogingen niet op. Nacht en dag hielden zijne
gedachten zich met dezelfde zaak bezig, en 't was hem ten slotte
onmogelijk over iets anders te denken dan over zijne machine.
Zoo ook nu weer voor het raam van den linnenwever. Hij volgde
de eentonige beweging van de spoel, en was in diepe gedachten
verzonken. Telkens mompelde hij zacht iets voor zich heen. 't Was hem
aan te zien, dat zijn geest in heftige beroering was. Zijne handen
beefden en zijne oogen schitterden.
"Juist, zoo kan het,--zoo kan het!" mompelde hij snel. "Wanneer die
spoel met een naald zoodanig in wisselwerking kan worden gebracht,
dat bij iederen gang--heen en terug,--een knoop wordt gelegd, dan--ha,
dan was het gevonden.--Maar, dat mòèt kunnen,--dat mòèt kunnen!"
Nog langen tijd bleef hij voor het raam staan turen, tot hij opeens
uitriep, zoodat de voorbijgangers het hoorden:
"Ik heb het! Ik heb het!"
De menschen keken hem lachend na, toen hij met driftige schreden de
plaats verliet, waar hij zoo langen tijd in gedachten verzonken had
gestaan, en zich huiswaarts spoedde.
Maar eerst liep hij een ijzerwinkel binnen, en kocht hij voor zijn
laatste geld de grondstoffen, die hij voor het uitwerken van zijn
idée meende noodig te hebben.
Toen snelde hij naar huis, zonder op of om te zien. Hij draafde meer,
dan hij liep, en menige kennis van hem keek hem òf medelijdend, of
spottend na, in de overtuiging, dat het met den ongelukkigen droomer
hoe langer hoe meer mis ging. Zij twijfelden er niet aan, of hij zou
zijn leven nog in een krankzinnigengesticht eindigen.
Zoodra hij thuis kwam, riep hij zijn vrouw juichend toe:
"Ik heb het gevonden! Ik heb het gevonden!"
"Je bent niet goed!" antwoordde zijn vrouw norsch. "Den heelen dag
loop je door de stad te slenteren, je verluiert je tijd, je maakt je
laatste geld zoek, en je laat je gezin verhongeren. 't Is eene schande,
eene verregaande schande! Werk, zooals het je betaamt en verdien den
kost voor je vrouw en kind!"
"Dat zàl ik, dat zal ik!" juichte de man. "En goed ook. Wacht maar,
heb nog maar een poosje geduld, dan worden we schatrijk!"
"Doodarm!" viel zijne vrouw in.
"Millionair word ik, wat ìk je zeg!" riep hij zijne vrouw toe. "Wacht
maar,--de wereld zal verbaasd staan..."
"En je opsluiten als een gek!"
"Zal verbaasd staan, zeg ik je, en schatrijk worden we," hield Elias
vol. Maar hij gunde zich langer geen tijd om er over te praten. Hij
begaf zich naar zijne werkplaats en zette zich dadelijk met moed
aan den arbeid. O, hij wìst immers, dat hij het geheim eindelijk had
ontdekt, hij wist immers, dat de langgezochte machine thans tot stand
zou komen! Wat zouden de spotters, die hem een sukkel, een droomer,
een gek hadden genoemd, verstomd staan, als hij hun eindelijk zou
kunnen toonen, wat hij had gewrocht. Hoe zou hun spot in bewondering
veranderen, hoe zouden zij hem zijne schoone uitvinding benijden,
en wat nog het mooiste was,--hoe zou hem het geld van alle kanten
toestroomen, zoodat hij in korten tijd een van de rijkste menschen
van de Vereenigde Staten zou zijn.
Onverdroten arbeidde hij voort, dag aan dag,--maar 't ging lang
niet zoo gemakkelijk, als hij zich nog wel had gedacht. Telkens en
telkens weer bleek hem, dat zijn werk niet aan zijne verwachting
beantwoordde. Wèl had hij het beginsel, waar zijne machine op moest
berusten, goed in zijn hoofd en twijfelde hij niet, of ditmaal zou
hij slagen, maar--'t werd een gecompliceerde machinerie, en meermalen
scheen het hem een onmogelijkheid toe, om alles goed voor elkaar te
krijgen. Dan brak het zweet hem uit en voelde hij stekende pijnen
in het hoofd, die hem dwongen, om den arbeid eenigen tijd neer
te leggen. Maar--hij rustte niet, voordat hij zijn doel bereikt
had. Eindelijk--eindelijk dan toch kwam hij er mede gereed, en stond
daar zijne machine kant en klaar.
Maar--zou zij werken? Zou zij aan het doel beantwoorden? Zou zij
werkelijk een naad tot stand kunnen brengen, die kleine naald, die
daar zoo licht en snel op en neder bewoog?
