Om drie uur den volgenden ochtend, kwam er kort-driftig gestommel in de
duister-beluikte woonkamer van ouën Gerrit. Zurige zweetlucht vervunsde
uit de krottige slaapholletjes. Dirk uit ’t donker bedsteetje, was
opgesprongen, òver Piet heen, nog slaperig en gaperig, rauw van pijn,
geradbraakt van vermoeienis en katterigheid. Branderige matheid voelde
ie door z’n lijf loomen. Driftig schouerbonkend stootte ie Piet op, die
nijdig even gromde, maar dadelijk weer insnurkte. Dat maakte Dirk
kregel en snauwender porde ie ouë Gerrit en Guurt, dat ruw z’n korte
stem, kamerochtend-stilte doorscheurde. Wijê gapen loeide ie koeïg door
’t vertrekje, dàn vlak tegen beschot, dàn vóór bedsteedonker, telkens
zich rekkend in achterwaartschen lijfkronkel, armen omhoog gerengeld en
vingers verkrampt in slaapzoeten wellust, dien hij machteloos-heerlijk
door z’n lijf voelde terugstroomen, tegen z’n luiigen lijfrek in.
Langzaam slofferde ie op z’n kousen naar buiten waar ie de luiken van
de ramen losmorrelde. Onder de pomp beplaste hij z’n gezicht,
luchtigjes met water, vies van ’t nattige dat z’n hemdsmouwen en
hemdboord beklefferde, en in branderige straaltjes tot op z’n naakte
borst afdroop.—
Guurt was gauw opgestaan.—In ’r nachtpon, haarhang opgebonden in
woesten kronkel, maakte ze vuur op ’t achterend, drentelde rond de
stellen en zette boterhammenkoffie.—Ouë Gerrit en Piet in hun rooie
onderbroeken waggelden nog slaapdronken en grommerig door de kamer,
loom en lijzig hun bovenkleeren aansjokkerend. Even bleef Piet
hang-zitten op z’n stoel, klepten z’n oogleden dicht, hield ie z’n
stinkende pilow, half over z’n dijen getrokken, slap in de slaaprige,
krachtlooze knuist. Ouë Gerrit, in schreeuw, schrikte ’m wakker.
—Wà sloapmus, jai toch, gromde ie, soo’n jonkie!
Na ’n kwartiertje rondgeslenter en gedribbel, sluipzacht op ’r kousen,
had Guurt de kerels bakken koffie en hompen brood voorgeschoven. Gretig
schuifelden de mannen hun stoelen áán, neerblokkend met armen op tafel,
hoofden gebogen over hun dampende koffiebakken, slurpend, gaperig,
rekkend en korrelig-stil. Rond hen, walmde slaapstank van ’t kamertje,
dat al zacht volgevloeid glansde van vreemd, gloed-stil ochtendgoud.
Roodflonkerende zonnedans koperde bliksempjes op de
staartklok-gewichten, op ’t pronkstelletje, tang-pook-schep, onder het
schuingetimmerde, versierde hoekschoorsteentje.—
Langzaam, in bedaarde ouderwetschheid tiktakte de klok, zacht-vlammig
aangegloeid rond de gewichten.—Guurt had ’t duifje losgedekt en
daadlijk koerde z’n kopje als van verre, droef door de kamerstilte
heen, waar alleen smakten en slurpten de wreede werkersmonden, en de
klok dreinerig ti-jik.... tàkte....—
Moeder Hassel lag, met opengesmakte deuren, de kamer in te staren,
bleek beslaapmutst hekserig hoofd, op peluwgrauw, de uitgedoofde
staaroogen naar de slurpende kerels.—Ze hoorde koffie slurpen; dàt
geluid kende ze. Ze zag ’t, voelde, besnuffelde ’t, met wilde, gesperde
neusgaten.—Dàt geluid haakte vast in ’r ooren, ’t hoofd, bleef in ’r
herinnering leven.... Woest instinkt naar koffieslurp.—Telkens gretig,
even keek ze naar Guurt, als wist ze nu klaar, dat ze ’t van die moest
hebben. Maar de kerels hapten door, slurpten onverschillig. Guurt
klepperde nog ’n roodaarden bord voor hen neer, waar ze weer hompen
brood op afsneed, slurpte zelf mee, gejaagd zittend op stoelpunt,
ongewasschen in blauwkorten onderrok nu. Stil slurpte d’r mond in
doorzond ochtendgoud van kamer, ’r blond hoofd in stil aureool. Buiten,
achter ’t raam, glansden de akkers in aanbrandenden gloei van
zonnekomst.
—Nou Ouë, gromde Dirk plots, kauwend en slikkend dat ie niet verder
spreken kon eerst—aa’s ’tr nou moàr puur om drie uur, de oarbei-boel
dur stoan, an de markt hee? daa’k hullie om vaif uur an de kant hep in
de stad? kaa’k t’met nog ’n hooge markt moake.. hee?
—Sel d’r weuse.... mi sonder mekeere.... Hoho! ho!.... Piet loait
op.... en Kees goan de hoàfe langest....
—Hier-op-pan! aa’s Kees de hoafe opgoàn, ken ie t’met oploaje ook....
—Hoho! dà lief ’k nie! dà lief ’k nie.... die suupt te veul.... die hep
s’n skoenlappertjesmoandag.... enne.... dá’!....
—Wa’! Kees?.. Kees suipt?.... krijschte Dirk uit, ’n stuk brood, dat ie
half al in z’n mond gestopt had er weer uithalend, met ’n web van fijne
spoegdraadjes,—f’rvloekt aa’s de fint één borrel lait! jai suinege Job!
—Hoho! vier en vaife en nie g’nog! bars jai nie uit!.. soo vroeg in ’t
morgeuur hee?....
—Wa’.... éénmoal.. andermoal.. ikke wil dá’ Kees oploait.. Piet hep s’n
aige dood te plukke op haide.. En denk dur om.... niks aa’s oarbaie....
Op haide voart de boot twee keer!.... ikke goan doar.... om veur van...
om twaalf uur is t’ie d’r wair.... sel main ’n dotje weuse op de
kant!.. snof’rjenne, gain ploas om je klompe af te trappe, waa’n
klus.... ’n drukte op de boot.... sullie dringe hoarlie aige t’met
hardstikke dood.. hoagelvol!
Ouë Gerrit was opgestaan met ’n smak z’n koffiekop op tafel
neerstootend, dat vrouw Hassel in ’r bed opschokte, iets brabbelend
uitstamelde. Nog had Guurt ’r geen leutje gebracht. Onrustig, hongerden
’r oogen naar ’t zoete vocht, dat op stinkend petroleumvlammetje
konkelde en leuterde. Ze besmakte ’r drooge lippen, zonder dat ze
vragen durfde, vragen kòn. Besefloos Guurt te roepen, uit angst voor
nijdigen snauw, in ban van trage dofheid, bleef ze staren, vroeg ze
toch met ’r oogen, zonder dat iemand uit de aanlichtende kamer naar ’r
omkeek. Gerrit, handen in zakken geknuist, keek met z’n neus op ’t raam
gedrukt, naar buurman’s tuinderij, waar nu alles groen-goud in den
ochtend-tintel gloeide, doorvonkt van dauwig
druppelvuur.—Ochtendstilte, uit paadjes en wegjes, ruischte rond de
tuindershuisjes en de roode bedakingjes vlamden licht-hel.—
Vandaag zou ie wat te plukken hebben, mijmerde Gerrit, speelsch
drukkend z’n neuspunt tegen ’t ruit, wiebelend op z’n hakken. Z’n rug
zwoor en stak van pijn. Maar ’t most, most nou. Hij had al dagen
achteréén onrustig zitten piekeren, dat ’r geen regen kwam, gejaagd,
nou de boel zoo droog stond. Maar nou most ie maar doèn, doèn en niet
seure....
