ik alle uwe bevelen heb gevolgt. Dit was een pligt, die de Natuur en de
Godsdienst van my vorderden: Maar gy zyt Vader! gy zult my immers niet
ongelukkig maken? zo deeze wensch myner ziel my geweigert wordt, kan ik
my geen lang leven voorstellen. Ik gevoel my niet wel. De onëenigheden
met myn Vader treffen myn, door liefde vertedert, hart zeer diep! Myne
jaren en myn werkzame aart hebben my gestelt boven die dwaze drift, die
men doorgaans _liefde_ noemt. Myne liefde is wel niet _Platonisch_[1],
maar zy is echter myne reden onderschikt; zy is bedaart, sterk; zy rust op
de innerlyke waarde van haar, die myne oogen streelt; zy groeit dagelyks
in zagte aandoeningen. Moet ik het opgeven, dan zal men zien, dat myne
geliefde Burgerhart tot myn _leven_ zo nodig was, als tot myn _gelukkig
leven_. Laat ik u verbidden! Leg uwe vooröordelen af! Gy kent haar niet,
geloof my! Heb ik u, myn geëerde Vader! ooit ergens in misleit? zoude ik
het nu doen, daar de zaak niets minder is dan eene verbintenis voor myn
geheel leven? Geef my de vryheid, om voor my zelf te kiezen. ô Laat ik u,
ook voor deeze gunstige toegeventheid, mogen bedanken. Ik kies immers
eene Vrouw voor my; ik zal met haar moeten leven.--Ben ik, in myn zes-en-
twintigste jaar, nog niet in staat, om uit myn eigen oogen te zien? Kunt
gy my van eenige wuftheid in zaken van belang beschuldigen? Heb ik ooit
my tegen uwen wil gekant? Moet ik nu my zelf dat verdriet aandoen? Laat
ik u myn gansche leven mogen zegenen! Zo myne tederbeminde, als myne
Vrouw, u met my niet zegent: zo zy uwen ouderdom niet ten troost, tot
hulp, tot blydschap strekke; zo gy haar niet zult beminnen als eene lieve
Dochter, vergeet dan, dat gy ooit een Zoon hadt, die zich tekent,
_Uw ootmoedige Dienaar, en liefhebbende Zoon_,
HENDRIK EDELING.
Noot:
[1] Zuiver geestelijk.
HONDERD-NEGENTIENDE BRIEF. Hendrik schrijft aan Redelijk, vertelt alles
uitvoerig en verzoekt zijn voorspraak bij vader.
HONDERD-TWINTIGSTE BRIEF.--Redelijk weet evenmin raad: vertrouw op God!
--als zoon mag Hendrik niet opstaan tegen zijn vader.
HONDERD-EEN EN TWINTIGSTE BRIEF.
DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
_Juffrouw Burgerhart!_
Ik hoor lieve historietjes van u, al hele lieve ook! Hagel en Slypsteen,
hoe kan 't zyn? daar je zó veel verstand hebt, en daar je beter je
Geloof verstaat dan ik, God betert; en daar ik altoos zo geraden heb,
dat je toch den goejen weg op zoudt. Meisje, meisje! maak my niet boos;
't zal er anders op en over gaan; 't zal er ellements te doen zyn. Heb
je dáárom zulke kostelyke Ouwers gehad, en moest ik dáárom zó wys met
je zyn? Ik kom er blaauw af. Schaamt gy u niet zo te lopen rinkelrooijen
[1] met een overgegeven Ligtmis; en u te kleden, of je in een Fransche
Winkel stondt? En Mevrouw Buigzaam? och ja; die laat Gods watertje over
Gods akkertje lopen; zie, dat vind ik verdord gemeen van zo een' Vrouw.
Men hadt, kwanswys, geen trek tot het huwlyk; men was nog zo jong: men
was nu zo gelukkig: zie zo; dat laat ik, ouwe gek, my maar zo op den
mou spelden. En onderwyl speelt Madame haar rol, vliegt uit, en loopt
met allerlei ploerten en ligte kwanten de godgantsche Stad door, komt
by avond en onty t'huis; ja wel, zie; ik ben zo kwaad als een spin.
