't Was zoo'n echt „lekker” jongetje. Hij had een lief, rond kopje, een
paar guitige, bruine kijkers en een mondje met nog echte baby-tandjes,
snoeperig om naar te kijken, vier parelmoeren blokjes boven en beneden
met aan weerszijden de dartele puntige hoektandjes. Je zou hem alleen al
aan 't lachen maken, om die tandjes te zien te krijgen. Maar veel was
daartoe niet noodig, want hij lachte al, als je hem maar aankeek. En een
gezellige babbelaar, dat het was! Hij bracht zoo'n genoeglijke sfeer van
huiselijkheid in de kille schoolatmosfeer.
Als de kinderen pas op school komen, hebben ze dat haast allemaal. Dan
komen ze alles wat ze weten aan de „juffrouw op school” vertellen, en 't
is maar goed, dat de ouders niet hooren, wat intimiteiten hun kleuters
soms zoo onnoozel, argeloos-weg staan te verklappen. Niet, dat het veel
hindert; je lacht er bij jezelf om en 't gaat je 't eene oor in en 't
andere weer uit. Trouwens, je hebt ook geen tijd, om al 't gebabbel aan
te hooren, daarvoor komen de kinderen per slot niet op school. En zoo
rem je zoetjes-aan hun gesnater en na een paar weken heb je een klas
gewone schoolkinderen.
Maar bij Jopie was iets van die kinder-ziekte blijven zitten; er ging
haast geen dag voorbij, dat hij niet z'n vertrouwelijk babbeltje met me
had. Zoo herinner ik me, dat hij een der eerste dagen bij me kwam, me
aan m'n mouw trok en me ernstig toevertrouwde: „Seg juffrou, hoor es, ik
wor gauw jarig!”
„Zoo”, zei ik belangstellend; „en wanneer?”
„Nou, ofer safetien wake en dan op een dingesdag.”
En toen ik in den lach schoot: „Heusch waar, me broertje het 't sellef
foor me uitgeraikend.”
Van dien dag af hield hij m'n belangstelling warm, en geregeld kwam hij
me vertellen, hoe lang 't nog duren moest. Een paar weken later, daar
had je 'm op een morgen: „Seg jeffrau, sa 'k u nog es wat segge? As 'k
jarig bin, mag 'k uitdajle!” en weer een poosje later: „As 'k uitdajle
mag, dan kraag u auk wat!”
Vaak consulteerden we samen, wat „likkerder” zou wezen „koekies of
suurtjes of droppies of flikkies”; 't was allemaal zoo lekker vond hij,
hij had de klas wel op alles willen trakteeren. Tot hij me een paar
weken voor den heugelijken datum de eindbeslissing kwam mededeelen: „Nu
wajt ik 't sajker, 't worre aasbongsbongs en u mag een haile raip!”
Nog zie ik hem binnenkomen dien morgen, rijk en gelukkig met z'n grooten
zak lekkers. De zak werd op 't tafeltje gelegd en den heelen ochtend
moesten we er naar kijken en dan gaven we elkaar een knipoogje. Wij
samen wisten het van de verrassing en haast was het zoo ver. En 't
laatste halfuur, onder 't zingen, wenkte ik hem: „Nu Jopie, ga je gang
dan maar.”
Trotsch als een koning stapte hij door de rijen, zwelgend in 't genot
van te mogen „uitdajle”. Dat was nu 't hoogtepunt van z'n verjaardag,
waar hij weken lang van gedroomd had, dat ronddeelen van z'n lekkers,
van z'n eenig verjaringsgeschenk. Want van verdere cadeautjes hoorde
ik niets en ik denk, als ik gevraagd had: „Wat heb je nu voor je
verjaardag gekregen?” dan had hij me met groote oogen aangekeken: „'k
mag ommers uitdajle!”