Met bevende hand stak hij een draad door het oog, en legde
een stuk doek onder de naald. Toen bracht hij de machine in
beweging. Rrrrt! vloog de naald door het goed. Prachtig werkte zijne
machine!
Hij nam de lap in de handen,--en o, hij had wel kunnen schreiën van
vreugde. De naad was gestikt,--zijne uitvinding was voltooid!
Opgetogen van blijdschap riep hij zijne vrouw bij zich, en toonde haar,
wat hij gemaakt had, en toen zij alles had gezien, toen sprongen ook
haar de tranen in de oogen, tranen van vreugde niet alleen over de
goede dagen, die nu zouden komen, maar ook tranen van berouw over de
hardheid, waarmede zij haar man zoo dikwijls had bejegend.
Diep ontroerd beschouwden zij de nieuwe machine als een grooten schat,
en de vrouw zeide zacht:
"Dat had ik nooit gedacht! En wat heb ik je dikwijls onrecht
aangedaan. O, Elias, vergeef het mij toch. Ik--ik meende, dat je
alleen een hersenschim najoeg..."
Haar man sloot haar in zijn armen, en toen de eerste ontroering
voorbij was, beraadslaagden zij, wat hun thans te doen stond, om van
de uitvinding de gewenschte vruchten te plukken.
"Mijn eerste werk moet thans zijn, aan mijne uitvinding de noodige
bekendheid te geven," zei Howe.
"Ja, zeker,--maar hoe moet dat gebeuren?"
"Wel, door middel van de dagbladen natuurlijk. De menschen zullen
verstomd staan..."
"Ongetwijfeld,--maar 't zal veel geld kosten, en wie zal ons dat
verschaffen? Wij zelf bezitten geen cent in de wereld."
Dat was zoo, en Elias begreep, dat het nog niet eens zoo gemakkelijk
zou gaan, om zijne uitvinding wereldkundig te maken.
"Ja, tot wien zal ik mij wenden?" zei Elias peinzend. "De menschen zien
mij toch al voor half gek aan, en niemand zal---ha, wacht eens,--mijn
oude schoolvriend George Fischer vergat ik. Hij heeft mij nooit bespot
en is altoos dezelfde voor mij gebleven. Ik ga hem dadelijk vragen,
of hij mij helpen wil."
"Ja, ja, doe dat!" zei zijne vrouw. "Fischer is een braaf man,--als
hij helpen kan, zal hij het ook doen."
Howe vertrok, en kwam spoedig terug met de blijde tijding, dat Fischer
niet alleen helpen wilde aan het noodige geld, maar dat hij zelfs
aangeboden had, het geheele gezin van Howe bij zich in zijn huis op
te nemen, tot de betere dagen aangebroken zouden zijn, welk aanbod
door Howe met de grootste dankbaarheid was aangenomen.
"God zegene hem!" riep de vrouw uit, en weldra was de verhuizing
achter den rug. De arme menschen hadden trouwens niet veel over te
dragen. 't Eenige stuk van waarde was eigenlijk alleen de nieuwe
naaimachine,--maar die zou dan ook volgens de heilige overtuiging
van den uitvinder millioenen waard blijken.
Fischer, een handelaar in hout en kolen, was van meening, dat Howe
zijne uitvinding 't allereerst aan het oordeel van bekwame kleermakers
moest onderwerpen, om van hen de noodige getuigschriften te verwerven.
Howe was dat met hem eens. Hij pakte zijne machine in en begaf er
zich mede naar den voornaamsten kleedermaker van Boston. Maar deze
hoorde hem met ongeduld aan en weigerde zelfs de machine te bekijken.
"Laat dat ding maar ingepakt, vriend. Met zulke dwaasheden bemoei ik
mij niet," voegde hij Howe toe, die hem met de grootste verbazing
aanhoorde. Wat? Was dàt nu de roem, dien hij gedacht had te zullen
inoogsten?
Hij begaf zich naar een tweeden kleedermaker, maar daar verging het
hem niet beter.
Een derde lachte hem in zijn gezicht uit, en een vierde zei, dat hij
niet goed bij zijn verstand was.
Maar eindelijk was er dan toch een, die van zijne uitvinding de
gewenschte notitie nam. Hij liet zelfs de machine werken en bekeek
den naad met aandacht. Toen zei hij:
"Goede vriend, ik wil met dat ding niets te maken hebben. Wat moet
er wel van onze arbeiders komen, als wij zulke machines in gebruik
nemen? Zij zouden er door tot den bedelstaf worden gebracht. Ik raad
u aan, zelfs het bestaan van deze machine geheim te houden, want zij
zouden in staat zijn, u een ongeluk te bezorgen."
