Of ik my ooit het Huislyk leven in zulk een zagt licht heb voorgestelt,

als Smit het u afmaalt? Nooit anders! Ik was, schoon een kind, getuige

van Huisselyk geluk, in myne altoos dierbare Ouders. Dáár zit het my

niet, Naatje. Ik heb, tot nog, geen bepaalde uitsluitende genegenheid

voor iemand; en niets zal my dezen gewigtigen staat doen aanvaarden,

dan een man, die myne liefde en achting beide waardig is. Zo dra ik den

Heer Edeling, (niemand komt buiten hem in eenige aanmerking,) zo veel

liefde als achting kan toedragen, zullen alle mindere zwarigheden my

niet beletten, om den raad myner Vrienden te volgen.

De Heeren R. en Brunier zyn reeds in de zyd-kamer, om met Lotje en my

eens eene schone wandeling te nemen. Ik moet my eens vertreden, dunkt

my; ik ben echter zeer wel. Heb ik u al gezegt, dat Edeling uit de

stad is? Tot weêrziens! Groet uwen lieven aanstaanden Dominé, kusch

uwe Moeder, (hem ook maar,) voor

SAARTJE BURGERHART.

HONDERDSTE BRIEF.--Papa Edeling aan zijn zoon Cornelis: hij wou

eigenlijk diens raad als advokaat eens inroepen--Cornelis is n.l.

gepromoveerd!--_Wat tegen_ Hendrik _te doen_? Hemelsche goedheid: die

jongen houdt maar vol!--Hij heeft Sara gezien met R; "neen, meisje,

jij lijkt me niet! ik bedank je hartelijk!" _Nooit_!

HONDERD-EERSTE BRIEF.

DE HEER CORNELIS EDELING AAN DEN HEER JAN EDELING.

_Myn Heer, hooggeachte Vader!_

Hartlyk dank ik u voor den Wissel; waarop my reeds betaling geschiet

is. Ik hoop, dat ik u reden tot vergenoeging geven zal: ook omtrent de

sommen, my van tyd tot tyd verstrekt. Gy hebt my in staat gestelt, om

als een fatsoenlyk Student en Candidaat te leven. Ik heb zeker geld

verteert, doch my aan geenerlei lichtmisseryen, of aan grof spel te

buiten gegaan: maar ik weet, waarde Vader, dat gy op dit point de

edelmoedigheid zelf zyt.

Hoe leet is 't my te horen, dat gy op myn Broeder zo te onvreden zyt!

Ik weet wel, dat gy, en vooral van uwe Zoons, geen tegenspreken dulden

kunt; vergeef my deeze uitdrukking; maar, dewyl gy u wel wilt

vernederen, om myne gedagten te vragen, zal ik u die rondborstig en

in gemoede zeggen. Neen, gy kunt uw Zoon, die meerderjarig is, niet

beletten een meisje te trouwen, waar tegen gy niets, met eenige

zekerheid, hebt intebrengen, dan dat zy van de publycque Kerk is.

Onderneemt gy zulks, dan kan Hendrik u voor den Rechter roepen, en

zyt verzekert, dat hy daar de vryheid zal krygen, om haar te trouwen.

Ken ik echter myn weldenkenden Broeder, ken ik den eerbied en de

liefde, die hy voor zynen braven Vader heeft; dan zal hy tot dit

heftig middel zyn toevlugt niet, dan daar toe gedrongen, nemen.

Laat het my eenmaal vrystaan, myn geëerde Vader! u te vragen, of uw

mishagen in deeze jonge Dame gegront is. Hebt gy iets tegen hare

Familie, of tegen haar zedelyk karakter? Ik vertrouw, neen; myn

Broeder heeft die jaren en die bedagtzaamheid, die hem in staat

stellen, om eene goede keuze te doen. Nimmer heeft hy, in het

onërvarenste zyner jeugd, reden gegeven, om hem van de minste

losbandigheid te verdenken; en zou hy nu, nu hy dien tyd agter zich

heeft, zich zo verre vergeten, dat hy een meisje beminde, en wel met

het zuiver oogmerk, om haar te trouwen, die zyn verstand en hart beide

tot onëer strekte? Nimmer geloof ik dit. Mag ik u des bidden, maak

hem niet ongelukkig; spaar u zelf nodeloos en u zo nadelig verdriet:

