DUITSCHLAND EN DE HEILIGE OORLOG (1914).

De godsdienstvrijheid volgens Turksche intellectueelen.

Ruim tien jaren geleden had ik met eenen Turk van hooge intellectueele

ontwikkeling een gesprek over godsdienstig fanatisme en den invloed

daarvan op politieke verhoudingen. Hij besloot zijne beschouwingen

over dit onderwerp ongeveer als volgt: "In vroegere eeuwen plachten de

menschen in de beschaafde wereld elkander het leven te benemen wegens

verschil van meening over de geheimen der andere wereld. Thans is de

menschheid, lof zij Allah, over die barbaarschheid heen en ieder mag

gelooven, wat hij wil. Maar wat helpt ons dit, zoolang over economische

en politieke belangen oorlogen gevoerd worden, die in fanatisme voor

de vinnigste godsdienstoorlogen niet onderdoen, terwijl de reusachtige

vorderingen der techniek de moorddadige uitwerking van den strijd

steeds verhoogen? Van een kalm genieten der met moeite verkregen

gewetensvrijheid kan daarbij geen sprake zijn."

Deze ontboezeming komt telkens weer in mijne herinnering naar voren in

verband met hetgeen wij nu beleven. Nadat de groote menschengroepen,

die door verschil van politieke en economische belangen uiteengehouden

worden, jarenlang een belangrijk deel van hun intellectueel en

materieel vermogen besteed hebben aan het uitdenken van middelen om

in de volheid des tijds elkander te vernietigen, is eindelijk de

lang verwachte vonk in de opeengehoopte brandstof gevallen. Al de

strijdenden gruwen van het denkbeeld der verantwoordelijkheid voor

de misdrijven tegen de menschelijke samenleving, die zij gezamenlijk

plegen, en het eenige, waarin zich de overigens non-actief gestelde

gemeenschappelijke cultuur nog uit, is eene vervelende reeks van

betoogen, waarin ieder den ander de schuld geeft van hetgeen allen

samen met zorg hebben voorbereid. De sceptische ironie van mijn

Turkschen vriend was niet ongegrond. Wij leeren er trouwens niets

nieuws uit. Alleen in zóóverre mag zijne uitspraak voor diegenen onder

ons, die de Mohammedaansche wereld weinig kennen, iets verrassends

hebben, als daarin door een Turk de algemeene godsdienstvrede en

gewetensvrijheid zoo zonder voorbehoud als een verworven zegen erkend

wordt. Uit dit oogpunt beschouwd hebben de aangehaalde woorden te

hooger waarde, omdat zij de meening van alle Turksche intellectueelen

over het vraagstuk van den godsdienst vrij nauwkeurig uitdrukken.

Contrast dier meening met de wet van den Islâm.

Deze verdraagzaamheid schijnt onvereenigbaar met hetgeen de

Mohammedaansche wet omtrent de verhouding tot aanhangers van

andere godsdiensten voorschrijft. Volgens die wet, die in haar

geheel aanspraak maakt op goddelijk gezag, moet immers de geheele

menschenwereld aan de Mohammedaansche gemeenschap onderworpen, zooveel

mogelijk ook in geestelijken zin bij haar ingelijfd worden. Ter

bereiking van dit doel behoort de gemeente der geloovigen djihâd

te doen, d. i. "heiligen oorlog" te voeren tegen allen, die nog

buiten de sfeer van haar gezag leven. De leiding van den djihâd, de

bepaling van tijd, plaats en middelen, is een der hoofdplichten van het

hoofd der gemeente, den chalief, den opvolger van Mohammed in diens

hoedanigheid van opperbestuurder, opperrechter en opperbevelhebber

der Moslims. Al naar mate de belangen van den Islâm het volgens zijn

inzicht medebrengen, voere hij dien krijg met meer of minder kracht

of late hij dien zelfs tijdelijk rusten. Tot eene staking van het

offensief tegen eene ongeloovige mogendheid voor meer dan tien jaren

mag hij zich onder geene omstandigheden verbinden. Aan belijders van

den Joodschen, Christelijken en daarmee gelijkgestelde godsdiensten

wordt, mits zij zich aan het Mohammedaansche staatsgezag onderwerpen

en met de positie van onderdanen zonder burgerrecht genoegen nemen, met

zekere beperkingen de uitoefening van hunnen godsdienst toegestaan; bij

eigenlijke heidenen moet de onderwerping met bekeering gepaard gaan.

De grondslagen van het program van den heiligen oorlog.

Het djihâd-program gaat uit van de onderstelling, dat de Mohammedanen

voortdurend, evenals bij hun eerste optreden in de wereld, een gesloten

geheel vormen onder éénhoofdige leiding. Deze toestand heeft evenwel

in de werkelijkheid zóó kort bestaan, het gebied van den Islâm is zóó

spoedig in een steeds grooter aantal vorstendommen uiteengevallen,

het oppergezag van den zoogenaamden chalief is na korten bloei zóózeer

tot een ijdelen naam geworden, dat ook de djihâd-voorschriften zich

aan de gezagsverbrokkeling hebben moeten aanpassen. Gelijk in de

meeste andere opzichten, zoo ook ten aanzien van het voeren van den

heiligen oorlog draagt dan de wet de bevoegdheden en plichten van den

éénen chalief aan de verschillende landshoofden op, ieder voor zijn

machtsgebied. Nu spreekt het vanzelf, dat deze overdracht van het

gezag van éénen op velen zeer vereenvoudigend werkt voor al hetgeen

het bestuur binnenslands betreft; maar even duidelijk is het, dat die

verbrokkeling de voortzetting van den wereldveroveringsoorlog, zooals

die in de eerste eeuw van den Islâm was ingezet, onmogelijk maakte.

Er waren trouwens nog tal van andere oorzaken, die de eerst toomlooze

vaart der Moslimsche legerscharen stuitten. Men kwam tot grenzen, waar

de geboden weerstand niet zoo dadelijk te breken viel, en het genot van

het verkregene verslapte de energie. De veroveringsdaden der eerste

geslachten werden toen in de verbeelding der lateren geïdealiseerd,

gereinigd van hetgeen ze ontsierde, en de theorie harer gewenschte

voortzetting werd uitgewerkt, in te meer casuïstische bijzonderheden,

naar mate de toepassing verder buiten de sfeer van het mogelijke

kwam te vallen. Het oorlogsrecht kenmerkte zich door een streng

in-het-oog-houden van het doel: uitbreiding van den waren godsdienst

of anders toch van het gezag zijner vertegenwoordigers, en verder

door het vermijden van alle wreedheid in de keuze der middelen. Alleen

waar een Mohammedaansch gebied wordt aangevallen door eene ongeloovige

macht, daar wordt aan de geheele bevolking de plicht der verdediging

opgelegd. Offensief optreden is slechts dan gerechtvaardigd,

wanneer het bevel ertoe en de regeling ervan uitgaan van een erkend

staatshoofd. Waar ongeloovigen erin slagen, eene Moslimsche bevolking

te onderwerpen, moet deze niet in een toestand van ondergeschiktheid

berusten, maar de eerste gelegenheid aangrijpen om òf het juk af te

schudden òf te emigreeren naar een zelfstandig Moslimsch land, zoowel

om het gevaar, waarmêe het eigen geloof bedreigd wordt, af te wenden,

als om de gelederen der geloovigen tot den strijd tegen den vijand,

d. i. de niet-onderworpen andersgeloovigen, te versterken. Al duurt de

onmogelijkheid van afdoend verzet en van emigratie ook eeuwen lang,

toch mag men de daardoor ontstane verhouding van afhankelijkheid van

een niet-Mohammedaansch staatsgezag niet anders dan als voorloopig

en abnormaal aanvaarden.

Middeleeuwsch karakter van dat program.

Het geheele samenstel van wetten, dat volgens den Islâm de verhouding

van geloovigen tot ongeloovigen zou moeten beheerschen, is de meest

consequente uitwerking, die men zich denken kan, van de vermenging

van godsdienst en politiek in haar middeleeuwschen vorm. Dat hij, die

de materieele macht heeft, ook over de geesten dwang uitoefent, geldt

daarbij als volkomen natuurlijk; de mogelijkheid van het samenleven

der belijders van verschillende godsdiensten als gelijkgerechtigde

burgers van éénen staat, acht men uitgesloten. Zoo was het in de

middeleeuwen niet alleen bij de Mohammedanen; vóór en zelfs nog

lang na de reformatie dachten onze voorouders er niet veel anders

over. Het verschil ligt voornamelijk hierin, dat de Islâm al die

middeleeuwsche gedragsregelen in den vorm van eeuwig geldende wetten

heeft vastgelegd, zoodat dus een later geslacht, ook al wijzigt

zich het inzicht, zich niet gemakkelijk ervan emancipeeren kan. Te

moeielijker werd die losmaking, omdat èn de groote menigte èn het gros

der schriftgeleerden zich te steviger aan dat bedenkelijke erfdeel

van het voorgeslacht vastklemden, hoe meer de omstandigheden met de

verwerkelijking van dit gewelddadige program schenen te spotten. Aan

de opvoeding der menigte is nu eenmaal in de landen van den Islâm alle

eeuwen door weinig zorg besteed, en het denkbeeld eener toekomstige

wereldbeheersching was te vleiend voor hare ijdelheid om dit zoo maar

prijs te geven. De wetgeleerden hadden in hunne bekrompenheid geen

deel aan de volheid van het werkelijke leven; angstvallig bewaarden

zij de vormen der oude idealen, zonder zelfs te bemerken, dat de

inhoud eraan ontvloden was. Voor hen gold en geldt de waardeering der

godsdienstvrijheid door intellectueele Turken gelijk mijn vriend van

daarstraks als eene lichtzinnige concessie aan den verdorven tijdgeest.

Wijziging der beschouwing onder vreemden invloed.