Ten slotte belandde hij in een magazijn van gemaakte kleederen, en de
eigenaar daarvan stelde hem voor met bekwame vakmannen een wedstrijd
te houden, wie het snelst en het best zou kunnen naaien. Howe nam het
voorstel aan en de wedstrijd had werkelijk plaats, waarin Howe eene
schitterende overwinning behaalde. De vlugste kleedermaker moest
voor de snelheid van de machine zwichten. 't Gevolg er van was,
dat de kleermakersgezellen in hevige woede ontstaken en het aan de
ergste bedreigingen niet lieten ontbreken. Maar een machine, die wel
700 gulden moest kosten, kocht niemand.
Toen raadde zijn vriend Fischer hem aan:
"Neem een patent op uwe uitvinding, en tracht dat te verkoopen. Er
zal wel iemand gevonden worden, die er veel geld voor geven wil."
Howe volgde dien raad, maar de milde kooper bleef uit.
De uitvinder werd er moedeloos onder, wat er niet beter op werd, toen
Fischer zich eindelijk genoodzaakt zag, hem zijn woning op te zeggen.
"Beste vriend," zei deze, "ik heb aan de uitvinding nu reeds 5000
dollar opgeofferd,--ik mag mij om uwentwille niet geheel ruïneeren."
Dat was voor Elias Howe en zijn gezin een zware slag. Hij nam, geheel
ontmoedigd, zijn intrek bij zijn ouden vader, die dicht bij Boston
woonde, en daar stelde Amasa, een jongere broeder, hem voor met de
machine naar Engeland te gaan en haar daar te verkoopen.
Dat gebeurde. Amasa vertrok en schreef na eenigen tijd een brief met
de tijding, dat William Thomas, een fabrikant van koffers, paraplu's
en schoenen in Cheapside, aangeboden had, de machine voor 3000 gulden
te koopen, wanneer hem dan tevens het recht gegeven werd een patent
op de uitvinding te nemen, geldig voor geheel Engeland. Daarentegen
verplichtte hij zich van elke machine, die in Engeland verkocht zou
worden, 36 gulden aan den uitvinder te betalen. Elias Howe nam het
voorstel aan, met het gevolg, dat William Thomas een zeer rijk man
werd, maar dat Elias Howe bijna even arm bleef als vroeger.
Op verzoek van Thomas begaf Howe zich in 1847 met vrouw en kind
naar Londen, om nog een paar verbeteringen aan zijne machine aan te
brengen. De ondankbare Thomas betaalde hem echter slechts 36 gulden
per week en behandelde den uitvinder van de hem rijkmakende machine
zoo lomp en uit de hoogte, dat de beide mannen hevigen twist kregen
en als vijanden scheidden. Howe was zoo arm, dat hij zijn patent en
zijn laatste machine verpanden moest, om het noodige geld voor de
terugreis te bekomen.
Armer dan hij ooit geweest was en geheel ontmoedigd, kwam hij in
New-York aan, waar hij als gewoon arbeider in een machine-fabriek in
dienst trad, om niet van honger om te komen.
Drie jaar later, in 1850, zat Elias Howe 's avonds eens met zijn
gezin aan het karige avondmaal, toen de deur geopend werd en zijn
vriend Fischer binnentrad, die hartelijk verwelkomd werd. Nauwelijks
had deze aan de tafel plaats genomen, of hij zei:
"Ik geloof, Elias, dat je je in 't geheel niet meer bekommert om de
prachtige uitvinding, die je eenmaal gedaan hebt!"
"Prachtige uitvinding!" riep Howe schamper uit. "Zeg liever, eene
uitvinding, die me de grootste ergernis heeft bezorgd, en me nog
armer gemaakt heeft, dan ik al was. Wat bekommer ik mij nog om die
ellendige machine!"
"Je hebt ongelijk, beste vriend," sprak Fischer. "Anderen plukken
er de vruchten van en worden schatrijk, terwijl jij in armoede je
dagen doorbrengt."
"Wat wou je zeggen? Dat anderen er rijk door worden?"
"Zeker. Je naaimachine wordt door anderen, die er niet het minste recht
op hebben, nagemaakt en verkocht, en er is groote vraag naar. Een
hunner, Singer genaamd, een gewezen tooneelspeler, heeft er eenige
verbeteringen aan aangebracht, en verkondigt zelfs, dat hij de
uitvinder van de machine is. Hij zorgt er wel voor, dat zijn lof
door alle dagbladen wordt rondgebazuind, en hij heeft succes. Van
alle kanten stroomen hem de bestellingen toe, zoodat hij in korten
tijd schatrijk zal zijn."