Met hun drieën waren de kerels over ’t erf den tuin ingestapt. Guurt
drentelde weer op ’t achterend, spoelde en sjokte, terwijl de kamer in
ruischender glans van zonnige ochtendwarmte, sterker aangoudde, tot op
’t slaapholletje waar vrouw Hassel staarde, en besmakte ’r droge
dorstlippen. Op de tafel brokkelden nog broodhompen. Aarzelende
glansjes van schichtigen prismaschijn uit geslepen spiegelrandje,
kaatsten trillige vlakjes rood, goud en groen, op twee rood-aarden
doffe bordjes.
Daar stààrde ze op, vrouw Hassel, besefloos en traag, tot ze de kleuren
voor ’r oogen zag verflakkeren.—
Buiten hurkte Kees al, in pluk bij de erwten. Nog ’n uur bleef Dirk
werken op ’t land, achter de wortelen. Eindelijk werd ’t tijd voor ’m
om op te stappen naar de haven. Nog ’n mandje pieterselie en postelijn,
schokkerde ie over den schouder en stil liep ie den weg op naar de
boot. Nou had ie zich nog puur te haasten merkte ie, toen ie even
achter ’t ruit gluurde, hoe laat ’t was.—Kwart voor vijf. Om vijf uur
precies ging de schipper van wal.
Zwaar hijgend, z’n mandjes dobberend op z’n rug, kwam ie snel de haven
opbeenen. Maar „Tuinders Geluk”, de boot waar hij mee voer, lag er nog
rustig, met vier andere schuiten achter d’r áán, hoog gestapeld ’t
schel-groene van kroppen, beflonkerend aardbeirood en wortelenoranje,
tegen den blauwen luchthemel in, die diep en wijd lichtte, in strakke,
fel-heete zonnigheid al.—
Op àchter-en-voordek, stonden de groenboeren saamgedrongen, in hun
sjofele plunje, tusschen de dreigstille punthoekende hurrie van hoog
opgestapelde kisten en mandwallen, waaruit zwavel-zoete geuren walmig
verwasemden. Tot onder den stuurstoel, stapel-brokkelden de
aardbeikisten en langs de reeling, propten, saamgekneld, bakken, vaten,
manden, zakken, dat de kerels en vrouwen, in bochten er tegen elkaar
opgedrongen stonden. Enge doorgangetjes, kronkelden tusschen de
ladingen, waar ’t landvolk elkaars lijf beschuurde, schreeuwerig
verscharrelend en ruilend koopwaar die ze te veel hadden. Tusschen
zakken gekneld, op manden of kisten neergestooten, sjacherden de
zwoegers, klonken òp de gesprekken, levendig, krijscherig, overgoten
van duffe groentestanken uit de achterkajuit opwalmend, voos en duf,
zuur en ranzig. Aardbeien zoetten ’t hevigst en weeïgst tusschen de
mestige koolstanken.—Zwaar dampte uit, in de broeierig lange boot,
hageldicht bestapeld, de stinkende kleeren der tuindersmannen en
vrouwen, de zweetlijven, wàrme walg tusschen de gronderige stanken van
’t groen.—
Prachtig, jubel-fel schalden de hooge groentebergen als festijnen van
licht, tegen ’t doortrilde, in zon-zwemmende lichtblauw. Daar onder,
barokke wal van kleur-woelige kisten, met donkerder groen in
onderschepte glansdempingen. Maar hoog-schuimend, gloeide kleurbrand
van aardbeien boven alles uit.—Versjofeld en kleurbemorst, scharrelden
de tuinders bijeen, in de vroege ochtendboot, al meer, al méér, achter
elkaar. Galm-luid, de klok van hoogen katholieken kerktoren sloeg vijf,
bevend in de wegstilte en havenrust. Laatste bootsein van vertrek liet
kapitein zangbassen over de ochtendleege havenkaai.—Wat karren met
aardbei-aanvoer ratelhotsten kei-beukend weer weg, wreed rumoerend door
de morgenstilte. Bas-zang van pijpen bleef seinen, als stemmegroet van
tuinders naar de verre makkers op ’t land, dat de reis naar de stad
beginnen zou. Een dekknecht van „Tuinders Geluk”, had plankier gelicht
en ingeschoven, reeling saamgehaakt en kaptein was op z’n stuurstoel
geklommen. Statig liet ie draaien, ’t kanaal in.—Uit ’t boothart
schokkerde machinedreun òp. Achter ’m aan, zongen pijpen van andere
tuindersbooten, stemzwaar en hevig vibreerend, dat de stille starende
ochtendlucht sidderde onder ’t dreungeluid. Plots klonk jagend geroep,
onder zwaar lommerende kastanjelaan uit, van twee groenboeren die zich
verlaat hadden en meemoesten nog met „Tuinders Geluk”. In vlieggang
holden ze langs de stille huizen, kei en sintelpad over.
—Piet Groome en Anseeler, riepen ’n paar van de boot, over de reeling
gebukt,—hee keptain! t’rug!.... twee van Lemmer! Hij had ’t al gezien,
toeterde wat zangerige woordjes door z’n spreekbuis naar machinekamer,
waarop boothart heviger bonkte, de voorboeg achteruit bijdraaide, dat
de kerels in hollende vaart, rood-bezweet, nog net tusschen kisten en
manden, over verschansing, heenklauteren konden.—
Achter „Tuinders Geluk” lagen nog drie booten, „De Dageraad”, „Ons
Welvaren” en „Weltevreden” met tuindersvolk van heinde en ver
saamgestroomd, ongeduldig wachtend op vertrek van de voorliggende
schuit. Ook daar stond ’t landvolk, achter en tusschen de aardbei- en
groentebakken opgepropt, ingekneld; één donker-dreigende, sjofele
kerels-stoet, vlak om ’t koelscherm van machinekamer saamgepakt,
wegzwartend onder rookwolken van stoompijpen, die dreun-zangerig
doorbasten als duistere stem van zwoeg, somber-smartelijk, in den
fellen klaterenden zonnegloei van polderlucht, in ’t eindeloos blauw,
en weigroen.—
Stil zoeften de booten achter elkaar áán, de kerels en wat vrouwen, al
meer opeengedrongen, donker tusschen den frisschen jubel en stoeiende
kleuren van hun vruchten en waar. In de havenstilte, roerloos weer na
zwijg van pijpzang, verdwenen de booten één na één onder lage
spoorbrug, ’t kanaal in, dat wijd-geplast, zilver-vonkte en dampte
tusschen onmeetlijk poldergroen. Stil druischten de kerels weg van wal,
de donkere opgepropte stoeten, in de ochtendglorie; zittend of half
hangend op en over de verschansing, beklemd tusschen de neerbrokkeling
der stinkende kisten, als ’n bende vervuilde schooiers en melaatschen,
naarstiglijk verpakt en versjouwd, onder den heeten jubel van hun
vruchtengloed. Al de booten waren „Tuinders Geluk” voorgedraaid.
