Over de wereld in haar gevallen staat.
§ 35. DE VOORZIENIGHEID.
1. Als God op den zevenden dag volbracht had zijn werk, dat Hij gemaakt
had, heeft Hij gerust op den zevenden dag van al zijn werk, dat Hij
gemaakt had, Gen. 2:2, Ex. 20:11, 31:17. Zoo duidt de Schrift den
overgang aan van het werk der schepping tot dat der onderhouding. Dat
dit rusten Gods zijn oorzaak niet heeft in vermoeienis noch ook in
een ledig toezien bestaat, wordt door de H. Schrift telkens klaar en
duidelijk uitgesproken, Jes. 40:28, Joh. 5:17. Het scheppen is voor God
geen werk en het onderhouden geen rust. Het rusten Gods geeft alleen te
kennen, dat Hij aan het voortbrengen van nova genera een einde maakte,
Pred. 1:9, 10; dat het werk der schepping in eigenlijken en engeren
zin, als productio rerum e nihilo, was afgeloopen; en dat Hij in dit
voltooide werk met Goddelijk welgevallen zich verlustigde, Gen. 1:31,
Ex. 31:17, Ps. 104:31, cf. August., de civ. XI 8. XII 17. de Gen. ad
lit. IV 8 sq. Lombardus, Sent. II dist. 15. Thomas, S. Theol. I qu. 73.
Calvijn op Gen. 2:2. Zanchius, Op. III 537 enz. Het scheppen gaat nu in
onderhouden over. Beide zijn in de Schrift zoo wezenlijk onderscheiden,
dat ze als arbeid en rust tegenover elkander kunnen worden geplaatst.
En zij zijn toch ook zoo innig verwant en verbonden, dat het onderhouden
zelf een scheppen kan heeten, Ps. 104:30, 148:5, Jes. 45:7, Am. 4:13.
De onderhouding is immers zelve ook een Goddelijk werk, niet minder
groot en heerlijk dan de schepping. God is geen Deus otiosus, Hij werkt
altijd, Joh. 5:17, en de wereld heeft geen bestand in zichzelve. Van
het oogenblik van haar ontstaan af bestaat ze alleen in en door en tot
God, Neh. 9:6, Ps. 104:30, Hd. 17:28, Rom. 11:36, Col. 1:15, Hebr. 1:3,
Op. 4:11. Ofschoon onderscheiden van zijn wezen, is ze in haar bestaan
nooit onafhankelijk; onafhankelijkheid ware niet-zijn. De gansche wereld
met alwat in haar is en geschiedt, staat onder Gods bestuur; zomer
en winter, dag en nacht, vruchtbare en onvruchtbare jaren, licht en
duisternis, alles is zijn werk en wordt door Hem geformeerd, Gen. 8:22,
9:14, Lev. 26:3v., Deut. 11:12v., Job 38, Ps. 8, 29, 65, 104, 107,
147, Jer. 3:3, 5:24, Mt. 5:45 enz. De Schrift kent geen onafhankelijk
schepsel; het ware eene tegenspraak in zichzelve. God zorgt voor alle
schepselen, voor dieren, Gen. 1:30, 6:19, 7:2, 9:10, Job 38:41, Ps.
36:7, 104:27, 147:9, Joël 1:20, Mt. 6:26 enz., en inzonderheid ook
voor menschen. Hij ziet hen allen, Job 34:21, Ps. 33:13, 14, Spr. 15:3,
formeert hun aller hart en let op al hunne werken, Ps. 33:15, Spr.
5:21; zij zijn allen zijner handen werk, Job 34:19, de armen en de rijken,
Spr. 22:2. Hij bepaalt aller woning, Deut. 32:8, Hd. 17:26, neigt aller
hart, Spr. 21:1, bestuurt aller gangen, Spr. 5:21, 16:9, 19:21, Jer.
10:23 enz. doet met het heir des hemels en de inwoners der aarde naar
zijn welgevallen, Dan. 4:35. Zij zijn in zijne handen als leem in de hand
des pottebakkers, als eene zaag in de hand desgenen, die haar trekt,
Jes. 29:16, 45:9, Jer. 18:5, Rom. 9:20, 21. Zeer bijzonder gaat zijn
voorzienig bestuur nog over zijn volk. Heel de geschiedenis van de
aartsvaders, van Israël, van de gemeente, en van ieder geloovige is
daarvoor ten bewijze. Wat menschen hun ten kwade hebben gedacht, denkt
God hun ten goede, Gen. 50:20; alle instrument, tegen hen bereid, zal
niet gelukken, Jes. 54:17; zelfs de haren huns hoofds zijn alle geteld,
Mt. 10:30; alles werkt hun ten goede mede, Rom. 8:28. Zoo staat al
het geschapene in de macht en onder het bestuur Gods; beide, toeval
en noodlot, zijn der Schrift onbekend, Ex. 21:13, Spr. 16:33. Het is
God, die alles werkt naar den raad van zijn wil, Ef. 1:11, en alles
dienstbaar maakt aan de openbaring zijner deugden, aan de eere zijns
naams, Spr. 16:4, Rom. 11:36. Dit alles vat de Schrift op schoone wijze
daarin saam, dat zij telkenmale van God spreekt als van een Koning, die
alle dingen regeert, Ps. 10:16, 24:7, 8, 29:10, 44:5, 47:7, 74:12,
115:3, Jes. 33:22 enz. God is een Koning, de Koning der koningen en de
Heere der heeren; een Koning, die in Christus een vader is voor zijne
onderdanen, en een Vader, die tevens koning is over zijne kinderen.
Alwat er onder schepselen, in dieren- en menschen- en engelenwereld,
in gezin en maatschappij en staat gevonden wordt van zorge voor, van
liefde tot, van bescherming van den een door den ander, is eene zwakke
afschaduwing van Gods voorzienig bestel over alle werken zijner handen.
Zijne volstrekte macht en zijne volmaakte liefde zijn het eigenlijk object
van het voorzienigheidsgeloof in de H. Schrift.
Bij dit getuigenis der Schrift komt dat van alle volken. De leer van de
voorzienigheid Gods is een articulus mixtus, uit Gods openbaring in de
natuur aan alle menschen ten deele bekend. Zij is een geloofsartikel in
iederen, ook in den meest verbasterden godsdienst; wie haar ontkent,
ondermijnt de religie; zonder haar is er voor gebed en offerande, voor
geloof en hope, voor vertrouwen en liefde geen plaatse meer. Waarom
God dienen, vraagt Cicero, Nat. D. I 2, indien Hij zich in het geheel
niet om ons bekommert? Daarom stemmen alle godsdiensten in met het
woord van Sophocles, Elect. 173: ἐστι μεγας ἐν οὐρανῳ Ζευς, ὁς ἐφορα
παντα και κρατυνει. En ook de wijsbegeerte heeft deze voorzienigheid
Gods menigmaal erkend en verdedigd, b. v. Socrates bij Xenophon, Mem.
I 4 IV 3. Plato in Timaeus, Leges X 901, Rep. X 613 A. Aristoteles in
Eth. Nic. X 9. de Stoa bij Cicero, Nat. D. II. Seneca, de providentia
en de beneficiis, Cicero, Nat. D. I 2 III 26, Plutachus, de fato,
Plotinus, περι εἱμαρμενης en περι προνοιας, cf. ook Philo’s geschrift
περι προνοιας, Wendland, Philo’s Schrift über die Vorsehung, Berlin
1892. Toch was daarom de leer der voorzienigheid in de heidensche
religie en philosophie niet dezelfde, welke ze in het Christendom is.
Bij de Heidenen was het voorzienigheidsgeloof meer theorie dan practijk,
meer wijsgeerige beschouwing dan religieus dogma; het reikte niet toe in
nood en in dood; het slingerde tusschen toeval en noodlot altijd heen
en weer. Wijl God bijv. bij Plato geen schepper maar alleen formeerder
der wereld was, vond zijne macht in de eindige materie haar grens,
Zeiler, Philos. d. Gr. II⁴ 928. Ofschoon Aristoteles zijn geloof aan
Gods voorzienigheid meermalen uitspreekt, valt deze toch voor hem
geheel met de werking der natuuroorzaken samen; de Godheid als νοησις
νοησεως staat in eenzame zelfbeschouwing buiten de wereld, zonder wil,
zonder handeling, en het schepsel heeft van haar geen hulpe of liefde
te wachten, ib. III 368 f. 790 f. Bij de Stoa was de προνοια met de
εἱμαρμενη en de φυσις identisch, ib. IV 143; en volgens Epicurus was
de voorzienigheid met de zaligheid der Goden in strijd, ib. 428. En wel
spanden sommigen, zooals Plutarchus en Plotinus, zich in, om aan toeval
en noodlot beide te ontkomen; maar feitelijk verhief zich het noodlot
altijd weer achter en boven de Godheid, en drong het toeval van beneden
weer in de lagere schepselen en de kleinere gebeurtenissen in; magna
Dii curant, parva negligunt, Cicero, Nat. D. II 167. Cf. Pfanner, Syst.
theol. gent. c. 8. Creutzer, Philosophorum veterum loci de provid.
divina ac de fato 1806. Schneider, Christl. Klänge aus den gr. u. röm.
Klassikern, 1865 S. 231 f.
2. Van dien aard is echter het christelijk geloof aan Gods
voorzienigheid niet. Dit is integendeel eene bron van troost en hope,
van vertrouwen en moed, van ootmoed en berusting, Ps. 23, 33:10v.,
44:5v., 127:1, 2, 146:2v. enz. Het voorzienigheidsgeloof steunt in de
Schrift volstrekt niet alleen op Gods openbaring in de natuur maar
veel meer op zijn verbond en toezeggingen; het heeft tot grondslag
niet alleen Gods gerechtigheid maar bovenal ook zijne ontferming en
genade; het onderstelt de kennis der zonde, veel dieper dan bij de
Heidenen, maar ook de ervaring van Gods vergevende liefde; het is geen
kosmologische speculatie maar eene heerlijke belijdenis des geloofs. En
daarom ziet het door alle smart en lijden heen weer blijde de toekomst
in; al worden de raadselen niet opgelost, het geloof aan Gods vaderlijke
hand heft altijd zich uit de diepte weer op en doet zelfs roemen in
de verdrukkingen. In verband hiermede is het opmerkelijk, dat de
Schrift het abstracte woord voorzienigheid niet kent. Men heeft aan
dit woord wel een Schriftuurlijk karakter willen geven door beroep op
Gen. 22:8, 1 Sam. 16:1, Ezech. 20:6, Hebr. 11:40; enkele malen komt
het woord ook van menschelijke voorzorg voor, Hd. 13:14, Rom. 12:17,
13:14, 1 Tim. 5:8. Maar dat alles neemt niet weg, dat de Schrift,
over Gods voorzienigheid handelend, gansch andere woorden bezigt.
Zij vat de werkzaamheid Gods, door dit woord uitgedrukt, niet saam in
een abstract begrip en houdt er geen theologische verhandeling over.
Maar zij schildert haar zelve op de rijkste en levendigste wijze en laat
haar ons zien in de historie; de Schrift in haar geheel is het boek
der voorzienigheid Gods. En zoo die voorzienigheid teekenend, spreekt
zij van scheppen, Ps. 104:30, 148:5, levendmaken, Job 33:4, Neh. 9:6,
vernieuwen, Ps. 104:30, zien, schouwen, letten, Job 28:24, Ps. 33:13,
15, behouden, behoeden, bewaren, Num. 6:24, Ps. 36:7, 121:7, leiden,
leeren, regeeren, Ps. 25:5, 9, 93:1 enz., werken, Joh. 5:17, dragen,
Hebr. 1:3, zorgen, 1 Petr. 5:7. Het woord voorzienigheid, is aan de
philosophie ontleend. Volgens Laertius was Plato de eerste, die het
woord προνοια in dezen zin bezigde, cf. Zeller, Philos. der Gr. II⁴
929. De apocriefe boeken gebruiken het reeds, Sap. 14:3, 17:2, 3 Mk.
4:21, 5:30, 4 Mk. 9:24, 13:18, 17:22, naast διατηρειν, Sap. 11:25,
διακυβερναν, 3 Mk. 6:2, διοικειν, Sap. 8:1 enz. En de kerkvaders namen
het over en gaven er burgerrecht aan in de christelijke theologie,
cf. Suicerus. s. v. Daarbij onderging het woord echter eene niet
onbelangrijke wijziging. Oorspronkelijk beteekent voorzienigheid toch het
vooruitzien, providentia, of het vooruitkennen, προνοια, van wat in
de toekomst geschieden zal. Providentia est, per quam futurum aliquid
videtur, Cic. Inv. II 53. Zoo verstaan, was het woord volstrekt niet
geschikt, om alles te omvatten wat het christelijk geloof in de leer
van Gods voorzienigheid belijdt. Als vooruitweten van het toekomstige,
zou de voorzienigheid Gods toch alleen behooren tot de scientia Dei
en in den locus over de deugden Gods volledig afgehandeld zijn. Het
christelijk geloof verstaat onder de voorzienigheid Gods echter niet
eene nuda praescientia, maar belijdt, dat alle dingen door God niet
alleen te voren geweten maar ook te voren bepaald en verordend zijn.
Daarom werd de voorzienigheid al spoedig gerekend niet slechts tot het
verstand maar ook tot den wil Gods, en door Damascenus omschreven als
βουλησις θεου, δι’ ἡν παντα τα ὀντα την προσφορον διεξαγωγην λαμβανει,
de fide orthod. II 29. In dezen zin opgevat, zou de voorzienigheid
Gods thuis behooren in de leer van de besluiten Gods en daar geheel en
al afgehandeld zijn. Maar wederom belijdt het christelijk geloof meer,
dan door het woord in dezen zin wordt aangeduid. De besluiten Gods
worden immers uitgevoerd; en de schepselen, die tengevolge daarvan
het aanzijn ontvangen, bestaan geen oogenblik van zichzelve, maar ze
worden van oogenblik tot oogenblik alleen gedragen door Gods almachtige
hand. Ontstaan en bestaan van alle schepselen hebben hun oorsprong,
niet in eene voorwetenschap noch ook in een besluit maar bepaaldelijk
in eene almachtige daad Gods. En de voorzienigheid is dus naar de leer
der Schrift en de belijdenis der kerk die daad Gods, waardoor Hij alle
dingen van oogenblik tot oogenblik in stand houdt en regeert, niet
alleen Fürsehung maar ook Vorsehung. Deze verschillende beteekenissen,
waarin het woord voorzienigheid verstaan werd, waren echter oorzaak,
dat de plaats en de inhoud van dit leerstuk in de christelijke dogmatiek
telkens wisselden en aan allerlei veranderingen waren onderworpen.
Nu eens wordt zij tot de deugden, dan tot de besluiten (opera Dei
ad intra), dan tot de opera ad extra gerekend, cf. deel II 374v.
Damascenus definieert ze als ἡ ἐκ θεου εἰς τα ὀντα γενομενη ἐπιμελεια,
de fide orth. II 29, en behandelt ze wel na de schepping maar toch in
nauw verband met de praescientia en praedestinatio, II 30. Lombardus
bespreekt ze in het hoofdstuk over de praedestinatie, maar vóór de
schepping, Sent. I dist. 35. Eene zeer duidelijke uiteenzetting geeft
Thomas, S. Theol. I qu. 22 art. 1; hij omschrijft ze eerst in het
algemeen als ratio ordinis rerum in finem en houdt ze voor principalis
pars prudentiae, wier taak het juist is, ordinare alia in finem; maar
dan zegt hij nader dat ad providentiae curam duo pertinent, scilicet
ratio ordinis, quae dicitur providentia et dispositio, et _executio_
ordinis, quae dicitur _gubernatio_, cf. ook Bonaventura, Sent. I dist.
35 en Hugo Vict. S. Sent. tr. 1 c. 12. Naar deze en andere voorbeelden
werd de leer der voorzienigheid in de Roomsche theologie behandeld òf
met de praedestinatie bij den wil Gods, Petavius, de Deo VIII c. 1-5.
Becanus, Theol. schol. I c. 13. Theol. Wirceb. Paris 1880 III 175.
Perrone, Prael. Theol. II 1838 p. 233. C. Pesch, Prael. dogm. II 158;
òf alleen als conservatio of gubernatio afzonderlijk na de schepping,
Thomas, S. Theol. I qu. 103-105, c. Gent. III 65 en commentatores op
Sent. II dist. 37. Theol. Wirceb. III 497; òf geheel en al in den
ruimsten zin na den locus de creatione, Schwetz, Theol. dogm. I 405.
