II.

Hooge zang van werkers galmde uit, achter stekjes en rijzen, den

Juni-ochtend in. Prachtige zangklanken, die zeilden in sonore trilling

door diep luchtenblauw, uit de overal dichtgegroeide en omzonde

groente-tuinen.—In kleur-klatering goudde de aarde, en overal uit de

gaarden, van singelgroen en hagen ingesloten, dampte ochtendgoud van

jongen zomer, nevelvroege dauw, die vonkvuur schoot en paarlen spatte

tusschen grashalmen en bladeren. Achter de hagen, als groene sierwanden

tusschen elken akker òpgegroeid, schemerden blauwkielen door, werkers

die hurkten òver het lichtverstuivend prachtgroen van aardbeibedden.

Jonge, zoete geuren-hitte trilde uit de gouden aarde en lichtelijk

schroeide de zon Wiereland. Tegen den middag alleen, beefde zwaarder

hitte boven het groengoud van velden, flonkerde diep ’t licht tusschen

de bladeren, stond stil de zanglust van werkers, wèg in zwaren zwoeg.

Dirk en Kees werkten in ’t paarse schaduwlommer, bij Gerrits

aardappelengrond. Aan één zij achteruit, lag hun akker begrensd door

woest, reusachtig tuinbrok van rijken, stillevenden kweeker Waarmer.

Tot vlak achter de meidoornhaag van beukenlaan naar ’t duin, liep diens

tuin, groot en wild. ’n Lompe, nijdige heereboer, stil-levend en

kwaadaardig, was Waarmer. Z’n huis in ’t tuinbrok, lag er stil

dicht-gegroeid en belommerd in groene schemerkoelte, tusschen reuzige

olmen, eiken, beuken en diep gepoort van pracht-wilde lanen. Voorstuk

met ijzerdraad afgepiekt keken de werkers in, schemerwoeste diep van

den tuin, die nu in den Juniochtend te wonderen groeide, in

sproke-atmosfeer van groengoude scheemring en kleurrankende

bloeipracht. Glans-statige kippetjes liepen los, rond te kokkelen en te

kukelen druk en jolig door het gras, doken glans-schuchter, met

punt-wiegelende staartjes wèg in ’t hooge, blanke waterster, dat er

neergesneeuwd wemelde in vonkschitter bedauwdrupt, broos en wiegelend

op teeren, slanken stengel; hooge boeketten van blank licht, tusschen

diep scheemrend goudgroen. Jonge abeeltjes stonden in wilden

stammekronkel te sneeuwen met hun witte donsblad, te zilver-wuiven

tegen luchtglanzen. En weeke luwte-schuifel zong om ze, als koelende

zingende zomerregen in ruisch-tuin.—

En laag in ’t wilde boomgroen, stond, in oud-goud rood baksteen,

teer-tonig, verzakt en ingeslonken, ’t stalhuis achter sierdans van

gouden regen, slanke stammetjes, met hun gouden trossen, trossen in

prachthang, als lanen waartusschen zonnewebben te verglanzen ragden, in

trillend waas. Midden in tuinbrok kringde open, schemering van groen

grasvlaktetje, goud-zonnig uitduikend onder woeste beuken. Blanke

ganzen waggelden ’r rond, teer ’t oranje van hun bekken, en om hen

dribbelden jonge blonde, kale kuikentjes, veerloos en druk, wegzakkend

in de grashalmen, in eeuwig eetgepik, kopjes-golvend door ’t pluimgras,

achter elkaar, in waggelend rijtje.—

Hoog, hals-gerekt, in zij-lingschen oogstaar, waakte vadergans, in

blanken waggel achter de pikkende kuikens áán, soms even stappend in

natten zonneschitter, dat er licht van z’n blanke veeren droop;