Langzaam zoefte die eindelijk, achter de andere áán, onder de enge
spoorbrug, zacht-schuiflende pàl langs wanden van brugbogen en
pijlers.—
Dirk stond ingehurkt naast Klaas Grint, die weer aanleunde, half tegen
twee vrouwen, een lange, met ’n gore steekmuts op, de andere met ’n
donker rood-wollig kapertje over ’r hoofd gefrommeld. Vóór de
vrouwenbuiken, spannend gestrakt onder boezelaar, hoekten kistenstapels
waarachter weer ’n stoet kerels gekneld stond.
—Tjonge.. Tjonge.. d’r’is nog puur wâ wind op de ruimte hée?.. zei met
vertrokken gezicht Klaas Grint, naar de lucht kijkend.
—Daa’s net bromde Dirk terug.... hai jai ’n pruim Kloas? nou he’k
f’rdroaid main sak legge.... loate!....
—Bi-jai’t Hain!.. lolde Grint, da’ sel woar wese.... roep jai sàin d’r
bai op Sint Jan hee?.... hier!.. pak-àn.. moar mondjes-moat.... oue!
„Tuinders Geluk” was ’t groote kanaal ingestoomd. Zacht kabbelden
watergeruisch en schuim-zilverende vloedgolfjes langs de kanten.
Zweef-luchtig zoefte ’t schip voort, tusschen ’t eindelooze
poldergroen, bedauwfonkeld met vuurdroppels van trillend leven,
robijnen weerlichtjes, en vurig smaragd.... Uren ver, verfonkelde nat
goud-groen, glanzend en uitwebbend kleurige hette. Heerlijk frissche
windbries stoeide luchtzuiverend om de boot, de voosduffe geuren en
stank-wasem wegflapperend, ’t koele waterruim in. ’n Troep tuinders was
achter de pijp geklommen, op zwarten kop van machinescherm, waar ze
luiig neerhurkten in zonnegloei, of schuin opstonden achter den rooker,
koppen fel omlijnd tegen luchtjubelblauw. Er was drukke stemmenhurrie
onder ’t landvolk, gesnater en gelach tegen vrouwen, en overal
brandende lust om van landgescharrel, marktwaar en prijzen te spreken.
’n Paar tuinders met fluweelig pilow-zwarte vesten en dof-zijden
pofpetten, trommelden met hun gekleurde pantoffels, op ’t verhitte
plaatdek van machinekamer, ’n orgeldeun meelallend. Plots de bootbode,
kerel met roodgezwollen snuit, akteurskaal en voor-den-gekhouerigen,
paarsen drinkebroersneus, werkte zich los uit stemmenroezemoes en
scharrel van opgepropte tuinderstroep.—Z’n blauwig-glad geschoren
komiekenkop grinnikte leukjes tegen z’n volkje en grimassig sprong ie
op ’t veilbankje, hoog boven woel-massa uit, grabbelend in guitig
steel-gebaar, met z’n hand in ’n grauwen zak.—Tegenover hem, op
zon-doorhit koelscherm, zat luiig ingedoken tegen de pijp, ’n kerel met
notitie-boekje, klaar om te schrijven. Bootbode, die onder reis van
Wiereland naar groote stad, te veel waar van tuinders-zelf in veiling
moest brengen, bleef rammelen in z’n zak, lolde wat tegen de kerels
onder ’m, dat z’n roodfrissche wangen bolschaterden, sterker zwollen,
z’n blanke tanden uitwitten onder z’n bieteneus en tusschen
plaatjes-mooie helrooie lippen, hagelrein. Hard en stalig klonk z’n
stem, toch vol, met ’n galm er in, als nadreun van klokgelui. Telkens
uit den zak, vischte ie ’n blikken nummertje op, afroepend wie d’r ’t
eerst veilen zou. Zoo regelde hij de beurten, schreef z’n maat, tegen
de pijp, in kookzon luiig weggedoken, namen van veilers op.—
—Wie mot ’r ’n nommer?.... Gijs Janse! Kaike?.. daa’s vaiftien, klonk
hard-galmend z’n stem door den koelen bries-stoei, klank-zangerig
Wierelandsch.
—Bekermaa’n.... achttien?.... Grint.... drie en veertig! Hassel....
ses-en-dertig!....
—Main d’rook ain!.. riep ’n tuinder uit achtergroepje, die nog wat
kwijt wou wezen, hopend op ’n begin-nummer, om ’t eerst te kunnen
veilen.
—Vaif-en-veertig!.. Nailis Roskam.... hee! „netoàris”... Roskam!—lachte
de Bode, lolligjes met oolijken oogenknik naar den „schrijver-notaris”,
die luiiger weggedoken lag achter de pijp.
—Logge megoggie! nou ka je wachte, gromde de pachter, woest dat ie
zoo’n laat nummer beet had. Nou was ie zoo heet geweest op ’n
begin-blikkie.—Stem van Bode bleef afgalmen de nummers met veil-namen,
en telkens lacherig, uitblankend z’n tanden, bloed-rooie lippenmond
wijd open, kraaide ie schooirige grapjes uit, strooide ie
schalksheidjes en hekelwoordjes boven hun hoofden rond, omgierd van
terugkonkelende stemmen en giegelende kreetpretjes. Telkens klauterden
andere kerels op en af ’t machinescherm, naast en tegen de pijp
lawaaiend, rond den „notaris”, die overal spottend om z’n eeretitel
beschaterd werd. Van hun hooge standplaats schreeuwden ze mee, boden,
kochten en verscharrelden, de koppen, warm en zweetbedropen, paarsig en
brons-nat, rood en geel-grauw aangegloeid in zonnebrand. Van achterdek
af was alles plots naar voren gedrongen om vlak bij Bode te staan. Op
kisten, morsige vaten, walm-stinkende manden en zakbulten, hingen en
hurkten de kerels, in struikel en klauter, achter elkaar opgepropt.
De achtersten, ver van den Bode, loerden tusschen schoudergeultjes van
vóórstaanden, in drom saamgestrompeld, heet op den scharrel.
—Veertig! vrouw Plenk.... dreunde Bodestem.... vaif.. vrouw
Boterblom.... naigtien.... mamselle Kiester.... sestien.... vrouw
Zeune!....
Eindelijk had ieder z’n nummer, kon de veiling beginnen. Zacht briesden
en woei-koelden luchtige windscheringen over ’t smoezelige,
walm-stankige dek, als ging er tochtige wiekslag van vliegende vogels
rond. Recht voor den boeg, sprankelden waterglanzige sparteltjes licht,
violet-zilverig, paars-goud, kabbel-deinend hemelblauw-vuur, dat in
schuimig golfjes-spel zich heet verbraste in damp. Tusschen de
fel-groen bezonde ochtend-oevers, komde in eindloozen kring, ’t vlakke
zonnignevelende polderland, in vochtige ochtendpracht. En overal
rondgekringd, goudden de lage hooi-schelfjes, tusschen siddergroei van
korenhalmen, brokken weiland, ontsluierd uit morgennevel, uit
nat-dampig goud en zilverende gloeiingen. Schitterig flitste ’t
dauw-vuur, dat mijlen ver, weiland aan weiland in arabesk vonkspel
omtooverde.