Jansen, Prael. theol. II 329. Simar, Dogm.³ 252. Scheeben, Dogm. II
12. En evenzoo werd in de theologie der Hervorming de voorzienigheid
nu eens opgevat als een consilium, waarnaar God alles regeert, Conf.
Helv. post. art. 6. Ursinus, Explic. qu. 27. Zanchius, Op. II 425.
Maresius, Syst. Theol. IV § 19. Alsted, Theol. schol. 174, dan weer als
een werk Gods naar buiten, Calvijn, Inst. I 16, 3. 4. Polanus, Synt.
Theol. VI 1. Junius, Theses Theol. XVII 1. 2. Synopsis pur. theol. XI
3. Heidegger, Corpus Theol. VII 3 enz. Het verschil betreft natuurlijk
meer den naam dan de zaak, gelijk Alsted, Theol. schol. 175 en Baier,
Comp. theol. I 5, 2, terecht opmerken. Indien God de wereld werkelijk in
stand houdt en regeert, dan moet Hij ze te voren kennen (providentia),
haar ook willen en kunnen verzorgen (prudentia) en in den tijd alles ook
zoo metterdaad onderhouden en regeeren, dat het door Hem voorgestelde
einde wordt bereikt. Zoo in ruimen zin genomen, omvat de voorzienigheid
1º een actus internus, die dan verder nog wel weer in προνωσις,
προθεσις en διοικησις onderscheiden werd, cf. Gerhard, Loc. VI c. 2,
en 2º een actus externus, die als executio ordinis, als conservatio,
concursus, gubernatio omschreven werd. De actus internus van deze
providentia is echter vroeger reeds volledig in de leer der deugden
en der besluiten Gods behandeld; hier, na de leer der schepping, kan
dus de voorzienigheid alleen als actus externus, als daad Gods naar
buiten, ter sprake komen. Al moge nu de voorzienigheid in dezen zin van
den actus internus, de προγωσις, προθεσις en διοικησις nooit los te
maken noch ook te denken zijn, ze is er toch van onderscheiden, zooals
de executio ordinis van de ordo zelve. Het woord voorzienigheid heeft
daarmede eene geheele wijziging ondergaan. En de vraag kan rijzen, of
het woord nog wel ter aanduiding van de zaak geschikt is. Toen vroeger
de voorzienigheid nog in de leer der deugden of der besluiten Gods
behandeld werd, behield het zijne oorspronkelijke beteekenis; maar sedert
zij meer en meer als conservatio en gubernatio opgevat wordt en na de
schepping ter sprake komt, is die oorspronkelijke beteekenis schier
geheel te loor gegaan. De voorzienigheid in dezen laatsten, engeren
zin is geen eigenlijke providentia meer, geen ratio ordinis rerum in
finem, want deze gaat eraan vooraf en wordt door haar ondersteld; zelve
is zij executio ordinis. Deze laatste werd dan ook in de dogmatiek
nader omschreven door conservatio of door gubernatio of door beide
saam, Lactantius, de ira Dei c. 10. Thomas, S. Theol. I qu. 103. 104.
Bonaventura, Brevil. ed. Frib. 1881 p. 93. Ned. Geloofsbel. art. 13.
Heid. Cat. X. Zanchius, Op. II 425. Synopsis pur. theol. XI 3 enz.
Tusschen deze beide werd later nog, ter afwering van het pantheisme
en het deisme, de concursus of cooperatio ingevoegd, die zakelijk wel
altijd bij de leer der voorzienigheid behandeld werd, b. v. bij Aug. de
trin. III 4. de civ. V 8-11. Theodoretus, de provid. or. X. Boëthius,
de cons. IV en V. Damasc., de fide II 29. Thomas, S. Th. I qu. 48. 49.
104 art. 2, qu. 105 art. 5 I 2 qu. 19 art. 4 Cat. Rom. I c. 2 qu. 20.
Zwingli, de provid. c. 3. Op. IV 86. Calvijn, Inst. I 16. 2. Contre la
secte des libertins, C. R. 35 p. 186, de aet. Dei praed., C. R. 36 p.
347-366. Zanchius, Op. II 449. Martyr, Loci C. p. 56. 59. Wollebius,
Theol. c. 30. Synopsis pur. theol. XI 13. Gerhard Loc. VI c. 9 enz.,
maar die later ook formeel tusschen conservatio en gubernatio in eene
eigene plaats bekwam, Mastricht, Theol. III 10, 10. 29. Turret.,
Theol. El. VI qu. 4. Ex. v. h. Ontw. v. Tol. VI 270. IX 210. Brakel,
Red. Godsd. XI 6. Marck, Godg. X 9. Quenstedt, Theol. I 531. Hollaz,
Ex. theol. 421. Buddeus, Inst. 409. Hieruit blijkt, dat het woord
voorzienigheid ter aanduiding van de executio ordinis niet voldoende
werd geacht en door onderhouding en regeering nader bepaald werd. Deze
zijn ook ongetwijfeld juister gedacht, levendiger van voorstelling en
meer in overeenstemming met het spraakgebruik der H. Schrift. Vooral
wanneer het woord voorzienigheid abstract genomen en in de plaats van
God zelf geschoven wordt, zooals Plutarchus hiermede reeds begon, cf.
Cremer s. v. προνοια, en het rationalisme der vorige eeuw dit navolgde,
is het aan bedenking onderhevig. Toch moge het woord, dat in de taal
der theologie en der religie burgerrecht verkreeg, behouden blijven,
mits de zaak, die erdoor aangeduid wordt, maar in Schriftuurlijken zin
wordt verstaan.
3. De christelijke leer van de voorzienigheid als eene almachtige
daad Gods, waardoor Hij alle dingen onderhoudt en regeert, is niet
alleen van het heidensche noodlot en toeval maar daarom ook van het
telkens in de christelijke eeuwen weer oplevend pantheisme en deisme
te onderscheiden. Immers, there are but three alternatives for the
sum of existence, chance, fate or Deity. With chance there would be
variety without uniformity, with fate uniformity without variety, but
variety in uniformity is the demonstration of primal design and the
seal of the creative mind. In the world as it exists, there is infinite
variety and amazing uniformity, James Douglas bij U. B. Smith, System
of Christian Theol. New-York, Armstrong 1890 p. 107. Het pantheisme
kent geen onderscheid tusschen het zijn Gods en het zijn der wereld
en laat idealistisch de wereld in God of materialistisch God in de
wereld opgaan. Op dit standpunt is er geene plaats voor de schepping
en daarom in eigenlijken zin ook niet voor de onderhouding en de
regeering. De voorzienigheid valt met den natuurloop samen; de wetten
der natuur zijn identisch met de besluiten Gods; en de regeering Gods
is niets dan fixus et immutabilis naturae ordo sive rerum naturalium
concatenatio, Spinoza, Tract. theol. pol. c. 3, cf. Strauss Gl. II
384. Schleiermacher, Gl. § 46 en verder deel II 388-396. Vanzelf valt
daarmede het wonder, de zelfwerkzaamheid der causae secundae, de
persoonlijkheid, de vrijheid, het gebed, de zonde, heel de godsdienst.
Het pantheisme moge in nog zoo schoonen en verleidelijken vorm zich
voordoen, het voert feitelijk in de armen van een heidensch noodlot.
Er is dan geen ander zijn dan het zijn der natuur; er is geen hoogere
kracht, dan die in de wereld werkt naar vaste wet; er is geen ander,
beter leven dan waartoe in deze zienlijke schepping de gegevens aanwezig
zijn; een tijd lang moge de mensch zich vleien met de idealistische
hope, dat de wereld door immanente ontwikkeling zichzelve volmaken
zal, straks slaat dit optimisme in pessimisme, dit idealisme in
materialisme om. Tegenover dit pantheisme had de christelijke theologie
het onderscheid van schepping en onderhouding, de zelfwerkzaamheid der
causae secundae, de vrijheid der persoonlijkheid, het karakter der zonde,
de waarheid der religie te handhaven. En zij deed dit, door het fatum
te verwerpen en de belijdenis van Gods voorzienigheid in onderscheiding
daarvan duidelijk in het licht te stellen. Het kenmerkende van de leer
van het fatum bestaat niet daarin, dat alwat in den tijd is en geschiedt
in Gods eeuwigen raad gegrond en bepaald is, maar het is hierin
gelegen, dat alle zijn en geschieden gedetermineerd is door eene met de
wereld samenvallende macht, welke zonder bewustzijn en zonder wil alles
met blinde noodwendigheid bepaalt. Volgens Cicero was het fatum der
Stoa een ordo seriesque causarum, cum causa ex se causam gignit, de
divin. 1, cf. Seneca, de benef. IV 7. Nat. Qu. II 36. Gewoonlijk werd
het dan nog onderscheiden in een fatum mathematicum of astrale, wanneer
de gebeurtenissen op aarde gedacht werden, door de sterren, en in een
fatum physicum, wanneer ze gedacht werden, door het natuurverband
bepaald te zijn. In den laatsten vorm treedt de leer van het fatum
thans bij het pantheisme en materialisme op; maar opmerkelijk is, dat
ook het fatum astrale in den jongsten tijd vernieuwd wordt en warme
verdedigers vindt, cf. Wetensch. Bladen 1896 IV 453. De christelijke
theologie bestreed nu geenszins, dat alles door God eeuwig was gekend
en bepaald; in zooverre erkende zij zelfs een fatum en sommigen meenden
ook het woord in goeden zin te kunnen bezigen. Als wij bedenken,
zegt Augustinus, dat fatum van fari komt, en indien wij daarmede dan
aanduiden het eeuwige, onveranderlijke woord, waardoor God alle dingen
draagt, dan is de naam te billijken, de civ. V 9. Boëthius sprak van het
fatum als inhaereus rebus mobilibus dispositio, per quam providentia
suis quaeque nectit ordinibus, de cons. philos. IV pros. 6. En zelfs
Maresius meende met het woord een christelijken zin te kunnen verbinden,
Syst. Theol. p. 149. Maar gewoonlijk was men voorzichtiger; het geloof
aan het noodlot ging toch uit van de gedachte, dat alles geschiedt
tengevolge van eene blinde, onweerstaanbare macht zonder bewustzijn en
wil, en fatalia werden die gebeurtenissen genoemd, welke praeter Dei
et hominum voluntatem cujusdam ordinis necessitate contingunt, Aug. de
civ. V 3. In dezen zin werd het fatum door alle christelijke theologen
ten stelligste bestreden, door Augustinus en de zijnen niet minder dan
door hen, die den vrijen wil verdedigden. Omnia vero fato fieri non
dicimus, imo nulla fieri fato dicimus, Aug. de civ. V 9. De eenige
ordinis necessitas op christelijk standpunt is de wijze, almachtige,
liefderijke wil van God. Daarmede werd niet ontkend, gelijk later blijken
zal, dat er in de wereld der schepselen een verband van oorzaken en
gevolgen is en dat er vaste ordinantiën zijn, maar de natuurorde staat
niet achter en boven en evenmin buiten en tegenover Gods wil, maar zij
is in dien wil van een almachtig en liefderijk God en Vader gegrond,
door dien wil bepaald, aan dien wil dienstbaar; en ze staat ook niet
als eene blinde, dwingende macht buiten en tegenover onzen wil, want
ipsae nostrae voluntates in causarum ordine sunt, qui certus est Deo
ejusque praescientia continetur, Aug. ib. en voorts comment. op Sent.
I dist. 35. Thomas, S. Theol. I qu. 116. c. Gent. III 93. Petavius, de
Deo VIII 4. Gerhard, Loc. VI 13. Calvijn, Inst. I 16, 8. Beza, Tract.
Theol. I 313 sq. Alting, Theol. elenct. nova p. 290. Heidegger, Corp.
Theol. VII 2. Turretinus, Theol. El. VI 2. M. Vitringa II 170. 177-181.
Bretschneider, Syst. Entw. 472 enz.
Aan den anderen kant staat het deisme, dat God en wereld scheidt; de
schepselen, nadat ze eenmaal geschapen zijn, geheel of gedeeltelijk
en dan weer voor een grooter of kleiner deel laat bestaan en werken
door eigene, in de schepping meegekregene kracht; en dus wezenlijk de
heidensche leer van het toeval vernieuwt. In den zin van het magna
Dei curant, parva negligunt, sprak Hieronymus eenmaal uit, dat Gods
voorzienige zorg niet over alle kleine insecten zich uitstrekte,
cf. deel II 160. Het pelagianisme schreef evenals Cicero, Nat. D.
III 36, de deugd aan ’s menschen eigen wil en kracht toe, en het
semipelagianisme verdeelde den arbeid en schreef aan God en mensch
beiden wat toe. Toen later dit systeem in de Roomsche theologie
indrong, kwam er over Gods medewerking in de voorzienigheid een niet
gering verschil; de Thomisten vatten haar op als eene praedeterminatio
physica, eene applicatio ad operandum, Thomas, S. Theol. I 2 qu. 9 art.
6 ad 3. qu. 79. 109. c. Gent. III 67-70. 162; de Molinisten daarentegen
verstonden eronder een concursus simultaneus, mere cooperans, quo Deus
cum alio concurrente in eundem actum et effectum influit, cf. Daalman,
Summa S. Thomae II 286-314. Theol. Wirceb. I c. 2. Dens, Theol. I 66
sq. Liberatore, Instit. philos. III c. 4 a. 1, 2. Scheeben, Dogm. II 22
f. Jansen, Prael. II 334. Het Socinianisme stelde het oneindige en het
eindige zoo abstract en dualistisch tegenover elkaar, dat God de wereld
zelfs niet uit niets maar alleen uit eene eeuwige en eindige materie
kon scheppen; en dienovereenkomstig onttrok het ook een groot deel
der wereld aan de voorzienigheid Gods en liet het over aan het eigen
inzicht en oordeel van den mensch. De wil is van nature ook zoo vrij,
dat God zelfs van te voren niet zeker berekenen kan, wat een mensch in
een gegeven geval doen zal; eerst als de beslissing gevallen is, richt
God daarnaar zijn handelen in; de vrije oorzaken staan daarom geheel
zelfstandig naast en buiten God. De verhouding van God tot de wereld
is als die van een werkmeester tot de machine; nadat hij ze gemaakt en
op gang heeft gebracht, laat hij ze aan zichzelve over en grijpt alleen
in als er iets te herstellen valt, Volkelius, de vera relig. II c.
7. Crell, de Deo et ejus attrib. c. 2-6. cf. Fock, Der Socin. 496 f.
De Remonstranten waren evenzoo van oordeel, dat er in de creatie aan
de schepselen krachten waren geschonken, waarop zij nu teren konden.
De onderhouding was daarom eene negatieve daad Gods, waardoor Hij
essentias, vires ac facultates rerum creatarum non vult destruere sed
eas vigori suo relinquere, quoad vigere ac durare possunt ex vi per
creationem ipsis indita, of althans werd deze opvatting niet onjuist
genoemd. In verband daarmede werd de concursus als eene naturalis
quaedam influentia in res omnes ex naturae divinae perfectione emanens
verworpen; de praedestinatie van het getal menschen, van de huwelijken,
van het levenseinde, van de verkorenen en verlorenen bestreden; de vrije
wil verdedigd en alle providentia efficax circa peccatum vervangen
door eene negatieve permissio of non-impeditio, Conf. Rem. c. 6, Apol.
Conf. ib. Episc. Inst. Theol. IV sect. 4. Limborch, Theol. Christ.
II 25 sq. Het Arminianisme werd wel te Dordrecht veroordeeld en
buiten de Gereformeerde erve geplaatst, maar vond als geestesrichting
allerwege ingang en drong in alle christelijke landen en kerken door.
De periode, die met de helft der 17e eeuw een aanvang nam, kenmerkte
zich door een machtig streven, om natuur, wereld, mensch, wetenschap
enz. te emancipeeren van en zelfstandig te maken tegenover God,
Christendom, kerk, theologie, latitudinarisme, deisme, rationalisme,
pietisme, Aufklärung enz. komen daarin overeen. Deze wereld is de
best mogelijke, de mensch is met zijn verstand en wil zichzelf genoeg;
natuurwet, natuurkracht, natuurrecht, natuurlijke religie, natuurlijke
moraal maken saam een fonds van krachten uit, door God bij de schepping
aan de wereld medegegeven en nu voor bestaan en ontwikkeling volkomen
voldoende; openbaring, profetie, wonder, genade zijn geheel overbodig.