Toch ging de beweging der geesten haren gang, in de laatste eeuw met

vaak verrassende snelheid. Juist door de stroefheid der Mohammedaansche

samenleving en de achterlijkheid en corruptheid der Mohammedaansche

staatsbesturen kwam gaandeweg het geheele gebied van den Islâm, in

tegenstelling met zijn zelfbewust program van wereldverovering, onder

den invloed van Europa. Het is al zoover gekomen, dat meer dan 90%

van alle Mohammedanen in wingewesten of protectoraten onder politieke

leiding van Europeesche mogendheden leven, terwijl de zelfstandigheid

van het overblijvende gebied, voornamelijk Turkije, alleen in schijn

gehandhaafd wordt door zekere handigheid in het balanceeren tusschen

de groote mogendheden, die elkander de voogdij betwisten.

Al die aanrakingen tusschen het gebied van den Islâm en

de buitenwereld, die op dit totale verlies zijner politieke

onafhankelijkheid zijn uitgeloopen, danken haar eerste ontstaan aan

de behoefte van Europa aan economische expansie, aan het eigenbelang

dus der volken, die het middeleeuwsche stof wisten af te schudden en de

Mohammedanen in geestelijken en materieelen zin voorbijstreefden. Eerst

later maakte het bekrompen denkbeeld der exploitatie plaats voor

dat der annexatie, straks dat der volle inlijving van de veroverde

landen in dezen zin, dat de bevolking moest worden opgevoed tot

de voor haar bereikbare en gewenschte deelname aan de cultuur der

overheerschers. Dit ging niet ineens; de strijd tusschen het egoïsme

der voogden en hun plichtbesef jegens hunne pupillen is nog in vollen

gang. Maar de Europeesche voogden, zelfs zulke, wien de consequente

toepassing der nieuwere beginselen nog vaak te zwaar valt, schamen

zich nu reeds voor het belijden van een ander bestuursbeginsel

dan dat der zuivere harmonie van alle belangen van twee volken,

waarvan de geschiedenis het eene heeft gesteld onder leiding van het

andere. De Mohammedanen onder direct of indirect Europeesch bestuur

hebben hiervan al veel voordeel gehad, en men mag zeggen, dat zij er

in het algemeen beter aan toe zijn dan hunne geloofsgenooten in de

quasi-zelfstandige staten, waar zij de nadeelen ondervinden zoowel

van een corrupt bestuur als van den wedijver om economische winste

tusschen de groote machthebbers van het Westen. De druk, waaronder

in een land als Turkije de bevolking zucht, heeft evenwel toch ook

de zucht naar geestelijke ontwikkeling geprikkeld; de Jong-Turksche

beweging der laatste jaren getuigt er luide van.

In de hooger ontwikkelde kringen van alle Mohammedaansche landen is

het besef algemeen geworden, dat de middeleeuwsche vermenging van

godsdienst en politiek, welke het stelsel van den Islâm voor altijd

wilde handhaven, niet van onzen tijd is. Zoozeer zijn de Mohammedanen

in de wereld de staatkundig en maatschappelijk minderen geworden, dat

het denkbeeld eener op hunnen godsdienst gegronde wereldheerschappij

alleen voor de onwetenden iets van zijne bekoring kon behouden. De

overigen schamen zich bijna voor de aanmatiging, die ons uit de leer

van den djihâd tegenklinkt, en geven zich alle moeite om te betoogen,

dat de wet zelve de toepassing ervan beperkt tot omstandigheden,

die zich nu niet meer voordoen.

Chalifaat en Djihâd.

De les der verdraagzaamheid prentte zich het moeielijkst in bij die

volken, die in het politieke glorietijdperk van den Islâm vooraan

gestaan hadden, het allermoeielijkst bij de Turken, die in het

laatste roemtooneel de hoofdrol speelden. Toen in 1258 Bagdad door

de Mongolen verwoest en het daar sedert ruim vijf eeuwen gevestigde

Abbasiedenchalifaat weggeveegd werd, geraakte de Mohammedaansche wereld

niet uit hare voegen, zooals geschied zou zijn, indien dat chalifaat

nog iets met de centrale leiding van de gemeenschap der Mohammedanen te

maken gehad had. Inderdaad had dit vorstenhuis al drie en een halve

eeuw op den flauwen naglans van zijn kortstondigen roem geleefd,

en dat het in dien tijd niet door een der vele machtige soeltans

verdrongen werd, dat dankte het voor een goed deel juist aan zijne

practische onbeduidendheid. Zóó onbeduidend waren de naamchaliefen

geworden, dat Europeesche schrijvers zich soms hebben laten verleiden,

hen als eene soort van kerkvorsten van den Islâm voor te stellen,

die willens of onwillens hun wereldlijk gezag aan de vele landvorsten

van het wijde gebied van den Islâm hadden overgedragen. De totale

afwezigheid van wereldlijk gezag scheen hun, in verband met den

toch vaak gebleken eerbied des Moslims voor het chalifaat, alleen

bij de onderstelling van een geestelijk gezag, van eene soort van

Mohammedaansch pausdom denkbaar. Toch heeft zoo iets nooit bestaan,

en de Islâm, die priesters noch sacramenten kent, zou er ook geen

plaats voor gehad hebben. De menigte had daar, gelijk elders,

de legende liever dan de werkelijkheid: zij dacht zich den over de

gansche Moslimsche gemeente wakenden opvolger van den Profeet, zooals

die in de eerste twee eeuwen na de Hidjrah volgens de historische

overlevering werkelijk had bestaan, als voortbestaande, lang nadat

het instituut van het chalifaat in de politieke ontaarding van den

Islâm was ondergegaan. Maar niet als paus stelde zij zich hem voor,

neen als opperregeerder, vooral als amier al-moe'minien, aanvoerder

van de legerscharen van den Islâm, die eenmaal de heele wereld voor

zijn gezag zouden doen buigen.

De chalief, de stedehouder van den Gezant van Allah, en de djihâd,

de heilige oorlog tegen de gansche wereld buiten den Islâm: aan deze

beide namen was onafscheidelijk de herinnering van die schitterende

tweehonderd jaren verbonden, waarin de loop der gebeurtenissen aan de

pretensie van wereldverovering door het Mohammedanisme gelijk scheen

te geven. Wat in de werkelijkheid onderging, bleef in de legende

voortleven; de vereering der schimchaliefen van Bagdad maakte het voor

vele Mohammedanen gemakkelijker, de verijdeling van hun staatkundig

ideaal te vergeten.

Het chalifaat der Turksche soeltans.

Toen Bagdad gevallen en een groot deel der Abbasiedenfamilie uitgemoord

was, bleef dat politieke fetisisme nog nawerken; de Soeltans van Egypte

trokken er partij van door een der aan den moord ontkomenen in hunne

hoofdplaats de traditie van het schijnchalifaat te doen voortzetten

en zoo den indruk te vestigen, dat hun gebied nu het middelpunt

van den Islâm geworden was. Maar deze schaduw van een schaduw

moest geheel verbleeken, toen de zon der Osmanen hare middaghoogte

bereikte. Onder hunne leiding deed de Islâm zijne laatste poging om,

wel niet de wereld te onderwerpen, maar toch eene wereldmacht van

den eersten rang te worden. Hun gelukte het, Constantinopel (1452) te

veroveren, waaraan de grootste Moslimsche vorsten van voorheen hunne

krachten vergeefs hadden beproefd. Toen zij nu in 1517 Egypte, en in

het gevolg daarvan ook de provincie der heilige steden van Arabië,

Mekka en Medina, onderworpen hadden, vonden zij zich sterk genoeg om

te pogen, de traditie van het werkelijke chalifaat te doen herleven

of althans de rol van feties zelf op zich te nemen. Hiervan weerhield

hen zelfs niet het uitdrukkelijke voorschrift der wet, dat afstamming

van den edelen Arabischen stam van Qoraisj als vereischte stelt aan

hem, die het chalifaat zal bekleeden. Drogredenen van gedienstige

wetgeleerden hielpen hun om dit bezwaar ter zijde te stellen, en de

menigte verzette zich tegen deze kunstgrepen niet, nu de droombeelden,

die zij met het chalifaat verbond, werkelijkheid schenen te worden. Wie

Klein-Azië, Syrië, Egypte, West-Arabië en Mesopotamië beheerschte, het

Byzantijnsche rijk veroverd had, en door een groot deel van Europa als

een geduchte vijand beschouwd werd, mocht gerust zijn zwaard als feties

in de plaats stellen van den krachteloozen stamboom der Abbasieden.

Het aldus herboren chalifaat miste derhalve traditioneele kenmerken

van beteekenis, en het kon ook in andere opzichten niet als de

regelmatige voortzetting van het oude beschouwd worden. Van de oudste

Mohammedaansche landen bleven verscheidene geheel buiten de Turksche

invloedssfeer; en dat niet alleen zulke, waar zooals in Perzië eene

aan de Turken vijandige dynastie de vaan der ketterij ontplooide,

maar bovendien volkomen orthodoxe rijken in Centraal-Azië, in Indië,

in Noordwest-Afrika, waar het Turksche zwaard geene gelegenheid vond

zich te doen gelden. In Marokko werd zelfs het Turksche chalifaat

rechtstreeks verloochend doordien de locale vorsten, afstammelingen van

den Profeet, zelf den hoogsten titel aannemen. Elders weer ontstonden

gelijktijdig met of na de opkomst der Osmanen nieuwe Mohammedaansche

rijken, die nooit met eenig werkelijk of vermeend politiek centrum

van den Islâm in contact gekomen zijn; zoo in het Verre Oosten van

Azië en in Centraal-Afrika.

Beteekenis van den chaliefentitel voor de Osmanen.

De aanmatiging van den chaliefentitel door de Osmanen-soeltans

had inderdaad slechts deze beteekenis, dat zij in hunne politieke

glansperiode zoo ondubbelzinnig mogelijk vastgesteld wilden zien, dat

geen ander Moslimsch vorst zich in beteekenis met hen kon meten. Dit

kon niet doelmatiger geschieden dan door de toevoeging aan al hunne

wijdsche Turksche en Perzische titels van den naam van het hoogste

ambt, dat ooit in den Islâm bestaan had. Aan hunne macht heeft die

eeretitel van chalief nooit iets toegedaan; zij beheerschten alleen

hetgeen hunne legers veroverd hadden en oefenden buiten dat gebied

niet den minsten invloed.