Besluit er toe! Laat uw ouderdom in ruste en vrede ongestoort

voortglyden. Mag ik u ook herinneren, dat Hendrik van een eens wél

en dóórdagt besluit niet ligt is aftebrengen; voornamelyk als zyn

hart zo gezet is op de uitvoering van zyn besluit? Ik ken myn Vader,

ik waardeer hem, gelyk een dankbaren Zoon betaamt; maar hoop, dat ik

de vryheid zal hebben, om u eene Dochter aantebieden, waar tegen gy met

reden niets meerder dan tegen Juffrouw Burgerhart zult kunnen hebben.

Binnen eene maand hoop ik het genoegen te hebben, om u gezont te

omhelzen, en mondeling te betuigen, hoe zeer ik ben,

_Uw gehoorzame Dienaar en dankbare Zoon_,

CORNELIS EDELING.

HONDERD-TWEEDE BRIEF.--Aletta Brunier vertelt haar historie aan Sara:

_zij heeft eens lief gehad_, zekeren v. S. Die had geen geld; vader

vond dat hij eerst voor geld moest zorgen. v. S. ging naar de Oost;

't ging hem goed, maar _hij stierf er_. Onder dien druk leeft ze nog.

Zekere Heer Helmers steunde haar na vaders dood.

HONDERD-DERDE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.

_Myne tederbeminde Letje!_

Ik weet niet, wat andere menschen _intressant_ noemen; maar voor my is

_de geheime Historie van uw hart_ zeer intressant; om dat er voor my

zeer veel stof tot overdenken, en veel leerzaams in ligt opgesloten.

Ik heb, zonder eens uwe toestemming te vragen, uw Brief aan de beste

der vrouwen voorgelezen; en zie hier, het geen zy zeide: "Het verstand

van Juffrouw Letje is my zeer toegevallen: hare liefde omtrent zulk

een Vader was alleen in staat, om haar dus te doen handelen. Indien

Letjes Vader meer vrees dan liefde in zyne Kinderen verwekt, indien hy

min redelyk omtrent een onbedagten jongeling gehandelt hadt, dan zeker

zou Letje in dat ongeluk gejaagt zyn, waar voor hy haar echter poogde

te bewaren. Ziet gy wel, myn Burgerhartje, dat men zich niet waarlyk

nuttig voor anderen kan maken, dan door reden met minzaamheid te

verëenigen? De hemel belone hare kinderlyke onderwerping aan zulk een

Vader."

_Ik_. Wel, dat wensch ik zo sterk, dat ik hier aan graag de hand wil

lenen. Een braaf hupsch man, die ik zo lief heb of hy myn Broêr is,

en dien ik ook maar aan niemand geef dan aan myn Letje, hoop ik te

beduiden, dat hy met Letje veel beter te regt zal komen, dan met zo

eene stoute meid, als uwe dienares.

_Juffrouw Buigzaam_. ô! Gy zyt zeer gul! een ander te geven, dat men

zelf niet verkiest!

_Ik_. Ja! ik kan immers onmooglyk al de Borsten[1] nemen, die my nemen

willen? en doe ik dan niet recht _Economisch_, als ik het overschot zo

goed gebruik als ik kan?

_Juffrouw Buigzaam_. En wie is die, zo als gy zegt, kostelyke Vriend?

Edeling?

_Ik_. Edeling! neen: dien wou ik immers voor u schikken, maar myn

lieven goejen Willem Willis. Een jongen, zo braaf, en zo degelyk, dat

niemand dan Letje hem ooit, met myne toestemming, hebben zal.

_Juffrouw Buigzaam_. Gy doet my lachen.

_Ik_. Doen schreijen zou ik om geen duizend Waerelden; al waren er al

de Huizen Concertzalen, en al de Paleizen Schouwburgen; en dat is veel

gezeit.