Het deisme ontkende het bestaan Gods niet, en ook de schepping en de
voorzienigheid niet; integendeel, het sprak gaarne over het Opperwezen
en hield breede vertoogen over de voorzienigheid. Maar de kracht uit
dit geloof was weg. Het deisme ontkende in principe, dat God in de
schepping anders werkte dan naar en door de natuurlijke wetten en
krachten; het was van huis uit antisupranaturalistisch. De conservatio
was genoeg; eene cooperatie of een influxus Dei bij iedere handeling
van het schepsel was onnoodig, Reinhard, Dogm. § 61. Wegscheider,
Inst. theol. § 106. In zijn 18e-eeuwschen vorm behoort dit deisme nu
wel tot het verleden. Maar feitelijk heerscht het ook thans nog in
breeden kring, beide in theorie en practijk. Sedert vooral in deze
eeuw de kennis der natuur uitgebreid en de vastheid harer ordeningen
erkend is, zijn velen geneigd, om de meedoogenlooze, onveranderlijke
natuur aan Gods regeering te onttrekken, zelfstandig in zichzelve
te laten rusten en de voorzienigheid Gods tot het religieus-ethisch
terrein te beperken. Maar natuurlijk kan dan ook hier de voorzienigheid
niet absoluut worden opgevat; zij vindt haar grens in de menschelijke
vrijheid, cf. Kreibig, Die Räthsel der göttl. Vorsehung, Berlin 1886.
Schmidt, Die göttl. Vorsehung und das Selbstleben der Welt 1887.
Beyschlag, Zur Verständigung über den christl. Vorsehungsglauben,
Halle 1888. Geen wonder, dat bij zulk eene beschouwing de oude leer van
den concursus niet meer verstaan en als overbodig of onjuist terzijde
gesteld wordt, Rothe, Theol. Ethik § 54. Müller, Sünde I⁵ 318. Vilmar,
Dogm. I 255. Lipsius, Dogm. § 397 f. Oosterzee, § 59, 5. 7, cf. ook
Philippi, Kirchl. Gl. II³ 266. Zelfs ligt dan de gevolgtrekking voor
de hand, om met de ethische modernen hier te lande de natuurmacht
en de zedelijke macht als het ware als twee Goden op manicheesche
wijze naast en tegenover elkander te plaatsen, op gevaar af, dat het
gebied der laatste evenals dat der Roodhuiden in Amerika hoe langer
zoo meer ingekrompen en ten slotte door de blinde, redelooze macht
geheel in beslag genomen wordt, cf. deel I 451. Want dat is zeker wel
het voornaamste bezwaar tegen het deisme: door God en wereld, het
oneindige en het eindige te scheiden en dualistisch naast elkander
te plaatsen, maakt het beide tot twee concurreerende machten, die in
voortdurenden strijd gewikkeld zijn en elkander de heerschappij betwisten.
Wat aan God gegeven wordt, wordt aan de wereld ontnomen. Hoe meer
Gods voorzienigheid zich uitbreidt, des te meer verliest het schepsel
zijne zelfstandigheid en vrijheid, en omgekeerd kan het schepsel zijne
zelfwerkzaamheid slechts handhaven als het God terugdringt en Hem
de heerschappij ontneemt. Vrede is er dus tusschen beiden alleen bij
volledige scheiding. Het deisme is in den grond irreligieus. Niet in
gemeenschap met maar in scheiding van God ligt de zaligheid van den
mensch; de deist voelt zich alleen gerust, als hij los van God, d. i.
practisch atheist is; en omdat hij beseft dit nooit te kunnen zijn, is
hij een vreesachtig schepsel, altijd bezorgd, dat hem een stuk van zijn
terrein ontnomen zal worden. Vandaar dat er in het deisme allerlei
graden zijn; de grenzen tusschen Gods werkzaamheid en die der wereld
worden telkens verschillend getrokken. Er zijn heele, halve, driekwart
Pelagianen enz., al naarmate wereld en mensch geheel of voor een
grooter of kleiner deel aan Gods bestuur worden onttrokken. Principieel
is het deisme altijd hetzelfde, het zet God op nonactiviteit, maar de
een bewandelt dien weg verder dan de ander. Een deist is een mensch,
die in zijn kort bestaan niet den tijd heeft gevonden atheist te worden,
Quack, Port Royal 180. Dat terrein nu, dat door het deisme aan Gods
regeering ontnomen wordt, komt dan te staan onder de macht, hetzij
van het noodlot, hetzij van het toeval. Ook in dit opzicht raakt het
deisme telkens met zichzelf in strijd. Vooral tegenwoordig, nu allen zoo
diep overtuigd zijn van de vastheid der natuurorde, is daarin voor het
toeval geen plaats en valt het deisme in de handen van het oude noodlot
terug; het toeval blijft hoofdzakelijk alleen voor het religieus-ethische
terrein bewaard. Maar de leer van het toeval is niet beter dan die van
het noodlot. Fatum kon desnoods nog eene goede beteekenis hebben in de
christelijke levens- en wereldbeschouwing; maar casus en fortuna zijn
door en door onchristelijk. Toevallig is iets alleen in der menschen
oog, wijl zij op dat oogenblik de oorzaak niet weten. Maar objectief
toevallig is er niets en kan er niets zijn. Alles moet eene oorzaak
hebben en heeft dien ter laatste instantie in den almachtigen en
alwijzen wil van God, cf. Augustinus, qu. 83 qu 24. c. Acad. I 1. de
ord. I 2. de civ. V 3. Thomas, S. Theol. I qu. 22 art. 2. qu. 103 art.
5. c. Gent. III 72. Gerhard, Loc. VI 3. Calvijn, Inst. I 16, 2. 9.
Chamier, Panstr. Cathol. II 2, 4 sq. Turret., Theol. El. III qu. 12.
Mastricht, Theol. III 10, 30. J. Müller, Sünde II 34 f. Weisse, Philos.
D. I 518. Kirchner, Ueber den Zufall, Halle, Pfeffer 1888. G. Rümelin,
Ueber den Zufall, Deutsche Rundschau März 1890 S. 353-364, en voorts
over het deisme: Lechler, Gesch. des engl. Deismus 1841 en art. in
Herzog². Pünjer, Gesch. d. chr. Relig. Philos. I 209 f. Hanne, Die Idee
der absol. Persönl. II² 76 f. Pesch, Die grossen Welträthsel II² 534 f.
Doedes, Inl. tot de leer v. God 80v.
4. De voorzienigheid Gods, alzoo van de kennis en het besluit Gods
onderscheiden en tegenover het pantheisme en deisme gehandhaafd, is
naar de schoone verklaring van den Heid. Catech. die almachtige en
alomtegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders
alle schepselen, gelijk als met zijne hand nog onderhoudt en regeert.
Ook zoo is het leerstuk der voorzienigheid nog van zeer wijden omvang.
Zij omvat eigenlijk de gansche uitvoering van alle besluiten, welke
op het eenmaal door de schepping in het aanzijn geroepene betrekking
hebben. Indien de scheppingsdaad uitgezonderd wordt, is zij even rijk
als de scientia libera, als de besluiten Gods, als alwat in den
tijd bestaat en geschiedt. Zij strekt zich uit over alles, wat na de
schepping verder in de dogmatiek behandeld wordt en besluit in zich
beide de werken der natuur en der genade; alle werken Gods naar
buiten, die op de schepping volgen, zijn werken zijner voorzienigheid.
Alleen maar, de locus de providentia gaat niet op die werken zelve
in, maar beschrijft in het algemeen den aard der relatie, waarin God
tot de geschapene wereld staat en die altijd dezelfde is in weerwil
van de vele verschillende werken, welke Hij in zijne voorzienigheid in
de wereld tot stand brengt. Daarom is het ook niet wenschelijk, om in
dezen locus allerlei onderwerpen, zooals het wonder, het gebed, het
levenseinde, de wilsvrijheid, de zonde, de theodicee enz. ter sprake
te brengen, want ten deele zijn deze onderwerpen reeds vroeger bij de
leer van de deugden en de besluiten Gods behandeld, deels komen ze
later op hunne eigene plaats breedvoerig aan de orde. Niet op den
locus de providentia, alleen, maar op heel de dogmatiek rust de taak
der theodicee. De leer der voorzienigheid neemt dus de stof voor de
volgende loci niet in zich op, maar bepaalt zich tot de beschrijving van
de onder alle verschillende werken zichzelve gelijkblijvende relatie,
waarin God tot de schepselen staat. Die relatie wordt uitgedrukt door
de woorden onderhouding, medewerking en regeering, welke langzamerhand
als deelen der voorzienigheid werden opgevat. Wat God in natuur en
genade ook doe, Hij is het altijd, die alle dingen onderhoudt, er met
zijne mogendheid invloeit en ze regeert. Onderhouding, medewerking
en regeering zijn daarom geen deelen of stukken, waarin het werk der
voorzienigheid gesplitst wordt, en die, zakelijk en tijdelijk gescheiden,
de eene op de andere volgen. Zij verschillen onderling ook niet zoo, dat
de onderhouding alleen betrekking zou hebben op het zijn der schepselen,
de medewerking slechts op de werkzaamheden en de regeering uitsluitend
op de leiding naar het einddoel heen. Maar ze staan altijd met elkaar
in verband, ze grijpen elk oogenblik in elkaar in, de onderhouding is
van het eerste begin af aan ook regeering, en de regeering medewerking,
en de medewerking onderhouding. De onderhouding zegt ons, dat er niets
bestaat, niet alleen geen substantie, maar ook geen kracht, geen
werkzaamheid, geen eigenschap, geen idee, of het bestaat alles uit,
door, tot God. De medewerking doet ons diezelfde onderhouding kennen
als eene zoodanige, welke het zijn der schepselen niet opheft maar juist
poneert en handhaaft. En de regeering wijst ons beide aan als zoo alle
dingen leidende, dat het door God vastgestelde einddoel wordt bereikt.
En altijd, van het begin tot het einde, is de voorzienigheid ééne
eenvoudige, almachtige en alomtegenwoordige kracht.
Als zulk eene kracht en daad Gods opgevat, staat de voorzienigheid in
het nauwste verband met en is zij toch ook wezenlijk onderscheiden van de
werkzaamheid Gods in de schepping. Het pantheisme en het deisme zoeken
de oplossing van het probleem, dat hier zich voordoet, daardoor, dat zij
of de schepping of de voorzienigheid ontkennen. Het theisme handhaaft
beide en tracht hare eenheid en haar onderscheid zoowel voor de theorie
als voor de practijk van het leven in het licht te stellen. Altijd in
vollen, waren zin theist te wezen, d. i. in alles Gods raad en hand
en werk te zien en toch tegelijkertijd, ja juist daarom, alle kracht en
gave tot de hoogste activiteit te ontwikkelen, dat is de heerlijkheid
van het christelijk geloof, dat het geheim van het christelijk leven.
De Schrift gaat ons hierin voor. Zij duidt de voorzienigheid ter eener
zijde aan als een scheppen, Ps. 104:30, een levendmaken, Neh. 9:6, een
spreken, Ps. 33:9, 105:31, 34, 107:25, Job 37:6, een uitzenden van zijn
Woord en Geest, Ps. 104:30, 107:26, een bevelen, Ps. 147:15, Klaagl.
3:37, een werken, Joh. 5:17, een dragen, Hebr. 1:3, een willen, Op.
4:11, zoodat alles zonder uitzondering uit God is en door en tot Hem
bestaat, Hd. 17:28, Rom. 11:36, Col. 1:17. God is nooit ledig. Hij
ziet nimmer passief toe. Hij werkt altijd met Goddelijke mogendheid in
natuur en genade. De voorzienigheid is daarom eene positieve daad,
niet een _laten_ maar een _doen_ bestaan en werken van oogenblik tot
oogenblik. Indien zij slechts in een non-destruere bestond, ware het
niet God, die de dingen in stand hield, maar bestonden deze in en door
zichzelve, zij het dan ook door eene bij de schepping geschonkene kracht.
En dit is ongerijmd te denken; een schepsel is vanzelf een volstrekt
afhankelijk wezen; wat niet _van_ zichzelf bestaat, kan ook geen
oogenblik _door_ zichzelf bestaan. Als God niets doet, dan is er niets
en geschiedt er niets. Virtus Dei, ab eis quae creata sunt regendis si
aliquando cessaret, simul et illorum cessaret species omnisque natura
concideret, Aug. de Gen. ad litt. IV 12. Conf. IV 17, cf. Thomas, S.
Theol. I qu. 104 art. 1-4. c. Gent. III 65 sq. Calvijn, Inst. I 16, 4.
Leydecker, Fax verit. VIII 2. Alsted, Theol. schol. 304 enz. En gelijk
de voorzienigheid eene kracht en eene daad is, zoo is zij ook eene
almachtige en alomtegenwoordige kracht. God is immanent met zijn wezen
in alle schepselen tegenwoordig. Zijne voorzienigheid breidt tot alle
schepselen zich uit; alles bestaat in Hem. De Schrift spreekt het ten
stelligste uit, dat niets, hoe gering ook, buiten Gods voorzienigheid
valt. Niet alleen alle dingen in het gemeen, Ef. 1:11, Col. 1:17,
Hebr. 1:3, maar ook zelfs de haren des hoofds, Mt. 10:30, de muschjes,
Mt. 10:29, de vogelen des hemels, Mt. 6:26, de leliën des velds, Mt.
6:28, de jonge raven, Ps. 147:9 zijn voorwerp van zijn zorge. Wat is ook
klein of groot voor Hem, die alleen groot is? In het wereldverband is
het kleine evengoed op zijne plaats als het groote, even onmisbaar en
noodzakelijk, en menigmaal nog van rijker beteekenis en van gewichtiger
gevolgen. De voorzienigheid mag daarom wel in generalis, Ps. 104,
148:1-3, specialis, Ps. 139:15v., Job 10:9-12, Mt. 12:12, Luk. 12:7,
en specialissima, 1 Tim. 4:10 onderscheiden worden. Maar zij strekt
toch als kracht Gods tot alle en tot ieder schepsel zich uit. Habakuk
klaagt er hoofdst. 1:14 wel over, dat God door zijne kastijding de
menschen maakt als visschen der zee, die in het net gevangen worden en
כְּרֶמֶשׂ לֹא־מֹשֵׁל, als gewormte, dat geen heerscher heeft, nl.
om het te beschermen tegenover zijne vijanden, maar spreekt daarmede in
het minst niet uit, dat Gods voorzienigheid niet over deze schepselen
gaat. Met meer schijn van recht beroept men zich voor de beperking van
Gods voorzienigheid op 1 Cor. 9:9; toch ontkent Paulus, die overal
elders Gods souvereiniteit zoo absoluut opvat, b. v. Hd. 17:28, Rom.
11:36, Col. 1:17, hier ter plaatse geenszins, dat God ook voor de
ossen zorg draagt, maar geeft alleen te kennen, dat de reden, waarom
dit woord in de wet Gods is opgenomen, niet ligt in de ossen maar in
de menschen. Ook dit woord betreffende de ossen zegt God δι’ ἡμας,
vs. 10, cf. Rom. 4:23, 24, 15:4, 2 Tim. 3:16, opdat wij eruit leeren
zouden, dat de arbeider in het evangelie zijn loon waardig is. Zoo is
dan de voorzienigheid een even groote, almachtige en alomtegenwoordige
daad Gods als de schepping; zij is eene creatio continua of continuata;
ze zijn beide ééne daad en verschillen alleen ratione, Aug. de Gen.
ad litt. IV 15. Conf. IV 12 de civ. XII 17. Thomas I qu. 104 art. 2.
Quenstedt, Theol. I p. 351. Ursinus, Explic. Cat. qu. 27. M. Vitringa
II 183. Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 190.
Aldus sprekende, hebben vroegere theologen toch geenszins het
onderscheid willen te niet doen. dat tusschen schepping en
voorzienigheid bestaat, gelijk b. v. Hodge I 577 vreest. De Schrift
immers stelt anderzijds de voorzienigheid voor als een rusten van
het werk der schepping, Gen. 2:2, Ex. 20:11, 31:17 en voorts als
een zien, Ps. 14:2, als een schouwen, Ps. 33:13, als een letten,
Ps. 33:15, als een gadeslaan, Ps. 130:3 enz., hetwelk altemaal het
bestaan, de zelfwerkzaamheid, de vrijheid van het schepsel onderstelt.