Het Turksche zwaard verloor weldra veel van zijne scherpte; lang

vóórdat de politiek der Europeesche groote mogendheden het eene

stuk na het andere van het Osmanenrijk afknabbelde, hadden zich

verscheidene provinciën tot zelfstandige leenrijken onder erfelijke

dynastiën ontwikkeld. Sedert Turkije, in zijn politiek gedrag geheel

van niet-Mohammedaansche mogendheden afhankelijk, nog slechts ongeveer

5% van de Mohammedanen der wereld zijne onderdanen noemt, zou het

hoogst belachelijk klinken, den soeltan van dat rijk "Stedehouder van

den Gezant Gods, Opperbevelhebber der Geloovigen" te hooren noemen,

indien men niet ook buiten Turkije aan veel traditioneele dwaasheid

in vorstelijke titels gewoon was.

Panislamitisch streven van Abdoelhamied.

Juist in de laatste eeuw is het aan de Turken door een samenloop van

omstandigheden soms gelukt, uit dien met twijfelachtig recht gevoerden,

zinledig geworden titel wat kleine munt te slaan.

De duizendvoudig vermeerderde verkeersmiddelen hebben ook

Mohammedaansche volken, die vroeger elkanders bestaan niet of

nauwelijks kenden, met elkaar in aanraking gebracht. De ongeveer

230 millioen Moslims, die onder niet-Moslimsch bestuur leven,

beschikken meerendeels niet over genoeg historisch geheugen om te

begrijpen, dat de bestuursverandering voor hen eene verbetering

geweest is. Het politieke verleden van den Islâm zien zij enkel door

den sluier der legende, en wanneer het heden hun tot grieven en

bezwaren stof biedt--en waar ontbreken die?--, dan zijn zij licht

geneigd te gelooven, dat al die klachten verholpen zouden zijn,

wanneer slechts de Heer der Geloovigen zich met hunne belangen kon

bemoeien. Van het wanbestuur, waaronder de werkelijke onderdanen des

Soeltans van Turkije zuchten, hooren zij weinig en ondervinden zij

niets. En de Soeltan, die het in dit opzicht het ergst gemaakt heeft,

totdat hij in 1909 door zijne onderdanen afgezet en verbannen werd,

heeft met meer ijver en met meer succes dan een zijner voorgangers aan

de verbreiding der valsche droombeelden omtrent het Chalifaat onder de

Mohammedanen gewerkt. Zijne listige, maar kortzichtige politiek, die

zijn eigen rijk steeds nader bij den ondergang bracht, zocht troost

voor menigen tegenslag in panislamitische intrigues, op touw gezet

door gewetenlooze, maar meestal onkundige en onhandige handlangers,

die aan de goedgeloovigen een ideaal chaliefenbeeld vertoonden en

beweerden, dat dit het welgelijkend portret van Abdoelhamied was.

Geene organisatie van het panislamisme.

Men heeft vaak gesproken van eene organisatie van het panislamisme

onder leiding van Abdoelhamied. Ten onrechte. In 1897 heb ik, naar

aanleiding van eenige vuile, in het geheim verspreide pamfletten,

die de intiemste raadgevers van den Soeltan in hun wedijver om diens

gunst tegen elkander losgelaten hadden, gepoogd een beeld te geven

van de geestelijke atmosfeer, waarin die despoot leefde [2], en toen

ik in 1908 de eerste twee maanden der revolutie te Constantinopel

bijwoonde, vond ik van de juistheid van dat beeld de volle bevestiging

[3]. Die bende van bekrompen kuipers was allerminst geschikt om eene

ernstige internationale beweging te leiden. Zij exploiteerden de met

enkele Mohammedanen van aanzien uit niet-Turksch gebied aangeknoopte

betrekkingen tot verhooging van eigen aanzien en voordeel, zonder

werkelijk nut voor de wederopwekking van het doode chalifaat. De

vestiging van eenige Turksche consulaten in Mohammedaansche landen

onder Europeesch bestuur trof evenmin doel. Men vergat gewoonlijk

den consuls hunne tractementen uit te betalen; de consuls kenden niet

eens de talen der bevolkingen, waaronder zij leefden, en deden geen

moeite om ze te leeren. Hunne meestal zeer "vrijzinnige" levenswijze

diende niet om het respect voor hunnen zender te verhoogen.

Het panislamisme kan nu eenmaal niet met een ander program werken

dan met het versletene, voor verwezenlijking onvatbaar geblekene

der wereldverovering door den Islâm en dit heeft op de verstandige

belijders van den Islâm geen vat meer, terwijl het onder de domme

menigte, die nog voor de bekoring van den strijd tegen alle kafirs

vatbaar is, alleen verwarring en onrust stichten kan. Het kan hoogstens

plaatselijke stoornis verwekken, nooit in eenigen zin opbouwend werken.

De chalief geen kerkvorst.

Denkelijk zonder het te bedoelen hebben sommige Europeesche

staatslieden en schrijvers aan de panislamitische gedachte zekeren

steun gegeven door hunne op volslagen misverstand berustende

beschouwing van het chalifaat als eene soort van Mohammedaansch

pausdom. Vooral in Engeland vond die voorstelling aanhangers in den

tijd, toen dit land nog gold als de beschermer van den Turk tegen van

Rusland dreigend gevaar. Men achtte het nuttig, de Britsch-Indische

Moslims te doen gelooven, dat de Britsche Regeering met hunnen

kerkvorst op voet van intieme vriendschap leefde. Turksche staatslieden

maakten van deze dwaling een handig gebruik. De ware leer van het

chalifaat met zijne taak van vereeniging aller geloovigen onder zijne

vaan om dan den strijd tegen alle kafirs aan te binden, konden zij

natuurlijk tegenover hunne Europeesche vrienden niet belijden. Des

te meer verheugde het hen, te zien, dat dezen zich van dat instituut

eene weliswaar valsche, maar juist daarom voor niet-Mohammedanen

aannemelijke voorstelling vormden. Zij wachtten zich er wel voor,

deze te verbeteren, want het was hun genoeg, zich tegenover hunne

geloofsgenooten erop te kunnen beroepen, dat de pretensie der Osmanen

op het chalifaat zelfs bij niet-Mohammedaansche groote mogendheden

wel erkenning vond.

De Turksche omwenteling en het panislamisme.

Al was het panislamisme niet georganiseerd, het stelde zich niettemin

dikwijls in Mohammedaansch gebied onder Europeesch bestuur aan de

normale ontwikkeling eener voor beide partijen gewenschte verhouding

tusschen bestuurders en bestuurden in den weg; speculeerend op alle

vormen van ontevredenheid, werkte het heimelijk als vredeverstoorder,

zonder dat de gewekte of geprikkelde tweedracht eenig uitzicht op

verbetering kon openen.

Bij alle Europeesche mogendheden moest het als een welkom gevolg van

de revolutie van 1908 begroet worden, dat de Jong-Turken, die het

herstel der constitutie afdwongen, met de middeleeuwsche vermenging

van godsdienst en politiek wilden breken. De handhaving van den

Islâm als staatsgodsdienst was hunnerzijds eene concessie aan de

oude overlevering, die aan de volkomen gelijkstelling der belijders

van alle godsdiensten als burgers van het Turksche rijk niet tekort

mocht doen. Het herboren Turkije moest een moderne rechtsstaat zijn

in den vollen zin des woords. Voor chalifaat en djihâd was in zulk

eenen staat geene plaats. Turken en Arabieren, Grieken, Armeniërs,

Joden, en wie nog verder onder de Halve Maan samenleefden, moesten in

vrijheid, gelijkheid en broederschap samenwerken om Jong-Turkije tot

eenen in het internationale leven geëerbiedigden staat te maken. Met de

onder niet-Mohammedaansch bestuur levende geloofsgenooten der Turken

zou het Osmanenrijk zich geene bemoeienis aanmatigen. Hoogstens

zou de regeering, ingeval dezulken over miskenning hunner rechten

te klagen hadden, wellicht vertoogen doen hooren van dezelfde soort

als die Christelijke mogendheden zoo vaak tot Turkije gericht hadden

naar aanleiding van vermeende verdrukking van Christenvolken onder

Turksch bestuur.

Weldra bleken deze idealen vooralsnog veel te hoog gegrepen. De

hebzucht der Europeesche mogendheden gunde aan Jong-Turkije niet

de voor inwendige hervorming noodige rust. Op de geestdriftvolle

harmonie van de eerste dagen der verlossing uit de klauwen van het

despotisme volgde spoedig de herleving van den ouden binnenlandschen

strijd, nu niet meer door gemeenschappelijke vrees voor den tyran

in toom gehouden. Het Comité van Eenheid en Vooruitgang, dat voor

of achter de schermen de zaken leidde, zag zich genoopt, eensdeels

de gehate bestuursmiddelen van het despotisme weer aan te wenden,

anderdeels ten koste van zijn eigen program vele concessies te doen,

ook aan de Moslimsche orthodoxie en aan het geloof en bijgeloof der

menigte. De feties van het chalifaat moest weer uit het museum van

oudheden, waarin men het voorloopig had opgeborgen, voor den dag

gehaald worden. Wat het daarmêe eng verbonden denkbeeld van djihâd

betreft, de Europeesche mogendheden zorgden ervoor, dat dit niet

vergeten werd. Turkije werd voortdurend tot djihâd gedwongen.

Djihâd en heilige oorlog.