Toen hij de klas rond geweest was en alle handjes en mondjes genoeg
kleefden van de „aasbongsbongs”, liet ik hem op 't trapje klimmen, naast
m'n stoel. „Nee jongen, nog hooger, op 't bovenste treetje”. En toen
mochten alle kinderen „uit volle borst” voor hem zingen van: „Lang salle
se lajfe in de glaureja!” En toen 't uit was, hebben we driemaal
geroepen van: „Hiep, hiep, hoera!” dat het daverde door de klas.
Zoo vierde Jopie z'n verjaardag, „glorierijk” en „verheven.”
* * * * *
Ik vind het heel verkeerd voor onderwijzers, om er „lievelingetjes” op
na te houden. 't Is slecht voor het kind zelf en afschuwelijk voor de
andere. En daarom houd ik mij altijd gestreng voor, geen verschil te
maken.
En toch, en toch, een mensch is maar een mensch en niemand zal 't me
durven kwalijk nemen, dat Jopie, als 't er op aankwam, toch een streepje
bij me vóór had, al liet ik het in de klas ook niet blijken.
't Werd winter, en Jopie verzuimde vaak. „Se schoene benne stuk”, kwam
't grootere broertje zeggen. En eindelijk was het: „Se schoene kenne nie
meer gemaakt, segt de schoenmaker.”
„Ja maar”, zei ik, „moet hij dan voortaan maar thuis blijven?”
En 't broertje lichtte mij in: „As me fader es een goeie wajk het, dan
kraagt-ie een paar nieuwe.”
„Maar hij kan toch schoolklompen krijgen”, hield ik vol.
„Daar ken die niet op foort, se foete doene d'r soo seer in.”
Ja, 't was waar, hij was maar een tenger stadskindje; die zijn niet
gewend aan klompen. Maar hij kon toch ook niet den heelen winter
thuis blijven zitten. Dien dag miste ik z'n lachend bekje en gezellig
babbeltje meer dan anders, en opeens bedacht ik, dat ik nog een bon voor
een paar gulden van een schoenwinkel had van schoenen, die ik geruild
had. Ik wist wel, dat je met zoo iets eigenlijk niet kunt beginnen op
school, maar—'t was voor Jopie. En niemand hoefde het te weten.
'k Liet de moeder op school komen en ze moest me beloven, het aan
niemand te vertellen, welke belofte ze niet al te nauwgezet hield.
Tenminste den volgenden morgen kwam Jopie me prinsheerlijk z'n nieuwe
stappers vertoonen: „Kaak es juffrau, dat benne se nau!”
Sinds waren we, als 't kan, nog dikker vrinden. Na schooltijd bleef hij
vaak op me wachten en als ik dan de deur uit kwam, liep hij met me mee:
„'k Bring u een endje weg; sa'k uws tassie drage?” Zoo klein als hij
was was, had hij al iets beschermends in z'n optreden, iets ridderlijks
zou 'k haast zeggen, en 'k geloof, dat z'n geleide naar huis half als
eerbetoon maar ook een tikje als zorg voor m'n veiligheid bedoeld was.
Eens kwam ik 's middags weer naar school, toen hij verbaasd op me toe
kwam springen: „Waar kom u nou fandaan?” 't Bleek, dat hij me om 12 uur
niet gezien had, toen ik de deur uit kwam en nog altijd trouw stond te
wachten, om me naar huis te brengen.
„'k Doch al, wat bin u laat”, zei m'n kleine page.
Zijn moeder zag het wel, dat „de juffrouw van school zoo mal met Jopie
was”. En, slim als een mensch, werkte ze het nog een beetje in de hand.
Op een middag hield ze me staande. Of 'k ook niet vond, dat Jopie er zoo
slecht uitzag? Ze was met 'm bij den dokter geweest en die zei, dat ie
klierachtig was. En nou had ie levertraan, maar ze kon 't er met geen
mogelijkheid bij 'm inkrijgen.
Jopie stond er bij en lachte tegen me.
„Waarom wil jij je levertraan niet zoet innemen?” deed ik barsch.