Ook deze gegevens der Schrift mogen niet verwaarloosd. Schepping en
voorzienigheid zijn niet hetzelfde. Indien de voorzienigheid eene ieder
oogenblik vernieuwde schepping ware, zouden de schepselen elk oogenblik
ook uit het niet te voorschijn worden gebracht. De samenhang, het
verband, de ordo causarum ging dan geheel te loor, en van ontwikkeling,
geschiedenis zou er geen sprake kunnen zijn. Alle schepselen zouden dan
niet werkelijk, maar slechts in schijn bestaan en alle zelfstandigheid,
vrijheid, verantwoordelijkheid missen; God zelf zou de oorzaak der zonde
zijn. Ofschoon velen de voorzienigheid eene creatio continua noemden,
zoo bedoelden ze toch daarmede geenszins het onderscheid tusschen beide
uit te wisschen; veeleer vatten zij allen de voorzienigheid tegelijk
op als een doen volharden in het bestaan, als eene conservatio, die
de schepping onderstelt. Zoo zegt b. v. Augustinus, dat God op den
zevenden dag gerust heeft en geen nieuwe genera meer geschapen heeft,
en hij omschrijft dan het werk der voorzienigheid in onderscheiding
van dat der schepping aldus: movet itaque occulta potentia universam
creaturam suam...... explicat secula, quae illi cum primum condita
sunt tanquam implicita indiderat, quae tamen in suos cursus non
explicarentur, si ea ille qui condidit provido motu administrare
cessaret, de Gen. ad lit. V 20. De voorzienigheid moge dus soms eene
creatio heeten, zij is van de eerste en eigenlijke schepping altijd
daarin onderscheiden, dat zij eene creatio continua is. Beide komen dus
hierin met elkander overeen, dat het dezelfde Goddelijke, almachtige
en alomtegenwoordige kracht is, die in schepping en in onderhouding
werkzaam is; deze is geen mindere daad dan gene; tot beide wordt macht,
Goddelijke almacht vereischt. Voorts zijn schepping en onderhouding
natuurlijk ook niet in God zelven onderscheiden, want in Hem, den
Eeuwige, valt geen verandering noch schaduw van omkeering; Hij is niet
overgegaan van niet-scheppen tot scheppen noch ook van scheppen tot
onderhouden; Hij is onveranderlijk dezelfde, cf. deel II 411. Schepping
en onderhouding zijn dus niet objectief en zakelijk, als daden Gods, in
Gods wezen, maar alleen ratione onderscheiden. Dat wil echter niet
zeggen, dat ons denken zoo maar willekeurig tusschen beide onderscheid
maakt; neen, dat onderscheid is wel ter dege in de openbaring Gods
gegrond en daaruit door ons denken afgeleid. Er is verschil tusschen
schepping en onderhouding, maar dat verschil ligt niet in Gods wezen an
sich, maar in de relatie, waarin God zich tot de schepselen stelt. Iets
anders is het, wat met de dingen door de schepping, en iets anders,
wat ermede door de onderhouding gebeurt. De relatie, waarin door beide
daden de schepselen tot God geplaatst worden, is eene verschillende.
Dit verschil is niet zoo aan te geven, dat de schepping uit niets
is en de onderhouding uit het bestaande; maar de schepping roept de
dingen die niet zijn, die geen ander zijn hebben dan dat van ideeën
en besluiten in het wezen Gods; door de onderhouding roept God met
dezelfde mogendheid die dingen, die een van zijn wezen onderscheiden
bestaan hebben ontvangen en nogtans enkel en alleen uit en door en tot
God zijn. De schepping geeft het zijn; de onderhouding, de volharding in
het zijn. De moeilijkheid voor het denken, om schepping en onderhouding
beide te handhaven, ligt altijd weer hierin, dat schepselen door de
schepping een eigen, van Gods wezen onderscheiden zijn hebben ontvangen,
en dat toch dat zijn geen oogenblik kan of mag beschouwd worden als een
van God onafhankelijk, in zichzelf rustend zijn. Wij staan hier voor een
mysterie, dat ons begrip verre te boven gaat, en altijd zijn we geneigd,
om aan het eene of aan het andere te kort te doen. Op die neiging
berust het pantheisme en het deisme. Beide gaan uit van dezelfde
dwaling en stellen God en wereld als twee grootheden tegenover elkaar.
Het eerste offert de wereld aan God, de schepping aan de onderhouding
op en meent, dat het zijn Gods dan alleen een Goddelijk oneindig zijn is,
wanneer het zijn der wereld ontkend, in schijn opgelost, in het Goddelijk
zijn verzwolgen wordt. En het tweede offert God aan de wereld, de
onderhouding aan de schepping op en oordeelt, dat het schepsel te meer
tot zijn recht komt, naarmate het minder afhankelijk wordt van God en
meer van Hem zich verwijdert. De Christen echter belijdt, dat de wereld
en ieder schepsel in haar een eigen zijn ontvangen heeft maar toch in
diezelfde mate toeneemt in realiteit, in vrijheid, in waarachtig zijn,
als het meer afhankelijk is van God, en van oogenblik tot oogenblik uit
en door en tot Hem is. Een schepsel staat te hooger, naarmate God het
meer inwoont en het met zijn wezen doordringt. De onderhouding gaat
in zooverre zelfs de schepping te boven; want deze gaf slechts den
aanvang van het zijn, maar gene is de voortgaande en altijd toenemende
mededeeling Gods aan zijne schepselen. De voorzienigheid is the
progressive expression in the universe of his divine perfection, the
progressive realization in it of the archetypal ideal of perfect wisdom
and love, Sam. Harris, God the Creator and Lord of all, Edinb. Clark
1897 I 532.
5. Hiermede is ook reeds de wijze aangegeven, op welke God zijne
voorzienigheid in de wereld uitoefent, en die oudtijds door de leer van
den concursus uitgedrukt werd. Deze is even rijk als de verscheidenheid,
welke bij de schepping in de schepselen is aangebracht, Sicut creationis
magna est varietas, ita et gubernationis, Alsted, Theol. schol.
315. Door de schepping is eene wereld in het aanzijn geroepen, die
tegelijk een κοσμος en αἰων verdient te heeten en beide in ruimte en
tijd een speculum lucidissimum gloriae divinae is, cf. deel II 420v.
De voorzienigheid dient nu, om de wereld van haar aanvang heen te
leiden naar haar einddoel, zij treedt terstond bij de schepping in
werking en handhaaft en brengt tot ontwikkeling wat in die schepping
gegeven is. Omgekeerd is de schepping op de voorzienigheid aangelegd;
de creatie geeft aan de schepselen zulk een zijn, dat in en door de
voorzienigheid tot ontplooiing kan worden gebracht. Immers, de wereld
werd niet geschapen in den toestand van zuivere potentie, als een
chaos of nevelmassa, maar als een kosmos, en de mensch werd daarin
geplaatst niet als een hulpeloos wicht maar als man en vrouw; alleen
van zulk een gereede wereld kon de ontwikkeling uitgaan en zoo werd
ze door de schepping aan de voorzienigheid aangeboden. Voorts was die
wereld een harmonisch geheel, waarin de eenheid zich paarde aan de
rijkste verscheidenheid; elk schepsel ontving zijn eigen aard en daarin
een eigen zijn, een eigen leven en levenswet. Gelijk in Adams hart de
zedewet was ingeschapen, als regel voor zijn leven, zoo droegen alle
schepselen in hun eigen natuur de principia en de wetten voor hunne
ontwikkeling. Alle dingen zijn geschapen door het woord. Alles berust
op gedachte. De gansche schepping is een systeem van ordinantiën
Gods, Gen. 1:26, 28, 8:22, Ps. 104:5, 9, 119:90, 91, Pred. 1:10, Job
38:10v., Jer. 5:24, 31:25v., 33:20, 25. Hij gaf aan alle schepselen
eene orde, eene wet, die ze niet overtreden, Ps. 148:6, cf. deel I
259, 287v. Zij berust in al hare deelen op den raad Gods, en deze komt
uit in het kleine en in het groote; het komt alles voort van den Heere
der heirscharen, Hij is wonderlijk van raad, Hij is groot van daad, Jes.
28:23-29. Zoo leert ons de Schrift de wereld verstaan, en zoo heeft
ook de christelijke theologie het begrepen. Augustinus zeide, dat er in
de schepselen semina occulta, originales regulae, seminariae rationes
waren ingeplant, die, in den geheimen schoot der natuur verborgen,
de principia aller ontwikkeling zijn. Quaecunque nascendo ad oculos
nostros exeunt, ex occultis seminibus accipiunt progrediendi primordia,
et incrementa debitae magnitudinis distinctionesque formarum ab
originalibus tamquam regulis sumunt, de trin. III 7. de Gen. ad lit.
IV 33. De wereld is daarom zwanger van de oorzaken der wezens; sicut
matres gravidae sunt foetibus, sic ipse mundus gravidus est causis
nascentium, quae in illo non creantur, nisi ab illa summa essentia,
ubi nec oritur nec moritur aliquid nec incipit esse nec desinit, de
trin. III 9. Zij is een arbor rerum, die tak en bloesem en vrucht uit
zichzelve voortbrengt, de Gen. ad lit. VIII 9. God houdt de dingen toch
zoo in stand en werkt zoo in hen, dat zij zelve als causae secundae
medewerken. Dat zegt niet, dat men bij deze tweede oorzaken moet blijven
staan; wij moeten altijd opklimmen tot de oorzaak van alle zijn en
beweging, en dat is alleen de wil Gods; voluntas conditoris conditae
rei cujusque natura est, de civ. XXI 8, cf. de trin. III 6-9. In
zoover is de voorzienigheid niet alleen eene positieve, maar ook eene
onmiddellijke daad Gods. Zijn wil, zijne kracht, zijn wezen is in ieder
schepsel en in elke gebeurtenis onmiddellijk present. Alles bestaat en
leeft te zamen in Hem, Hd. 17:28, Col. 1:17, Hebr. 1:3. Gelijk Hij de
wereld door zichzelven schiep, zoo onderhoudt en regeert Hij haar ook
door zichzelven. Al werkt God ook door de causae secundae, dit is met
het deisme niet zoo te duiden, dat zij tusschen God en de werkingen met
hare gevolgen zouden instaan en deze van Hem verwijderen. Immediate
Deus omnibus providet, quoad ordinis rationem, Thomas, S. Theol. I qu.
22 art. 3. qu. 103 art. 6. qu. 104 art. 2. c. Gent. III 76 sq. Daarom
is ook een wonder geen verbreking der natuurwet en geen van buiten af
ingrijpen in de natuurorde. Het is van Gods zijde een daad, die niet meer
onmiddellijk en rechtstreeks God tot oorzaak heeft dan iedere gewone
gebeurtenis, en in den raad Gods en in de wereldidee neemt het een even
geordende en harmonieuse plaats in als elk natuurlijk verschijnsel. In
het wonder brengt God alleen eene bijzondere kracht in werking, die,
gelijk iedere andere kracht, werkt overeenkomstig haar eigen aard en wet
en dus ook een eigen product ten gevolge heeft, cf. deel I 289. Maar
bij de schepping heeft God in de dingen zijne ordinantiën gelegd, een
ordo rerum, waardoor de dingen zelve onderling met elkaar in verband
staan. Niet God hangt van die oorzaken af, maar wel hangen de dingen
van elkander af. Dat verband is velerlei; ofschoon het in het algemeen
causaal kan worden genoemd, is causaal in dezen zin dan toch geenszins
met mechanisch te vereenzelvigen, gelijk het materialisme wil. Het
mechanisch verband is maar ééne wijze, waarop een gedeelte der dingen
in de wereld tot elkaar in betrekking staat. Gelijk de schepselen in
de creatie een eigen aard ontvingen en onderling verschillen, zoo
is er ook onderscheid in de wetten, waarnaar zij werken, en in de
verhoudingen, waarin zij tot elkander staan. Deze zijn onderscheiden
op physisch en op psychisch terrein, in de intellectueele en in de
ethische wereld, in huisgezin en maatschappij, in wetenschap en kunst,
in de koninkrijken der aarde en in het koninkrijk der hemelen. Het is
de voorzienigheid Gods, welke in aansluiting aan de schepping al deze
onderscheidene naturen, krachten, ordinantiën handhaaft en tot volle
ontplooiing brengt. In de voorzienigheid doet God niet te niet maar
eerbiedigt en ontwikkelt Hij, wat Hij in de schepping ten aanzijn riep.
Zoo onderhoudt en regeert Hij dus alle schepselen overeenkomstig hun
aard, de engelen anders dan de menschen en deze wederom anders dan
dieren en planten. Maar inzoover God nu in zijne voorzienigheid de
onderlinge verhoudingen der dingen in stand houdt en de schepselen
onderling aan elkanders bestaan en leven dienstbaar maakt, kan zij
middellijk heeten. Immediate Deus omnibus providet, quoad ordinis
rationem, quoad executionem ordinis vero per aliqua media providet,
Thomas, S. Theol. I qu. 22 art. 3. Zoo schiep Hij de engelen allen
tegelijk maar laat Hij de menschen uit éénen bloede voortkomen; zoo houdt
Hij sommige schepselen individueel, andere als soort en geslacht in
stand; zoo bedient Hij telkens zich van allerlei schepselen als middelen
in zijne hand, om zijn raad uit te voeren en zijn doel te bereiken.
De christelijke theologie ontkende dit niet; integendeel heeft zij altijd
op voorgang der Schrift met nadruk de natuurorde en het causaalverband
der verschijnselen gehandhaafd. Het is onwaar, dat het Christendom
met zijn supranaturalisme aan eene natuurorde vijandig zou zijn en de
wetenschap onmogelijk zou maken, gelijk Draper’s geschiedenis van de
worsteling tusschen godsdienst en wetenschap, 2e uitg. Haarlem 1887
met kennelijk genot tracht aan te toonen. Veel juister is het oordeel
van Du Bois Reymond, als hij zeide: die neuere Naturwissenschaft,
wie paradox dies klinge, verdankt ihren Ursprung dem Christenthum,
Kulturgesch. und Naturw. Leipzig 1878 S. 28, cf. ook Lange, Gesch.
des Mater. 1882 S. 129 f. en anderen bij Martensen Larsen, Die
Naturwiss. in ihrem Schuldverhältnis zum Christenthum, Berlin 1897.
In elk geval heeft het Christendom de wetenschap, bepaaldelijk die
van de natuur, mogelijk gemaakt en daarvoor den bodem bereid. Hoe
meer toch de natuurverschijnselen, gelijk in het polytheisme, vergood
worden en beschouwd als zichtbare beelden en dragers der Godheid,
des te onmogelijker wordt een wetenschappelijk onderzoek, dat vanzelf
het karakter van heiligschennis verkrijgt en het mysterie der Godheid
verstoort. Maar het Christendom heeft God en wereld onderscheiden
en door zijne belijdenis van God als den Schepper aller dingen God
losgemaakt uit den natuursamenhang en hoog boven dezen geplaatst;
onderzoek der natuur is geen aanranding der Godheid meer. Voorts
heeft het daardoor tegelijk den mensch vrij gemaakt van en zelfstandig
geplaatst tegenover de natuur, gelijk de schoone natuurbeschouwing bij
psalmisten en profeten, bij Jezus en de apostelen zoo klaar bewijst;
de natuur is voor den geloovige geen voorwerp van aanbidding en
vreeze meer; terwijl hij in diepen ootmoed voor God zich buigt en
van Hem volstrekt afhankelijk is, heeft hij juist de roeping, om de
aarde te beheerschen en alle dingen zich te onderwerpen, Gen. 1:26.
Afhankelijkheid van God is heel iets anders dan convenienter naturae
vivere en zich schikken naar de omstandigheden. Velen redeneeren zoo,
dat zij òf alle dingen en gebeurtenissen aan Gods wil toeschrijven en
verzet ongeoorloofd achten, òf dat ze Gods voorzienigheid beperken en
vele dingen stellen in handen van den mensch, cf. b. v. Beyschlag,
Zur Verständigung über den christl. Vorsehungsglauben 1888 S. 24 f.