Wanneer wij het woord djihâd door "heilige oorlog" weergeven,

dan geschiedt dit met recht, in zooverre zulk een strijd voor de

Mohammedanen, die hem voeren, een heilig, een godsdienstig karakter

heeft. Maar men vergist zich, als men zich voorstelt, dat daarnevens

iets als een onheilige of profane oorlog zou bestaan. De Islâm kent,

afgezien van de als een politiemaatregel te beschouwen aanwending van

het leger tot bedwinging van opstand tegen het wettig gezag, geen

anderen oorlog dan den djihâd, en geen ander doel van den djihâd

dan de verdediging der belangen van den Islâm tegen aanranding

door niet-Mohammedanen of de uitbreiding van het gebied van den

Islâm ten koste van de Dâr al-Harb, het gebied der ongeloovigen. De

oorlogen, die Turkije onder Abdoel-Hamied tegen Rusland en tegen

Griekenland te voeren had, zijn door Turken en Arabieren nooit

anders dan djihâd genoemd, al was men voorzichtig genoeg om het

gebruik dier middeleeuwsch-fanatieke benaming in het verkeer met

Europeanen te vermijden. Hetzelfde geldt van den oorlog met Italië

om Tripoli en van dien met de Balkanstaten. Voor de Mohammedanen,

die op de oude wijze voortgaan, godsdienst en politiek te vermengen,

bestaat geen andere oorlog dan godsdienstoorlog. Dat er een bijzonder

edict van den Soeltan-Chalief noodig zou zijn om eenen oorlog van

Turkije tot djihâd te stempelen, is alweer eene dier belachelijke

wanvoorstellingen omtrent Mohammedaansche zaken, zooals er zoovele

in Europa tot gangbare munt zijn geworden. De Turken plegen zulke

domheden niet te bestrijden, maar zich in den omgang met Europeanen

erbij aan te sluiten, als hun belang dit medebrengt. Voor geen Moslim

ter wereld heeft echter, wanneer Turkije in een oorlog gewikkeld

is, de vraag, of de Soeltan den heiligen oorlog heeft afgekondigd,

een redelijken zin. Dit alles behoort men wel te bedenken, wil men

de politieke gebeurtenissen der laatste dagen, voor zoover Turkije

daarbij betrokken is, recht verstaan.

Duitsche vlugschriften over de houding van Turkije. Hugo Grothe.

Er zijn over die gebeurtenissen in Duitschland vlugschriften

verschenen, die in sommige opzichten ook buiten Duitschland wel

eenige aandacht verdienen. "Deutschland, die Türkei und der Islâm"

heet het geschrift van Hugo Grothe, die op economisch gebied als

competent geldt, en wiens vroegere werken de resultaten mededeelen

van zijne onderzoekingsreizen in Europeesch en Aziatisch Turkije, in

Perzië en Tripolitanië. Deze brochure maakt deel uit van eene reeks

"Zwischen Krieg und Frieden", onder redactie van Irmer, Lamprecht

en von Liszt, politieke opstellen voor het groote publiek; onder de

medewerkers komt Fürst von Bülow voor.

Misverstand bij Grothe.

Waar Grothe het gebied der economische politiek verlaat, toont

hij zich dadelijk vreemdeling. Het politieke Islâmvraagstuk staat

hem bijv. niet duidelijk voor den geest. Het chalifaat noemt hij

de wereldlijke vertegenwoordiging van de godsdienstige gemeenschap

der Mohammedanen, eene wel wat flauwe uitdrukking van het denkbeeld,

dat alle Mohammedanen in politieken zin rechtens onderdanen van den

chalief zijn, die evenwel in de uitoefening zijner bestuursrechten ten

aanzien van tegenwoordig 95% dier onderdanen verhinderd wordt door

ongeloovige vorsten, wier gezag uit zijnen aard onwettig is. Maar

nu citeert Grothe op eene andere bladzijde uit eene 8 Augustus door

den Keizerlijken Gouverneur van Kameroen aan de Inlandsche bevolking

gerichte proclamatie deze woorden: "Uns hilft ferner der Sultan in

Stambul, der in Glaubenssachen der Oberherr aller Mohammedaner ist",

en wel verre van de noodige correctie aan te brengen, noemt hij dezen

officieelen onzin "von Interesse". Grothe's voorstelling, dat in het

begin van den tegenwoordigen oorlog de "djihâd van Duitschland" het

onderwerp van besprekingen en gebeden in de moskeeën van Turkije was,

behoort wellicht tot de dichterlijke inkleeding, want wél vertalen wij

djihâd ongeveer juist door "heilige oorlog", maar óns "heilige oorlog",

zooals dat thans door iedere krijgvoerende partij op haar eigen strijd

wordt toegepast, wordt geenszins door het Arabisch-Mohammedaansche

djihâd weergegeven. Waar ouderwetsch vrome Mohammedanen dezen oorlog

in het gebed gedenken, daar zal het gebed ongeveer aldus luiden:

"Wij danken U, Allah, dat Gij de legerscharen des Duivels tegen

zichzelve verdeeld hebt en dat Uw almacht sommigen hunner dwingt,

de verdedigers van den Islâm met hunne wapenen en hunne mannen te

steunen. Schik dit alles, o Heer, tot eene nabijzijnde zegepraal der

geloovigen en tot ondergang van allen, die ongehoorzaam zijn aan U en

Uwen Gezant." Zóó en zoo alleen is de opvatting van zúlke Moslims,

die door de geschiedenis nog niet genoeg ontnuchterd zijn om het

inzicht te deelen van den Turk, wiens woorden ik in den aanhef van

dit opstel citeerde.

Betrekkingen tusschen Duitschland en Turkije.

Dichterlijke inkleeding van Grothe is het ook, wanneer hij een te

Konia, Bundur en Sparta waargenomen aardbeving laat medewerken om

de Turken te brengen tot het juiste inzicht in de beteekenis der

catastrophe, die wij beleven; inkleeding, wanneer hij op zijne reizen

Turken, Arabieren, Koerden en Anatoliërs steeds hoort getuigen van

hunne sympathie voor Duitschland en denkbeelden over de politiek

van den dag hoort uiten, die ook geen haarbreed van die van Grothe

afwijken. Hoort uiten in talen, waarvan hij niets verstaat, want de

twee Turksche uitdrukkingen, die Grothe te pas brengt, zijn in strijd

met het idioom [4].

Dichter blijven wij bij de aarde, wanneer wij Grothe volgen in

zijn overzicht van de economisch-politieke betrekkingen tusschen

Turkije en Duitschland, zooals die zich sedert 1880 ontwikkeld

hebben. Duitschland, zegt hij, is door een samenloop van ongunstige

omstandigheden erg achteraan gekomen in het deelnemen aan den

wedstrijd der Europeesche mogendheden om de economische en commercieele

voordelen, die in het gebied van Turkije te behalen zijn. Eigenlijk

zette de gunstige keer pas in met de concessie van den Anatolischen

spoorweg aan een Duitsch syndicaat (1888), waarop later die van den

Bagdadspoorweg volgde. Van de snelheid der beweging krijgt men eenige

voorstelling door de cijfers van in- en uitvoerhandel tezamen tusschen

Duitschland en Turkije voor 1888: 14 millioen, en voor 1913: 200-250

millioen mark. De concurrentie met Engeland, Frankrijk en Rusland

maakte ook hier eene afbakening der belangensferen voor alle partijen

gewenscht. Vóór den oorlog was het overleg zoo ver gevorderd, dat men

in dit jaar het totstandkomen eener overeenkomst verwachtte, waarbij

Engeland Zuid-Mesopotamië als economisch gebied zou krijgen, Frankrijk

Syrië, Duitschland het gedeelte van Mesopotamië en Klein-Azië, dat

ongeveer begrensd wordt ten Noorden door den 34sten en den 41sten

graad Oosterlengte, en ten Zuiden door den 36sten en den 39sten graad

Noorderbreedte, terwijl het Noorden van Klein-Azië voor spoorwegaanleg

aan eene Fransch-Russische combinatie overgegeven zou worden.

Duitschland de redder van Turkije.

Duitschland zou in die economische invloedssfeer wel een weinig

dankbaar, maar toch lang niet voldaan zijn geweest. Sedert Augustus is

het begonnen, zich heel andere grenzen af te bakenen, altijd voor het

geval, dat zijne gunstige verwachting van de krijgskans niet beschaamd

wordt. Het heeft daartoe, volgens Grothe, het volste recht. Want men

mag als zeker aannemen, dat in het voor Duitschland ongunstige geval

Rusland niet aarzelen zou, het Turksche rijk te vernietigen. Nu

Rusland den voor zijne ontwikkeling noodigen ijsvrijen zeeweg in

het Verre Oosten niet kan vinden zonder conflict met Japan, in de

Perzische Golf niet zonder strijd met Engelsche belangen, staat het

voor het Tsarenrijk meer dan ooit vast, dat het Constantinopel moet

bezitten. Engeland, dat zich vroeger steeds hiertegen verzet heeft,

zou thans daartoe medewerken; het zou daarvoor Mesopotamië en Arabië

als zijn gebied mogen beschouwen.

Alleen Duitschland kan Turkije redden, en het heeft daarbij

een reusachtig belang, want alleen het behoud van de volkomen

integriteit van het rijk der Osmanen maakt het voor Duitschland

mogelijk, zijne daar verkregen economische positie te beschermen en

te verhoogen. Bovendien is Duitschland onder de groote mogendheden,

waarmee Turkije te rekenen heeft, de eenige, die geen duimbreed van

dit land zou willen, of zelfs zou kunnen annexeeren. Duitschlands

geographische ligging zou het verhinderen, zulk bezit afdoende tegen

aanvallen te verdedigen en er profijt van te trekken. Daarom is

Duitschland gedurende de kwarteeuw van zijne intieme relaties met

Turkije altijd de eenige betrouwbare vriend van het rijk van den

Soeltan-Chalief geweest. Er bestaat tusschen beide landen, buiten

alle gevoelsquaesties, eene in den aard der zaken gegronde gemeenschap

van belangen, terwijl de belangen van alle andere groote mogendheden

slechts ten koste van Turkije's welzijn, ja eindelijk van zijn bestaan,

te bevorderen zijn.

Turkije heeft dit niet altijd ten volle zoo ingezien; er viel een zeker

wantrouwen te overwinnen, gekweekt door de oneerlijke concurrentie van

Duitschlands benijders en deels ook bevorderd door Duitschlands vaak

te zwakke politiek. Maar nu zijn den Jong-Turken, die het roer van

den staat in handen hebben, de schellen van de oogen gevallen. Men

schijnt te Constantinopel nog slechts op Duitsche overwinningen

in Noord-Frankrijk en Galicië te wachten--Grothe schreef vóór de

Turksche oorlogsverklaring--om zich met Duitschland en Oostenrijk

tegen de Verbonden Mogendheden te vereenigen. Het Turksche leger, dat

reeds zooveel voor zijne organisatie aan Duitsche leering en leiding

te danken heeft, zal, om zijne taak te volbrengen, groote behoefte

hebben aan Duitsche hulp en steun, maar dan zal het ook een niet te

versmaden medewerker zijn. Dit laatste vooral, indien de Chalief den

"grooten heiligen oorlog", den djihâd afkondigt.