drentelde moeder-gans méé, achter beschermd jeugdje, in het

schitter-zonnige, zoete grasgroen. Oud bemenied hekwerk, stond in

rood-felle schittering, half bezond, in sier van vuurlijnen voor ’n

gedrochtelijk-uitgeholden boomknoest, monster dat gaapte, met

nijlpaarden-muil, aan ingang. En heel diep, in half-bladerduister,

blankte zacht òp, ’t witte huisje van Waarmer, beluwd onder

koelend-groen uitgeurende kastanjes. Rondom, in ’t wild, danste kring

van reuzevarens een woesten horlepijp, fijn in rankte spitsen hun

krullende toppen, als vingeren slank ver-strekkend. En heel naar achter

lag de woeste tuin dichtgegroeid, brak het lentelicht er in, tot

zilver-koele glanzen, mat-blauwig, dampig licht onder blader-donker, in

al gamma’s van schaduwdiep, geheimvol verruischend ’t lied van de

lommerstilte. Als boven graf van gestorven saizoenen, zoemde er stil,

in zilverblauwig waas, gebroken licht, al ijler uitgezeefd en

onderschept door weer ander boom-groen en struik; dreven daar rond,

geheimen van natuurleven, zalig in eenzamen groei, poëzie van het

stilste, zwijgendste lommer.—

Groote heesters bogen in ranken wiegel òver naar wilde graspluim, en

fijn ruischte ’r koele suizel rond van wind, ruischende eolusharpen, in

fluisterenden zangespraak met bloemengroei en boomleven. Op ’t koele

woningmuurtje, vermarmerd blank, ging in schaduwsier van varen en

takjes, geheimvol leven rond van silhouetten, waartusschen

rondgestrooide goudlichtjes en tril-vonkjes flitsten, verpijld door

hooge tak-kronkels.

In de stille, omlommerde vensterruitjes, droomde koel licht van tuin,

teruggeglansd in zachte vegen van gelen gloor, dof en heimelijk. En

naast ’t hekwerk, brokkelde scheef verzakte, donker bemoste, roestige

kringmuur, verweerd en duister, als ruïne van oud kreunend leven,

waarop pauwenpracht uitwaaierde, bronzen goudscherm van veeren,

groenstalen, kijkende schitterings-oogen van glans alléén. Zacht

hondengeblaf dofte soms òp uit den stillen, binnensten goudschemer van

roerlooze lanen.

In den hoek waar Kees en Dirk werkten, lag achter hagedoorn, ’n plek

als leeggehakt, openend gouden tuinhart. Bleek-schoone, lila-seringen

als jonkvrouwen in biechteenzaamheid gevangen, slankten plots òp uit

gloeiende zonneplek, in lange rijen achter elkaar. Fijn, hun geurige

kroonselen zoetten reuken door de lucht, en boven de rij van bleeke

lila’s, dromden verdonkerend bronzen beuken, als wolken rood-violet

licht, hooger òp doorvlamd van zonnegloed, felle zang van smachtend

rood, tegen het bleeke lila, dat èven er onder uitgeurde, z’n fijne

droomtonen, ijl in bedwelmende sfeer. Telkens zoo éven, schoot, uit de

groen-gouë koelte van tuinwoesten groei, ’n plek open in zon, blankten

wat rijtjes narcissen áán, of vruchtboomen in nabloei, purperend en

sneeuwend, met zwoelenden geur-adem. Gloed zong van

kastanje-kroonselen, die te geuren ijlden in ’t teer-heete Junigoud. En

sterker kwamen uitranken verderop, zangerige lila-trossen, en kranzen

hooger. En enkele seringen buiten de zon, slankten verbroosd in

vochtigen wasem van gebroken zilverende lichtsfeer, koel.—

Op zoog de beukenlaan, vóór Van Ouwenaar’s landgoed, geurzwijmel van

woesten tuin, die ijl te ademen hijgden. Seringen-adem en jasmijnen,

dennengeur, en vochtige boschzoetheid, stoof in zacht en zwijmel naar

de lichtgrot, tusschen al hoogzingender groen van jong geboomte uit

jonkheer’s landgoed.