Dáárom hadt gy geen zin in 't Huwlyk, met zulk een braaf man, denk ik;
dat was de zaak: dan zou dat gedraaf en geloop uit zyn, en daar bedankte
gy voor; niet waar? Myn naam zal evenwel geen Abraham Blankaart zyn, zo
ik u, zo lang gy onder myne Voogdy zyt, geef aan den een of ander
Parlevinker[2], al was hy zo ryk als de _grote Mogol_, en al was hy een
Burgemeester van zyn hals. Ik denk, dat de brave Heer Edeling u nu wel
zeer bedankt voor de eer van uw gezelschap: hy heeft gelyk; ik zou ook
zo doen. Antwoordt my maar niet, want ik kom in 't kort t'huis, en zal
dan nader met u spreken. Ik ben
Uw Voogd,
ABRAHAM BLANKAART.
Noten:
[1] Pierewaaien.
[2] Hier: zwendelaar.
HONDERD-TWEE EN TWINTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.
_Chere Letje!_
Ik verlang, dat gy t'huis komt. Ik heb verdriet; en ik kan het niemand
dan u toebetrouwen. Myne Willis is te statig, te deftig; onze Moederlyke
Vriendin kan ik het nog minder zeggen, want het raakt haar ook. Lees den
brief van den Heer Blankaart: elke regel is een dolksteek. Myn ziel is
beroert; myn boezem klopt van spyt, verontwaardiging, en droefheid. ô!
Ik heb vyanden, myne Letje; maar wie is de snode, die my dus mishandelt?
die my in het duister en onbekent grieft? Hemel! verdagt te zyn van
misdaden, die nooit in myn gedagten oprezen! gehoont te worden om
bedoelingen, die ik nooit had; dit is zeer hart, myne Letje. Maar wie
is die Ligtmis? de man in de maan, geloof ik; uw Broêr is een brave
Jongen; de Heer R. staat bekent voor een zeer ordentelyk man; en met wie
anders heb ik ooit (want Edeling is buiten alle bedenking,) den minsten
ommegang gehad? Och, met niemand! Nyd, die my bekladt, gooit ook zeker
dit lak op den Heer R., die my nimmer reden gaf om hem te schuwen: maar
de smart, die dat monster my aandoet, is te groot, om daar ook eenen man,
die my altoos met de grootste achting behandelde, in te doen delen. Onze
dierbare Vriendin zelf vindt hem onberispelyk; en, zo zy niet geheel in
het belang van den waardigen Edeling was, dan zou zy mooglyk zyn gedrag
een nog beter naam geven. Ik heb vermoedens.... maar neen!... dat zou
al te slegt, al te verfoeilyk zyn.--Hoe 't zy, ik heb een gerust geweten;
ik heb my van vele dwaasheden te beschuldigen; doch ondeugden zyn my
vreemt.--Ik moet geduld hebben.
Ik ga wat spelen, om te zien of ik my zelf kan opheffen uit deeze
verslagenheid.
* * * * *
Daar ben ik al weêr; 't lukt niet! Ik beef, zo aangedaan ben ik.
Hemel! verdagt te worden van zulk een man....
* * * * *
_'s Nagts, half twaalf._
Nu, myne liefde, heb ik u veel te schryven. Ik heb de goedaartige
Lotje verzogt naar bed te gaan, om dat ik noodwendig schryven moest.
De zoete ziel stonden de tranen in de oogen, "om dat zy merkte, dat ik
droevig was; en dat onze Vriendin en ik niet zo waren, (zei zy) als
altoos; och dat deedt haar zo leet." Heeft zy niet een recht lief
hart, Letje? Nu, ik zal haar ook altoos voorstaan, en te regt helpen.