_Juffrouw Buigzaam_. Ik beken, dat dit in u inderdaad al eene ongemene

grote opöffering zyn moet.

_Ik_. En dat ben ik met u volmaakt eens.

_Juffrouw Buigzaam_. Het is mooglyk wat heel onderzoekent in my, als

ik u durf vragen, of gy aan den braven Heer Edeling niets het minste

schryven zult?

_Ik_. Wel, gestelt zynde, dat de schaal, of liever de evenaar, krek in

't huisje stondt?

_Juffrouw Buigzaam_. Zo ik er iets aan doen konde, dan zou ik zeker er

zo veel gewigts opleggen, dat gy tot al[2] _schryven_ oversloegt.

_Ik_. Maar wat zal ik zulk een deftig verstandig man schryven?

_Juffrouw Buigzaam_. Wat? Ja, dat moet gy zelf beöordeelen: dit, myne

liefde, kan of mag ik u niet dicteeren. In ernst, kunt gy aan dien

deftigen verstandigen man niets melden, dat hem, in weerwil dier

hoedanigheden, aangenaam zyn zoude? Pleeg met u zelf raad.

_Ik_. Maar ik ben het met my zelf niet eens. Somtyds wilde ik, _dat ik

niet schryven wilde_; en somtyds wilde ik, _dat ik wilde_. Gy lacht!

Heb ik u dan niet gezegt, dat ik een misselyk figuur ben? geen vrouw

voor zo een man.

_Juffrouw Buigzaam_. Gy hebt vooröordeelen, myn hartje!

_Ik_. ô Duizenden; dat sta ik u ook toe.

_Juffrouw Buigzaam_. Maar kan zulk eene verstandige jonge Dame zich

verbeelden, dat dit toe te staan alles is, wat zy te doen heeft.

_Ik_. Ik geloof neen: zy moet die afleggen, en zo hoop ik van tyd tot

tyd ook te doen; en zo dra ik vast weet, dat ik dien eernaam, zonder

verwaantheid, niet geheel onwaardig ben, zal dat gaan of 't gesmeert

is: maak er staat op.

_Juffrouw Buigzaam_. Nu ik u dit herinnert hebbe, zal ik er

afscheiden. Ik bid u alleen te bedenken; dat, indien gy my eens in

vertrouwen kunt zeggen, dat de Heer Edeling uwe liefde, zo wel als uwe

achting gewonnen heeft, ik u een der beste oogenblikken van myn leven

zal verschuldigt zyn. Gaat gy uit, hartje, om dat gy zo in order

gekleet zyt?

_Ik_. Dit was myn oogmerk: de Heer R. zal my op 't Concert brengen.

_Juffrouw Buigzaam_. Zo!

_Ik_. Gy zyt heel _laconicq_, maar dat _zó_ spreekt gy _zó_ deftig

uit; hadt gy 't liefst niet?

_Juffrouw Buigzaam_. Hoeft gy my dat te vragen, daar gy weet, hoe zeer

ik uw byzyn bemin? Evenwel, ik heb geen recht om u uwe vermaken te

ontroven: indien gy liever met den Heer R. uitgaat, dan met my t'huis

blyft. Wat is er aan te doen? Ik ben uwe Vriendin, niet uwe

Gouvernante.

_Ik_. Laat ik u omhelzen, schoon, of liever omdat gy my zeer doet! ô

Myne moederlyke Vriendin, welk een verkeert meisje zou ik zyn, indien

ik uw gezelschap niet boven alle vermaken stelde? Wil ik het laten

afzeggen?

_Juffrouw Buigzaam_. Gy bedenkt dit wat laat: en wat zou de Heer R.

van uwe wispelturigheid zeggen?

_Ik_. ô! Daar bekommer ik my niets het minste over. Ik hoop niet, dat

ik aan hem rekenschap moet geven van 't geen ik doe; en zo hy 't

kwalyk neemt, is hy een gek, dat is 't al.