Bode op z’n bank, hoog boven de opgepropte tuinders uit, al dichter op
één punt van de boot bijeengedrongen, klankte met z’n jolige,
rauw-heldere spotstem in:
—Wai selle d’r beginne met seve-en-twintig pond raspers van....
—Neelis Skorpioen.... las „notaris” haperig af van z’n lijstje.
—Van Skorpioen.... uit Slangetje.... wie sait dur ’n gulde! daa’s vier
sint ’t pond!....
Inmiddels had ’n tuinder, ’n zwaren zak doppers losgesjord uit
kistenrommel, zich door lijfgedrang heengewurmd, z’n waar, àchter
koppen, vaten-stapels en manden-torens, met krampigen arm, hijgend op
veilbank vóór Bode neergesmakt. Dadelijk grabbelde die, met één hand
tusschen de groene vruchtjes, liet ze speelsch rond z’n vingers glijen
en riep weer opjagend:
—Prechtig jong goed!.... ruikt puur aa’s.... oo-de-kolonnie!.... wie
sait dur....
—Tachtig, krijschte ’n stem uit het menschkluw op de koelkast.—
—Tachtig, vaif en tachtig, draafde Bode door....
—Naigtig! zenuwachtig scherp, piepte ’n vrouwestem onder de pijp uit.
—Naigtig, zang-dreunde, hard-klaar Bode’s geluid nà, tusschen
bries-stoei en koelen kabbelgolfjesruisch in.... Naigtig.. vaif en
naigtig.... da goan.... eenmoal.... veur de derde moàl.... Rietvink!
Pachtertje Rietvink had ’t laatst geboden, kreeg erwtenzak over
koppendrom naar zich toegesleept en warm wroetten en graaiden z’n
armen, tusschen ’t heete gedrang en getast van lijven. Dwars achter de
pijp, waar ’n groep kerels zich spitste op ’t veilgoed, en uit alle
hoekjes gretige kijk rondging, klonk dof gestommel en geschuur van
voeten op stalen plaat en kijverige stemmenroes, warrelend en
schreeuwerig als gesmoorde ruzie.
—Halt doar Kempees, krijschte de Bode naar de pijp, t’met d’r al heet!
nog gain hallef ses... je hep dur puur nog ’n vaiftien uur om malkoar
an rieme te snaie hee?.... kaik hier!.. is dur twintig pond mooie
kapcainders.... wie set....
—Tachtig! schreeuwde daad’lijk ’n venter, stemschor, rauw.
—Tachtig, van fier kant gelaik!
Vrouw Banke, met’r zwartig-rood kapertje over ’t hoofd, ’r korte,
spek-vette, trillige armen, boven ’r tonnigen romp-buik, grabbelde in
den kapucijnerzak dien Bode op de veilbank sleepen liet.
Lacherig schalkte ie, hoog boven de venters uitkijkend:
—’t Benne gain kuite.... vrouw Banke.... je ken dur sain nie knaipe!
Gegier stortte in, en heeterig aangevlamd in hartstocht, tapten wat
kerels schunnige moppen, die vrouw Banke met minachtend lipgepuf
afweerde.
Bode had toegeslagen, en telkens weer ’n andere venter kwam op àfroep
van zangnummer, van achter, bijzij, uit kajuit, door den opgeknelden
menschenkronkel heenduiken, met zware zakken of bakken boven hoofd en
onder arm, alles neersmakkend in vloek-heeten sjouw-zucht op veilbank
voor den Bode.
—Nou he’k vaiftig pond piek-faine groentjes!
—’n Gulde:....
—Een-tien.... een-tien.. mi je drieë.... een vaiftien!.. een
twintig.... mi-je viere.... een vaif.... een dertig!....
Overal keek z’n rood-frissche kop rond, lachte z’n lichtpaarsige
wipneus, drinkebroer-komisch, kleurden z’n wangen alsof vrieswind ’n
blosgloed op z’n kaken geschminkt had. En hagelwit lachten z’n tanden,
tusschen z’n hel-rooie lippen, bij elk opbod. Hoog pagaaiden z’n
arm-gebaren door de lucht, hitste z’n stem de venters op. Achter en om
koelscherm bleef roezemoes gonzen van kakelwijven en schorrige kerels,
rond ’t zwarte stoompijp-gevaarte.—
—Nou he’k nog twintig pond prêchtige loage woaltjes hee? eerste
prime-kwoaletait!.. hai jai doàr!.... kalf-mi-je-natte neus!.... hoeke
motte ’t weuse?....
Op plaatdek van machinekamer, dat gloeide van stoom en zon, trampelden
de kerels ’n deuntje, brak weer herrie en gestrij los, tot de Bode er
met z’n staalharde stem weer tusschen invloekte. ’n Knappe donkre
vrouw, was uit ’t gedrang opgesjokt, met ’n zwaren zak voor d’r buik,
dien ze met knieduwetjes opsjorde, en in blaas-zucht smakken liet op
veilbank. Haar kop droop van roodzweet en gloeiing.—
—Dominie hiet! paa’s d’r op en bran je bekkie niet, schaterde de
Bode.... seg vrouw Reep.... soo is dur puur gain vatte àn.... hee
doàr!.. help jullie ’t goeie mins ’n handje sjorre.... hooger òp....
soo!.... soo is ’t broaf!
Plots gulpte de zwartmastige pijp rook uit, verwaaiend in roetgolvende
mistkransen over de tuinderskoppen, hun rompen wegdonkerend in
roetbruinen damp. Ze kuchten en vloekten de werkers, achter den
brons-zwarten mist, en stil éven bleef Bodestem weg. Maar daadlijk uit
wegroeting van rook kwam ’t afgeroepen nummer opzetten, naast de
donker-vette vrouw, opdringend met blauw beschilderde manden.—
—’n Uijtvinding, lachte de Bode, blauwkokke in ’n beskilderde
skulpmand.... hi-hi!.... nou minse.... wa segge jullie veur veertig
pond blauwkokke!.. prechtige kapcainders!....
Snel en stemme-knetterend joeg opbod-jacht tegen elkaar in.
—Ke jài die nie hebbe Dirk, jai hep tug gain blauwkokke teelt!
—Es kaike hoeke se goan.
—Sestig.... tachtig!.... tachtig.. allegoar!.. Bi-jai-t-Hain!
—Naigtig! viel Dirk kalm uit.—Hij kon sullie d’r bestig bruike.... bai
s’n aige doppers.... had ie vroag veur bai s’n klante!....
Meer en meer doppers werden opgesjord naar veilbank, en haastiger
wisselden de venters hun waar uit. Zak op zak bonkte neer voor den
Bode, en woester grabbelden z’n vingers in ’t groen.—Vóór de veilbank
gedrongen uit achterste rij, stond ’n oue, beverige pachter, knorrige
kop met ingegroeid zwarte vlekken op z’n neus en mottig voorhoofd. Aan
z’n bepukkelde kleine oortjes, glimmerden koperig-gouden ringetjes,
waar ie telkens met beverige handen naar greep, aan trok en kneep, dat
z’n lelletjes bloed-rood gloeiden bòven z’n bontvervigen halsdoek, die
morsig om z’n vest kreukelde.
—Veur ’n f’randring.... vaif bosse duifeke! wie set dur in!