Howe keek zijn vriend in de grootste verbazing aan.
"Zeker, 't is zoo," hernam deze. "En nu kom ik je vragen, of je
dat alles maar rustig zijn gang zal laten gaan,--of je goedvindt,
dat anderen de vruchten plukken van jou schoone uitvinding?"
"Neen, waarlijk niet!" barstte Howe uit. "Als ik maar niet zoo arm was,
en wist, wat ik doen moest!"
"Wel, doodeenvoudig, je moet Singer aanklagen, dat hij zich
wederrechtelijk van jouw uitvinding heeft meester gemaakt, en de
rechtbank vragen, hem dat te verbieden. Een andere weg is er niet."
"Ja,--maar het geld? Dat zal veel geld kosten!" zuchtte Howe.
"Natuurlijk, maar misschien weet ik er wel raad op. Toevallig ken ik
een zekeren heer Blisz, een handig advokaat en tevens een rijk man
en een menschlievend man, die geen onrecht kan dulden. Mij dunkt,
wij moesten hem eens een bezoek brengen."
Dat geschiedde nog dienzelfden avond, en de heer Blisz ontving de
beide mannen bijzonder vriendelijk. Hij stelde dadelijk veel belang
in de zaak, en zei tot Howe:
"Ik heb indertijd uwe machine gezien en de werking er van
bewonderd. Het doet me daarom werkelijk genoegen, dat ge u tot mij
wendt om raad, en ik verklaar me bereid, u te helpen. 't Is eene
schande, dat Singer zich voor den uitvinder uitgeeft en u daardoor uwe
rechtmatige winsten ontroofd. Wees er zeker van, dat het hem spoedig
verboden zal worden, daar zal ik wel voor zorgen. Morgen begin ik
een proces tegen hem."
"Maar de kosten?" vroeg Howe.
"Die betaal ik!" sprak de menschenvriend. "Heb daarover geen
zorgen. Als ik het proces verlies, behoeft ge mij geen cent te
betalen, en als ik het win, word ik uw compagnon en zullen wij samen
eene fabriek van naaimachines oprichten. Er zullen goede dagen voor
u aanbreken!"
Tranen van dankbaarheid vloeiden Howe over de wangen, en ontroerd
drukte hij den advokaat de hand.
"Hoeveel geld zou er in de eerste plaats noodig zijn?" vroeg de
heer Blisz.
"Honderd dollar, om mijn patent in te lossen, dat ik in Londen heb
verpand."
"O, anders niet?" vroeg Blisz lachend. "Niet meer?"
Elias keek zijn vriend Fischer aan, en zei toen:
"Ja,--deze man heeft uit vriendschap voor mij reeds 5000 dollar
opgeofferd, en hij is niet rijk..."
"Hij zal ze terugontvangen," sprak de advokaat.
Hij opende eene kast, en betaalde de 5000 dollar aan Fischer terug. Aan
Howe gaf hij 100 dollar, om zijn patent in te lossen.
Het proces begon, en werd van beide partijen met groote felheid
gevoerd. Soms scheen het, of Singer met vlag en wimpel als overwinnaar
uit den strijd te voorschijn zou komen, dan weer twijfelde men niet,
of Howe zou de zege behalen. Er werd door de rechtbank een uitgebreid
onderzoek ingesteld, waarbij onomstootelijk werd bewezen, dat niet
Singer, maar Elias Howe de uitvinder der naaimachine was.
Het einde van het proces was, dat Howe openlijk als de uitvinder
erkend werd en dat zijn in 1846 verkregen patent geldig werd
verklaard. Alle fabrikanten van naaimachines werden veroordeeld, aan
Howe eene schadevergoeding uit te betalen, en zelfs moest hem voor
elke machine, die van elders in de Vereenigde Staten werd ingevoerd,
de somma van vijf dollar worden uitgekeerd.
Howe werd nu in zeer korten tijd niet alleen een beroemd, maar ook
een rijk man. In 1862 stichtte hij te Bridgeport, in Connecticut,
een groote fabriek, die nog heden bestaat en dagelijks honderden
naaimachines aflevert. Voortdurend wist hij nog verbeteringen aan
te brengen, die de bruikbaarheid van zijne uitvinding niet weinig
verhoogden. In 1867 verkreeg hij zelfs, bij gelegenheid van eene
wereldtentoonstelling te Parijs, het grootkruis van het Legioen
van eer. Kort daarop, den 8en October van hetzelfde jaar, overleed
hij. Hij heeft dus van zijn roem en van zijn rijkdom maar korten
tijd kunnen genieten, doch zijne schoone uitvinding is thans nog
duizenden menschen ten zegen. Zijn naam zal ongetwijfeld tot in verre
nageslachten met eere worden genoemd.