_Juffrouw Buigzaam_. Rekenschap geven? dat is weer wat sterk! maar ik

zie niet, dat hy geen reden zoude hebben, om misnoegt te zyn; dat

scheelt u weinig, zegt gy; goed! Ik weet, dat gy een trotsch meisje

zyt. Was het echter vroeger, ik zou u door uw t'huis blyven verpligt

zyn. Zo waar, daar is hy reeds om u.

Uit was ons gesprek. Maar ik betuig u, dat ik, met al myn musikale

drift, naauwlyks in staat was, om my op 't Concert niet te vervelen.

t'Huis komende was ik niet vrolyk. Zy sprak echter nergens over, want

Hartog en Lotje waren in de eetkamer. Ik zag haar nu en dan eens aan;

zy was beleeft, zy was vriendlyk,--maar ik was _Juffrouw Burgerhart_.

Myne lieve Letje, wat was dat voor my te zeggen! ik moest of

schreijen, of met Lotje aan 't malen; tot het laatste kreeg ik rasch

gelegenheid. Zy vroeg my, of ik op het groot Concert geweest, en of

het daar niet heel plaisierig was?

_Ik_. Al naar dat men zich zelf gestelt voelt: somtyds ja, somtyds

neen.

_Juffrouw Hartog_. Als men uitgaat met gezelschap, dat ons behaagt,

vermaakt men zich overal.

_Ik_. Dat is zeker, de ondervinding leert dit wel....

_Juffrouw Hartog_. En Juffrouw Burgerhart heeft zeker het aangenaamste

gezelschap aan den Heer R....

_Ik_. En Juffrouw Hartog is, niettegenstaande alle hare Geleertheid,

mooglyk niet in staat, om myn smaak juist zo wiskundig te weten.

_Juffrouw Hartog_. Ik oordeel uit de verschynzels.

_Ik_. En uw oordeel is mooglyk niet vry genoeg, om, wél waar te nemen.

_Juffrouw Hartog_. En het uwe mooglyk niet eenparig genoeg, om zo veel

te observeren, als iemand, die zonder belang toekykt: of gy moest u

inbeelden, dat ik u eene eer benyde, die ik niet eens verlang.

_Ik_. Als ik eens niets beter te doen heb, kon het gebeuren dat ik uwe

stelling wat nader zal beschouwen.

_Juffrouw Buigzaam_. Het is dunkt my, wel een zeer armoedig vermaak,

elkander te tonen, dat men meer vernuft dan goedhartigheid heeft.

Ik verstond dit, en zweeg; een schampere lach van Hartog zelf kon my

niet aan 't praten krygen. Lotje, zei ik, wanneer gaat gy eens by uw

Oom en Tante?--ô Als gy maar wilt, al was 't morgen.--Bestig, zei ik,

als 't goed weêr is, zullen wy er eens heen kuijeren. Zy was zeer

blyde met deeze presentatie. 't Was redelyk laat. Juffrouw Buigzaam

schelde, om 't licht op de slaapkamers optesteken, stondt op; ik neeg

zeer beleeft, en kreeg een--_nagt, lieve Juffrouw_. Lotje rammelde my

nog een hope voor; en ik hield my of ik sliep, om haar te doen zwygen.

Ei! dagt ik, die verwenschte Jongens! zie daar, zy zyn het, die ons 't

leven onaangenaam maken; Edeling zo wel als de rest. Vaarwel, myne

Beste.

Ik ben uwe Vriendin,

SARA BURGERHART.

P.S. Ik ben deezen namiddag by Oom Dirk geweest. Tante is eene lieve

Vrouw; Oom? Ja, ik kan 't u niet beduijen: Een dot garen, die allemaal

in de war zit. ô Welke mannen, Letje! en moeten wy ook trouwen? dat

ziet er gek voor ons uit.

Noten:

[1] Jongens.

[2] wel.

HONDERD-VIERDE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan Hendrik Edeling; houd maar

moed; ze heeft uw vader gezien, _bevalt haar niet_, maar ze zal u zelf

schrijven.