Doch de Schrift waarschuwt ons beide tegen dit antinomianisme en dit
pelagianisme en snijdt alle valsche, fatalistische berusting en alle
hoogmoedig zelfvertrouwen bij den wortel af. Bukken voor de natuurmacht
is iets gansch anders dan zich Gode kinderlijk te onderwerpen; en het
beheerschen der aarde is een dienen van God. De kapitein, die bij een
storm in zijne hut ging bidden en in den bijbel lezen, onderwierp zich
wel aan de macht der elementen maar niet aan God, Harris, God the
Creator and Lord of all I 545. Er ligt veel meer ware vroomheid in
Cromwell’s woord: trust God and keep your powder dry. Vervolgens is
het de belijdenis van God als den Schepper van hemel en aarde, welke
aanstonds de gedachte meebrengt van de ééne, absolute, nimmer tegen
zichzelve verdeelde waarheid; van de harmonie en de schoonheid van
den raad Gods; en dus ook van de eenheid van het wereldplan en van de
orde der gansche natuur. Wenn in freier und grossartiger Weise dem
einen Gott auch ein einheitliches Wirken aus dem Ganzen und Vollen
zugeschrieben wird, so wird der Zusammenhang der Dinge nach Ursache
und Wirkung nicht nur denkbar sondern er ist sogar eine nothwendige
Consequenz der Annahme, Lange, Gesch. d. Mater. 130. De Schrift zelve
gaat in de erkenning van zulk een natuurorde, van allerlei ordinantiën
en wetten voor de geschapene dingen ons voor. En het wonder maakt daar
zoo weinig inbreuk op, dat het die vaste natuurorde veeleer onderstelt
en bevestigt. De christelijke kerk en theologie hebben zulk een ordo
rerum ten allen tijde gaarne erkend; Augustinus beriep zich telkens op
het woord in Wijsh. 11:20, omnia mensura numeroque et pondere ordinasti.
Ze hebben althans in den eersten tijd tegen het schrikkelijk bijgeloof,
dat in de derde en vierde eeuw tot een buitengewone hoogte steeg, met
kracht zich verzet, en met name ook de astrologie bestreden, Aug. de
civ. V 1-8. Thomas, S. c. Gent. III 84 sq. Calvijn, Contre l’astrologie,
C. R. 35 p. 509-544. Turretinus, Theol. El. VI qu. 2. Moor II 435. M.
Vitringa II 180 enz. De strijd, die er menigmaal uitbrak, werd niet
gevoerd tusschen Christendom en natuurwetenschap; de partijen waren
gansch anders gegroepeerd; het was meestentijds een strijd tusschen oude
en nieuwe wereldbeschouwing, waarbij er geloovige Christenen stonden aan
beide kanten, cf. deel II 465.
Deze principieel juiste natuurbeschouwing, welke de theologie
voorstond, blijkt nergens duidelijker uit dan uit hare leer van den
concursus en de causae secundae. In het pantheisme en in het deisme
kan deze leer niet tot haar recht komen. Daar zijn er geen _causae_ en
hier geen causae _secundae_ meer. In het pantheisme worden de causae
secundae, d. i. de binnen den kring van het geschapene naastliggende
oorzaken der dingen met de causa prima, dat is God, vereenzelvigd. Er
is tusschen beide geen onderscheid van substantie en werking; God is
materialiter en formaliter het subject van alwat geschiedt, dus ook van
de zonde; hoogstens zijn de zoogenaamde tweede oorzaken gelegenheden
en passieve instrumenten voor de werkingen Gods. Vroeger slechts
sporadisch voorkomende, kwam deze leer in de nieuwere philosophie
van Cartesius tot heerschappij en leidde zoo tot het idealisme van
Berkeley en Malebranche en tot het pantheisme van Spinoza, Hegel,
Schleiermacher, Chr. Gl. § 46, Strauss, Gl. II 384 enz. Zoo zegt
b. v. Malebranche, qu’il n’y a qu’une vraie cause parce qu’il n’y a
qu’un vrai Dieu, que la nature ou la force de chaque chose n’est que
la volonté de Dieu, que toutes les causes naturelles ne sont point
de véritables causes, mais seulement des causes occasionnelles. Ware
oorzaak kan God alleen zijn, omdat Hij alleen scheppen en deze macht
aan geen schepsel mededeelen kan; indien schepselen werkelijk oorzaak
konden zijn van bewegingen en verschijnselen, dan zouden ze zelf Goden
zijn, maar toutes ces petites divinités des payens et toutes ces
causes particulières des philosophes ne sont que des chimères, que le
malin esprit tâche d’établir pour ruiner le culte du vrai Dieu, De la
recherche de la vérité, l. 6 p. 2 ch. 3 cf. ook Eclaircissement 15. Er
zijn dus slechts phaenomena, voorstellingen, en de eenige realiteit,
kracht, substantie, die daarachter schuilt, is die van God zelven, cf.
ook Kleutgen, Philos. der Vorzeit II² 336-347. Hodge, Syst. Theol. I
592. Omgekeerd worden in het deisme de causae secundae van de causa
prima gescheiden en zelfstandig gemaakt; de causa prima wordt geheel
tot de schepping, tot het geven van het posse, beperkt en bij het
velle en facere geheel buitengesloten, gelijk in het oorspronkelijk
pelagianisme; of de beide causae worden gedacht als causae sociae, die
naast en met elkaar werken, gelijk twee paarden een wagen voorttrekken,
al is het eene dan misschien sterker dan het andere, gelijk in het
semipelagianisme en synergisme; het schepsel wordt hier schepper van
zijn eigen daden. Nu zegt echter de Schrift, èn dat God alles werkt,
zoodat het schepsel slechts een instrument is in zijne hand, b. v. Jes.
44:24, Ps. 29:3, 65:11, 147:16, Mt. 5:45, Hd. 17:25 enz., èn dat de
voorzienigheid van de schepping onderscheiden is en het bestaan en de
zelfwerkzaamheid der schepselen onderstelt, b. v. Gen. 1:11, 20, 22,
24, 28 enz. Daarmede in overeenstemming leert de christelijke theologie,
dat de causae secundae volstrekt aan God als prima causa gesubordineerd
zijn en toch in die subordinatie echte, ware causae blijven. Een enkele
week hier wel is waar zijwaarts af, zooals de nominalist Biel in de
Middeleeuwen, Zwingli in den tijd der Hervorming, die de tweede oorzaken
ten onrechte zoo genoemd achtte en ze liever instrumenten heeten wilde,
de provid. Op. IV 95 sq., en de Amerikaansche theoloog Emmons in later
tijd, cf. Strong, Syst. Theol. New-York 1890 p. 205. Hodge I 594. H.
B. Smith, Syst. of christ. Theol. 1890 p. 103. Maar desniettemin was
het constante leer der christelijke kerk, dat de tweede oorzaken wel
geheel en al van de eerste oorzaak dependent maar tegelijk toch ook
ware, wezenlijke oorzaken zijn. God vloeit met zijne almachtige kracht
in iedere causa secunda in en is met zijn wezen in haar tegenwoordig
bij haar begin, voortgang en einde. Hij is het, die haar poneert en tot
handelen brengt (praecursus), en voorts ook in haar werking tot op
haar effect toe begeleidt en leidt (concursus); Hij werkt het willen en
het werken naar zijn welbehagen. Maar deze inwerking der causa prima
in de causae secundae is zoo Goddelijk groot, dat Hij juist daardoor
die causae secundae tot eigene werkzaamheid brengt. Providentia Dei
causas secundas non tollit sed ponit, Wollebius bij Heppe, Dogm. d. ev.
ref. K. 191. De concursus is juist de oorzaak van de zelfwerkzaamheid
der tweede oorzaken; en deze, door Gods mogendheid van het begin tot
het einde gedragen, werken met eene propria et insita virtus. Zoo
weinig doet de werkzaamheid Gods de werkzaamheid van het schepsel te
niet, dat deze laatste te krachtiger wordt, naarmate de eerste rijker
en voller zich openbaart. De causa prima en secunda blijven dus twee
onderscheidene oorzaken; de eerste vernietigt de tweede niet maar
schenkt haar juist realiteit, en de tweede is er alleen door de eerste.
Ook zijn de causae secundae geen instrumenta slechts, geen organa, geen
stokken en blokken, maar echte, wezenlijke oorzaken, met eigen natuur,
kracht, spontaniteit, werking en wet. Sathan et les mechans ne sont pas
tellement instrumens de Dieu, que cependant ils n’operent aussi bien de
leur coste. Car il ne faut pas imaginer, que Dieu besongne par un homme
inique comme par une pierre ou par un tronc de bois, mais il en use
comme d’une creature raisonnable, selon la qualité de sa nature, qu’il
luy a donnée. Quand donc nous disons, que Dieu opere par les mechans,
cela n’empeche pas que les meschans n’operent aussi en leur endroict,
Calvijn, C. R. 35, 188. Ten opzichte van God kunnen de causae secundae
bij instrumenten worden vergeleken, Jes. 10:15, 13:5, Jer. 50:25, Hd.
9:15, Rom. 9:20-23; ten aanzien van hare effecten en producten zijn ze
causae in eigenlijken zin. En juist omdat de eerste en tweede oorzaak
niet dualistisch naast elkander staan en werken, maar de eerste werkt
door de tweede heen, daarom is de werking, die van beide uitgaat,
ééne en ook het product is één. Er heeft geen arbeidsverdeeling plaats
tusschen God en zijn schepsel, maar dezelfde werking is geheel en al
werking van de causa prima en evenzoo geheel en al werking van de causa
proxima; en het product is in dienzelfden zin geheel product van de
eerste en geheel product van de tweede oorzaak. Omdat echter de causa
prima en de causa secunda niet identisch zijn maar in wezen verschillen,
daarom is wel de werking en het product _realiter_ geheel en al werking
en product van beide oorzaken; maar _formaliter_ zijn ze toch alleen
werking en product van de tweede oorzaak. Het hout brandt, en het is
God alleen, die het branden doet, maar formeel mag het branden niet aan
God maar moet het alleen aan het hout als subject worden toegeschreven.
De mensch spreekt, handelt, gelooft, en het is God alleen, die hem
spreken, handelen, gelooven doet, doch niet God maar de mensch is het
formeele subject van al deze daden. En zoo is het ook God alleen, die
den zondaar alle leven en kracht verleent, welke hij tot het bedrijven
eener zonde van noode heeft; maar de zonde heeft niet God maar den
mensch tot subject en auteur. Op deze wijze trekt de H. Schrift de
lijnen, binnen welke de verzoening van Gods souvereiniteit en van ’s
menschen vrijheid gezocht worden moet.
6. In de voorzienigheid, als onderhouding of als medewerking gedacht
ligt de regeering reeds opgesloten. Wie zoo de dingen in stand houdt,
dat hij niet alleen het zijn maar zelfs de krachten en werkingen draagt
door zijn wil en zijn wezen, die is absoluut souverein, koning in waren
zin. De regeering is daarom geen nieuw element, dat bij onderhouding en
medewerking bijkomt; zij is, evenals elk van deze beide, op zichzelve
de gansche voorzienigheid, alleen nu maar beschouwd van uit het
standpunt van het einddoel, waar God al het geschapene door zijne
voorzienigheid henenleidt. Het is eene schoone, rijke gedachte, als de
H. Schrift God telkenmale Koning noemt en zijne voorzienigheid als eene
regeering beschrijft. Er zijn er velen in dezen tijd, die elk denkbeeld
van souvereiniteit in gezin, staat, maatschappij verwerpen en van niets
willen weten dan van democratie en anarchie. Onder invloed van deze
beschouwingen zijn er ook, die in de theologie de voorstelling van God
als Koning oud-testamentisch en verouderd vinden en hoogstens nog
van God als Vader willen spreken. Maar dit oordeel is oppervlakkig en
onwaar. Vooreerst is de Vadernaam voor God niet nieuwtestamentisch maar
ook reeds in het Oude Testament en zelfs bij de Heidenen gebruikelijk;
het N. Test. moge de beteekenis ervan rijker en dieper hebben opgevat,
het heeft dien naam niet het eerst aan God gegeven, cf. deel II 113.
Omgekeerd komt de naam van Koning voor het Goddelijk wezen niet alleen
in het Oude, maar ook in het Nieuwe Testament herhaaldelijk voor, Mt.
6:10, 13, 33, 1 Tim. 1:17, 6:15, Op. 19:6 enz. En ten tweede is de
benaming van Koning Gode niet minder waardig dan die van Vader. Alle
πατρια in hemel en op aarde wordt genoemd uit Hem, die de Vader is van
onzen Heere Jezus Christus, Ef. 3:15. Alle verhoudingen, die er onder
schepselen tusschen meerderen en minderen bestaan, zijn eene gelijkenis
van die ééne oorspronkelijke relatie, waarin God staat tot de werken
zijner handen. Wat een vader is voor zijn gezin, wat een opvoeder is voor
de jeugd, wat een bevelhebber is voor het leger, wat een vorst is voor
zijn volk, dat alles en zooveel meer is God op gansch oorspronkelijke
wijze voor zijne schepselen. Niet ééne, maar al zijne deugden komen in de
wereld tot openbaring en behooren dus door ons te worden geëerd. En
nu is vooral ook het koningschap eene heerlijke Goddelijke instelling.
Het geeft aan het volk niet alleen eene persoonlijke eenheid, maar
neemt als erfelijk koningschap ook het karakter van oorspronkelijkheid,
verhevenheid, onafhankelijkheid en onveranderlijkheid aan. In dit alles
is het een schoon, zij het dan ook zwak, beeld van het koningschap
Gods. Alle souvereiniteit op aarde is ontleend, afgeleid, tijdelijk,
beperkt, menigmaal niet ten zegen maar ten vloek. Maar God is Koning
in volstrekten en in waarachtigen zin. De regeering der wereld is
niet democratisch en niet aristocratisch, niet republikeinsch en
niet constitutioneel, maar monarchaal. Godes is de ééne, ongedeelde,
wetgevende, rechterlijke en uitvoerende macht; zijne souvereiniteit
is oorspronkelijk, eeuwig, onbeperkt, zegenrijk. Hij is de Koning der
koningen en de Heer der heeren, 1 Tim. 6:15, Op. 19:6. Zijn koninkrijk is
het gansch heelal. Zijns is hemel en aarde, Ex. 19:5, Ps. 8:2, 103:19,
148:13. Hij bezit alle natiën, Ps. 82:8, regeert over de Heidenen, Ps.
22:29, 47:9, 96:10, Jer. 10:7, Mal. 1:14, en is de Allerhoogste over de
gansche aarde, Ps. 47:3, 8, 83:19, 97:9. Hij is Koning in eeuwigheid,
Ps. 29:10, 1 Tim. 1:17; geen tegenstand heeft iets tegenover Hem te
beduiden, Ps. 93:3, 4. Zijn koninkrijk komt zeker, Mt. 6:10, 1 Cor.
15:24, Op. 12:10; zijne heerlijkheid zal geopenbaard en zijn naam gevreesd
worden van den opgang tot den ondergang der zon, Jes. 40:5, 59:19; Hij
zal Koning over de gansche aarde zijn, Zach. 14:9. Ook in deze regeering
handelt God met ieder ding naar zijn aard. Deus regit res, naturae
ipsarum convenienter, Alsted, Theol. schol. 301. En daarom wordt die
regeering Gods ook in de Schrift op verschillende wijzen voorgesteld
en met verschillende namen genoemd. Door zijne regeering houdt Hij de
wereld staande en bevestigt ze, zoodat zij niet wankelen zal, Ps. 93:1;
Hij beschikt het licht en de duisternis, Ps. 104 vs. 19, 20, gebiedt
den regen en houdt hem in, Gen. 7:4, 8:2, Job 26:8, 38:22v., geeft rijm
en sneeuw en ijs, Ps. 147:16, scheldt d. i. bestraft en stilt de zee,
Nah. 1:4, Ps. 65:8, 107:29, zendt vloek en verderf, Deut. 28:15v.,
alles doet zijn woord, Ps. 148:8. Even machtig en souverein regeert Hij
in de wereld der redelijke schepselen, Hij regeert onder de Heidenen en
bezit alle natiën, Ps. 22:29, 82:8, acht de volken minder dan niets
en ijdelheid, Jes. 40:17, doet met de inwoners der aarde naar zijn
welgevallen, Dan. 4:35, en leidt aller hart en gedachte, Spr. 21:1.