„O juffrouw, 'k wed dat ie 't voor u wel doen zou; u moet es hooren, hoe
die thuis over u praat. 't Is de heele dag: de juffrouw doet zus en de
juffrouw zegt zoo!”
„Breng jij die levertraan maar mee”, zei ik, trotsch op m'n overwicht.
En werkelijk, ofschoon we allebei al griezelden, als 't fleschje open
ging, toch slikte 't kind gewillig het walgelijke goedje, nu ik 't hem
voerde. En 't werd een band meer tusschen ons.
Hij had voor mijn persoonlijke aangelegenheden al evenveel interesse als
ik voor de zijne. 's Middags na vieren bleef hij nog wel even omhangen
in de klas. „Sa 'k 't bord maar schaunfajge?” was 't dan, of: „Mag ik de
lichte uitdraaie?”
Zag hij dan, dat ik me nog niet dadelijk aankleedde en nog 't een of
ander te doen had, dan had hij medelijden.
„Mot u nu al die boekies nog nakaake?” vroeg hij dan meewarig, „En auk
nog een lessie foor morrege op 't bord schraafe?”
Eens—'t was een paar dagen voor de zomervacantie vroeg hij me: „Wat
gaan u nau de hajle dag doen, as 't fekansie is?”
Ik vertelde hem, dat ik naar buiten ging, naar het bosch, en alle dagen
groote wandelingen ging maken.
„En kan 't poesie dan maj? Naj? Wie mot er dan foor 'm sorrege?”
Ik had de klas een paar dagen geleden van ons jong poesje verteld en
van al de grappen, die 't uithaalde. Sedert deelde 't poesje ook in
Jopie's zorgen.
„Ik wajt wel een kettewinkel baj ons in de straat”, begon hij ernstig.
„Sa 'k es foor u gaan frage, of se der daar sau lang op passe kenne?”
En 's middags kwam hij me 't resultaat van z'n bemoeiïngen al brengen:
„'t Kost een kwartje per dag!”
„Een kwartje?” schrok ik. „Wat een geld!”
„Ja, dat see-ik auk, en toe see die kettebaas, dat de mellek sou duur
was en dat alle kette een haile ken mellek krege.”
Ik proestte 't uit. „'t Is nog pas zóo'n klein poesje, dat drinkt nog
zooveel niet.”
Hij lachte hartelijk mee: „Naj he juffrau, soo'n klaan bajssie mit soo'n
graute ken mellek, daar ken die wel in fersuipe, 'k sal die fint nog es
gaan segge, dat 't maar sau'n klaan poesie is”.
Maar de kattenbaas bleek niet te vermurwen, en daarom kwam m'n vrind den
volgenden dag met een nieuw voorstel.
„'t Poesie ken sau lang wel baj ons komme. 't Mag echt fan me moeder, en
ik sal der wel goed op passe, want ik hoef ommers toch niet na schaul”.
En hij was wat teleurgesteld, toen 'k hem vertelde, dat 't poesje al
ergens anders te logeeren gevraagd was.
* * * * *
't Ging ze blijkbaar niet erg voor den wind, in 't gezin van Jopie. Toen
't weer herfst werd, vroeg z'n moeder, of hij in aanmerking kon komen
voor „Kindervoeding”. En schoolklompen droeg hij nu ook. Maar hij bleef
er even vroolijk en genoegelijk bij. Hij vertelde me, dat 't „faan” was
op de „ajtsaal”, en als ik dan vroeg, wat hij gehad had, klonk het met
groote voldaanheid: „snirt” of „kepsaanders” of „gort mit resaane”. 't
Kind scheen geen weet te hebben van de zorgelijke omstandigheden thuis.
Op een avond werd er bij mij thuis gebeld. 't Was 't broertje van Jopie,
of hij me even spreken mocht, hij had een boodschap van moeder. En daar
kwam hij voor den dag met een lang verhaal: Vader had al zoo lang geen
werk en nou was hij in Duitschland gaan werken en nu had hij al een
heeleboel geld verdiend en zou eind van de week thuiskomen. Maar Moeder
had geen cent meer in huis en de bakker wou zonder geld geen brood meer
geven. En of de juffrouw nou asjeblieft wat voorschieten wou tot het
eind van de week. Moeder zou 't zelf terug komen brengen.