HONDERD-VIJFDE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER HENDRIK EDELING.

_Wel-edel Heer!_

Myne achting voor u moet wel zeer ongegront zyn, indien ik ooit reden

heb my te beklagen over het schryven deezes Briefs. Dit stel ik onder

het onmooglyke; ik zal des, in dit opzicht, aan uw verzoek voldoen.

Zie my voor zo eene Beuzelaarster niet aan, dat ik my niet zoude

verëert achten met de gevoelens, die gy voor my betuigt. Waarlyk, myn

Heer Edeling, ik zie zéér wél, dat gy verdient met onderscheiding

behandelt te worden. Indien gy niets meerder begeerde dan myne

vriendschap, zeer weinig zoudt gy meer te wenschen hebben! Doch ik

zoude u onëdelmoedig behandelen, indien ik u reden gaf om te denken,

dat ik in u iets anders dan eenen Vriend beminde. Het zal my, in dat

karakter, hoogst aangenaam zyn u weêrom te zien; want ik ben met

byzondere hoogachting,

Uwe Dienares,

SARA BURGERHART.

HONDERD-ZESDE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.

_Myn Heer, zeer geachte en beminde Voogd!_

Myn pligt eischt, dat ik u het volgende melde. De Heer Hendrik Edeling

heeft by my aanzoek gedaan. Indien ik immer van staat verander, verdient

hy my daar toe te doen overgaan, of ik verdien hem niet; maar ik heb

geen zin in voor eerst hier toe te besluiten: Nog geen twintig jaar, en

zo volmaakt gelukkig als ik nu ben! Ik heb echter billyk geöordeelt u,

die my als een Vader bemint, dit te zeggen; want van uwe goedkeuring ben

ik reeds verzekert. Myn verlangen naar uwe komst is zo groot, dat ik die

niet kan uitdrukken. De waardige Vrouw groet u met achting, en ik ben,

met een dankbaar hart,

Uwe gehoorzame Pupil,

SARA BURGERHART.

HONDERD-ZEVENDE BRIEF.

NAAMLOZE BRIEF AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.

_Myn Heer!_

Myne achting voor u, en de droevige gevolgen, die ik voorzie, doen my

u het volgende schryven. Uwe Pupil gedraagt zich op eene wyze, die

haar bespot, ja veracht, en u veel verdriet moet maken. Men ziet haar

overal, en nu meest altoos met eenen Heer R.; een man van rang en

grote goederen, maar ook een onzer eerste Ligtmissen. De Dame, daar

zy, nevens nog drie Juffrouwen, logeert, ziet dit alles, en vindt

echter (schynt het,) goed, om dit onvoorzigtig ligtvaardig meisje

haren gang te laten gaan. Zy is niet ryk; en grootschheid beeft voor

niets zo zeer dan voor armoede. Meer zeg ik niet. Hoef ik meer te

zeggen? Uwe Pupil is ook zeer verkwistent in hare uitgaven; indien zy

geene presenten aanneemt; dat ik niet weet. Zeker Heer loopt haar na;

en ik geloof, dat zy dien man aanhoudt, om, ten behoorlyke tyde, hem

(mooglyk) te trouwen; indien zyne oogen nog niet bytyds open

gaan:--Doch zy heeft hem betovert;--zo doet zy elkëen.

Dit alles smart my! Ik beöog haar welzyn, en stelle u daarom in staat,

om haar hier over, zo 't u goeddunkt, te onderhouden. Ik hoef u niet

te zeggen, wie ik ben, en van welke Sex;--dit doet er niets toe:--zo

gy wys zyt, doe uw voordeel met myn bericht; en zo gy er een goed

gebruik van maakt, kan ik u meer melden. Intusschen ben ik met achting,

MIJN HEER!

_Iemand, die 't wel met u meent_.

HONDERD-AGTSTE BRIEF.

DE HEER JAN EDELING AAN DEN EERWAARDIGEN HEER EVERART REDELYK.