Laag, armen uitgestrekt, hield Bode de bossen wortelen in z’n hand,
wortelen, breed-puntig als priktollen.
—Die mo’k main hiete!
—Aràit!.... moàr se sitte vast an twee mandjes postelain.. wie sait dur
wá’—Harder, staliger klonk z’n stem, uitdagend, verwaaiend in
brieskoelte.—
Onder koelscherm uit, kwam roetige negerkop van stokersmaatje
koekeloeren. Langzaam groeide zijn lijf hooger òp uit de, hittesfeer
rondschroeiende machinekamer, waar ’t heet stootte en bonkte in
treinrhytmus.... De stikwarmte uit hamerend boot-hart vloeide rond de
groenten en vruchten, stookte en gistte ’r zwijmel van stankdampen.
Tusschen de tuinders drong stokersmaatje zich heen, naar ’t dwars-vat
met water, gretig loerend naar ’t kraantje en wit-steenen kom. Z’n
roetige handen graaiden haastig door opening tusschen wat venters, naar
drank. Gretiger nog omknelde hij ’t kraantje, met z’n beenen en romp
weggedrukt achter de woelige jagende veilers, die in vuur van koop ’m
niet doorlieten. Stil werkten z’n allééne handen en armstompjes in
woeligen grabbel, als afgehouen levend, tusschen wat kleine
ruimte-spleetjes, lieten ze ’t waterstroompje de kom inkletteren.
Zacht-voorzichtig werkten de roet-handen zich weer achteruit tusschen
de lijven door, de zwarte vingers krampig strak in greep om den
wit-steenen rand gekneld. Gejaagd slurpte stokersmaatje, ingebukt
àchter de ventersruggen in klokkende lafenis, z’n heete keel vol koude
vloeiing begietend. Weer woelden z’n handen en armstompjes naar voren,
tusschen dijen en koppen van laag zittenden, en weer slorpte ie bak na
bak lauw vat-water in.—
—Gaif main d’r ook us ’n koppie, kost tug niks hee? lolde Klaas Grint.
Maar roetgezicht van maatje, waarin de oogen nikkerig met ’t
vreemd-wild wit hadden òpgelicht, was al weer verdwenen achter de
kerels, in de stoom-heete, blakerende machine-kamer.
Weer acht bossen tolronde wortelen bracht Bode in veiling. Drie
tegelijk dongen gretig, heet.
—Ksj.... ksj!.... katjes! joag d’r malkoar moàr op.... schaterde de
Bode.... dertig sint!.... veertig.... mooi soo.. ksj!.. kaik!.. da’ hai
je Antje Meele.... kom Teun!.. gaif toe!.... gaif toe.... ’t is tug ’n
maissie....
Teun lachte, was blij dat ie van ’t bod af was, begreep den
vrindenwenk.
—Vaiftig.. veur de derde moal.. Antje Meele.. hai je-en-hoord
netoàris?.. nou doar dan.... anpakke maid! g’luk d’r mee.... aa’s
sullie dur nie veur aige bik benne!....
Over de koppen zeilde Bode de bossen naar Ant Meele heen, ’n rood
behaarde, slank mooie meid die opgedrongen stond, tusschen de rumoerige
kerels. In vaart nog greep ze de peenen tegen ’r borst op.
—Nou he’k drie bakke mooie sloà.... nie te sien.... mo je-en-gloofe....
op éere-wachtwoord.... stoan... onder kiste-stoapel.... bai àn wal te
kraige, drie fersche bakke!....
—Sestig, plots zonder voorbod schreeuwde ’n mottige venter op ’n kist,
weggeduwd achter twee vrouw-ruggen, èven in wippertje uitrekkend z’n
hals, dat Bode net nog z’n pukkel-neus zien kon, voor hij weer snel in
die diepte verzonk.—
—Sestig.... seventig.... vaif en seventig riep Bode, z’n hoofd draaiend
naar allen kant, om te kijken of ’r opbod gewenkt werd in verre
hoekjes.
—Tachtig schreeuwde nerveus, de laagzittend weggeduwde weer, even
opwippend, nù met z’n heele mottige kop boven de vrouwruggen uit.
—Naigtig, van andere zij klonk ’t sarrend.
—Roggemegoggel! f’rek jai!.... die flop is main de heule uchend t’met
in de wiele..... ikke ken d’r niks praise.... of hai is d’r bai.... nou
ikke dankkie.... ikke mo nie meur.... wa jou Dirk?....
—Mo jai waite, binne d’r main soake nie!
—Nou seg.... dá’ binne d’r drie bakke.... die je nie sien kenne....
drie bakke.... kroppies!.... kenne wel floddermusse weuse.... die sloà,
hee?.... heuldegoar slap!.... ikke mo nie.... wa? wà?.... nog
hooger.... hoeveul sait ie doàr?
—Eén vaif schreeuwde Dirk, éen vaif.... je mag je wel hoaste laileke
brompot!
—Roggemegoggel! ikke mó’ nie’.... kenne wel puur floddermusse weuse
hee?.... mijmerde ie voor zich uit, tegen de donkere wollig-besjaalde
wijfruggen op, met z’n weggezakten kop in de diepte.
Van allen kant gonsde snater en rauwe klankenwarrel van stemmen. Zon
gloeide fel, barnend, stoofde de stanken, de broeilijven, en al
pafferend zweetten de kerels, in lollige rumoering van veilhartstocht.
—Nou stoàn ’k tog puur van drie uur.... f’rdomd aa’s je hier sitte
kenne, klaagde ’n tuindersvrouw, met morrend, moe-nijdig gezicht, ’n
zwart breikous-stompje telkens van d’r borst, onder d’r kippige oogjes
trekkend. Snel, in naaldflitsend beweeg breide ze mopperend voort, van
’r vingers-dansend draadgeweb, aldoor òpstarend naar Bode en
groenten.—Geen gaatje plaats was er meer op de boot. Al de tuinders,
lomp en hebzuchtig, hadden zich neergesmakt op manden of kisten of
stònden op koelscherm. Dikke dijbrokken en achterwerk van ventsters,
spanden ingekneld tusschen broeibeenen van kerels. Tegen de donkere
pijp in ’t luchtbrandende blauw, leunde ’n troep beweeglijke werkers,
lachend en krijschend, grimassend achter stillen rug van kapitein. Ze
lolden met de breiende vrouw, die kippig en doodmoe van ingekneld-staan
en hitte, niet veel zag van de waar, knorrig gromde, dat ze nog den
heelen dag te sjokken, te venten had in de stad, in die pesthitte, en
nòu d’r beenen al voelde als verlamd... En aa’s se d’r nou moar ’n kop
leut kon naime.... ze had d’r dorst en honger veur drie....