En deze regeering Gods over zijne redelijke schepselen strekt zich niet
alleen uit tot het goede, waarvan Hij beide in natuur en genade de
Gever is, Jak. 1:17, en ook niet alleen tot zijne gunstgenooten, die Hij
verkiest, roept, bewaart, verzorgt en tot de eeuwige zaligheid leidt,
maar strekt zich ook uit tot het kwade en tot degenen, die het kwade
liefhebben en doen. Wel staat het vast door de gansche Schrift heen,
dat God de zonde met zijn gansche wezen haat, Deut. 32:4, Ps. 5:5-7,
Job 34:10, 1 Joh. 1:5 enz.; en zijne regeering legt door het verbod
der zonde in wet en conscientie, door haar oordeelen en gerichten
daarvan een onwedersprekelijk getuigenis af. Maar desniettemin leert
de gansche Schrift tevens, dat de zonde van het begin tot het einde
onder zijn Goddelijk regiment staat, cf. Clemen, Die christl. Lehre
von der Sünde, Göttingen 1897 I 123-151. Bij haar aanvang treedt God
soms verhinderend op; Hij belet iemand te zondigen, Gen. 20:6, 31:7,
vernietigt den raad der goddeloozen, Ps. 33:10, schenkt kracht om in
de verzoeking staande te blijven, 1 Cor. 10:13, en houdt in zoover altijd
de zonde tegen, als Hij ze verbiedt en den zondaar door eenige angst en
vreeze in de conscientie intoomt. Maar deze impeditio is lang niet de
eenige vorm, waarin God de zonde regeert. Menigmaal laat Hij ze toe en
verhindert ze niet. Hij heeft Israel overgegeven in ’t goeddunken zijns
harten, Ps. 81:13, liet de Heidenen wandelen in hunne eigene wegen,
Hd. 14:16, 17:30 en gaf ze over in een verkeerden zin, Rom. 1:24, 28;
en zoo kan gezegd worden, dat God toeliet den val van Adam, den moord
van Abel, de ongerechtigheid der menschen vóór den zondvloed, Gen.
6:3, den verkoop van Jozef, Gen. 37, de veroordeeling van Jezus enz.
Maar deze permissio is zoo weinig negatief, dat de zonde ook in haar
allereersten aanvang onder Gods besturende macht en souvereiniteit
staat. Hij schept en ordent de gelegenheden en aanleidingen tot
zondigen, om den mensch te beproeven en daardoor òf te sterken en te
bevestigen òf ook te straffen en te verharden, Gen. 2:7, 2 Chr. 32:31,
Job 1, Mt. 4:1, 6:13, 1 Cor. 10:13. Ofschoon de zonde eerst niets
anders scheen dan eene willekeurige daad van menschen, blijkt het toch
later, dat God er zijn hand in had en dat ze geschiedde naar zijn raad,
Gen. 46:8, 2 Chron. 11:4, Luk. 24:26, Hd. 2:23, 3:17, 18, 4:28. Zelfs
wordt zij in haar aanvang wel niet formaliter en subjective maar toch
materialiter Gode toegeschreven. God is de pottebakker en de mensch
is het leem, Jer. 18:5, Klaagl. 3:38, Jes. 45:7, 9, 64:7, Am. 3:6; Hij
verstokt, verhardt, verblindt, Ex. 4:21, 7:3, 9:12, 10 vs. 20, 27,
11:10, 14:4, Deut. 2:30, Jos. 11:20, Jes. 6:10, 63:17, Mt. 13:13, Mk.
4:12, Luk. 8:10, Joh. 12:40, Hd. 28:26, Rom. 9:18, 11:8; Hij wendt het
hart zoo, dat het haat en ongehoorzaam is, 1 Sam. 2:25, 1 Kon. 12:25,
2 Chron. 25:20. Ps. 105:24, Ezech. 14:9. Hij zendt een boozen geest,
een leugengeest, Richt. 9:23, 1 Sam. 16:14, 1 Kon. 22:23, 2 Chron.
18:22, port door Satan David aan, 2 Sam. 24:1, 1 Chr. 21:1, doet Simei
vloeken, 2 Sam. 16:10, geeft de menschen over aan hunne zonden, laat
de maat hunner ongerechtigheid vol worden, Gen. 15:16, Rom. 1:24,
zendt eene kracht der dwaling, 2 Thess. 2:11, stelt Christus tot een
val en opstanding, tot eene reuke des doods en des levens, Luk. 2
vs. 34, Joh. 3:19, 9:39, 2 Cor. 2:16, 1 Petr. 2:8 enz., cf. deel II
315v., 369v. En niet alleen bij den aanvang maar ook bij den voortgang
houdt God de zonde onder zijn almachtig bestuur; menigmaal bindt Hij ze
in, beperkt ze, stuit ze in haar vaart en maakt er door oordeelen en
gerichten een einde aan, Gen. 7:11, Ex. 15 enz., Mt. 24:22, 2 Petr.
2:9, maar ook waar Hij ze laat voortgaan, bestuurt Hij ze, Spr. 16:9,
21:1, en maakt Hij ze in haar einde, hetzij Hij haar vergeeft of haar
straft, tegen haar wil en bedoeling, dienstbaar aan de uitvoering van
zijn raad, aan de verheerlijking van zijn naam, Gen. 45:7, 8, 50:20, Ps.
51:6, Jes. 10:5-7, Job 1:20, 22, Spr. 16:4, Hd. 3:13, Rom. 8:28, 11:36.
Evenals de zonde, het malum culpae, staat ook het lijden, het malum
poenae, onder de heerschappij Gods. Hij is de Schepper van het licht en
de duisternis, van het goede en het kwade, Am. 3:6, Jes. 45:7, Job
2:10. De dood is zijne straf en ingetreden op zijn bevel, Gen. 2:17, en
alle rampen en tegenheden, alle smart en lijden, alle bezoekingen en
oordeelen komen den menschen toe van Gods almachtige hand, Gen. 3:14v.,
Deut. 28:15v. enz. Reeds onder Israel echter werd de disharmonie
opgemerkt, die in dit leven tusschen zonde en straf, heiligheid en
zaligheid bestaat, Ps. 73, Job, Pred. Het geloof worstelde met dit
ontzettend probleem, maar het hief daaruit toch weer zegevierend het
hoofd op, niet omdat het het probleem opgelost zag, maar omdat het zich
vastklemmen bleef aan de koninklijke macht en de vaderlijke liefde des
Heeren. De voorspoed der goddeloozen is slechts schijn en in elk geval
slechts tijdelijk, en de rechtvaardigen zijn ook in het zwaarste lijden
nog Gods liefde en gunst deelachtig, Ps. 73, Job. Het lijden der vromen
heeft menigmaal niet in hun persoonlijke zonde maar in de zonde der
menschheid zijn grond en in het heil der menschheid en in de eere Gods
zijn doel. Het lijden dient niet alleen ter vergelding, Rom. 1:18, 27,
2:5, 6, 2 Thess. 1:9, maar het dient ook ter beproeving en kastijding,
Deut. 8:5, Job 1:12, Ps. 118:8, Spr. 3:12, Jer. 10:24, 30:11, Hebr.
12:6v., Op. 3:19; ter versterking en bevestiging, Ps. 119:67, 71,
Rom. 5:3-5, Hebr. 12:10, Jak. 1:2-4; tot getuigenis voor de waarheid,
Ps. 44:23, Hd. 5:41. Phil. 1:29, 2 Tim. 4:6; ter verheerlijking Gods,
Joh. 9:2. In Christus is recht en genade met elkander verzoend; het
lijden is de weg tot de heerlijkheid, het kruis wijst heen naar de kroon,
lignum crucis arbor vitae. Het einde, waartoe alle dingen door de
voorzienigheid Gods worden heengeleid, is de stichting van zijn rijk, de
openbaring zijner deugden, de eere van zijn naam, Rom. 11:32-36, 1 Cor.
15:18, Op. 11:15, 12:13 enz. Op deze vertroostende wijze handelt de
Schrift over de voorzienigheid Gods. Raadselen blijven er genoeg over,
zoowel in het individueele leven als in de geschiedenis van wereld en
menschheid; de dogmatiek houdt zich van nu voortaan met niets anders
bezig dan met de mysteriën, welke de voorzienigheid Gods in zonde,
vrijheid, verantwoordelijkheid, straf, lijden, dood, genade, verzoening,
gebed enz. voor ons aan de orde heeft gesteld en behoeft hier dus op
al die onderwerpen niet in te gaan. Maar over al die raadselen en
mysteriën laat God schijnen het licht van zijn Woord, niet om ze op te
lossen, maar opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften
hope hebben zouden, Rom. 15:4. De leer der voorzienigheid is geen
wijsgeerig systeem maar eene belijdenis des geloofs, eene belijdenis, dat,
in weerwil dat de schijn der dingen er dikwerf tegen spreke, toch geen
Satan en geen mensch en geen enkel creatuur maar God en Hij alleen door
zijne almachtige en alomtegenwoordige kracht alle dingen onderhoudt en
regeert. Zulk eene belijdenis is in staat, om ons te bewaren zoowel
voor een oppervlakkig optimisme, dat de raadselen des levens miskent,
als voor een hoogmoedig pessimisme, dat vertwijfelt aan wereld en lot.
Want de voorzienigheid Gods gaat over alle dingen, over het goede niet
alleen, maar ook over de zonde en het lijden, de smart en den dood; want
indien deze aan Gods leiding waren onttrokken, wat bleef er dan nog in
deze wereld voor zijne regeering over? Zij openbaart zich niet alleen en
niet voornamelijk in de buitengewone gebeurtenissen en in de wonderen,
maar evenzeer in de vaste orde der natuur en in de gewone voorvallen
van het dagelijksch leven; want welk arm geloof zou het zijn, dat Gods
hand en raad wel van verre zag in enkele gewichtige gebeurtenissen,
maar niet bespeurde in eigen leven en lot? En zij leidt alle deze
dingen, niet tegen maar overeenkomstig hun natuur, niet buiten de
middelen om maar door deze heen; want welke kracht zou er schuilen
in een geloof, dat stoicijnsche onverschilligheid of fatalistische
berusting als de ware Godsvrucht prees? Zoo echter, als de almachtige
en alomtegenwoordige kracht Gods, maakt zij ons in voorspoed dankbaar
en in tegenspoed geduldig; doet zij ons met kinderlijke onderwerping
in de leiding des Heeren berusten en wekt zij toch tegelijk uit onze
traagheid tot de hoogste activiteit ons op; en schenkt zij ons onder
alles een goed toevoorzicht op onzen getrouwen God en Vader, dat Hij ons
met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen, en dat Hij al het
kwaad, dat Hij ons in dit jammerdal toeschikt, ons ten beste keeren zal,
wijl Hij zulks doen kan als een almachtig God en ook doen wil als een
getrouw Vader.
§ 36. DE OORSPRONG DER ZONDE.
1. De voorzienigheid Gods gaat als regeering der zonde het verst
al ons denken en begrijpen te boven en viert tegelijk als zoodanig
haar hoogsten triumf. Nauwelijks had God de wereld goed en volmaakt
geschapen, of de zonde drong in haar in. Het mysterie van het zijn wordt
nog onbegrijpelijker door het mysterie van het kwaad. Bijna op hetzelfde
oogenblik, als de schepselen rein en heerlijk voortkomen uit de hand
van hun Maker, worden zij van al hun glans beroofd en staan zij bedorven
en onrein voor zijn heilig aangezicht. De zonde heeft de gansche
schepping verwoest, haar gerechtigheid in schuld, haar heiligheid in
onreinheid, haar heerlijkheid in schande, haar zaligheid in ellende,
haar harmonie in wanorde, haar leven in dood, haar licht in duisternis
verkeerd. Vanwaar dan dat kwaad, en wat is de oorsprong der zonde? De
Schrift rechtvaardigt God, en geeft eene doorloopende theodicee, als
zij uitspreekt en handhaaft, dat in geen geval God de oorzaak der zonde
is. Immers, Hij is rechtvaardig en heilig en verre van goddeloosheid,
Deut. 32:4, Job 34:10, Ps. 92:16, Jes. 6:3, Hab. 1:13, een licht zonder
duisternis, 1 Joh. 1:5, niemand verzoekende, Jak. 1:13, overvloedige
fontein van alwat goed en rein en zuiver is, Ps. 36:10, Jak. 1:17; Hij
verbiedt de zonde in zijn wet, Ex. 20, en in het geweten van iederen
mensch, Rom. 2:14, 15, heeft geen lust aan goddeloosheid, Ps. 5:5,
maar haat ze en toornt er tegen, Ps. 45:8, Rom. 1:18; Hij oordeelt en
verzoent ze in Christus, Rom. 3 vs. 24-26, reinigt er zijn volk van
door vergeving en heiligmaking, 1 Cor. 1:30, en wil ze beide tijdelijk
en eeuwiglijk straffen, Rom. 1:18, 2:8. Voor den oorsprong der zonde
wijst de Schrift ons altijd naar het schepsel heen. Maar daarom is Gods
bestuur van de zonde, ook in haar oorsprong, niet uitgesloten. Het is
God zelf, die de _mogelijkheid_ der zonde schiep. Niet alleen formeerde
Hij den mensch zoo, dat hij vallen kon. Maar Hij plantte ook den boom der
kennis des goeds en des kwaads, stelde den mensch door het proefgebod
voor de keuze tusschen goed en kwaad, en liet de verleiding door de
slang toe. Het was zijn wil, om met den mensch den gevaarlijken weg der
vrijheid te bewandelen, liever dan hem in eens boven de mogelijkheid der
zonde te verheffen. De boom der kennis des goeds en des kwaads heet
ongetwijfeld zoo, wijl de mensch, daarvan etende, eene kennis van goed en
kwaad zou verkrijgen, die hij tot dusver niet bezat, die hem verboden was
en die hij niet krijgen mocht. De vraag is, wat onder die kennis van goed
en kwaad te verstaan zij. De gewone verklaring is, dat de mensch door
het eten van den boom eene proefondervindelijke kennis van het goede en
kwade zou krijgen; maar terecht is daartegen het bezwaar ingebracht,
dat deze kennis van goed en kwaad den mensch Gode gelijk zou maken,
Gen. 3:5 en God toch geen empirische kennis van het kwade heeft of
hebben kan; voorts, dat de mensch door het eten van den boom juist de
proefondervindelijke kennis van het goede verloren heeft; en eindelijk,
dat Gen. 3:22a dan als ironie moet worden opgevat, wat op zichzelf
reeds onaannemelijk en met vs. 22b bepaald in strijd is. Anderen hebben
daarom gemeend, dat Gen. 3 de ontwikkeling des menschen verhaalde uit
den dierlijken toestand tot zelfbewustzijn en rede, en hebben daarom in
den val het eerste waagstuk der rede, den aanvang van het zedelijke
leven, den oorsprong der cultuur, de gelukkigste gebeurtenis in de
geschiedenis der menschheid gezien; zoo reeds in vroeger tijd sommige
Ophieten, die de slang hielden voor eene incarnatie van den Logos, en
later Kant, Mutmassl. Anfang der Menschengesch. 1786. Schiller, Ueber
die erste Menschengesellschaft 1790. Hegel, Werke VII 1 S. 14 f. IX 390
f. XI 194. Strauss, Gl. II 29, cf. Bretschneider, Syst. Entw. § 89.
Deze opvatting is echter met de bedoeling van het verhaal zoozeer in
strijd, dat ze tegenwoordig schier algemeen wordt prijs gegeven. Immers
zou ze onderstellen, dat God den mensch in een toestand van kinderlijke,
zelfs dierlijke onnoozelheid schiep en hem daarin steeds had willen
houden; maar de kennis, ook de zedelijke, was den mensch reeds bij zijne
schepping geschonken, gelijk de schepping naar Gods beeld, de naamgeving
aan de dieren, het ontvangen en verstaan van het proefgebod bewijst;
en die kennis, welke de mensch door zijn val verwierf, was eene gansch
andere, die door God verboden was en hem allerlei straf waardig maakte.
Gen. 3 verhaalt geen Riesenfortschritt maar een val van den mensch,
Wellhausen, Gesch. Israels 1878 S. 344 f. Rütschi, Gesch. u. Krit. der
k. Leben v. d. urspr. Vollkommenheit, Leiden 1881 S. 8. Smend, Altt.
