Laatst zou ze hem weer op een verhaal trakteeren.
„He ja Moeder,” zei 't ventje. „Maar dan eens niet zoo'n verhaal van „na
~dien~ tijd.””
Ik merk met schrik, dat m'n verhaal van Trui ook veel gaat lijken op een
van „na dien tijd.”
Nee hoor, ze werd heusch geen suikeren engel. Ze was en bleef 't zelfde
lastige, dwarse, humeurige kind en ze maakte nog even vaak ruzie met
haar klasgenootjes. Maar ze deed 't niet meer met opzet, ze probeerde
werkelijk, goed op te passen. Natuurlijk lukte dat den eenen keer beter
dan den anderen, maar dan begonnen we allebei den volgenden dag weer
net, of er niets gebeurd was.
En één dag herinner ik me, toen heeft ze zichzelf overtroffen. 'k Was
erg verkouden en zoo heesch, dat 'k geen geluid kon geven. Toen om negen
uur de bel ging, riep ik fluisterend de clementie van de klas in. Ik
schreef wat werk voor ze op 't bord en dacht bij mezelf: „Hoe komt die
dag om!”
Ze hebben allemaal hun best gedaan, dien dag. Maar 't is niet allen even
zwaar gevallen. Een ordelijk rustig kind heeft niet veel moeite, met
eens een dag extra stil te zitten. Maar dat ik Trui dien heelen langen
dag niet één keer heb hoeven te verbieden! Kunnen wij volwassenen ons
zelfs maar indenken, hoeveel inspanning het dat ongebonden, balsturige
schepseltje heeft gekost, om vijf volle uren lang stil te zitten en
gehoorzaam te wezen en alles te doen waar ze een hekel aan had, zonder
ook maar één keertje te zondigen?
Ik vind, dat ze dien dag de gouden medaille voor zelfbeheersching heeft
verdiend.