Nerveuzer breidde ze door, tegen ’t hoofd van een kerel, vóór haar buik
en beenen neergehurkt, d’r stuipig stompje kous boven z’n pof-pet
komiekerig verkronkelend, onder de snelvingerige webberijtjes van ’r
naalden en draad. Telkens flitste zon bliksemend licht op de naalden,
die even hel-elektrisch gloeiden en schichtige flikkerpijltjes puntig
àfslingerden, tusschen de sjofele kerels en hun morsige stankplunje.—
Bode had uit de kajuit ’n borrel gekregen, gelijk met „notaris,” die in
vadsige houding bleef luieren in zonnegloei, tegen de pijp aangeleund,
den borrel in één achterwaartschen smak van z’n hoofd, z’n keel
ingoot.—
—Netoaris hep ’m glat laid s’n happie!.. lolde ’n groenboer met
afgunst, hunkerend naar eigen zuip.—
Rooie kop van Bode lachte, mond-wijd.—Z’n tong klapte klakjes van genot
tegen z’n gehemelte òp en prachtig z’n tanden glinsterden blank
tusschen z’n vuurrooie lippen uit. Lustig hadden de venters den
zoet-inglijenden borreldronk beloerd, want allen snakten naar ’t
brandvocht, zalige lafenis in de venthitte.—
—Nog een borrel veur aige bik, veur de Bode, ironizeerde Klaas
Grint.... enne een veur de „neerstige netoaris”.... daa’s veur sain
drooge keel van ’t skràive... hei smoàkkert?
Dirk veegde z’n mond af, watertandde, voelde flauw speeksel op z’n
lippen klefferen, en van allen kant, de zwoegers rumoerden heete
grappen rond, nou er zoo vroeg al door de „heeren” geheschen werd.
—Strakk-en-an jullie beurt hee?.... beet de Bode terug.. En nou!..
manne broeders!.. luistert!.. tien bosse rebarber.. segge tien.... wie
seit dur?....
Van alle kanten tegelijk, krakeelde bod tegen elkaar òp. Een vurigste,
schreeuwde hoogsten prijs, bleef winner.
—Veur Vink.... ses bos.—Nou he’k nog vaiftien.. wie sait dur? Weer
daverden stemmen in golfstoot tegen elkaar in. Geraas kraterde los. Ze
scholden, keven, nijdigden, nu de làter-geveilde rhabarbers veel
goedkooper gingen dan de eerste.
—Da’ binne dur gemoedereerde liefhebbers, grinnikte de Bode.... nog ses
bosse.—In woesten slinger zeilde ie de verkochte stelen naar den
groenteboer die ze gekregen had.
—Gooi jai hullie moar in ’t bakkes hee, jai kailt moar roak t’met!
—Nog vaiftien bosse vàn.... „netoaris?....” vroeg Bode, doend of ie
niet merkte dat ie ’n kerel pal tegen z’n pijnlijken neus gemept had.
—Houweke!, schreeuwde achter de pijp notaris uit, met even oprekking
van z’n hoofd uit luien armenleun.—
Dirk bood ’t hoogst, kreeg ook, in joligen zwier, de heele vracht van
Bode toegesmakt, pal in z’n armen. Maar nergens kon ie zich roeren,
wist ie z’n bossen te bergen. Schuin achter ’m hing al ’n rij manden,
los, tusschen vaten en kisten.—Met de vracht z’n armen ingekneld, paf
van zweet en hitte, bleef ie staan, tusschen de zittenden, hurkenden en
woelenden; probeerde ie zich langzaam los te werken, met z’n zakken
erwten en manden, uit het wasemende, broeiende menschenkluw.
—Nou nog sestig pond witte kapcainders.... wá’ segge jullie nou.... de
loatste ressies.... Veur d’n dag manne.... dappere vrouwe of te wel
kenàu-Ha?.... neenet.... kenau.. boè seloars!....
Zwaar sjorde ’n zak uit ’n bres geboorden hoek, op veilbank. Half
afgezakt van den zinken rand sleepte ’n pachter z’n waar bij ’n touw,
blaas-hijgend van hitte. Maar niemand bood meer, dat woedend de kerel
z’n vracht van den veilbank terug rukte, opbonkerde tegen beenen en
hoofden, met ’n vloek achteruitstoof, rood van gift. Z’n waar schoot de
bres door, die achter ’m weer sloot, knellend, walmend-benauwd.
Tusschen den muur van koppen en ruggen, gromde ie nijdig nog:
—Wâ suinige Job.... die laileke takkebos kaikt je an of je ’t d’r stole
hep!
—Nou wa’ dan.... pluk jai vaire van ’n kikker hee? aa’s d’r gain sinte
binne, moedereerde ’n oudje, z’n neus hard snuitend met ’n vuil rood
zakdoek, dat ie als geronnen bloedlap tusschen z’n beverig gelige vuist
kreukelde.—
—Nou he’k nog vaif bosse wortele, schoof ie weer nijdig af bij ’n
ander.
—Dank hee?.... ken jou wortele nie hebbe.... binne main veuls te groot.
—Loop jai rond, duufelstoejoager.... sain f’rassereerd-goed.
—Disketeere komp hier nie van paa’s foàder!.. lachte de Bode.... wá’
há’ je nog meer?.... komt dur dan mee veur ’t licht hee?.... O? wà?
niks meer? niks?.... dus je bin dur uit! Mooi!.... dan he’k hier nog ’n
prechtig kisje ongetelde tuinboone.... Wie sait dur veertig sint.. veur
die heule sak.... soo wait aa’s de broek van vrouw Zeune!
—Vaiftig dofte ’n stem!
—Sestig, er boven uit gilde één heeter, trillender.
—Naigtig, ikke mose hebbe snauwde een ander driftig.
Weer zag de kerel op de lage kist, weggezonken achter de stom-breede
vrouwe-ruggen ’n koop afgetroefd door z’n veiling-vijand.—
Even had ie weer ’n wipper van z’n bak genomen, den mottigen kop
uitgerekt en gezien, met woede, dat ’t z’n ouë tegenstander was. Nijdig
trampelde ie met ingeknelde zenuwbeving z’n beenen naar alle kant, dat
de makkers voor en achter ’m vloekten en duwden, om de bemorsing van
hun plunje.—
—Ben jai daas snurkert! hak je beene d’raf, aa’s je hullie d’r nie stil
houe ken.
Weggezakt weer achter ruggenmuur, z’n pukkelkop gebukt, kookte ’t weer
in ’m van drift, probeerde ie zichzelf wijs te maken, dat ’t toch veel
te duur ging, hij zelf blij moest zijn dat ie ’r zoo goed afgekommen
was.
—Haa’k strak-en an meskien die floddermusse had.. en nou....
potdoorie.... die haireboone!.... ongeteld!.... sitte d’r vast gain
duusend in.... magge veur main bestig hebbe.... haha, wat ’n dolle
smak.... Nou.... ikke mo nie!.. wa?.... wà?.. hoeveul sait ie?....
kaik.... prechtig! prechtig, joàge hullie sain d’rais ook op!......
kaik! nog hooger.. hoor main-dàt-t’rais an!.... kaik.... goan die nog
hooger! hoor! daa’s d’r puur doas.... Wá’ brenge die op?... vast gain
duusend in.... ongeteld! Gain duut!
—Een vaif en twintig, staalhard, hortend klonk Bodestem.. mi je tweeë..
één dertig.... mi je drieë.... éen vaif en dertig.. één vaif en
dertig.... een vaif en dertig.... éen moàl.... andermoal.... veur de
derde moal.... Ritsema!
Stomp keek ie, de hals rekkende venter, stomp op donkre vrouwruggen.
Zacht, in zenuwnijd trampelden z’n beenen tusschen engte van lijven,
schijnheilig overgaand in ’n deuntje op ’t doffe hout, en brommerig
raspte z’n ventersstem, dat ie d’r niks van hebbe most, van
floddermusse en ongetelde boone.—
—Nou nog veertig pond peule, bestige, malsige, soetige, schreeuwde de
Bode, nog de loàtste ressies en dan is ’t puur daan!