Relig. 120. Marti, Gesch. d. israel. Relig. 1897 S. 179. Clemen, Die
chr. Lehre v. d. Sünde I 151 f. Dezen staan dan ook het gevoelen voor,
dat onder de kennis van goed en kwaad niet de allereerste verstandelijke
of zedelijke kennis is te verstaan, maar wel, met beroep op 2 Sam.
19:35, 36 die intellectuelle Welterkenntniss, die metaphysische
Erkenntniss der Dinge in ihrem Zusammenhange, ihrem Werth oder Unwerth,
ihrem Nutzen oder Schaden für den Menschen, m. a. w. de wijsheid, de
kunst der wereldbeheersching, die feitelijk den mensch zelfstandig en
Gode gelijk maken en dezen de heerschappij ontnemen zou. Dit gevoelen
wordt echter door dezelfde bezwaren als het vorige gedrukt; alleen
bevat de wijze, waarop Marti het ontwikkelt, eene vingerwijzing naar
de juiste uitlegging. Het komt n.l. in Gen. 3 niet allereerst op den
inhoud der kennis aan, welke de mensch door ongehoorzaamheid verwerven
zou, maar op de wijze, waarop hij haar verkrijgen zou, cf. Kuyper, Heraut
950, 951. Duidelijk wordt de aard van de kennis van goed en kwaad, hier
bedoeld, daardoor omschreven, dat de mensch erdoor gelijk zou worden
aan God, Gen. 3:5, 22. Door te eten van den boom, zou hij zich van God
losmaken, zelf oordeelen en bepalen, wat goed en wat kwaad was, zijn
inzicht en zijne wijsheid stellen tegenover de wijsheid Gods, en zoo
zichzelven Gode gelijk maken. In plaats van in afhankelijkheid van God,
in onderwerping aan zijne wet te leven en te handelen, zou de mensch,
etende van den boom en het gebod overtredende, op eigen voeten gaan
staan, zelf den weg kiezen, dien hij gaan wilde, en zelf zijn eigen
geluk zoeken. Toen de mensch viel, kreeg hij dan ook wat hij wenschte,
hij maakte zich Gode gelijk, zelfstandig, door eigen inzicht en oordeel
kennende het goed en het kwaad; Gen. 3:22 is ontzettende ernst. Maar
deze emancipatie van God leidde niet en kan niet leiden tot het ware
geluk. Daarom verbiedt God in het proefgebod dezen vrijheidsdrang, deze
zucht naar onafhankelijkheid. Maar de mensch bezweek voor de proef en
sloeg vrijwillig en moedwillig zijn eigen weg in.
Nog maar korten tijd had hij waarschijnlijk in den staat der onschuld
verkeerd, toen hij van buitenaf door eene slang, die schranderder
(עָרוּם, LXX φρονιμος, prudens, cf. Mt. 10:16, 2 Cor. 11:3) was dan
al het gedierte des velds, verzocht en ten val gebracht werd. De slang
richt zich niet tot den man maar tot de vrouw, die het verbod van het
eten van den boom niet zelve rechtstreeks van God maar door middel van
haar man had ontvangen en daarom ontvankelijker was voor redeneering
en twijfel. Allereerst beproeft de slang dan ook in het hart der vrouw
twijfel te wekken aan het gebod Gods, en stelt dit daartoe ook voor,
als door God uit hardheid en zelfzucht gegeven. De vrouw toont in de
wijze, waarop zij het gebod teruggeeft en uitbreidt, duidelijk, dat haar
dat gebod Gods als eene scherpe grens en als eene beperkende bepaling
tot het bewustzijn gekomen is. Nadat de twijfel gewekt en de lastigheid
van het gebod tot het bewustzijn gebracht is, gaat de slang voort, om
beide ongeloof en hoogmoed te zaaien in het toebereide gemoed van de
vrouw; zij ontkent nu beslist, dat de overtreding van dat gebod den
dood ten gevolge zal hebben en ze geeft te verstaan, dat God dat gebod
slechts uit zelfzucht heeft gegeven; als de mensch eet van den boom
zal hij, in plaats van te sterven, Gode gelijk worden en eene volmaakte,
Goddelijke kennis ontvangen. De verzekering van de slang en de hooge
verwachting, die zij opwekte, deden de vrouw zien naar den boom; en
naarmate zij langer zag, werd ze bekoord door zijne vrucht. Begeerlijkheid
der oogen, begeerlijkheid des vleesches, grootschheid des levens maakten
de verzoeking onweerstaanbaar; ten slotte nam zij van de vrucht en zij
at, en zij gaf ook haren man met haar en hij at. Het spreken der slang
heeft velen op de gedachte gebracht, dat dit verhaal eene allegorie
was, of dat althans de slang geen werkelijk dier was, maar een naam
en beeld voor de begeerlijkheid, Philo, Clemens Alex., Strom. III
14, 17; of voor den geslachtslust, Schopenhauer, Die Welt als W. u.
V.⁶ II 654, 666; of voor de dwalende rede, Bunsen in zijn Bibelwerk;
of ook voor Satan, Cajetanus, Eugubinus, Junius, Rivetus, Amyraldus,
Vitringa vader en zoon, Venema e. a., cf. Marck, Hist. Parad. III 5,
5. M. Vitringa, II 256, en ook J. P. Val d’Eremas, The serpent of
Eden, a philol. and crit. essay on the text of Gen. 3 and its various
interpretations, London 1888. Maar deze verklaring is niet aannemelijk;
de slang wordt in Gen. 3:1 onder de dieren gerekend; de straf vs. 14,
15 onderstelt eene werkelijke slang, en in 2 Cor. 3:11 is Paulus van
dezelfde meening. Ook de mythische opvatting, die later opkwam en bij
velen ingang vond, is met de bedoeling van het verhaal, met heel de
omgeving, waarin het voorkomt, en met de doorloopende leer der Schrift
in strijd; bovendien loopen de mythische verklaringen onderling ook
zeer uiteen, Hengstenberg, Christol. I² 5. Köhler, Bibl. Gesch. I 6.
Delitzsch op Gen. 3:1. Het spreken der slang is daarom op eene andere
wijze te verklaren; echter niet met Josephus, Ant. I 1, 4, uit de
meening van den verhaler, dat de dieren vóór den val de gave der taal
hadden, want hij heeft pas verhaald dat de mensch wezenlijk van de dieren
onderscheiden is, hun namen gaf en onder hen geen hulpe vond; maar
ongetwijfeld uit de inwerking eener geestelijke, bovenaardsche macht. Van
welken aard die macht is geweest, wordt in het verhaal zelf met geen
woord gezegd; Gen. 3 houdt zich aan de zichtbare feiten, beschrijft maar
verklaart niet. Velen zijn nu wel van meening geweest, dat Gen. 3 niets
anders verhaalt dan het ontstaan der vijandschap tusschen mensch en
dier. Maar behalve dat deze verklaring om hare platheid niet bevredigt,
is ze in strijd met wat in Gen. 2 over de verhouding van mensch en
dier is verhaald, en zegt zij ons niet, hoe en waarom de slang als
eene verleidende macht tegenover den mensch optrad. Vandaar dat velen
thans weer, tot de oude exegese teruggaan, al is het alleen, omdat
deze in de aprocriefe litteratuur des O. T. gehuldigd wordt, Clemen,
Chr. Lehre v. d. Sünde I 158 f. Voorts is het begrijpelijk, dat Gen. 3
van den geestelijken achtergrond der gebeurtenissen geen gewag maakt.
Eerst langzamerhand wordt bij het voortschrijdend licht der openbaring
de diepte der duisternis onthuld. Schijnbaar onschuldig begonnen, wordt
de zonde in haar wezen en macht eerst in den loop der geschiedenis
bekend. De afwijking van den rechten weg is bij den aanvang gering en
nauwelijks merkbaar, maar voert, voortgezet, in eene geheel verkeerde
richting en leidt tot eene gansch tegenovergestelde uitkomst. Daaruit
is ook te verklaren, dat de Schrift, beide in Oud en Nieuw Testament,
betrekkelijk zoo zelden naar het verhaal van den val terugziet; de
voornaamste plaatsen, die hiervoor in aanmerking komen, zijn Job 31:33,
Spr. 3:18, Jes. 43:27, Hos. 6:7, Ezech. 28 vs. 13-15, Rom. 5:12v.,
8:20, 1 Cor. 15:21v., 42v., 2 Cor. 11:3, 1 Tim. 2:14, Op. 2:7, 22:2,
cf. Krabbe, Die Lehre v. d. Sünde und vom Tode, Hamburg 1836 S. 83-100.
Hofmann, Schriftbeweis, I 364 f. Kurtz, Gesch. d. A. Bundes I² 1853 S.
69 en voor de aanhalingen in de aprocriefe litteratuur, Clemen t. a.
p. 169 f. 173. Eerst Paulus stelt tegenover den persoon van Christus
de beteekenis van Adam in het licht. Zoo wordt ook eerst allengs in
de geschiedenis der openbaring de geestelijke macht bekend, die achter
de verschijning en verleiding der slang zich verbergt. Dan wordt
langzamerhand onthuld, dat in de worsteling van het kwaad hier op aarde
ook een strijd der geesten gemengd is, en dat de menschheid en de wereld
de buit is, om welke tusschen God en Satan, tusschen hemel en hel wordt
gekampt.
Heel de macht der zonde hier op aarde staat in verband met een rijk der
duisternis in de wereld der geesten. Ook daar heeft een val plaats
gehad. Jezus zegt zelf in Joh. 8:44, dat de duivel een menschenmoorder
is ἀπ’ ἀρχης, d. i. van den aanvang van het bestaan der menschheid
af, dat hij in de waarheid οὐχ ἑστηκεν, zich niet gesteld heeft en
dus niet staat, omdat er geen waarheid in hem is, en hij, leugen
sprekende, ἐκ των ἰδιων spreekt. Evenzoo leert 1 Joh. 3:8, dat hij
zondigt van den beginne; in 1 Tim. 3:6 waarschuwt Paulus den neophyt
tegen opgeblazenheid, opdat hij niet valle εἰς κριμα του διαβολου, in
eenzelfde oordeel, als den duivel getroffen heeft; en Judas spreekt in
vs. 6 van ἀγγελους τους μη τηρησαντας την ἑαυτων ἀρχην ἀλλα ἀπολιποντας
το ἰδιον οἰκητηριον, d. i. van engelen, die hun beginsel, oorsprong, of
ook heerschappij niet bewaard en de hun toegewezen woonplaats verlaten
hebben. Er ligt hier duidelijk in opgesloten, dat vele engelen niet
tevreden waren met den staat, waarin zij door God waren geplaatst.
Hoogmoed heeft zich van hen meester gemaakt, om te streven naar een
anderen, hoogeren stand. De zonde is het eerst uitgebroken in de wereld
der geesten; zij is opgekomen in het hart van wezens, van wie wij slechts
geringe kennis bezitten; onder verhoudingen, die ons zoo goed als
geheel onbekend zijn. Maar dit is op grond der H. Schrift zeker, dat de
zonde niet eerst op aarde maar in den hemel is aangevangen, aan den
voet van Gods troon, in zijne onmiddellijke tegenwoordigheid, en dat de
val der engelen heeft plaats gehad vóór dien van den mensch. De Schrift
zwijgt er over, of er verband bestaat tusschen dien val der engelen en
de schepping van den mensch; zij zegt ook niet, wat de gevallen engelen
dreef, om den mensch te verleiden. Maar om wat reden dan ook, Satan
is ὁ σατανας, ὁ πειραζων, ὁ διαβολος van het menschelijk geslacht,
ἀνθρωποκτονος, Mt. 4:3, Joh. 8:44, Ef. 6:11, 1 Thess. 3:5, 2 Tim. 2:26,
ὁ δρακων ὁ μεγας, ὁ ὀφις ὁ ἀρχαιος, Op. 12:9, 14, 15, 20:2. Zoo kwam
hij tot Christus, den tweeden Adam; en zoo kwam hij ook tot den eersten
mensch. Dat hij niet zelf rechtstreeks en persoonlijk tot hem kwam, maar
zich bediende van eene slang, is wel daaruit te verklaren, dat hij beter
hoopte te slagen, wanneer de verleiding geschiedde door een wezen, dat
aan den mensch als goed bekend was. Zonder twijfel moet het spreken
der slang aan de vrouw vreemd zijn voorgekomen, maar juist dit vreemde
sterkte de verleiding; zelfs een dier, Gods bevel verwerpende, kwam
tot hoogere volmaaktheid. Overigens leert ons de Schrift, dat ook de
onreine geesten bovenmenschelijke dingen kunnen doen en van lichamen en
spraakorganen zich tijdelijk kunnen meester maken, Mt. 8:28v., Mk. 5:7v.,
Luk. 8:28v., Hd. 19:15. De verleiding door Satan had bij den mensch den
val ten gevolge. De Schrift zoekt den oorsprong der zonde alleen in den
wil van het redelijk schepsel.
2. De traditie van zulk een val komt ook nog bij andere volken voor. Het
Avesta verhaalt, dat de eerste booze daad van Ahriman bestaan heeft
in het voortbrengen van eene groote slang, Dahaka, met drie hoofden,
drie monden, zes oogen en duizend krachten, om door haar de wereld
te verderven. Ahriman, die ook wel zelf de slang, de leugenaar, de
bedrieger der stervelingen heet, heeft door haar den vrede gestoord,
het paradijs verwoest, twijfel en ongeloof in de harten der menschen
gezaaid, ziekte en lijden op de aarde gebracht, want Jima, de edele
heerscher in het gouden tijdperk is aan God ongehoorzaam geweest; hij
viel door hoogmoed en zelfverheffing in zonde, Ahuramazda verliet
hem en hij werd gedood. Ook de Babylonisch-Assyrische overlevering
staat met het bijbelsch verhaal in onmiskenbaar verband; de slang heet
daar Tiamat, brengt door haar verleiding den mensch ten val, maar
wordt daarvoor ook door Merodach vervloekt en bestreden, cf. Fischer,
Heidenthum u. Offenbarung 1878 S. 137 f. 208 f. Delitzsch op Gen. 3:1.
Overigens is, gelijk het wezen, zoo ook de oorsprong der zonde aan
de Heidenen onbekend. Zelfs de Joden, die den val en de verleiding
door Satan, Wijsh. 2:24, erkenden en hem daarom dikwerf de oude slang
noemden, leerden soms, dat Satan op den zesden dag tegelijk met Eva
was geschapen, dat hij door zinnelijken lust geprikkeld, den mensch
trachtte te verleiden, en dat de mensch ook reeds vóór den val naast
den יצר הטוב een יצר הרע, eene neiging ten kwade ontving, om
deze te overwinnen en alzoo zijne werken recht verdienstelijk te maken,
Weber, System 210 f. 242 f. En zoo werd elders in de Heidenwereld de
oorsprong der zonde niet in den wil van de redelijke schepselen maar in
het wezen der dingen gezocht. De val is onbekend. Het Confucianisme
is een ondiep rationalisme en moralisme, dat den mensch voor van
nature goed hield en in een deugdzaam leven, in overeenstemming met
de wereldorde, den weg der zaligheid zocht, Saussaye, Religionsgesch.