Van middag viel er niets voor, dan dat Hartog vroeg, of de Heer
Edeling hier niet meer aan huis kwam; waar op Juffrouw Buigzaam
antwoordde: dat hy, om zaken van grote aangelegenheid, uit de stad
was; er byvoegende, dat zy hem waarlyk altoos met genoegen zag.
_Juffrouw Hartog_. Ja, 't is een zoete prater; hy weet nog zo wat
oppervlakkig meê te doen; schoon ik in 't eerst groter denkbeelden van
zyn verstand had, dan nu.
_Juffrouw Buigzaam_. Ik geef my niet uit voor een vrouw van veel
kundigheden, om dat ik te wel weet, hoe ik er mede sta: maar my dunkt,
dat de Heer Edeling een verstandig belezen man is, en zyn gezelschap
overwaardig.
_Ik_. Ja, ik heb misschien geen kennis van verstand, maar zo hy een
Uilskuiken is, dan moet een man van verstand een schepzel zyn, daar ik
niets van begryp; en ik zou een ducaat geven, om zo een man van
verstand eens te zien.
_Juffrouw Lotje_. Heden, Juffrouw Hartog, je waart evenwel de laatste
reis zo in de weer, om hem tegen te spreken; was dat sop dan de kool
wel waart? Zie, ik ben nou maar een eenvoudige sloof, maar daar zou ik
my nog te wys toe rekenen.
_Juffrouw Hartog_. Ja, Edeling weet zeker genoeg, om met onze Sex zo
wat voort te komen; doch dat hy geen vogel van de verhevenste vlugt
is, heb ik al gezien.
_Juffrouw Buigzaam_. Mooglyk is Uwé van gedagten, dat elk, die zich
niet met het air van Ongeloof voordoet, een lagen geest is; en dan is
voor my niets raadzelagtigs in deeze uwe zeer vreemde gedagten over
deezen waardigen jongen Heer.
_Juffrouw Hartog_, (_schamper lachende_). "Aan de vruchten zal men u
kennen," zegt de Bybel, en dat is immers waar?
_Juffrouw Lotje_. Heer, Juffrouw, gelooft Uwé dan in den Bybel? Gy zei
laatst, weet gy? op dien Zondag, toen ik zo zat te lezen in myn nieuwe
Psalmen, dat de Bybel een mooi sprookje was; (_zy werdt root_;) ja, of
gy root wordt, 't is evenwel zo, Juffrouw.
_Juffrouw Buigzaam_. Ei lieve, Juffrouw Lotje, moei u daar nu niet
mede, om my plaisier te doen, Liefde! Is dit zó, Mejuffrouw Hartog,
dat smart my; en ik danke Gode, dat ik nooit myne bekwaamheden heb
willen tonen, in voor te wenden, dat ik niets geloofde; daar ik my
niet in staat gestelt had, om wel te kunnen oordelen.
_Juffrouw Hartog_. Elk zyne verkiezing, en ik verzoek die vryheid, die
ik u laat. Gy schynt zeer gecoëffert met uw Vriend; en vriendschap
vermag veel; doch dewyl ik de vriendschap van zo een eigenwys Heertje
niet begeer, is myn oordeel te vryer.
_Ik_. Eigenwys Heertje! die uitdrukking is niet verpligtent[1].
_Juffrouw Hartog_. Hoe! is de Heer Edeling dan uw vriend ook? (_my
spottig aanziende_.)
_Ik_. Mooglyk verdient gy geen antwoord, doch ik zal beleeft zyn; ja,
hy is myn vriend; en ik vind my met zyne vriendschap zeer verëert.
_Juffrouw Hartog_. Dat kan ik wel begrypen; en die vriendschap doet
_u_ ook veel eer.
_Ik_. Zy zou zeker u niet tot schande, en nog veel minder tot verdriet
strekken, indien _gy_ ten minsten genoeg hadt aan zyne vriendschap,
(_zij werdt bleek_.) Kent gy den Heer Blankaart, Mejuffrouw Hartog?