Als laatste dagpracht van lentefeest, geurde de beukenlaan,

volgedronken van zwoele arooms uit tuinbrok, zwommen in gons, zang-teer

de bijen en vliegen rond, ging lentezwijmel ten offer aan het licht,

het licht dat gloeien en koken wou, naar de gouên grot, aan ’t

laan-eind. In zalige weelde, glansde en praalde ’t daggoud, vonkte ’t

licht, klaterden de kleuren van bloemen, rond grond en boomen, lag

Wiereland honing te zwelgen uit gouden bloeme-schalen, in geuren-zoet

te zwijmen, in rook van licht en vocht. En overal juichten en

klaroenden de vogels hun zilveren zang door het groen.

Kees was wat later opgehouên dan anders. Er waren karren met bakken van

de haven teruggehaald. Piet had gevent, goed verkocht, en Kees had van

Dirk ’n gulden boven z’n zweetloontje gebeurd. Noodig voor z’n

hongerend nest van dertien, waar ook nù nog, gevochten werd om

broodkruimels.—Voor ’t eerst, met wat geld in z’n zak, stapte ie naar

’t duinkrot. Stil laat-lichtende lanen liep ie door, blij met ’t groen,

dat ie eerst niet gezien had. Nou was ’t net, of er iets in z’n ruw

leven, z’n driftziel, verzachtte tegen alles. Er woelde een geur om ’m

heen van zoetheid, ijle reuk van bloemen, en er was iets blij’s in ’m,

als hield ie toch van ’t leven.—

Luidloos, in prachtstralende zinking van licht was de vroege Juniavond

om ’m, aan ’t sterven.—Jonge popels lichtelijk bebladerd slankten ver

in avondrood, zachten gloed die als reuzige glansschild d’aard kwam

overdekken.—

Rag en éven groen-verdonkerd lijnden de twijgen in ’t rozerood en

stille murmeling van zoet landgeklank ruischte van akker-verten àf, als

fluisterde nachtleven rond z’n beenen.—Zalig en zoet geurde bezonken

dagzwijmel na, de aarde glansgroenend en glansvergouênd in

droom-rozigen luchtbrand van zonnezink, madonna-gouïg en heilig

ver-aureolend door laantjes en boomblâar.

Dennetjes, licht-groen gezoomd aan donk’re takkransen, stonden dwars

doorlicht in rooien gloed, als heilige kandelabers in reuzige

kathedraal zacht te branden, met de jonge kaarsjes tot den top in vlam

geploft, zacht-glanzend, roereloos kaarselicht, aangestoken in ’t

wonder-teere avondgoud. Aan wegkanten van weiland en glooiigen

duingrond, bloedde éven doorvlamd fijn rood gepunt van eiken hakhout,

teer als bladknipsels, looverig rood getintel, dat arabeske lijntjes

droop van zonnig rood door ’t struikgroen. Fijn paarse hondsdraf

toortste, lichtelijk gekringd in stoetjes, in ’t avond droom-fijne

glanslicht, levende wezentjes, zelf bestarend den zonnezink. En rond,

in verre kransen, kroop bijéén in ’t lokkende goud-zachte gevlam de

eereprijs, heel teere blauwe lichtjes, dwaalzwammetjes in ’t grazend

innig-schitterende weigroen.—Als weggewaaide kleurvedertjes van

zwaluwstalig licht, stipten en trilden ’t blauw-zilverige

avondgebloemte in de glanszonne, maar lichter, weeker van wéérgloedjes,

tusschen de blanke boeketjes van geel-kransige madeliefjes en

akkerkoorn, die heel broos, heel blank kuste ’t licht.—Teer wit, in

blank gevloei van licht, al teerder en fijner, zilverden de

witjes-madelieven òp tusschen het schitter-fijne vergelend gras. Van

alle kanten staarden uit den wond’ren lichtstroom van ’t

goud-doorzeisde grasgroen, de bloemgezichtjes. Overal zongen laat

licht, en laat doorgloeide kleuren in den volstijgenden lentetooi, en

’t diep violet, ’t purper, ’t rood, vloeide en deinde tusschen ’t

dauwende avondpaars. En ’t landschap zong in avondvergouïng, met

keeltjes van duizenden harpenaren.