I 249. Volgens het Buddhisme is het Atman of Brahman, de goddelijke
substantie, het eenig reëele; de wereld der verschijnselen is maar een
droom, heeft de illusie, Maya, tot principe, en is in voortdurende
wording en verandering. Daarom is het lijden en de smart algemeen,
want alles is aan de vergankelijkheid, aan geboorte, ouderdom, dood
onderworpen; en de oorzaak van dat lijden is te zoeken in de begeerten,
in de begeerte naar het zijn, in het willen zijn; verlossing bestaat
dus in uitdooving van het bewustzijn of ook in vernietiging van het
zijn, nirvana, ib. 411 f. Het Parzisme leidde het kwaad terug tot een
oorspronkelijk boozen geest, Ahriman, die tegenover den hoogsten God,
Ahuramazda staat, een eigen rijk der duisternis heeft, de schepping
Gods verderft, maar aan Ahuramazda ondergeschikt is en eens voor hem
zal onderdoen, ib. II 34 f. De Grieken en Romeinen hebben wel in de
sagen van eene aurea aetas, van Prometheus en Pandora iets, dat aan de
bijbelsche verhalen herinneren kan; maar zij kenden oorspronkelijk geen
booze geesten, die tegenover de goede stonden, en schreven aan de goden
allerlei booze begeerten en euveldaden toe. Het menschelijk geslacht was
ook niet in eens gevallen maar langzamerhand ontaard, en nog bezat des
menschen wil de kracht om deugdzaam te leven, binnen de perken zich
te houden, en alzoo de zonde, die wezenlijk ὑβρις was, te overwinnen,
ib. 191, cf. G. Baur, Stud. u. Krit. 1848. S. 320. De philosophie nam
gewoonlijk hetzelfde standpunt in. Volgens Socrates ligt de oorzaak en
het wezen der zonde alleen in onkunde; niemand is vrijwillig boos, d.
i. ongelukkig; wie dus goed weet, is goed en handelt goed; er is niets
anders dan ontwikkeling van noode, om den mensch, die van nature goed
is, te brengen tot beoefening der deugd, Xen. Mem. III 9, 4 sq. IV 6,
6. Plato en Aristoteles zagen het ongenoegzame dezer beschouwing wel
in; de rede was toch lang niet altijd bij machte, om de hartstochten te
beheerschen; de zonde wortelde dieper in de menschelijke natuur, dan
dat ze alleen door kennis kon worden overwonnen; Plato kwam zelfs tot
eene geheel andere leer over den oorsprong van de zonde en zocht dezen
in een val der praeëxistente zielen. Maar beiden handhaafden toch den
vrijen wil en bleven van oordeel, dat de deugd in onze macht staat; het
uitwendig lot moge bepaald zijn, de deugd is ἀδεσποτος en hangt alleen
aan den wil des menschen, ἐφ’ ἡμιν δε και ἡ ἀρετη, ὁμοιως δε και ἡ
κακια, Zeller, Philos. d. Gr. II⁴ 852 III³ 588. De Stoa kon op haar
pantheistisch en deterministisch standpunt de oorzaak der zonde niet
zoeken in den wil van den mensch en trachtte daarom het physische en
moreele kwaad in te voegen in de orde en schoonheid van het geheel.
Het was zelfs der Godheid niet mogelijk, om de menschelijke natuur vrij
van alle gebrek te houden; de zonde is even noodzakelijk als ziekten en
rampen, en is in zooverre iets goeds, als zij het goede dient en dit
tot openbaring brengt, Zeiler, ib. IV³ 175 f. Toch wist ook de Stoa
geen anderen weg, om de zonde te overwinnen en de deugd te oefenen, dan
des menschen wil, ib. 167 f. En ten slotte keerde bij Cicero, Seneca,
Plotinus enz. altijd weer de gedachte terug, dat de zonde eene daad was
van den wil en ook door den wil weer kon te niet gedaan worden, ib.
667. 717. 722. V³ 585. Buiten het gebied der bijzondere openbaring werd
de zonde daarom altijd of deistisch uit ’s menschen wil verklaard en
als eene zuivere wilsdaad opgevat, of ook pantheistisch uit het wezen
der dingen afgeleid en als iets noodzakelijks in de orde van het geheel
begrepen.
3. Beide deze opvattingen keerden telkens in de christelijke eeuwen
terug. De eerste werd vernieuwd door Pelagius, cf. Augustinus, c. duas
ep. Pel. en c. Jul. Pelag., en vond dan in den verzwakten vorm van het
semipelagianisme hoe langer hoe meer ingang. Na de Hervorming werd zij
weder opgenomen door het Socinianisme, Fock, Der Socin. 484 f. 653 f.,
won door het Remonstrantisme, Episcopius, Inst. Theol. IV 3 c. 6. 7
IV 5 c. 1. 2. Limborch, Theol. Christ. II 24 III 2 sq., belangrijk aan
invloed en werd dan in het deisme van Locke, Tindal, Rousseau enz. en
in het rationalisme van Wegscheider, Inst. § 99. 112, Bretschneider,
Dogm. II 17 f. de heerschende beschouwing van dien tijd. Thans heeft ze
weer beteekenis erlangd in de theologie van Ritschl en zijne school,
Ritschl, Rechtf. u. Vers. ² II 241-246 III 304-357. Kaftan, Wesen der
christl. Relig. 1881 S. 246 f. Dogmatik 1897 § 34. 40. Nitzsch, Ev.
Dogm. 319 f. Siebeck, Lehrb. der Religionsphilos. 436 f. Hoezeer in
allerlei wijzigingen voorgedragen, is de grondgedachte toch altijd deze,
dat de zonde niet wortelt in eene natuur, geen hebbelijkheid en geen
toestand is maar altijd eene daad van den wil. Het beeld Gods heeft bij
den mensch dan voornamelijk of uitsluitend bestaan in de heerschappij;
voorzoover een status integritatis wordt aangenomen, bestond deze
vooral in kinderlijke onschuld, in de vrijheid der indifferentie, in
de mogelijkheid om het goede of het kwade te kiezen. De val zelf,
indien nog als een historisch feit erkend, verliest zijne ontzettende
beteekenis en wordt eene gebeurtenis, vrij gelijk aan die, welke ieder
oogenblik in het menschelijk leven plaats grijpt, als het kwade in plaats
van het goede gekozen wordt. En de gevolgen van den val zijn daarom ook
gering. De kinderen worden geboren in een zelfden toestand als die,
waarin Adam leefde vóór zijne ongehoorzaamheid; de vrijheid van wil, d.
i. het beeld Gods is gebleven; hoogstens wordt er van mensch op mensch
eene zekere neiging tot de zonde overgeplant, maar zulk eene neiging is
eigenlijk niet het gevolg van de eerste zonde van Adam maar van al de
zonden van al onze voorouders; zij is ook geen zonde op zichzelve maar
wordt dit eerst, als de vrije wil aan die neiging gehoor geeft; er is
dus onderscheid tusschen zonde (smet, zondige neiging) en schuld (booze
daad, opzettelijke, vrijwillige overtreding); alleen de laatste heeft
verzoening en vergeving van noode, de eerste, de neiging tot zonde, en
de onbewuste, onvrijwillige inwilliging is eigenlijk geen zonde, ze is
meer onwetendheid, die geen schuld meebrengt. En evenzoo als zonde en
schuld, moeten ook zonde en lijden onderscheiden worden; er is velerlei
lijden, dat onafhankelijk van de zonde bestaat en ook bestaan zou, al
ware er geen zonde; de dood is wezenlijk geen gevolg van de zonde maar
van nature aan den mensch eigen; de geestelijke en eeuwige dood is in
’t geheel geen straf op de eerste zonde geweest; hoogstens bestaat die
straf in de moriendi necessitas, welke bij Adam, indien hij ware staande
gebleven, door een wonder zou voorkomen zijn, of in de wijze van sterven,
die zonder zonde minder smartelijk en minder vroegtijdig zou geweest zijn.
Het is te begrijpen, dat deze opvatting van de zonde op den duur
verstand noch hart bevredigen kan. Zij lokt te vele en te ernstige
bedenkingen uit. Zij rekent niet met den ernst en de macht der zonde,
gelijk elk die in zijne dagelijksche ervaring kennen leert; zij gaat uit
van eene atomistische beschouwing van het menschelijk geslacht en
verklaart niet, hoe allen zonder onderscheid der zonde onderworpen zijn;
zij miskent het priesterlijk en koninklijk ambt van Christus en heeft aan
den leeraar en profeet van Nazareth genoeg; zij beperkt de werking der
zonde en dies de heerschappij der verlossing tot het religieus-ethische
terrein en stelt de gansche cultuur los naast het Christendom. Bij
de voorstanders zelven ontwaakt telkens aan eene andere, diepere
opvatting behoefte; zoo bij het semipelagianisme tegenover Pelagius, bij
Volkelius, de vera religione II c. 6 tegenover het Socinianisme, bij
Wegscheider § 116 tegenover het rationalisme, en bij Kaftan, Nitzsch,
Schultz e. a. tegenover Ritschl, cf. James Orr, The Ritschlian Theology
and the evang. faith London 1897 p. 213. G. Ecke, Die Theol. Schule
Albr. Ritschl’s und die evang. Kirche der Gegenwart, Berlin 1897 I.
Hoe dieper de zonde wordt ingedacht, des te minder wordt ze iets
toevalligs en willekeurigs, des te meer neemt ze in macht en beteekenis
toe, niet alleen voor het religieuse en ethische, maar ook voor
het intellectueele en aesthetische, voor het physische en heel het
kosmische leven. Indien echter bij dit inzicht naar den oorsprong der
zonde wordt gevraagd, doen zich wederom verschillende antwoorden voor.
Niet allen gaan even ver. Sommigen verklaren haar uit de menschelijke
natuur, anderen uit den kosmos, nog anderen uit God.
4. Tot de eersten behooren zij, die den oorsprong der zonde zoeken
in de overheersching des menschen door de materie. De Grieksche
philosophie was over het algemeen de meening toegedaan, dat de rede
tot taak had, om de zinnelijke driften en hartstochten te beteugelen.
De Joden namen in den mensch van nature een יצר הרע aan, die bij de
lichamelijke ontwikkeling steeds in kracht won, in den geslachtslust
zijn hoogtepunt bereikte en aan alle ongehoorzaamheid aan Gods geboden
ten grondslag lag, Weber § 49. 50. In de ascetische richtingen keert
deze gedachte telkens weer; de Roomsche theologie erkende zelfs haar
betrekkelijk recht, als zij bij den mensch zonder den teugel van het donum
superadditum van een natuurlijken strijd tusschen vleesch en geest, van
een morbus en languor naturae humanae sprak, Bellarminus, de gratia
primi hom. c. 5. In de nieuwere philosophie en theologie wordt de zonde
telkens op dezelfde wijze afgeleid uit eene oorspronkelijke tegenstelling
tusschen natuur en rede, zinnelijkheid en verstand, lager en hooger
ik, vleesch en geest, egoistische en sociale neigingen. De zinlijkheid
wordt op dit standpunt nog wel niet zelve voor zonde gehouden, maar
toch aangezien als de aanleiding en de prikkel tot het zondigen. Alle
zonde bestaat dus wezenlijk daarin, dat de geest de zinnelijkheid dient
en over zich heerschen laat; en alle deugd is daarin gelegen, dat
de mensch door zijne rede heersche over de natuur en alzoo tot vrije,
zelfstandige persoonlijkheid worde. Zelfs beroept deze opvatting zich
gaarne op de Paulinische leer van de σαρξ, en verblijdt zich over dezen
Schriftuurlijken steun. Cf. Cartesius, Wolff, Fichte, Hegel, Werke XI
190 f. XII 209 f. bij Jodl, Gesch. der Ethik in der neuern Philos. I
1882 II 1889 en v. Hartmann, Das sittliche Bewustsein² 1836 S. 265 f.,
en voorts Schleiermacher, Chr. Gl. § 66. Rothe, Theol. Ethik § 459 f.
Biedermann, Chr. Dogm. § 763 f. Pfleiderer, Grundriss § 100 f. Lipsius,
Dogm. § 468 f. 477 f. Schultz, Grundriss d. ev. Dogm.² 1892 S. 61.
Scholten, De vrije wil 177. L H K. II 422v. 574v. enz.
Maar deze verklaring der zonde lijdt aan halfslachtigheid. Eén van beide
toch: de zinnelijke natuur van den mensch is op zichzelve geen zonde,
maar zonde ontstaat eerst, als de rede en de wil des menschen haar
eischen inwilligt, dan valt deze theorie in die van het pelagianisme
terug; of de zinnelijke natuur is op zichzelve zondig en dan is
zonde eigen aan de materie als zoodanig en moet de anthropologische
verklaring voortschrijden tot de kosmische. Dit is dan ook door velen
geschied. Plato nam eene eeuwige ὑλη aan naast en tegenover God. De
wereld was wel een werk der rede, maar van den beginne af werkte in
haar ook eene andere, blinde macht, die door den δημιουργος niet geheel
kon beheerscht worden. God kon de wereld daarom niet zoo goed maken,
als Hij wilde; Hij was aan de eindigheid, aan de ὑλη gebonden. De oorzaak
van zonde, lijden en dood ligt dus in het σωματοειδες; de ὑλη houdt de
in- en doorwerking der idee tegen; het lichaam is een kerker voor de
ziel, bron van vreeze en onrust, van begeerte en hartstocht, Zeiler,
Philos. d. Gr. II 765 f. 855 f. Gelijke beteekenis heeft de ὑλη in het
neoplatonisme en gnosticisme en in velerlei ascetische en theosophische
richtingen, cf. Zeller, ib. V 125. 171. 236. 297. 386. 547. En aan deze
leer van Plato zijn verwant alle theorieën, die de zonde afleiden uit
eene wel door God geschapene maar toch tegenover Hem staande materie,
Weisse, Philos. Dogm. § 541 f. 561 f. Rothe, Theol. Ethik § 55, of uit
de eindigheid en beperktheid, l’imperfection originale des créatures,
Leibniz, Theodicée § 156, of in het algemeen uit de realiseering der
wereldidee.
Deze verklaring van de zonde uit den aard van het creatuurlijke zijn kan
echter niet aan de consequentie ontkomen, om op de eene of andere wijze
tot God terug te gaan en in zijn natuur of werk den oorsprong der zonde
te zoeken. Bij Plato had de ὑλη zelve een eeuwig en zelfstandig bestaan
naast God. In het Parzisme en Manicheisme stonden twee persoonlijke
Goddelijke wezens als scheppers van het licht en de duisternis eeuwig
tegenover elkander en gaven aan de bestaande wereld haar tweezijdig
karakter, Schwane, D. G. II 503 f. Neoplatonisme en gnosticisme
maakten schepping, val, verlossing enz. tot momenten in eene emanatie,
die van God als de βυθος ἀγνωστος, het absolute pleroma, in steeds
dalende formatiën uitgaat, ten slotte aan de materieele wereld met
haar onwetendheid, duisternis, zonde, lijden, dood het aanzijn geeft,
maar dan die uitgestroomde en van God afgevallen wereld weer in het
verlossingsproces tot God terugvoert, Stöckl, Die spekulative Lehre v.
Menschen II 52 f. Met deze ideeën heeft zich de theosophie bij Böhme en
Schelling gevoed, als zij persoonlijkheid Gods, drieëenheid, schepping,
val, verlossing uit het wezen Gods trachtte te verklaren, cf. deel II
304, 393. De drie Potenzen, die in God worden aangenomen, opdat Hij
persoon, geest worde, zijn ook tegelijk de principia van een ander zijn,
n.l. de wereld. Als persoon heeft God de vrijheid en de macht, om de
Potenzen, die in Hem zijn maar die Hij eeuwiglijk beheerscht, ook buiten
zich in spanning te zetten, Schelling, Werke II 3 S. 272 f. 310. 338
f. In die spanning ligt de mogelijkheid der zonde. In de oorspronkelijke
schepping, hetzij alleen ideëel of ook reëel de eerste, waren deze
Potenzen in rust. Zonde, ellende, duisternis, dood enz. waren er wel
maar alleen potentieel; ze sluimerden in den Urgrund der schepping.
Maar de mensch, in wie die Potenzen ook aanwezig waren, verbrak die
eenheid en ontketende de booze machten, die in de schepping potentieel
aanwezig waren. Eene wereld als de tegenwoordige met zooveel woestheid
en ellende, is alleen uit een val te verklaren; deze is de Urthatsache
der Geschichte, cf. Joh. Claassen, Jakob Böhme II 185 f. Schelling,
Werke I 7 S. 336-416. I 8 S. 331 f. II 3 S. 344 f. 358 f. Nog sterker
beschouwde Hegel het als een afval, dat de idee van het absolute zich
in de wereld als haar anders-zijn verwerkelijkte. Hoezeer de natuur
bij Hegel een product der rede was, kon hij toch niet loochenen, dat
ze onmachtig was, om de idee ten volle te realiseeren en verklaarde
hij daarom dat de idee, aan zulk een wereld het bestaan gevende, aan
zichzelve ontrouw geworden en van zichzelve afgevallen was, Werke VI
413. VII 1 S. 23 f. VII 2 S. 15 f. Zoo werd de weg voor het pessimisme
gebaand, dat op de wijze van het Buddhisme het zijn zelf voor de grootste
zonde houdt, bedreven door den blinden, alogischen wil, die de
Urschuldige is, Schopenhauer, Die Welt als W. u Vorst.⁶ I 193 f. II 398
f. v. Hartmann, Philos. d. Unbew. II⁹ 198 f. 273 f. 295 f.