(_haar sterk aanziende_.)
_Juffrouw Buigzaam_. Heden; Liefde! wat vraag is dit nu ook?
_Ik_. Juffrouw Hartog zal my, vrees ik, verstaan.
_Juffrouw Hartog_. Nooit hoorde ik, dat men vreesde verstaan te zullen
worden: ha! ha!
_Juffrouw Lotje_. Nu, dat's my te geleert.
_Juffrouw Buigzaam_. En my ook, Juffrouw Lotje.
_Ik_. Ja! wist gy wel, dat _ik_ zo eene Sçavante was? of liever, dat
ik zo t'onpas iets kon vragen? Wel nu, 't zal u geen oneer zyn myn
Voogd te kennen. Hy is wel geen geleert, maar hy is een eerlyk man;
eene hoedanigheid, die ook al zyn prys heeft.
_Juffrouw Hartog_. Och, myn lieve kind, ik zou nooit geraden hebben,
dat er zo een man in de waereld was, zo ik u zyn naam niet wel eens
had horen noemen: neen, ik ken hem niet.
_Ik_. Men zou u occasie kunnen geven, om hem te leren kennen; doch hy
heeft niets recommandabels dan zyn vroom eerlyk karakter.
_Juffrouw Buigzaam_. Zullen de Dames ook nog ergens van gedient zyn?
anders zou ik verzoeken om te danken en laten afnemen: 't is my wat
heel warm in de kamer. Wy allen bogen, dankten, en gingen de een hier,
de andere daar. Hartog peinsde. Juffrouw Buigzaam ging in haar Tuin,
zag hare bloemen met blyde vergenoeging. Ik stond voor 't raam, diep
aangedaan over den ontfangen Brief. Frits had een mand spenage
gesneden, die hy haar liet zien. "Ja, zei ze, Frits, die spenage staat
my niet aan.--"Zy is evenwel, in uw Tuin gegroeit, Mejuffrouw."--"Al
was zy in myn Zydkamer gegroeit, Frits, nog staat zy my niet aan."--Ik
wou, Letje, dat ik haar toen had kunnen uitschilderen; maar nog liever
dat gy haar toen gezien hadt! Ik ging zitten spelen, en wou myn
verdriet weg zingen: 't was of myn vingers de kramp hadden; evenwel,
ik dreunde lustig door. En Lotje vondt, dat ik mooi speelde: dat zeit
al zo iets, niet waar?
Wy kwamen allen in de zydkamer byëen, om thee te drinken: Myn hoofd
was vol, en ik kneep nu en dan een traan weg: wel naarstig aan de
zakdoeken naaijende, terwyl Lotje breide, of zy er geld meê verdiende.
--Daar kwam zo waar de Heer R. Het denkbeeld, dat hy beschuldigt was,
om dat men my benydde, maakte my veel vriendelyker dan ordinair; me
dagt, dat ik hem vergoeding doen moest; en dat denk ik nog. Hy hadt
een zeer fraaije bloem op zyn borst; hy zag, dat ik er naar keek; durf
ik u deeze aanbieden? zei hy, en ik nam die vriendlyk aan; hy was zeer
fraai.
_Juffrouw Buigzaam_. Is myn Heer R. ook een Liefhebber van bloemen?
_De Heer R_. Ja, Mevrouw, en ik vind, dat in deezen, zo als in alle
zaken, de Natuur de Kunst onëindig overtreft. Ik heb ook eene kleine
verzameling van vreemde gewassen, die men maar zelden vindt.
_Ik_. De Heer Blankaart heeft my wel tienmaal belooft, my eens in den
_Hortus Medicus_ te brengen, maar 't is er nooit toegekomen; en ik
hoor, dat daar zulke fraaije Planten en Heesters zyn.
_De Heer R_. Laat ik de eer mogen hebben, u daar eens heen te leiden:
gy zult met verrukking zulk een rykdom der Natuur beschouwen; 't is er
waarlyk fraai.