Weer stortte ’n veiler rhabarber neer op de heet-zonnige zinken
veilbank, die dampte van geuren als ’n wierookaltaar. Weer sjorden
zakken doppers òp, en voort joeg onder proestlach en juichender
krijsch, gedol en nijd, de roezemoezende koop; kwam er begeeren naar
eerste schoft in de schorre, droge, heete keelen. Drukkender hitte
gloeide en zwamde néér op menschenprop en koppen. Warmer stanken in
zonnevuur, ontbroeiden op hun morsig vel, en de kajuit ademde wee-zoete
luchten uit, van bakmuilen en grijnzende mond-manden, walmzwaar en
duf-bezwangerd, naar ’t dek. Aardbeien, wee-zwoel geurden rond in ’n
damp van benauwde zoetigheid, en telkens, in verschuif en versjouw van
groenten, brandden de kisten hun rood uit, in zengenden blaker;
kogelende vruchtjes vuur tusschen helgroen en zacht bleek, donker droef
groen.—Groen, rauw als plankenkoloriet van Zaandamsche hutjes, omzond
in heete murmeling van zomervreugd; tusschen pastel-teer
bleek-groen.—En alles daar, zoefte voort in ’t landelijk kanaal, ’t
hel-rood, ’t groen, ’t donkere en licht-felle, ’t brandende
wortelenoranje, de zee-groene lichtverwiegende kroppen, de pastel-fijne
erwten, de boonen en bakken, stoofgloeiend onder ’t blauwe vuur van de
eindlooze lucht, hemeldom van brandend lichtblauw; hitte die wit
vergloeide in daverenden zonnebrand op wei en bouwgrond, eindloos in ’t
rond.
Als schroeiend brok zomer, levend brok aarde, in schipvorm
saamgestampt, zoog de boot door het schitter-fel, licht-beketst water;
als kleur-drijvende aarde-ark van groen en rood, tusschen goud-koperen
gloeiing van roer-brokken en randstukken in glimmigen zwier van
verglijende glansen. En rond de groente-ark, de hevige wemel, ’t
brandende trillende koloriet van alkleurig kistenschmink. Vóór
„Tuinders Geluk” zwierde kleurenbrand van andere booten, tusschen de
heete zonneoevers van eindloos poldergroen. Vaag rumoer van stemmen
klonk daar òp, achter de pijpen. Van ver brandde ’t aardbeirood uit
kistenmuur, feller, hevig-heerlijk tegen hemeldom van brandend blauw.
En windeke van zomermorgen, briesde en stoeide, koel-streelend en wuft
om de vruchten, de zweetkoppen. In ’t water ruischte ’t golfjesschuim,
stoeide de zon met z’n sprankelend vuur van zilverend-goud. Droom’rig
murmureerde rhytmische kabbeling van zonne-golfjes, om boeg en steven
heet vervloeiend.
Dirk stond van geuren en bries bekoeld, polderland te overstaren. Van
den luchthelm naast ’m sprong plots ’n rooie kerel àf met ’n zwaren zak
lage waalen.—Rook wolkte over hen uit. Donkere gulping en bronzen veeg
van stoom verroette, en pijp-zang baste in beev’rige galmen ’t
vuur-stoeiende watervlak over. Bronzerig in wolksmook, verlicht in
dagbrand, bleef áánroetten de rook, dat de kerels vloekten achter de
pijp. De rooie venter, kuchend en keelschrapend, sleepte z’n zak op
veilbank, van boven nauw dichtgesnoerd met ’n dikken vuil-witten band.—
—Wa binne ’t veur snoake?.... vroeg ongeduldig van z’n bank, de Bode
droog-komisch op den rooie neerkijkend.
—Sestig pond loage woale.... de leste!
—Sestig pond.... prèchtige loage woale, schreeuwde Bode dadelijk,
zonder te sien.... fersche, malsche woale.... wie sait dur honderd
gulde....
—Eerst kaike hee?.... se kenne d’r puur te dik weuse, norschte ’n
vrouw.
—Sièn je woàr, duwde Klaas Grint er tusschen door.
Gejaagder morrelde de Rooie aan den zak, driftig rukkend, aan ’t wit
stuk band dat er niet afkronkelen wou. Bode ophitsender, bonkte al met
z’n handen op schouders van den venter, grimassig doend of ie ’m hielp
trekken. Ongeduldiger geprikkeld, verhit, dolden en schaterden de
kerels op ’m ààn.
—Die boel ken d’r nie los, vast nie.... da’ binne d’r gain woàle.... da
seg ikke jullie!.. smak die gaip op s’n almenak.. da s’n ribbe kroake!
—Aas je main! je ben d’r nie lekker op.... aa’s ’n kikker op ’n kluitje
hee?.... verontwaardigd snauwde knorrig en sputterend van vermoeienis
de rooie groenboer terug, z’n zak even loslatend, van verlamd
moeheidsgevoel in z’n armen.
—Furt d’r mee, los die rommel, joeg de Bode weer op, dien ’t nou begon
te vervelen.... furt! of ikke sèl ’t doen.... f’rdomme, ’t kroakt hier
op de bank of Sinterkloas er reeë heb!
Van z’n stoel, beenen uitgekromd, rukte ie aan de zak, nijdig met
driftige handmeppen, maar de knoop bleef in kronkel gesnoerd. Giftiger
rukte de Rooie, dat ’t vette glimzweet van z’n blanken kop waterde.
Niets hielp. Allen in voorsten rij beukten en rukten den zak, die als
’n levende romp, gepijnigd op folterbank, in z’n grauwbrons en
plooi’rige vadsigheid méékronkelde en stuipte onder de driftige meppen
der kerels. Lol hadden ze ’r van, gierende lol om de zweetende,
vloekende onmacht van den rooien groenteboer.—
—Da’ goan nie, dolde Klaas Grint, hai hep sain d’r vàstbakt....
—Nou, ikke seg daa’s ’t kouseband van sain tante!....
—An-main-hupla!.. van sain skoonmoeder t’met.... die hep dur koabels om
d’r kuite!
—Niks gedoan! ’t kouseband van sain maid! kaik d’r stoan ’n merrekie
op!
Woedender voelde de kerel hitte-drift in zich òpfuriën onder ’t heete
geschater en de stekelige lolletjes van de groenboeren rondom.—Maar ’t
dolst maakten ’m de nijdige grapjes boven z’n hoofd van den Bode, dien
ie niet zàg, maar hòòrde grimassen. Eindelijk viel ie nijdig op den
zwikkenden en krampenden zak áán, beet er z’n tanden woedend op in,
rukte den knoop heen en weer met z’n drift-gloeienden mond, als ’n hond
’n been-kluif,—knaagde, scheurde en knarste. Even kwam er ’n stompje
loswarrelen. In grabbel trok ie z’n mes, sneed plots den band door, dat
de zak, gerammeid, gehurkt en vernederd, van boven lossprong uit z’n
worgenden klem als met ’n snikzucht naar lucht.—
Weer nieuw goed werd aangesjouwd, nù losse slabakken.
—Mo’ je nog twai bakke, soo uit ’t knuisje van Knelis Tijsse?
—Hee, hai je d’r veur main ook nog twai?