_Waarde Broeder!_

Wat zegt gy nu, _mon bon Pasteur_, van uw lieven Neef Hendrik? dien je

immers, met je eigen handen, zelf, in myn huis, gedoopt hebt; die, had

ik hem in myne zaken kunnen missen, volgens uw raad en zyn begeerte,

tot Predikant zoude gestudeert hebben; die wil nu met drommels geweld

trouwen met een _wilde_ meid _buiten onze Kerk_; met een _Gereformeert_

Nufje. Nu, daar moest hy maar eens om komen! Verbruit, Pastoor, ik heb

het zo Satans op hairen en snaren gezet; want, nu myn lieve vrouw dood

en weg is, regeer ik als Koning. Uw Zuster was de beste vrouw van de

waereld: doch te mal met de Jongens. Luter zelf zou niet meer uitgevaren

zyn in zo een geval als ik. Ja! fluiten! Daar hebje nu de boel over de

reê, en hy geeft voor, dat ik hem ongelukkig zal maken, indien hy haar

niet krygt; met nog eene hele turfmand vol zulk geziegezaag, daar de

jongens zo veel meê ophebben.

Ziet gy, Pastoor, ik zou myn hoofd daar niet meê breken, maar Hein ziet

er gansch ongedaan uit: hy kan niet tegen moeite; (ja, ik heb al rare

jongens ook!) Neen: nooit laat ik dat toe. Maar den jongen evenwel zo

maar te laten sterven, dat wil ook niet. Hy is zó bedreven in onze

affaire, dat ik gerust myn flesje kan drinken, myn pyp roken, myn

kolfje slaan, zonder dat er iets verzuimt wordt. Zo dat, dit kan ik

ook nog al niet voor God verantwoorden. Ik heb ook een Brief geschreven

aan haren Voogd; niet twyfelende of hy die zo styf _Grotekerks_ is, als

ik oud rechtzinnig Luters ben, zou even eens denken als ik op dit stuk.

Maar zie daar! daar kryg ik zo een antwoord. De drommel mogt met hem

redeneren, en ook ik versta zyn Brief niet genoeg. Het komt my vóór, dat

hy al vry grappig over 't Geloof denkt, en het zou veranderen, even als

hy zyn rok veranderde, indien hy meende, dat eens anders geloof beter

was. Hy spreekt net als uw lieve Neef van Broederschap. 'k Zeg

_Broederschap_! Het zit er op met dat Broederschap, als verguldzel op

een duits[1] balletje. Men hoeft maar eens op hoogtyden, en zo, in de

Kerken te gaan; daar zeg jelui Eerwaardens malkander hele Broederlyke

dingetjes. Nu, dat mag ik wel horen: de Kerk is er voor, om het Geloof

vast te houden. Elk moet zyn winkel voorstaan; dat is niet anders.

Hoor, Pastoor, ik ben Luters, en dat, wil ik, zullen myn jongens ook

zyn, of 't zal er vreeslyk houden. En die Bram is nog al heel wys met

zyn Meisje! Ik zou nog, met myn beste pruik op, en den nieuwen zwarten

rok aan, heel beleeft moeten vragen, of ik de eer mogt hebben ... weg

... weg!

Ik heb haar ook in een Herberg gezien, met nog twee wilde Knapen, en

een andere Juffrouw. Hoor, ik zal 't nooit toestaan: ik wil geen

vreemt goed in Luters erfdeel; dat's maar uit. Geef me nu raad: wat

moet ik doen? Schryf my eens, Broêrtje, hoe u dit klugtje van Heintje

bevalt? Groet de Pastoorse, die my ook altyd ligt te katechiseren: ja,

ik ben maar te goed.

Blyve met grote achting,

Uw Eerwaardes

_Dienaar, Vriend, en Broeder_,

JAN EDELING.

Noot:

[1] Van een duit waarde.

HONDERD-NEGENDE BRIEF.--Everart Redelijk antwoordt: hij is het heelemaal

met Blankaart eens en vindt de handelwijze van zijn zwager dwaas.