De door Grothe gewenschte djihâd.

Hier raakt nu Grothe te eenen male de kluts kwijt, daar hij niet

weet, dat elke door Turkije gevoerde oorlog voor Mohammedanen van den

ouden stempel, die de intellectueele beweging van het Mohammedaansche

Oosten der laatste jaren niet medegemaakt hebben, een djihâd is. De

vraag is voor dezulken niet: "djihâd of profane oorlog?" maar: "aan

wien wordt door Turkije de djihâd verklaard?" En dan, gesteld, dat

het antwoord luidt, zooals Grothe zich dat voorstelt, namelijk djihâd

"tegen alle mogendheden, die Mohammedaansche landen hebben opgeslokt en

den Islâm aldus van zijnen glans hebben beroofd," dan blijft de vraag,

of inderdaad, zooals Grothe hoopt en verwacht, de Mohammedaansche

volken onder Europeesch bestuur zóózeer onder de betoovering van de

namens Soeltan Mehmed Resjâd gedane oproeping tot den krijg zullen

komen, dat zij hunne meesters "hier heimlich und verschlagen, dort mit

fanatischer Kühnheit" op het lijf zullen vallen. Grothe ziet in zijne

verbeelding reeds, hoe "der so aufgerollte Glaubenskrieg"--zoo noemt

hij het zonder omwegen--voor Engeland "den Niedergang seiner Grösse"

beteekenen zal.

De fetwa over den heiligen oorlog.

Wij weten, dat Turkije op dit oogenblik bezig is, de door Grothe

en zijne geestverwanten aanbevolen proef te nemen met zulk eenen

godsdienstoorlog. De hoogste wetgeleerde autoriteit te Constantinopel,

de Sjeich oel-Islâm, die sedert de revolutie van 1908 steeds een

creatuur en een werktuig is van het Jong-Turksche Comité, heeft

met "Ja" geantwoord op eene reeks van vragen, die hem voorgelegd

zijn door den onbeduidenden opvolger van Abdoel-Hamied, met wien de

leiders van het Jong-Turksche Comité alles doen, wat zij willen. In

werkelijkheid vormen die vragen en antwoorden [5] samen eenvoudig

eene proclamatie van Enver en Talaät, de leidende Comité-ministers,

en doen de vrager (de Soeltan) en degene, die het antwoord geeft

(de Sjeich oel-Islâm), daarbij den dienst van marionetten. Die

proclamatie van de mannen van het Comité van Eenheid en Vooruitgang

(waarmeê N.B. oorspronkelijk de eenheid der verschillende naties onder

de Halve Maan en haar vooruitgang als moderne staat bedoeld werden)

komt hierop neer, dat, wanneer de Vorst aller Mohammedanen den heiligen

oorlog verklaart aan den vijanden van den Islâm, die de landen van den

Islâm plunderen, en de bevolking dier landen slachten of tot slaven

maken, het de plicht van alle Mohammedanen in de wereld is, met goed

en bloed aan dien oorlog deel te nemen, dat dus inzonderheid ook de

Mohammedaansche onderdanen van Frankrijk, Rusland en Engeland tot

zulke deelname verplicht zijn, dat zij, die dezen plicht verzuimen

en den strijd vermijden, zich den toorn Gods op den hals halen, dat

echter Mohammedanen, die onder het bestuur der genoemde mogendheden

of hunner bondgenooten leven en met dezen samen oorlog voeren tegen

Duitschland en Oostenrijk, de helpers van Turkije, eene groote

zonde begaan, die zeker Gods toorn medebrengt. Deze kennisgeving

van hetgeen de Goddelijke wet volgens den rijksuitlegger derzelve in

hare toepassing op den politieken toestand van het oogenblik leert,

diende als grondslag voor een op 12 November uitgegeven manifest van

den Soeltan tot leger en vloot.

Het manifest van den Soeltan.

Dit manifest stelt voorop, dat Rusland, met Engeland en Frankrijk,

de vijandelijkheden begonnen is, dat Turkije dus tot het opvatten

der wapenen gedwongen werd, dat Rusland trouwens reeds drie eeuwen

lang geene gelegenheid ongebruikt liet om Turkije te benadeelen,

dat millioenen Mohammedanen onder het tyrannieke bestuur der genoemde

mogendheden zuchten, dat daarom de heilige oorlog verklaard is, van

welks uitslag niet alleen het welzijn van het Turksche rijk, maar

ook het leven en de toekomst van 300 millioenen Mohammedanen--deze

schatting is overgenomen uit de rede, die de Duitsche Keizer in 1898

bij het graf van Saladijn te Damascus hield; de bevolking schijnt dus

in de sedert verloopen 16 jaren niet toegenomen te zijn--afhangen. De

genade van Allah en de bijstand van den Profeet zullen de in de

samenwerking met Duitschland en Oostenrijk ondernomen bestrijding

van de vijanden van den Islâm tot overwinning voeren.

De groote demonstratie.

Constantinopel zou Constantinopel niet zijn, wanneer deze extravagante

uitingen van het Comité niet gevolgd waren door eene betooging, eene

numâjesj. Toen ik in 1908 de eerste twee maanden der door militairen

onder leiding van het Comité bewerkte revolutie bijwoonde, ging er

geen dag voorbij zonder een aantal van die numâjesj; menschenmassa's,

die achter een paar vlaggen met "Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap"

aanholden, bij sommige publieke gebouwen of woningen van autoriteiten

halt hielden en daar redevoeringen toejuichten, waarvan niemand

iets verstaan kon. Vroeg men aan de toejuichers, waarom het ging,

dan kreeg men ten antwoord: "revolutie, vrijheid, de politie is

immers afgeschaft" en dergelijke. Zoo hebben ook nu de Comitémannen

de bevolking op 14 November gedurende acht volle uren op een numâjesj

onthaald.

In de moskee van Mehmed den Veroveraar, die herinnert aan de grootste

overwinning der Turken op het Christendom, de verovering van Byzantium

in 1452, werden de hierboven geresumeerde vragen en antwoorden

voorgelezen, de fetwa dus over den heiligen oorlog. Gebeden werden

uitgesproken, lange toespraken gehouden, aan het gejuich kwam geen

eind. De stoet trok door de voornaamste wijken der stad, maakte zijne

opwachting bij den Groot-Wezier en den Soeltan, en..... demonstreerde

voor de Duitsche en Oostenrijksche gezantschappen. Nazim-bey en

Moechtar-bey, trouwe Comité-mannen, complimenteerden respectievelijk

den Duitschen en den Oostenrijkschen Gezant, en hunne redevoeringen

werden door de ambassadeurs beantwoord. De in de Duitsche ambassade

gewisselde toespraken zouden door Dr. Grothe niet anders zijn

opgesteld. De Duitsche Gezant sprak namelijk niet alleen van

Duitschland en Turkije, maar van hun gemeenschappelijken strijd

voor het wezenlijk heil der Mohammedaansche wereld, van de Duitsche

vriendschap voor het Osmanenrijk, maar vooral voor de belijders van

den Islâm, welke allen na de overwinning der Duitsche en Turksche

wapenen eene schitterende toekomst tegemoet gaan. De Oostenrijksche

Gezant is iets voorzichtiger en minder Mohammedaansch geweest in zijn

antwoord en heeft alleen gesproken van den heiligen oorlog, dien het

Osmanenrijk gezamenlijk met Oostenrijk voerde, en van de sympathie,

die Oostenrijk met Turkije verbond. Maar de geheele vertooning heeft

toch op die Mohammedanen, die niet als wij daarbij bovenal aan eene

Offenbach-operette herinnerd werden, zoo eenigen, dan alleen dezen

indruk kunnen maken, dat Duitschland en Oostenrijk zich in dienst van

Turkije gesteld hadden voor het voeren van een djihâd, want uit eigen

hoofde kan van de drie alleen Turkije in djihâd gewikkeld zijn. Eenen

oorlog tusschen kafirs onderling met den naam djihâd te bestempelen,

is voor goede Mohammedanen godlasterlijk of bespottelijk.

Becker's voorstelling der zaak.

Grothe heeft dus niet alleen waar hij de economisch-politieke

betrekkingen van Duitschland in het naaste verleden en in de toekomst

besprak, maar ook waar hij over het opwekken van het sluimerende

Mohammedaansche fanatisme in het belang van Duitschland handelde, het

gevoelen van heerschende kringen in zijn vaderland weergegeven. Dit

maakt het mij iets minder onverklaarbaar, dat ook mijn waarde

vakgenoot, Prof. C. H. Becker te Bonn, die tot vóór korten tijd

de Islâmwetenschap aan het Kolonial Institut te Hamburg met eere

vertegenwoordigde, in den onwaarschijnlijken djihâd-roes, die thans

de Duitsche politici schijnt te bezielen, is medegesleept. Zijn

vlugschrift "Deutschland und der Islâm" [6] ademt denzelfden geest

als dat van Grothe, al onderscheidt het zich gunstig hiervan door meer

bezadigden toon en vooral, het spreekt wel vanzelf, door kennis van den

Islâm. Becker vult verder Grothe's toekomstbeeld van de betrekkingen

tusschen Duitschland en Turkije belangrijk aan door in zijn program van

de bescherming der integriteit van Turkije op te nemen de militaire

en politieke wedergeboorte van het rijk der Halve Maan, zóó dat het

herschapen worde in een modernen rechtsstaat met een eerbiedwekkend

leger. Niet alleen Duitsche fabrikaten en kapitaal, neen ook Duitsche

geest moet in Turkije gaan werken. Dit laatste volgens eene betere

methode dan de door Frankrijk of door Engeland in hunne koloniën

toegepaste: "eine gesunde Volksschulbildung nach modernen Methoden,

aber auf der Basis des überlieferten orientalischen Bildungsinhalts

und getragen von den besten Kräften der islâmischen Religion." Hierop

komen wij nog terug. Eerst nog een paar opmerkingen in verband met de

voorstelling, die men aan de geschriften van Grothe en Becker samen

ontleenen kan, van de ontwikkeling der politieke harmonie tusschen

Duitschland en Turkije, met terzijdestelling voorloopig van hetgeen

zich met het chalifaat en het Moslimsch fanatisme laat bewerken.