Tusschen wilgenzilver en abeelensneeuw ging suizeling, die fluisterde

dat lente sterven moest, ging laatste tril nog, in zoete koortsigheid

van grondgeur en jong gras. Hoog, uit de boomen, van kruinen en

dieperen avondglans, zong jubel plòts van nachtegaal, afscheidszang aan

lente.

Tusschen de zoete zomergeuren van wei en tuin en lichtval, die tooverde

roodgoud rond de struiken,—overgoude stof die verwasemde de avondstille

wegjes, rood-zandige kronkelpaadjes en nauw-door-elkaar harpende

boomen,—zilverde neer hun lyrische jubel.—

Laag op wilgentak, grauwde klein lijfje van nachtegaal. Z’n oogjes

glansden nog van avondrood geluk, en staar en stil, luisterde ze naar

triolenden lokzang, uit eigen wond’re zilverkeeltje, lokzang opgroeiend

in de heilige landstilte, tot zuiltje van parelend kwinkeleer en zoet

tierelier.—Teer verhaperde eerst nog z’n lokkend vleiend fluitkeeltje,

z’n kristallen gorgeltje, wat zangerige weemoeds-neuriing. En telkens

brak z’n liedje, verstomd stil-staand in de vergoudende avondrust.

Dan plots borrelde zilveren tremolo, ’t kristallen keeltje òpzwellend

in klank-zoet vleiend streelewijsje. Oogjes glansden rooder in gloed,

z’n kopje luisterde zoet. Weer zette dierke in, kwam er smachting in ’t

streelewijsje, spoot ’n trillenspartel jubelend hoog, borrelde voller,

klare zilveren toontjes in ’t kristallen gorgeltje. Al luider en

zoetvloeiender beefden de slagen òp uit z’n keeltje, kristallige

spartel en fonkel; al passiënder zwòl de jubel.

Zwijmelende zange-wellust van minnaartjes-drift stortte uit, een

kristalweb van zilveren trillers, en hoog in de lucht sloeg áán een

golf, ’n zoet, zacht, rillend, weemoeds-deinend, jubelend, spartelend

scherzo, klaar als tingelden en klingelden klokjes van kristal,

eind’loos hoog in den hemel rond.

Dan stilte plots; ’t dierke, wèg in eigen jubel, de oogjes rood in

zonnetoover, een takje lager huppelend rond wilgenzilver.

Van verre ruischte hevig-zacht nu, zangestem van aeolus uit

serafientje, een ruischend gevloei van lichte aanslagwijsjes, héél

roffelend-teer, in de diepte van andere keeltjes.—En sterker parelde ’t

ààn, kristallen golfjes-ruisch in gouden zomeravondstilte.

Als in druisch van regenkristalletjes, stortten tegen elkaar in

nachtegaal en merel, zanglijster en leeuwrik, zang en kweel van allen

kant.

Sterfhymne aan de lente.

Uit hun donkre, grauwe nachtegaal-borstjes bleef klinken de snik van ’t

minnen, ’t zoete lieven; door hun grauwe stille borstjes ging één kramp

van uitstortend jubelgeluk. En engelenkeeltjes filomeelden in zoeten

jubel mee, hoog, van uit ’n hemelschen toren.

Avondschemer donkerde neer over de zoete murmelende landstilte. Rond

het laatste luchtenrood weefden de kristallen vogelen-gorgeltjes hun

webjes van minnebegeerten. En donkerte rondom zonk uit, de schemer. Als

zachte streken op violenkwint, fluweel-streelde, weende in ’t

duisterend groen hun zanggekweel na. En als kinderkoortjes vèr, in

gewijd lied, doorhuiverd van heiligen klank, tremoleerden terug, uit

andere avondlijke schemerboschjes, broozer en reiner de

vogelenkeeltjes, weenend van weemoed naar God.

Menschenwee · 第 35 / 92 题