_Ik_. 't Zou onbeleeft zyn, dit verzoek af te wyzen.
_De Heer R_. Ik zou om die eer deezen dag zelf nog verzoeken, maar ik
ben geëngageert: mag ik morgen, als het zulk heerlyk weêr is, en zo
zonnig als nu, zo gelukkig zyn, om de Dames daar heen te brengen?
_Juffrouw Hartog_. Ik bedank u; ik ben niet plantagtig; een bloem is
by my een bloem, meer niet.
_De Heer R_. En wat zegt Mevrouw?
_Juffrouw Buigzaam_. Excuseer my, myn Heer; huisselyke bezigheden,
en myne zwakheid laten my dit niet wel toe.
_De Heer R_. Deze vriendelyke Juffrouw zal dan wel gelieven mede te
gaan?
_Juffrouw Lotje_. Ik zou 't gaarn doen, maar ik moet morgen ogtend
tydig by myn Oom en Tante zyn, om naar den Hout te ryden.
_De Heer R_. Zo dat, Mejuffrouw, gy zult u dan met myn gezelschap
alleen zien te vermaken?
_Ik_. ô, Myn Heer, maak geen complimenten.
Hy boog. Nog een kwartier gezeten hebbende, zeide hy, dat hy morgen
ten vier uuren zou maken aan huis te zyn, en vertrok. Onze Juffrouw
Sçavante las; wy spraken weinig. Elk scheen in gedachten; myn kind
zeker over haar vrolyk reisje naar den Hout; ik over den Brief; en
Juffrouw Buigzaam?--dat wist ik toen nog niet!
Na het thee drinken stondt de lieve Vrouw op, nam een boek mede, en
ging in het Tuinhuis zitten; (zo als ik naderhand zag.) Ik zag
mistroostig, ongemaklyk[2], en stond ook op, my naar den Tuin
begevende, om ruimer adem te scheppen. Doe ik u ook belet, Juffrouw
Buigzaam? anders ga ik weêr heen.
_Zy_. Integendeel, _uw_ gezelschap is _my_ altoos aangenaam.
_Ik_. Dan zal ik my by u zetten. (_Zy zag onderwyl al in haar Boek_.)
Ik moet u iets vragen. Zyt gy misnoegt op my? als dat waar was, dan
zou ik zeer ongelukkig zyn.
_Juffrouw Buigzaam_. (_Haar boek toedoende_.) Misnoegt? Hier uit moet
ik opmaken, of, dat gy my voor zeer grillig houdt, en dat hoop ik
nooit te verdienen; of, dat gy meent, my eenige reden daar toe gegeven
te hebben.
_Ik_. Zo ik u van grilligheid verdagt hield, dan zou uw misnoegen my
niet ter harte gaan; dewyl ik begryp, dat de capritieuse vrouwen geen
meer achting verdienen dan capritieuse mannen.
_Juffrouw Buigzaam_. En doet het u waarlyk leet, dat ik niet zo
gemeenzaam met u ben als van te voren?
_Ik_. Ja, zeker; maar dat gy my dit vraagt, treft my niet minder. Gy
weet dan nog niet, hoe hoog ik u acht; of hoe hartlyk ik u bemin; en
hoe zal ik u daar ooit van kunnen overtuigen? (_Ik had tranen in myne
oogen_.)
_Juffrouw Buigzaam_. _Als_ gy my in dat licht beschouwt, dat ik
waarlyk uwe achting niet onwaardig ben, waarom maakt gy dan zo weinig
gebruik van myne oprechte vermaningen?
_Ik_. _Als_, zegt gy met nadruk!
_Juffrouw Buigzaam_. Is het zo niet? Kom aan, wy zitten hier nu onder
vier oogen. Laat ik eens met u praten: wilt gy?
_Ik_. Niets zal my aangenamer zyn. Maar zeker, zyt gy t' onvreden?
_Juffrouw Buigzaam_. Ja! en nog meer verdrietig: ik heb u te lief, om
niet beide te zyn.
