HOOFDSTUK III.

De Nederlandsche Koloniale Regeering en het stelsel van den Islâm.

De Nederlandsche Regeering kan niet buiten Islâmpolitiek 53

Jegens het dogma en de zuivere godsdienstige voorschriften

der wet moet zij neutraal zijn 54

Ook ten aanzien der bedevaart zou belemmerend ingrijpen

onverstandig zijn 56

Politieke beteekenis van den hadj 58

Economische gevolgen van den hadj 59

Het huwelijks-, familie-, personen- en erfrecht van den Islâm

eischt eerbiediging 59

De Regeering houde echter den weg ter evolutie wijd open 61

Codificatie derhalve ongewenscht 62

De instelling der priesterraden op Java en Madoera was eene

fout 62

Bemoeienis der Regeering met zulke onderwerpen principieel

gewenscht 63

Moskeefondsen 63

Mohammedaansche huwelijken; godsdienstonderwijs 64

Hoe de rechtspraak der priesterraden te verbeteren 65

Waarom wij de aandacht vooral bij Java en Madoera bepalen 66

Uit staatkundig oogpunt belangrijke bestanddeelen 67

De chalief bestuurder der Mohammedanen, geen kerkvorst 68

Geen vorm van panislamisme aannemelijk voor eene Europeesche

mogendheid met Mohammedaansche onderdanen 69

Vrijheid van godsdienst voor Mohammedaansche onderdanen met

afwijzing van elke vreemde inmenging 70

Wie de geestelijke leidslieden der Indonesische Moslims waren 71

Bestrijding der kunstmatige verlevendiging van eschatologische

verwachtingen 72

Vermijding van al hetgeen naar inbreuk op de godsdienstvrijheid

zweemt 72

Ongunstige beoordeeling der Nederlandsche Islâmpolitiek in de

panislamitische pers 73

Klachten der in Oost-Indië gevestigde Arabieren 74

Ongunstig oordeel van sommige zendingsvrienden over de

Islâmpolitiek der Regeering 75

Slotsom 76

Nederland en de Islâm · 第 8 / 23 题