—Ikke hep per nog één veur je, krijschte ’n ander er dwars door heen,
veur de hàlft van sain prais.
—Daa’s liederlik, jai natte kip! hou je bek, jai ben d’r nie in
vailing.
Met ’n grooten bak sla wou de dwarsdrijverige onderduiker zich door het
kluw venters heen werken, maar van allen kant, bonkten ze’m terug,
moest ie, strompelend en struikelend maken dat ie weg kwam, ’t stillere
boot-achterend op.—
—La’ da’ varke nie deur.... eerst de bakke van Tientjes wèg.... hee
Tientjes! wa hai je dur nog meer?.... rebarber he’k had, peene, sloà,
postelain ook.... boonekruid... loate „spanneezie”....
—Ben d’r uit! schreeuwde Tientjes opgeruimd terug!
—D’ruit! mooi, dan he’k nog tien bosse faine peene!....
’n Sjofele, monsterleelijke tuindersvrouw, rimpelig begijntje, met
dik-apige lippen en naarvoren gestomd kakement, had zich, in ’r
hard-geel manteltje, vooruit gedrongen, bij kleine stootjes en
duwetjes. Nou alles op ’t end liep, ’r verslapping kwam, en wrevelige
hang naar schaft, drong zij vooròp, listigjes spekuleerend op
vermoeiing der andere groenboeren.—
Met schuchter-zwakke stem zette ze’n bodje in, en plots dromde woeste
snauw van alle kanten tegelijk op ’r af.
—Saa’k laife! da’ hai je ’t kallef mi-de-natte neus.—
—Loà de boere moar dorsse! ken hoàr ’t skele, minachtte ’n andere vrouw
met venijnigen, puntig-bitsen kop, bejeukend d’r scherpen neus, die
uitpriemde als ’n boor onder ’r gore steekmuts. De eeuwig-breiende
ventster, moe, met ’r knorrige moppertronie, snauwde mee, schril.
Niemand gunde ’t rimpel-begijntje ’r sjofele koopjes.—
—Roggemegoggel! de gele medam hep ’t puur op d’r heupies.—
—Se hep o-de-keloonie van d’r gelant op d’r jakkie, hoonschaterde vrouw
Zeune, en de brei-vrouw rolde weer ’n vloek naar d’r verschrikt snuit.
—Veertig.... sint.... veertig, hakte de Bode door stemmen-gesnauw en
gekef heen.... veertig eenmoal!....
—Vaif- en veertig, nijdigde ’n andere vrouw, alleen maar om òp te
bieden, wrevelig-wetend dat ze de waar toch niet noodig had, volgepropt
als de mannen en wijven al zaten, bij den laatsten rondgang.
—Vaif en vaiftig! dolde ’n kerel ’r tegen in, die de gele madam niet
luchten kon, met genot ’r uitgehuilde kaken zag verangstigen.
Zweet-rood glom de gele madam, stotterend in verlegen angst, bekrabbend
’r apigen gelen mond en kin. Benauwd glunderden haar oogjes, vol
glinsterig, sluw-bang licht, òp naar den Bode. Want op ’t eind van elke
veiling was zij taai, zij, dat wist de kerel.
—Sssjesjjtig, siste ze even uit, met ’n wenk van ’r magere knokels,
sluw, schuchter toch.—
Nijdige snauwhoera’s gierden ’r hoon-scherp tegemoet.
—Je man kaikt mi sain skele lampies noa je hain!, sarde ’n tuinder
achter ’r rug, haar telkens porrend tegen de schouers, dat ze schokte.
—Nouw sssjjoà.... nouw sssjjoa.... aa’s.. aa’s... tongsleepte ze, in
wanhoop opgejaagd om hooger te bieden. Haar naar voren gestomd, geel
kakement sidderde van zenuwschokjes, ’r apige lippen trilden, en ’r
ingedrukten neus, wijd opgewipt bij de reukgaten, bewreef ze onder ’t
lispen.. nouw.. sssjjoà.. jullie gunt t’r main gain sssjjpòg woàter!
—Wa’ mò je tug mi die peene veur sestig uitvoere waif?.. je koop hullie
pattekelier veur vaiftig bai ònster.... lolde een weer in hoontoon.
—Nouw sssjjoà... nouw sssjjoà... brabbelde ze verlegener terug,
òpstarend in oogenangst naar den Bode, met zenuwsnel wimpergetril, als
hing ’n slingerend mes boven ’r hoofd,—De vrouwen grolden, konkelden en
schaterden vinnig jaloersch, lol-woest, dat ze’r zoo hoog opgedreven
hadden, in hun gejaagd bieden.
—Nou mag sai d’r biertje loàte werrike?.. Bi-jai-’t-Hain!
—Sestig, eenmoal, veur de derde moal, hakte de Bode droog door, vrouw
Joapeke!
Ze beefde als ’n riet, vrouw Jaapeke! Ze voelde, in ’r zenuwangst, dat
ze toch te hoog was gegaan. Bang graaiden ’r gele, breed-bemouwde,
slobberige armen, naar de penen die de Bode tegen ’r platte borst
smakte. Geel-rooiïg vervlekt, dampte ’r tronie, dat monsterlijker
rimpelde als oudwijverig apenbakkes, in glimmig zweetvet. Niemand
durfde ze aankijken, als had ze een gemeene streek uitgehaald. Tegen ’r
hardgeel, verkaald kort manteltje, knelde ze zenuwachtig de peenen, en
banger loerde ’r monsterlijk verdroogde begijntjes-kop ùit, tusschen
den fellen daver van ’r wortelen-oranje en ’t fijn-kartelig uitgeknipt
donker groen loof.—
—Nog twai koopies, dan is de skaft dur, lachte de Bode, ’n bittertje
weer met smaktong wegklapperend en opzuigend z’n adem.
—Nou he’k nog ’n sak mit laifende woar.... gain f’rklikker in de
buurt?.... niks nergens peliesie?.... wel-nou-dan!.. dan he’k hier
spring-laifende woar.... twee prêchtige kenaintjes!.... kaik hullie
tippele!.. kaik hullie tippele!.. la’ main in gos noam niet langert
proate.. beste minse!
De grauwe zak had ie opengefrommeld en er met één hand, bij de ooren,
’n donzig blond konijntje uitgegrabbeld, dat angstig spartelde en
voorpootjes kramperig tegen wit-bevlekt borstje òptrok.—
Schater barstte òp naar ’t hangende diertje, kerels gierden, vrouwen
gilden.
—Sou ’t d’r ’n broertje.... of ’n sussie van sain, moar dur sit dur nog
een percies-eender in de sak.. wie blief dur hullie!
In rauwen humor, de twee ooren in één hand saamgeknoopt, keerde ie
konijntje naar zich toe, ruggetje naar de koopers, vroeg ’t, venijnig
tikkend met vingertop op beweeglijk zenuw-trillend neusje:
—Hoe vint ùfus de f’rgoadering.... die ùfus broàde sel? ouë jonge?....
Heet gegier raasde uit den troep en konijntje draaide ie rond aan z’n
ooren, dat dierke als ’n spiraalwrong, weer duizel-snel
terug-schroefde.—Kramperiger spartelden opgetrokken voorpootjes; suf
bleef staren ’t stomme kopje tusschen engen oorenknel; sneller en
verbluft trilde angstiger ’t blanke neusje.—