_Ik_. Wees nu alles wat gy maar wilt, indien gy my maar lief hebt: Mag
ik u echter vragen, wat u hier toe beweegt?
_Juffrouw Buigzaam_. Uwe eigene onvoorzichtigheid.
_Ik_. (_Ik werd ongemakkelyk, en zy zag het óók_.) Myne eigene
onvoorzichtigheid!
_Juffrouw Buigzaam_. Niets anders.... Maar my dunkt, dat gy niet zeer
geschikt zyt, om thans onaangename waarheden te horen; en ik beken,
dat ik geen recht heb om u die te zeggen, ten zy de vriendschap my dat
recht geeft. Willen wy de zaak daar laten?
_Ik_. Zo als gy verkiest: niemand hoort gaarne onaangename waarheden;
't is des geen mirakel, dat ik er niet veel smaak in heb. (_Zy zag my
zeer bedaart, doch niet minzaam, aan_.)
_Juffrouw Buigzaam_. O myn kind, speel niet met uw eigen geluk! (_Dit
woord brak myn trotschheid; ik rees op, omhelsde haar, schreide aan
haar hals; zy kuschte myne gloeijende wang, trok een stoel naast den
haren, en zei_:) Zit, myne Liefde; waarlyk, ik meen het wel met u.
--(_Ik kon niet spreken, ik snikte_.) Zy ging voort: De Voorzienigheid,
die alles in de zedelyke en natuurlyke waereld bestuurt, die altoos voor
alle hare schepzelen het beste beöogt, heeft u, tegen uw uitzicht aan,
by my gebragt. Dat ik u lief kreeg, was zeer natuurlyk; dat gy my met
achting behandelde, ingelyks. Ik leerde u kennen, ik zag, dat gy een
voortreffelyk jong mensch waart; en dat, zo gy altoos uw schrander
oordeel volgde, zo gy altoos[3] in goede handen vielt, vooral, zo gy de
vrouw wierdt van een achtingwaardig, u beminnent man, gy een voorbeeld
in het huisselyk leven zoudt kunnen worden, om dat gy u dan zoudt
verheffen boven uwe sterke neigingen tot zulke vermaken, die nooit onze
pligten moeten uit den weg stoten, of zy worden hoogst afkeurelyk. Geen
meisje van zulk een edelen geest doet ook iets uit dwang: en mogelyk zou
ik, indien dit het eenige goede middel voor u ware, uit alle vrouwen
minst geschikt zyn, om u nuttig te zyn.
Gy krygt gelegenheid om eene party te doen, die zelf uwe zalige Ouders,
(zyn zy nu nog vatbaar voor aandoeningen, die uit deeze beneden waereld
ontstaan; iets, dat my zo voorkomt,) moet verheugen. Elk, die belang in
u neemt, wenscht, dat gy toch moogt besluiten, om u van dat geluk te
verzekeren. De man, zo beminlyk, zo edel denkent, en zo volmaakt geschikt
voor u, als gy voor hem zyt. Wat doet gy? Dat gy hem nog niet genoeg
bemint, om hem u zelf te geven, daar op is niets te zeggen: maar gy geeft
u dermate toe in uitspanningen, die in 't oog vallen, dat de Waereld niet
nalaat, om u zó aftebeelden, als gy nooit worden kunt: men houdt u voor
_Coquet_, voor _une Dame du Ton_; voor een Meisje, dat zich, in alle hare
daden, geen ander oogmerk voorstelt dan Divertissement. Kan ik, die u als
myne eigen Dochter bemin, dit zien, zonder op u misnoegt, en over uw
gedrag zelf bedroeft te zyn? Gy weet, Liefde, dat ik geen behagen heb in
den Heer R.; ook niet, (dit volgt er uit,) dat gy met hem uitgaat. Ik kan,
dat is waar, u wel geen reden geven van deeze ongunstige aandoening; doch
gy weet echter, dat gy my veel genoegen zoudt aandoen, indien gy deeze, u
onschadelyke, opvatting in acht geliefde te nemen: dat doet gy niet; en
nog deezen namiddag geeft gy weêr uw woord.