HONDERD-TIENDE BRIEF.--Broeder Benjamin aan Cornelia Slimpslamp: Suzanna

weifelt; ach Heere, help! Wij moeten ze voor ons houden. Laat Cornelia

haar vergeving vragen.

HONDERD-ELFDE BRIEF.

MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP AAN DEN BROEDER BENJAMIN.

Wie heeft ooit groter gek gezien, dan Benjamin? Hoe is het? Fopje my

wat, of hoe weêrgâ zit het? Voor my veinzen? Voor my de fijne Filebout

uithangen! Laat naar je zien, zotte jongen. Wy moeten haar bedriegen;

dat's 't al. En daarom moeten wy de handen in éen slaan. Zouden wy zo

een zot dier ooit gezogt hebben was 't niet om den smul? en gy houdt

u van de mallen? Ja, Blankaart, kent ons zeer wel.

Hoor, Ben, de frettery is uit: wy moeten haar nu nog plukken, en

dan--de hele Waereld is voor ons open. Zy moet het gelag betalen: de

jonge Juffrouw B. moet er niet by lyden. Blankaart is een Duivel van

een vent, hy liet u publiek geesselen, en ik moest in 't Spinhuis, zo

wy aan haar goed ons vergrepen; ik weet wel, dat er los geld is; en

dat zy intrest moet ontfangen; alles mondeling. Toon nu, dat gy my

lief hebt: ik zal 't Briefje schryven, en morgen er gaan. Kom ook.

't Geweten? ô dat is een bullebak voor u en my.

_Die gy kent_.

HONDERD-TWAALFDE BRIEF.

MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND.

_Lieve Vriendinne!_

Daar heb ik, als ik alles nareeken, zo een twee dagen en drie uuren in

de magt des Satans geweest: hy gaf my die godloosheid in. Hy heeft my

verleit.

Och Zusje, Zusje! ik ben gevallen: ik ben wanhopig, ik ben elendig.

Die duizend-konstenaar was het, die my dien gruwelyken brief deedt

schryven. Zo heb ik te veel op eigen kragtjes vertrouwt, och ja! mogt

ik er maar door geraakt zyn, en nooit weêr op my zelf vertrouwen. ô!

Het ging my, zo als de Eerwaarde van der Kwast plagt te zeggen: _de

Conscientie is de Klapperman uit de hartestraat, die de menschjes

waarschuwt voor den brand van de Hel_. Gelukkig, dat myn oude mensch

niet te diep was ingeslapen; och! dat was regt dierbaar.

Verberg toch alles, om der Vromen wille. Gy kent de diepten des Satans.

Mag ik morgen by je komen, en dan blyven op 't geen je maar hebt?

Schryf my dit, of ik verval tot wanhoop.

Uwe zwakke Zuster,

CORNELIA SLIMPSLAMP.

HONDERD-DERTIENDE BRIEF.

DE BROEDER BENJAMIN AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP.

_Zusje Lief!_

Ik begryp je! Wees gerust: om u sta ik den Duivel. Ik heb het zeer

druk in myn werk, doch kom morgen; ik ben al verzogt. Alles is om het

hare, en om u.

_Gy kent my_.

HONDERD-VEERTIENDE BRIEF.

MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP.

_Keetje Zusje!_

Wat is er een pakje van myn hart! Neen, dat kon ik niet doen, myn

geweten wilde niet. Nu is 't weêr licht by my; ik heb alles verbrant.

Kom tog vroegjes: och! ik ben zo ontstelt geweest. Nu, Bregtje zal

_het Gemeste Kalf_ slagten, omdat ik myne Zuster heb weêr gevonden,

die in 's Duivels hol gezeten heeft. Broertje komt ook, hy is zo

gemoedelyk in zulke dingetjes. Zo komt het goed uit het kwaad; en nu

is myne ziel weêr gebonden aan uwe ziel: niet waar?

Uwe Zuster in den Here,

Z. HOFLAND.

HONDERD-VIJFTIENDE BRIEF.--Smit aan Willem Willis; spoedig zijn ze

zwager. Hij heeft Aletta Brunier gezien en gesproken: _net een meisje

voor Willem!_--Willem's patroon spreekt heel gunstig over hem.