Jopie stond er bij, hij was zeker mee gekomen, om het huis te wijzen.
Toen 'k hem aankeek, lachte hij me vroolijk toe, alsof hij zeggen wou:
„Als we jou er maar bij halen, dan komt de zaak wel in orde, he?”
Want was ik niet de goede fee, die met één zwaai van haar tooverstaf
alles verschaffen kon, wat hij noodig had: schoenen, klompen, lekkere,
warme schoolpantoffeltjes, een plaats in de „ajtsaal”? Wat was
eenvoudiger, dan dat ik m'n zorgen ook uitstrekte over moeder en de
broertjes?
De rest van de geschiedenis is gauw verteld. 'k Hielp eenmaal, andermaal
en toen nog eens. Maar 'k begreep zelf al, dat het zoo toch niet
voortgaan kon. En toen 'k bovendien merkte, dat moeder misbruik maakte
van m'n genegenheid voor Jopie en kwam lamenteeren, dat ik toch „sellef
soo feel fan 't schaap hield” en toch niet zou willen, dat hij zoo'n
honger had, toen maakte ik er kort en goed een eind aan.
Den volgenden morgen....
* * * * *
Vriendschap is een grillig ding. Soms wordt het je zoo in den schoot
geworpen, zonder dat je er iets voor gedaan hebt, soms ook kun je 't
in lange jaren niet deelachtig worden. Nu eens blijkt ze taai als
koekedeeg: je veronachtzaamt je vrienden keer op keer en toch blijven
zij je telkens opnieuw toegenegen,—dan weer broos als glas: buiten je
schuld, door misverstand, door de omstandigheden, door derden ook al,
plotseling knapt ze af en is onherstelbaar gebroken. De vriendschap van
Jopie was een geschenk, dat 'k nergens mee verdiend had, dat me zoo maar
geworden was op 't oogenblik, dat we elkaar voor 't eerst aangekeken
hadden. Maar even onverdiend als ik haar verkregen had, moest ik haar
ook weer verliezen.
Toen hij dien volgenden morgen op school kwam, was 't mijn Jopie niet
meer. 't Was een gewoon schoolkind, een beetje stil, schuw joggie, dat
zonder te spreken naar zijn plaats ging. 'k Probeerde een grapje: hij
keerde z'n hoofd verlegen af, knipte met de oogen, alsof hij in een te
fel licht keek.
't Liet hem met rust en troostte me nog: 't Zal wel slijten. Morgen of
overmorgen komt hij weer gewoon me toe.
Maar 't was „le vase brisé”: „N'y touchez pas, il est brisé.”
Wat er in dat hoofdje en hartje is omgegaan, ben ik natuurlijk nooit te
weten gekomen. Was hij in mij teleurgesteld, nu m'n feeënmacht uitgeput
bleek? Had hij thuis een boel leelijks van mij moeten hooren, toen 't
broertje na m'n weigering terugkwam? Had moeder hem verboden, voortaan
vriendelijk tegen mij te zijn?
Hoe 't zij, mij verdedigen kon ik niet, 't misverstand uit den weg
ruimen evenmin. Zwijgend moest ik 't dragen, hoe Jopie mij onverschillig
voorbij liep, net deed of ik nooit wat voor hem geweest was. Uit was het
voortaan met zijn warme belangstelling in al m'n aangelegenheden, met
het ridderlijk geleide naar huis, uit met de gansche genegenheid van z'n
lief kinderhartje!
Van 't geld zag ik natuurlijk nooit iets terug. Dat was op zichzelf al
slim genoeg. Maar dat ik er bovendien m'n vriendje bij verloor, dat was
nog veel erger. Dat heeft me echt zeer gedaan—en, als 'k er weer over
denk, dan kan 't me nòg verdrieten.