_Ik._ Hadt gy my maar één woord gezegt!
_Juffrouw Buigzaam._ Wanneer moest ik u dit ééne woord gezegt hebben?
Vóór de zaak gebeurde? gy waart niet zo gehumeurt als voortyds; gy
hadt iets, dat u trof; en ik was de Confidente niet. ô Liefde! niets
ontglipt my van u; ik moet voor u zorgen, myne genegenheid gebiedt het
my, al zo zeer als myn pligt.
_Ik._ Ik heb vyanden: ik word gelastert.
_Juffrouw Buigzaam._ Dat kan niet anders: en zo gy voortgaat, met hen
stof te verschaffen, zullen zy u nog anders kwellen. Maar, (om ons
discours te vervolgen,) toen het voorstel geschiedde? Ei lieve, wat
recht heb ik, om u in gezelschap te behandelen of gy myne mindere
waart, aan wie ik alles mag zeggen? om, met één woord, als uwe
Gouvernante te handelen? Ik denk, dat dit u óók maar matigjes zou
hebben aangestaan.
_Ik._ Wel, wat kwaad is er dan in, dat ik met een fatsoenlyk man den
_Hortus Medicus_ ga zien?
_Juffrouw Buigzaam._ Net zo veel kwaad, als of gy u door Frits naar de
kerk liet brengen. Van het kwade spreken wy ook niet: al, wat dien naam
verdient, is beneden u; dat weet ik zeer zeker: maar zo gy waarlyk myne
Dochter waart, dan zou ik u, al wat u geen goed gerucht door uwe vyanden
kon geven, u volstrekt verbieden: _Het heeft immers zulk een haast niet,
zoude ik zeggen myn Heer; myne Dochter zal, met haar Voogd Blankaart,
die haar dit belooft heeft, den een of andren dag dat vermaakje wel eens
nemen._ Gy waart ook buitengemeen vriendelyk tegen hem.
_Ik._ Hy wordt, buiten zyn weten, om mynent wil beledigt; en dat valt
my te zwaar, om hem, ook buiten zyn weten, daar geene vergoeding voor
te doen: doch, zo uw mishagen gegront is, wel, gy zyt meestresse van
uw huis; wagt hem nooit meer af.
_Juffrouw Buigzaam._ Ik wagt hem nooit af. Hy is een fatsoenlyk man,
ik kan my, op zo eene directe wys, van myn recht als Meestresse ook
nog al zo niet bedienen: maar indien gy, ten zynen opzichte, minder
gemeenzaam waart; indien gy, als hy inkwam, opstondt, onder het een
of ander voorwendzel, en voornam, altoos te bedanken voor alle zyne
aanbiedingen, dan zou de Heer R. wel dra verdwynen, en ons geen
verschilstoffe aan de hand geven.
_Ik._ Daar toe heb ik geen reden; en dewyl ik hem niet anders ken dan
voor een fatsoenlyk, aangenaam man, die zich een eere maakt in my
plaisier te doen, kan ik daar niet toe besluiten: indien ik den Heer
Edeling beminde, indien ik hem eenige hoop gaf op myne bezitting, dan
was het eene andere zaak; en ik zou dan juist doen, zo als gy nu van
my eischt, dat ik doe.
_Juffrouw Buigzaam._ Ik eisch het niet van u; uw eigen geluk, uwe
achting voor u zelf, uwe achting voor den Heer Edeling, eischen dit.