HONDERD-ZESTIENDE BRIEF.

DE HEER R. AAN DEN HEER G.

_Jan lief!_

Haal my de Satan! ik ben nog even wys! ja, ik zie het hexje nu en dan;

ik heb ook met haar op het Concert geweest; maar ik ben nog even na,

als toen ik begon. Hoe moet ik het aanleggen? _Liflaffen_?[1] dan

lachte zy my van myn stuk; haar met een stemmig bakkes zeggen, _dat ik

haar bemin_? Och! dat gaat haar niet eens aan haar koude kleêren, (zo

als de meisjes zeggen.) Had ik haar maar ergens, daar myn haan koning

kraait, dan zou 't procès spoedig aflopen: en zy zal niet zot genoeg

zyn, om zich te durven inbeelden, dat ik een Burgers Dochter zal

trouwen. _Sultane Favorite_, Jan: is dat niet dubbelt wel? als _ik_,

Frederik de eerste, haren Soliman ben. Ben ik evenwel niet een

_Opgewarmt Bier_ en _Broodskind_, gelyk myn Oom, de Kapitein, zyne

Matrozen noemt, dat ik zo een charmante meid niet tot myn vrouw maak?

Lief heb ik haar, waaragtig; dat is 't maar! Anders zou ik dus lang

niet het masker voorhouden. Zy stondt al lang op de grote lyst. Maar,

wat praat ik van liefde tegen zulk een liederlyken knaap als gy zyt?

Een vrouw is by u een vrouw--loop, gy zyt myn gebabbel niet waardig.

Ik heb echter nu een ander plan: dat zal niet missen; en, zo de Weduw

het in 't hooft krygt, om hare jonge Vriendin te geleiden, (zy ziet er

óók wel uit,) dat zal den koop niet breken. Zoudt gy niet zeggen, dat

ik al een gansch karel ben, als gy my zo hoort snoeven en pochen?

Waarlyk, ik bemin haar; dat is al de zwarigheid; en nooit verlaat ik

het Wicht, of ik ben razent zot naar haar; en wat denkt gy? Ik heb nog

nooit haar hand gekuscht; 't is waaragtig, Jan. Zy is onnozel[2], dit

is het, dat my zo ingetogen maakt: want, hoe vele vrouwen ik ook

bedorf, ik heb nog al reguart voor brave meisjes. Een ligtvaardige is

myn Pop niet, al was zy zo schoon als deeze meid.--Doch dit is _to

Bliktri_ voor u.

Vaar dan wel.

R.

Noten:

[1] Vleien, hofmakerijen.

[2] Onschuldig.

HONDERD-ZEVENTIENDE BRIEF.--Cornelis schrijft heel hartelijk en aardig

aan H. Edeling, maar ... raad weet hij niet: _vader blijft onvermuwbaar_.

Raadt hem aan eens aan oom Redelijk te schrijven.

HONDERD-ACHTTIENDE BRIEF.

DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER JAN EDELING.

_Myn Heer, hoogst ge-eerde vader!_

De zaak, die my, volgens uwe altoos geëerde orders, hier zo vele dagen

gehouden heeft, is naar uwen wensch volkomen afgedaan. Ik vleije my,

dat gy genoegen zult nemen in den yver, dien ik heb aangewent, om het

dermate te dirigeren, dat ik u rekenschap van alles doen kan.

Mag ik nogmaals de vryheid nemen, om te zeggen dat myne liefde voor

Juffrouw Burgerhart gegront is op de braafheid van haar hart, en dat

ik _volmaakt ongelukkig_ zyn zal, indien zy de myne niet wordt? Wat

men ook moge uitstrooijen, zy is, en verdient te zyn, het voorwerp

myner hoogste achting; en zy deelt nimmer in andere vermaken, dan die

betaamlyk zyn, noch verkeert met menschen, die, om een slegt karakter,

behoorden vermyt te worden.

Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart · 第 8 / 15 段