Ant schaamde zich voor Kees, na haar wraak die ze op hem in ’r drift
genomen had. De neermokering had ze van hèm verwacht, deed ’r beter dan
z’n akelig stommetje spelen. Ze was flauw gevallen. De halve kinnebak
was ’r platgeslagen. Ze had dagen van braak-weeê pijn en ellende. Maar
ze klaagde en schold niet meer. Al kwam ie ook iederen avond dronken
thuis, ze zei geen enkel verwijt. Flauw begon ze iets te beseffen van
zijn martelingen. Kees was nog stiller dan ooit. Soms sprak ze ’t
hoog-noodige tegen hem, met onderdanige stem. Maar ook dàt hoorde Kees
niet meèr.
Hij voelde zich schuchter, verbangd voor alles. Als ie dacht aan
nachtstroopen begon ie te rillen. Geen geweer nam ie meer in z’n
handen. Dag op dag zwaaide ie in de kroeg, na soms ’n paar uur
spitwerk. Gretig nam ie alle traktementjes, borrels van de dollende
kameraden aan, die ’m wouên laten konkelen van al z’n
stroopavontuurtjes. Maar hij zoop, zoop, zwijgend, verbraste geen stom
woord.
Ouë vrouw Rams strooide overal rond dat ie z’n wijf wilde vermoorden,
en heel Wiereland wist dat ie Ant de kaak had ingeslagen, ze
doodgebloed zou hebben als ouë Rams, die anders nooit van z’n schouw
kwam, ’r niet met water gewasschen en verbonden had.
Dat was ’n nieuwtje in de kroeg. Nou kenden ze hem wéér.. de kaak
ingescheurd, z’n wijf bijna verbrijzeld. Ze voelden wel dat ie ’n halve
moordenaar was, dat hij eigenlijk in de kast moest inplaats van den
ouën Gerrit, want die had alléén uit dolle zorgen gestolen.—
Ze dachten dat Kees nog wel eens ’n griezeligen uitval zou doen, nou ie
zoop als de ergste onder hen; Kees de Strooper, iederen dag zwaaiend
door de straatjes, gesteenigd door straattuig, beschald en
verschooierd; Kees, dien ze nooit nog dronken hadden gezien. Ze dolden
den Strooper over z’n wijf, maar hij blééf stom, smoordronken in
wrokkigen zwijg.—
Einde November, op ’n grauwen ochtend dat ’r jammer van vale droefheid
over de akkers triestte, en de regen neerstriemde in kletter, liep Kees
voorbij de verstorven herfstvelden, eindloos-droef onder den
laag-doorgrauwden hemeldruil.
Als ’n verschoppeling liep ie ’n pad af, z’n huis voorbij met ’n
smart-knagend wee, eindeloos van angstige gejaagdheid, in ontzette
vereenzaming van leven, niet wetend waarheen.—Z’n rotte natte plunje
verzweette regenstank om z’n lijf. Hij voelde zich bang voor de
nachten, die komen gingen, in diepe aanstarende donkering. Hij voelde
zich bang; verlangde in schreiend heimwee naar den dood, of naar den
heeten zuip die z’n brein verbrandde, z’n hartzeer verdoofde, z’n
denken aan z’n jongen gloeiend verwarmde. Twee kerels slungelend langs
den weg, wouên ’m vroeg al in den morgen meetronen naar de kroeg. Wat
deed ie daar suf te mummelen, alsof ie ’n tik op z’n hersens had
gekregen.. luilakken in den regen. Hij weigerde; straks zou ie ’r zijn.
En de kerels begrepen maar niet waarom ie eerst nooit gezopen had, en
nou z’n neus verfde, erger dan een van hen allen.—
Om Wiereland droefden de akkers weer grauw en stil in de late
herfstsombering. Op ’t grondbrok van ouë Gerrit stond Bolk bij ’n
nieuwen baas te spitten, twee steek, en heel tegen den verren horizon,
in mistige bronzing van ’t bollenland, de stomme silhouetten van Dirk
en Piet.—
In grauwige somb’ring druilden de bosschages, en windruisch
huiverbleekte achter boomen en laantjes. Leeggedroefd in de wintering
kniesden kaal-wijd weer de velden; stille werkers zwoegden op ’t
aardeland. Schemer regende, vertriestte over hun bukkende en
verdonkerende gestalten.
En wijd-rondomme, eindelooze herfstweedom van ’t land zonk uit,
verdempend geruchten, in donkerende verstilling van leven.—