_Ik_ heb niets te eischen: al wat ik doen kan, is u ten besten raden,
en dat doe ik waarlyk: gave de Hemel, dat myne zorg voor u geheel
nodeloos was! want, hoe het ook ware, uw ongeluk zou myn hart doen
bloeden. Ik bemin u, myn kind: ik zie zo veel goeds in u; uwe
dwaasheden zelf groeijen op den besten grond. (_Ik weende._)
_Ik._ Dierbare Vrouw! vergeef my deeze eene reis myne verkeerde losse
toegeventheid! Nooit, nooit zal ik weêr bedroeven, gy zult alle myne
daaden en gedagten regelen; ik zal den Heer Edeling recht doen. Ik heb
dit alles zo niet beschouwt, ô! Wat zou ik ongelukkig zyn, zo ik u
verloor! Dat zie ik meer en meer; maar ik zal alles vergoeden; ik zal
met u, en met Letje huisselyk leven; wy zullen niet dan met Edeling,
of haar Broêr, nu en dan eens een uitvlugtje nemen; als gy 't zelf
goed vindt, anders niet. Zie daar, ik geef my, ter myner verbetering,
geheel aan u over! (_Zy drukte my aan haaren boezem_.)
_Juffrouw Buigzaam_. Myn eigen lief kind! alles is nu wel, alles is
afgedaan; ik weet, dat gy het oprechtste meisje van de waereld zyt;
en dat gy ook doen zult, méér nog dan gy my belooft.
Na nog wat zittens en minzaam samenpratens, vroeg zy my, of wy wat
wilden gaan musiceeren? ô Zeer gaarn, zei ik. Zy droogde, met haar
eigen zakdoek, een traantje of vier af, kuschte my; haalde myn Voile
wat neêr, op dat niemand myn beschreit gelaat zien zou, (denk ik,) en
wy gingen elk voor 't Clavier. Nooit speelde zy zo verrukkelyk; al
hare tonen stemden met myn ziel, en zy zong haar favorite Air:
_Ah! que l'amour est chose jolie_!
zo heerlyk, dat myne vingers stil stonden. Vervolgens spraken wy van
den Heer Edeling, en over zyne t'huiskomst. Hebt gy hem, vroeg zy,
eenig gunstig onthaal toegeschikt?
_Ik_. Wel, ik verlang waarlyk, dat hy hier is; ik weet het niet, maar
er [is] iets zo ledigs, nu hy hier niet is: dunkt u dat ook niet? me
dunkt, dat Letje en hy zo recht by ons behoren. Ik wist niet, dat ik
zó over hem denken zou, nu hy hier niet is; doch 't is echter niet
anders. (_Zy glimlachte, en noemde my Engel_.) En vraagt gy nu,
"waarom vertrouwde gy haar den Brief van uwen Voogd niet toe?" Om dat
ik, zelf voor deeze dierbare Vrouw, niet wil weten, dat zy in dit
opzicht het zo wel hadt. Dit is mooglyk verkeert; maar neen: die
vernedering is my te smartelyk.
Ik was byzonder stil onder ons soupéetje; Juffrouw Buigzaam insgelyks;
beide mooglyk uit verdriet, dat wy verschil gehad hadden. Lotje durfde
niet spreken, dan met de Kat, en Hartog hieldt een deftig, styf,
peinsagtig air. Wy gingen vroeg naar bed, en nu schryf ik u deezen,
om hem by de eerste occasie te verzenden. Nagt Liefde. Kom spoedig by
Uw teder liefhebbende Vriendin
SARA BURGERHART.
P.S. De Brief van myn Voogd sluit ik hier in.
Noten:
[1] Vleiend.
[2] Ontstemd.
[3] Tenminste.
HONDERD-DRIE EN TWINTIGSTE BRIEF.
DE HEER R. AAN DEN HEER G.
_Vriend Jan!_
Uit is de klugt! de myne--de myne is zy, moet, zal zy zyn. ô! Dat lief
Bekje! En hadt gy waarlyk zin om den _Hortus Medicus_ te zien? Nu,
Schat, gy zult veel méér zien; of ik verdien voor schelm uit het
Regiment Ligtmissen gejaagt te worden. En kon Mevrouw Buigzaam niet om
huisselyke zaken? ô Ik heb achting voor _huishoudende Vrouwen_; gy doet
wel, schone Weduw!