De aard der Duitsche vriendschap voor Turkije.

Het laat zich best begrijpen, dat Duitschland bij de snel aangegroeide

belangen, die het in Turkije heeft verkregen, gaarne de gevaren en de

moeilijkheden, die uit de actie van mededingers kunnen voortspruiten,

tot de kleinste afmetingen teruggebracht zou zien. Even verklaarbaar

is het, dat Turkije op den duur van de concurreerende mogendheden nog

het liefst met Duitschland te doen had, daar bij deze aanraking niet

zoo licht verlies van gebied te vreezen viel. "Op den duur" zeg ik met

voordacht, want er zijn wel oogenblikken geweest, waarop de Soeltan

of het Comité moesten denken: Waar blijft nu de vriendschap? In den

tijd van Abdoel-Hamied uitte zich de Duitsche genegenheid alleen jegens

hem, die alle macht in zich bevatte, maar die thans algemeen beschouwd

wordt als de grootste vijand, dien zijn volk gekend heeft. Van 1888 tot

1908 negeerde Duitschland het Turksche volk, daar het Duitschland niet

van nut kon zijn. Wie den aard van Europeesche politieke vriendschap

een weinig kent, zal zich hierover evenmin verbazen als over Keizer

Wilhelm's geringe belangstelling in het lot van den vroeger zoo

geliefden Abdoel-Hamied, toen deze door het Comité eerst gedwongen

werd, voor vrijheidsvriend te spelen, daarna te verdwijnen.

Wie sedert 1908 gunst of voordeel zocht in Turkije, moest die afdwingen

of afbedelen van het Comité. Dit kon, zooals ook onze Duitsche

schrijvers opmerken, Duitschland niet dadelijk vertrouwen, daar de

vrijzinnige Turken, die vóór de revolutie hun land ontvloden, in

Duitschland geweerd werden ter wille van den bevrienden despoot. Toen

Oostenrijk van de algemeene verwarring na de revolutie gebruik maakte,

eerst om Bulgarije geheel van Turkije te helpen losmaken, daarna om

zelf een stuk Turksch gebied te annexeeren, stak Duitschland geen

vinger uit om zijn bondgenoot van die voor Turkije zoo pijnlijke

amputatie terug te houden. Later nam Italië Tripoli, en Turkije kon

Duitschlands verdienste, de eenige in den driebond te zijn, die niets

wegnam, maar half waardeeren, omdat het de natuurlijke beletselen

van zulk eene toeeigening even goed kende als ieder ander. Waar zulke

beletselen niet bestonden, nam Duitschland even gretig zijn deel als

de anderen, en in Afrika heeft het zelfs twee millioen Mohammedanen

aan zijn gezag onderworpen, een gezag, dat door de betrokkenen toch

niet minder tyranniek gevonden zal worden dan de Britsch-Indische

en Noord-Afrikaansche Mohammedanen volgens Soeltan Mehmed Resjâd en

volgens Becker het Britsche en het Fransche bestuur vinden.

Duitschland en zijne Mohammedanen in Afrika.

Nu moge Becker zeggen: die Mohammedanen hadden wij al toen onze groote

ingenomenheid met Turkije en den Islâm begon, en bovendien tellen

die pikzwarte Moslims zelfs in de oogen van Turken en Arabieren

maar voor half, maar dat is geen ernstig antwoord op de bedenking,

te minder daar de Islâm die geringschatting der negers niet alleen

theoretisch verwerpt, maar ook practisch voor begaafde negers in de

Moslimsche maatschappij alle wegen steeds veel wijder opengestaan

hebben dan in Christelijke landen. Wel heeft Becker de verdrukte

Mohammedanen, die nu door Duitschland geholpen moeten worden, slechts

op 150 millioen begroot, zoodat alleen Rusland, Engeland en Frankrijk

als de verdrukkers gelden, maar de Soeltan heeft in zijn manifest

de volle 300 millioen, waarop de Keizer de Islâmbelijders taxeerde,

als te bevrijden verdrukten aangeduid, en dus bij vergissing de twee

millioen Duitsche onderdanen, en de Moslims onder Oostenrijksch en

Italiaansch gezag, om niet meer te noemen, meegeteld.

In den Balkanoorlog stond Turkije's zelfstandigheid zeker niet minder

ernstig op het spel dan thans vóór de verklaring van den djihâd het

geval was; maar ook toen heeft het van zijn Duitschen vriend weinig

steun ondervonden. Grothe merkt op, dat het moeielijk geweest zou zijn,

in Duitschland voor de Turksche zaak alléén het voor een oorlog noodige

enthousiasme te wekken, terwijl dit nu, waar het tegen de concurrenten:

Engeland en Rusland gaat, zoo gemakkelijk valt. Men zal dan toch moeten

toegeven, dat het effect van de beide bezoeken van Keizer Wilhelm

aan den Soeltan, waarmee volgens Becker en Grothe de welbewuste

Islâmpolitiek van Duitschland werd ingeluid, zich niet geleidelijk

ontwikkeld heeft, dat het lang bijzonder latent is gebleven.

De thans door Duitschland gewenschte verhouding komt neer op het

protectoraat over Turkije.

Al deze herinneringen mogen het ietwat eenzijdig karakter der Duitsche

belangenpolitiek nog duidelijker doen uitkomen dan dit in geschriften

als die van Becker en Grothe al geschiedt, zij nemen de mogelijkheid

niet weg, dat bij de tegenwoordige politieke constellatie Turkije

door het bondgenootschap met Duitschland ook zelf groot gewin kan

erlangen. Maar, stellen wij ons dan die toekomst voor, zooals de

Duitsche schrijvers haar wenschen, dan komt de zaak, naakt ontkleed,

toch hierop neer, dat Turkije, door Duitschland verlost van alle

lastige inmenging van Engeland, Frankrijk en Rusland, komt te

staan onder Duitsche voogdij, dat het met zorgvuldige vermijding

van den naam, zal worden een Duitsch protectoraat. Zijn leger, zijn

bestuur, zijne finantiën, alles zal door Duitschland grondig hervormd

moeten worden. De verhouding zal slechts in vorm verschillen van het

protectoraat van Frankrijk over Marokko of van dat van Britannië over

menig Mohammedaansch vorstendom in Indië. Het heeft in Duitschland,

in kalmere tijden, nooit ontbroken aan warme lofredenaars op de

wijze, waarop Engeland in Indië, Frankrijk in Noord-Afrika hunne

Mohammedanen bestuurden, al ontbrak het natuurlijk ook nooit aan

critiek en aan ergernis, wanneer Duitsche belangen in het gedrang

kwamen. Men sprak van de pax Britannica en van de pax Gallica, die in

de plaats gekomen waren van de vroegere onveiligheid, verwarring en

corruptheid. Zelfs Engelands werk in Egypte werd gewaardeerd, en men

vernam gunstige oordeelvellingen over de Islâmpolitiek van Rusland

in Centraal-Azië. Wij hebben geene reden om van een protectoraat der

Duitschers over Turkije minder gunstige resultaten te verwachten,

ja het zou zelfs kunnen zijn, dat zij vele fouten hunner voorgangers

wisten te vermijden, en dat de uitkomst den Turkschen landen ten zegen

werd. Maar zeer zeker zouden zij ondervinden, dat de dankbaarheid

der Turken ophield, wanneer het volstrekt onvermijdelijke ingrijpen

goed begon, ook al mocht men de voorgenomen geleidelijkheid daarbij

niet uit het oog verliezen.

Duitsche oordeelen over Turkije en den Islâm voorheen en thans:

Marquart, Hartmann, Becker.

Overigens zijn, of waren althans vóór dezen oorlog, de meeningen

van Duitsche deskundigen over Turkije en over den Islâm, met

name over beider vatbaarheid voor hervorming, lang niet algemeen

dezelfde, die thans door Grothe en Becker warm verdedigd worden

[7]. Prof. Jos. Marquart, thans hoogleeraar te Berlijn, spot in

het Vorwort van zijn werk "die Beninsammlung des Reichsmuseums für

Völkerkunde in Leiden" (1913) met "die angebliche Rolle des Islâms als

Kulturträger", en met bijtende ironie spreekt hij van de "Segnungen des

Dschihâd, des zur religiösen Pflicht gemachten Raubmordes auf dem Pfade

Allahs", d. i. dus die plicht, die thans door Duitschland aan Turkije

weer is ingescherpt. Niet alleen in Duitsche zendingskringen werd

de Islâm als de vijand beschouwd, dien men bovenal bestrijden moest,

maar op een Duitsch Kolonialkongress werd de resolutie aangenomen: "Da

von der Ausbreitung des Islam der Entwicklung unserer Kolonien ernste

Gefahr droht, rät der Kolonialkongress zu sorgsamer Beachtung, etc."

Prof. Martin Hartmann, die de Islâm-wetenschap aan het Seminar für

Orientalische Sprachen te Berlijn doceert en wiens vruchtbare pen tal

van lezenswaarde geschriften over den Islâm en over Turkije leverde

[8], wordt niet moede erop te wijzen, dat de Moslims vooral door de

instellingen van den Islâm, die de vrouw veracht en andersdenkenden

verfoeit, van deelname aan de cultuur weerhouden worden. Hij

noemt het chalifaat der Osmanensoeltans eene aanmatiging, die zij

alleen met geringschatting der heilige traditie konden plegen, een

"Agitationsmittel" een "bequemes Mittel, in den Augen der Islamwelt

als eine Art Fetisch zu dienen", zegt, dat "diese Doppelstellung (van

den Soeltan-Chalief) von den Kulturstaaten nie anerkannt worden ist",

en dat het eerlijk opgeven van dien titel Turkije veeleer versterken

dan verzwakken zou. Natuurlijk is ook hij over den heiligen oorlog

niet goed te spreken. Hierover schreef hij opzettelijk, toen het woord

djihâd in den strijd met Italië over Tripoli te berde werd gebracht

door sommige Turken, en gebruikt daarbij deze thans weer actueele

uitdrukking: "...... die Androhung des Heiligen Krieges, d. h. des

Kampfes gegen alle Ungläubigen, ausgenommen die vom Leiter des Islam

der Gemeinde ausdrücklich als Freunde des Islam bezeichneten. Dieser

Gedanke ist Wahnwitz". Daar de zetel van de agitatie toen te Berlijn

was, voegt hij hieraan toe: "Es sei hiermit gewarnt, durch Erregung

des religiösen Fanatismus Unruhe herbeizuführen. Gegen jeden solchen

Versuch werden alle Kulturstaaten einmütig zusammenstehen". Vellen

druks van denzelfden inhoud zou ik kunnen aanhalen; tot slot nog dit

eene: "Der Islâm ist eine Religion Hasses und des Krieges. Es darf

unter keinen Umständen geduldet werden, dass er in einem Staate der

Kulturmenschheit das normgebende Prinzip ist".

Minstens even talrijke uitspraken van denzelfden schrijver zou ik

kunnen citeeren, die den indruk geven, dat de Turken de minst geschikte

natie van het Turkenrijk zijn om iets goeds voor de ontwikkeling van

hun land te doen. Overal, waar het Turkenelement zich aan andere

Mohammedanen met het zwaard opdrong, heeft het "den Kulturbesitz

vernichtet und an kulturellen Werten nichts, absolut nichts

geschaffen". Hun religieuze eigenwaan is nog onverdragelijker dan

hun nationale. De Turken van Constantinopel zijn "ein schauderhaftes

Gesindel", en de "biedere Anatolier" (die ook bij Grothe voorkomt)

een product der legende. En zulk eene minderwaardige natie "will

in dem grossen Reiche von Skutari und Prevesa bis Wan und Basra das

herrschende Element sein!"

Prof. Hartmann heeft een bijzonder levendig temperament, en ik denk

er niet aan, zijne meeningen te onderschrijven of zijne uitdrukkingen

van overdrijving vrij te pleiten. Maar in zaakkennis staat hij verre

boven Grothe, en wat Turkije betreft, ook boven Becker, naast wien hij

de hoofdvertegenwoordiger der Islâm-studie in Duitschland is. Trouwens

Becker zelf heeft zich vroeger, zij het in gematigder vorm en ietwat

anders genuanceerd, over de Islâm-quaestie ongeveer in denzelfden

zin uitgelaten. Becker heeft natuurlijk zelf het eerst den strijd

gevoeld tusschen zijn medeschermen, in zijne jongste geschriften, met

de begrippen chalief en djihâd en zijne in vroegere tijden van rustigen

wetenschappelijken arbeid uitgesproken meeningen. Zelf herhaalt hij de

slotphrase van eene in 1910 door hem te Parijs gehouden voordracht:

"Si la solidarité de l'Islam est un phantôme, la solidarité de la

race blanche est une réalité", maar thans om den indruk dier woorden

te verzwakken, en ze te beperken tot den Islâm der negers in Afrika,

die het hoofdonderwerp zijner rede vormden. Waarschijnlijk heeft

geen der hoorders die beperking begrepen, daar aan de geciteerde

woorden deze onmiddellijk voorafgingen: "de vrees, dat de eene

mogendheid zich met den Islâm zou verbinden om de plannen der andere

te dwarsboomen, schijnt mij niet zeer gegrond". Bovendien had Becker

vroeger, bijv. in 1904 in een artikel over het Panislamisme [9] de

panislamitische gedachte als in strijd met de wezenlijke belangen

van Turkije voorgesteld, "Die Jungtürken hatten gehofft (na den

Russisch-Turkschen oorlog van 1878) durch ihre Reformen gerade

jenes religiöse Moment auszutilgen, das den Sultan in erster Linie

zum Chalifen, zum Vorkämpfer des Islam machte und so eine gesunde

Entwicklung des doch zum grossen Teile aus Christen bestehenden

Otmanischen Reiches ausschloss". En in de Duitsche vertaling [10] der

zooeven genoemde in 1910 te Parijs gehouden voordracht komt nog het

volgende voor: "Das Kalifat des Sultans von Konstantinopel war bis zur

jungtürkischen Revolution der Ausgang der türkischen Islampolitik. Zwar

hat die junge Turkei die Kalifatansprüche nicht aufgegeben, aber wenn

sie sich überhaupt zu einem Verfassungsstaat entwickeln will, wird

sie möglichst wenig Gebrauch davon machen mussen..... Eine starke

Türkei wird selbstverstandlich nie die politische Oberhoheit über

die islamischen Untertanen anderer Mächte beanspruchen....."

Beckers recente wijziging van inzicht. Bezoeken van Keizer Wilhelm

aan Turkije.

In zijne recente brochure "Deutschland und der Islam" erkent trouwens

Becker zijne onlangs tot stand gekomen bekeering en de onjuistheid

van zijn vroeger jarenlang gekoesterd inzicht. Zoowel hij als Grothe

staan uitvoerig stil bij de twee bezoeken (1889 en 1898) van Keizer

Wilhelm aan den Soeltan Abdoel-Hamied, de tweede maal gecombineerd

met hetgeen Grothe noemt "eine politische Pilgerfahrt nach dem

Heiligen Lande". De wereld heeft die bezoeken, waarvan het eerste

een jaar na de verleening der Anatolische spoorwegconcessie, dus

in 1889, plaats greep, beschouwd als overluisterrijke demonstraties

van de industrieele en commercieele belangstelling van Duitschland

in Turkije. De wijze van uitvoering gaf velen, ook in Duitschland,

aanleiding tot schouderophalen. Vooreerst scheen Abdoel-Hamied,

de "bloeddrinkende" tyran, aan wiens misdaden toch reeds de groote

mogendheden min of meer medeplichtig werden door hetgeen Bérard, en

Martin Hartmann met hem, "la conspiration du silence" noemden, een

vreemd gekozen object voor de zóó hartelijke vriendschapsbetuiging,

die als herinnering te Constantinopel eene plompe, volgens deskundigen

met allen kunstsmaak spottende fontein achterliet. Verder was de indruk

van het bezoek op de Moslimsche wereld geenszins de bedoelde. Wel

vond men het merkwaardig, dat de monarch van een machtig Europeesch

rijk den Soeltan tweemaal zijne hulde kwam bewijzen, te meer, dat

men wist, dat geene tegenbezoeken van den Soeltan daarop volgden; de

bezoeker deed zich dus aan de Oostersche voorstelling als den mindere

kennen, en eenvoudige Mohammedaansche zielen, die hunne kennis van

de wereldkaart en van de wereldgeschiedenis meer uit de legende dan

uit de werkelijkheid putten, zagen daarin eene bevestiging hunner

opvatting, dat de heele aarde aan den machtigsten Moslimschen soeverein

onderworpen is en dat alle andere vorsten zijne, zij het dan deels zeer

ongehoorzame, vasallen zijn. Tot den roem van Duitschland in het Oosten

droegen die huldebewijzen allerminst bij, wat ook vleiers daarvan aan

Duitsche reizigers op den mouw mochten spelden. Den allerzonderlingsten

indruk echter maakte op alle kenners van den Islâm de toespraak,

die de Keizer op zijne tweede reis (1898) te Damascus bij het graf

van Saladijn hield, waar hij tevens eene krans deponeerde.

De rede op het graf van Saladijn.

Saladijn is in Europa door de geschiedenis der Kruistochten en vooral

door Lessing populair geworden; in het Mohammedaansche Oosten is zijn

naam lang vergeten, behalve bij de weinige beoefenaars van geschiedenis

en letterkunde. Dezen kennen hem als een gewetenloos politicus, die

door ontrouw en verraad tot hooge macht is opgeklommen, en wien men

veel vergeeft omdat hij een streng orthodox kafirhater geweest is;

niet als het toonbeeld van 18de-eeuwsche verdraagzaamheid, dat Lessing

in zijnen Nathan van hem maakte. Op het graf dan van dezen hater des

Christendoms sprak de Keizer van een wereldrijk, dat, zooals Becker

herinnert, het Christendom tot staatsgodsdienst heeft, deze woorden:

"Die dreihundert Millionen Mohammedaner, die in der Welt zerstreut

sind, mögen dessen versichert sein, dass ewig [11] der Deutsche

Kaiser ihr Freund sein wird". Dit gedeelte der vertooning heeft

in de Moslimsche wereld even weinig blijvenden indruk gemaakt als

Saladijn zelf, en Duitsche geleerden namen er destijds hoofdschuddend

kennis van. Nu doen zij echter plotseling opgeld: Grothe en Becker

geven er hunne exegese van, en men heeft er de Turken zoo krachtig

aan herinnerd, dat Nazim-bey ze in zijne toespraak aan den Duitschen

Gezant citeerde, en dat de Soeltan er bij vergissing de inmiddels reeds

vaak verbeterde, en in ieder geval sterk verouderde volkstelling der

Mohammedanen uit overnam in zijn manifest.

Becker heeft tot voor korten tijd, "aus Unkenntnis" zooals hij het

thans verklaart, deze "Betonung des Kalifentitels durch Deutschland

als einen Fehler beurteilt", maar nu, na hetgeen Fürst von Bülow in

"Deutschland unter Kaiser Wilhelm II" uiteengezet heeft, ziet hij

daarin met blijdschap de eerste krachtige uiting van eene "bewusste

deutsche Islampolitik" en het bewijs, "dass die deutsche Politik

von Anfang an mit dem Islam als internationalem Factor gerechnet

hat". Beckers wetenschappelijke geweten is bij deze bekeering en

bij zijne verdediging der opname van het chalifaat onder de factoren

der internationale politiek niet zoo gerust als dat van Grothe, die

van het groteske dezer Islâmpolitiek niets schijnt te voelen. Becker

zegt althans, dat hij over de verhouding van Turkije tot den Islâm

niet geacht wil worden eenig oordeel te hebben uitgesproken, dat

hij zich ertoe bepaalt, te constateeren, dat die verhouding bestaat,

dat nu eenmaal millioenen ontevreden Mohammedaansche onderdanen van

Europeesche staten hunne redding van Turkije verwachten, en dat het

uur voor Duitschland gekomen is om van die stemming partij te trekken.

Redding van Turkije! Het rijk, waarvan Martin Hartmann nog kort geleden

zeide, dat "die Ausschaltung der islamisch-türkischen Herrschaft

aus Europa bevorsteht"; of elders, dat "schon längst über sie (die

Türkei) hätte verhängt werden sollen: die Stellung unter Kuratel", of

nogmaals: "so tritt nur schneller das ein, was doch einmal kommen muss:

das Entfallen der politischen Macht aus den Händen des absterbenden

Türkentums"; van Turkije, dat volgens Becker herboren moet worden en

onder krachtige leiding van Duitschland omgeschapen tot een modernen

cultuurstaat, hetgeen hij eenige jaren geleden slechts dan uitvoerbaar

verklaarde, wanneer de chalifaatsidee of geheel werd opgegeven of

zoo weinig mogelijk naar voren gebracht werd!

Oorzaak der poging van Duitschland tot wederopwekking van Moslimsch

fanatisme.

Hoe komt het, dat nu opeens voor Turkije mogelijk wordt geacht,

wat tot dus dusver als eene ongerijmdheid werd terzijde gesteld, dat

thans voor dat rijk als nuttig wordt aangeprezen datgene, waarin men

tot vóór korten tijd zijn zekeren ondergang gelegen achtte? Hartmann

heeft, toen hij in zijn "Ultimatum des Panislamismus" de agitatoren

geeselde, die aan het Turksch-Italiaansche conflict het karakter van

eenen godsdienstoorlog wilden geven, meteen de scherpste critiek,

die men zich denken kan, geleverd van de tegenwoordige poging van

Duitschland om het middeleeuwsche fanatisme der Mohammedaansche wereld,

dat aan het uitsterven was, nieuw leven in te blazen. "Die Türkei

kann nur ausrufen: "Himmel bewahre mich vor meinen Freunden!"" zeide

hij toen terecht. En wat moet Turkije nu uitroepen, nu zijn beste

vriend hem prikkelt tot eenen wereldgodsdienstoorlog, en hem alvast

de Mohammedaansche krijgsgevangenen, die tegen Duitschland vochten,

uitlevert om hen te onderwerpen aan eene godsdienstig-politieke

bekeeringskuur?

Wij kunnen dit alles slechts toeschrijven aan de jammerlijke verstoring

van het evenwicht, ook in de geestelijke atmosfeer van hetgeen wij

de beschaafde wereld plachten te noemen. Immers, in normale tijden

kennen wij de Duitschers als veel te bezonnen en te logisch om den

enormen onzin te verduwen, dat hetgeen in het algemeen als een schande

voor de menschheid en als eene ramp voor Turkije zou gelden, goed en

aanbevelenswaardig wordt, zoodra Duitschland zich achter of naast

de Halve Maan plaatst. Wij weten van niet vele der tegenwoordige

verschrikkelijke gebeurtenissen, waarop zij zullen uitloopen, maar

dit meen ik nu reeds met zekerheid te mogen voorspellen, dat binnen

niet langen tijd tal van Duitsche geschriften zullen getuigen van

de ook in Duitschland ontwaakte ergernis over het onwaardige spel,

dat thans met het chalifaat en den heiligen oorlog gespeeld wordt.

Gewaagd zou het zijn, nu de feiten zoo spoedig hunne onweerlegbare

taal zullen spreken, te willen voorzeggen, in hoeverre de poging

om een Mohammedaanschen godsdienstoorlog op groote schaal te doen

ontvlammen en daarmede onafzienbare verwarring der internationale

verhoudingen te doen ontstaan, slagen kan. Hartmann heeft die

mogenlijkheid indertijd met volle overtuiging betwist: ".... sobald

die Vertreter der verschiedenen islamischen Gruppen über gemeinsame

Schritte beraten, zeigt sich die ungeheure Verschiedenheit der

völkischen, wirtschaftlichen und geistigen Tendenzen, die sich

unter den zweihundert Millionen Muslimen finden" zeide hij. Becker,

die vroeger "die Solidarität des Islam ein Phantom" noemde, zegt nu:

"Der grosse Krieg, der so viel aufdeckt und entscheidet, wird auch den

Beweis erbringen, ob der so oft besprochene internationale Zusammenhang

des Islam ein realer Faktor ist oder ein Hirngespinst".

Zeker zal het, indien Duitschland bij zijne "Islampolitik" van dit

oogenblik volhardt, niet ontbreken aan allerlei maatregelen om in de

Mohammedaansche wereld bekendheid te geven aan de geschiedenis van het

ontstaan dier politiek en aan de nieuwe verhouding van vasal, waarin

de herboren Soeltan-Chalief zich tegenover Duitschland geplaatst zou

zien, wanneer de Duitsche idealen verwezenlijkt werden. Tegen eenen

Heer der Geloovigen onder eenen ongeloovigen voogd zullen echter

ook Mohammedanen van den ouden stempel, die anders mogelijk dupen

van de comedie zouden worden, hunne ernstige bedenkingen hebben. Het

hoofdargument voor de aanspraak der Osmanen-soeltans op den titel van

Chalief was hun zwaard, maar niet een zwaard, dat getrokken en in de

scheede gestoken werd op de bevelen van een ongeloovigen "bondgenoot".

Nederlandsch-Indië en de heilige oorlog.

Uit vertrouwbare bron vernam ik onlangs, dat de drukkerij van het

Turksche dagblad Tanîn een pamflet over den heiligen oorlog heeft

uitgegeven en verspreid, waarin ook de Mohammedaansche onderdanen van

staten, die ten opzichte van den tegenwoordigen oorlog neutraal zijn,

tot verzet tegen hunne regeeringen opgehitst worden. O. a. moet daarin

sprake zijn van de veertig millioen Mohammedanen, die gebukt gaan onder

het juk der halfbeschaafde Hollanders. Hierdoor is zeker gehandeld

tegen de bedoeling van den Duitschen voogd; maar slechte hartstochten

laten zich gemakkelijker opwekken dan binnen perken houden.

Gelukkig behoeven wij ons over onze Nederlandsch-Indische

Mohammedanen niet bezorgd te maken. Zij namen den Islâm aan,

toen het Turksche rijk reeds bestond, maar zonder dat Turkije er

iets van bemerkte, en zij hebben met het rijk der Halve Maan nooit

eenige aanraking gehad. De Soeltan van Roem, zooals zij den Grooten

Heer van Constantinopel noemen, is voor hen een legendarisch wezen

gebleven. De panislamitische gedachte is wel naar den Oost-Indischen

Archipel overgewaaid, maar heeft er slechts weinig vatbaren bodem

gevonden. De groote massa der lagere klassen bleef onaangedaan, en de

meerderheid der hoogere standen is tegenover dit religieus-politieke

mengsel van bedrog en zotheid volslagen immuun. En wij mogen gegronde

hoop koesteren, dat die immuniteit zich steeds zal uitbreiden. Want,

heeft Duitschland pas onlangs met de door ons aangeduide vertooningen

zijne "bewusste Islampolitik" geinaugureerd, wij hebben al eenige

jaren langer tegenover de door de geschiedenis aan onze zorgen

toevertrouwde Inlandsche bevolking onze welbewuste opvoedingspolitiek,

en dáártegen zijn chalifaat en heilige oorlog en andere middeleeuwsche

ongerechtigheden gelukkig machteloos. Wanneer wij maar onwrikbaar

vasthouden aan de sedert eeuwen aan onze Mohammedanen gewaarborgde

volledige godsdienstvrijheid en tevens de ingeslagen richting van

educatie in steeds sneller tempo blijven volgen, dan behoeven wij de

eigenaardige soort van "geistige Waffen", die thans voor het eerst

met het merk "made in Germany" in omloop gebracht worden, nooit te

vreezen. Toch blijven wij in het belang der menschheid hopen, dat

Duitschland eerlang dit nieuwe product uit den handel terugneemt.

De heilige oorlog van den Islâm is, zooals wij meermalen herinnerden,

een door en door middeleeuwsch instituut, waaraan zelfs de

Mohammedaansche wereld bezig was te ontgroeien. Ééne eigenaardigheid

van dit instituut kunnen wij ongeveinsd bewonderen: heilige oorlog

tegen medeleden der Mohammedaansche gemeenschap is door de wet van

den Islâm absoluut uitgesloten. De beperking van de levensgemeenschap

tot Mohammedanen, tot hen, die hetzelfde dogma over het Hiernamaals

belijden, is middeleeuwsch, maar de beschouwing van strijd binnen de

sfeer der levensgemeenschap als goddeloos biedt een voortreffelijk

aanknoopingspunt voor de hoogste sociale beschaving en is voor de

moderne wereld ietwat beschamend. Hooren wij, wat Martin Hartmann in

zijn opgewonden toon daarover schreef: "Im Gegensatze zum Islam, wo

grundsätzlich der Krieg auf den Kampf gegen die Andersgläubigen als

"Ungläubige" beschränkt ist, wird in den christlichen Ländern an dem

Kriege gegen Glaubensgenossen von niemand Anstoss genommen, und hier

sind nicht selten die Diener der Kirche der Liebe die Eifrigsten im

Schüren, also in der Verleugnung des Evangeliums; sie prästieren auf

Kommando die patriotische Geberde, die in diesem Falle eine Verletzung

des fünften Gebotes darstellt, nicht zu sprechen von jenem andern:

Du sollst deinen Nächsten lieben als dich selbst".

Inderdaad, in den Islâm behoeft men slechts de middeleeuwsche beperking

van het volledige bestaansrecht tot de geloofsgenooten op te heffen,

en de levensgemeenschap tot de gansche menschheid uit te breiden,

om den algemeenen wereldvrede tot een absoluut voorschrift der

Moslimsche wet te stempelen. Voor moderne staten, die Mohammedanen

als onderdanen, beschermden of bondgenooten hebben, is de schoone

taak weggelegd om dezen, en zichzelve tevens, tot die hooge opvatting

der menschelijke samenleving op te leiden; liever dan hen in eigen

belang terug te voeren in de wegen van middeleeuwschen geloofshaat,

die zij juist bezig waren te verlaten.

Nederland en de Islâm · 第 21 / 23 题