AANTEEKENINGEN

[1] Van Wijk Roelandszoon, Aardrijkskundig Woordenboek, in voce.

[2] A. J. van der Aa, in de Vriend des Vaderlands, 1835, IX. bl. 720.

[3] Zie zijne Beschrijving van Amsterdam, Dl. III. bl. 84, en De

Tegenwoordige Staat der Nederlanden, Dl. VIII. bl. 628.

[4] In een artikel in het Nederlandsch Magazijn, 1834, bl. 218,

geteekend G. V. S. Vermoedelijk dezelfde, aan wien men ook het artikel

over Urk in van der Aa's Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden,

Dl. XI, bl. 396, verschuldigd is. De daar gebezigde bewoordingen zijn

althans dezelfde.

[5] Aloude Staat en Geschiedenis des Vaderlands, 1847, Dl. I. bl. 239,

noot.

[6] Het oudste berigt dienaangaande vond ik in de kopij van eenen

brief van N. Witsen aan G. Cuper, gedagteekend 18 Augustus 1709 en

voorkomende onder de nagelaten papieren van wijlen Mr. Jac. Scheltema,

thans berustende bij zijnen neef den Hoogleeraar C. A. Bergsma. Witsen

schreef daarin: »Men bespeurt mede, dat bij zeer laag water

omtrent het eiland Wieringen zoet water uit den grond ontspringt,

hetgeen gewisselijk uit de onderaardsche kanalen komt. Ik meen ook

aan UEd. gezegd te hebben, dat wij een put op Urk hebben, die met

den IJssel rijst en daalt." Wagenaar (Beschrijving v. Amsterdam,

Dl. III. bl. 84,) vermeldt hetzelfde, er echter bijvoegende, dat hem

verzekerd is, dat het water dezer put regenwater is, hetwelk van

de hoogte afspoelt, en toe- of afneemt naar dat er veel of weinig

regen valt. Van der Aa (l. c. p. 725) maakt gewag zoowel van eene

rijzing en daling van het water in de putten met het tij der zee,

als van eene beantwoordende aan den waterstand in den IJssel. Alleen

het laatste wordt vermeld door den ongenoemden schrijver in het

Nederlandsch Magazijn. De gronden, waarop deze meeningen steunen,

worden door geen hunner aangegeven.

[7] Geschied- en Letterkundig Mengelwerk. 1834, D. VI. St. 2. bl. 97.

[8] De gebezigde boor was vervaardigd door W. Jenken te Utrecht,

en voorzien, in plaats van een' lepel, van eene ter zijde opene

buis, eindigende in eene kegelvormig toeloopende schroef met ruime

windingen. Deze soort van grondboren heeft het voordeel, dat de

spiraalwindingen der schroef de in de buis opgeboorde grond als eene

klep afsluiten en bij het ophalen tegenhouden.

[9] Deze afstanden zijn gemeten op de fraaije en uitvoerige kaart

der Zuiderzee, vervaardigd door den Luitenant ter Zee eerste Klasse

A. van Rhijn, 1848 en 1849.

[10] De bepaling van den aard en van de mineralogische bestanddeelen

der op Urk gevonden steenen is geschied onder de even ijverige als

welwillende medewerking van mijnen vriend Dr. J. R. E. van Laer.

[11] Eene vergelijking met Portlandkalk van Kandern in Baden, van

Baune bij Poventruy in Zwitserland, en de lithographische steen van

Solenhofen, leerde, dat in allen zeer vele der zamenstellende deeltjes

meer of minder den bovengenoemden vorm hebben, het duidelijkst in

de eerstgenoemde. Deze zamenstelling is merkwaardig, vooral indien

men haar vergelijkt met die van het krijt, hetwelk enkel uit amorphe

moleculen bestaat, waartusschen de Foraminiferen-schalen besloten

liggen. Uit een vroeger onderzoek (zie Tijdschrift voor Natuurlijke

geschiedenis en Physiologie 1842, Dl. X. bl. 208) is mij namelijk

gebleken, dat, terwijl een bij lage temperatuur ontstaan praecipitaat

van koolstofzuren kalk geheel amorph is, en, in weinig geconcentreerde

oplossingen gevormd, uit even zulke moleculen bestaande, als die welke

het krijt zamenstellen, er daarentegen zich bij hoogere temperatuur

bovendien rhomboëdrische kalkspaathkristalletjes afzetten, en dat,

bij eene temperatuur die 34° C. te boven gaat, het praecipitaat

alleen uit zulke kristalletjes bestaat. Dit doet vermoeden, dat ook

de verschillende vorm der deeltjes, welke de genoemde kalkgesteenten

zamenstellen, moet worden toegeschreven aan de verschillende

temperatuur van de zee, waaruit zij zich hebben afgezet.

[12] Abbildung und Beschreibung der Petrefacten

Deutschlands. Taf. 53. fig. 2.

[13] Mineral Conchology of Great Britain V. T. 459. fig. 3.

[14] Synopsis of the classification of the British palaeozoic rocks,

by A. Sedgwick, with a detailed systematic description of the British

palaeozoic fossils, bij F. McCoy, 1851. II. p. 136. T. I. E. fig. 3.

[15] Min. Conch. VI. T. 535. fig. 1.

[16] L. c. V. T. 403. fig. 1.

[17] Natuurlijke Historie van Holland, Dl. II, bl. 413.

[18] In het jaar 1660 werd het eiland door zijnen toenmaligen heer

Johan van de Werve verkocht aan de Stad Amsterdam. Zie Wagenaar,

Tegenw. Staat der Nederl. Dl. VIII. bl. 630.

[19] Zie Houttuyn's Natuurlijke Historie volgens het samenstel van

Linnaeus. Dl. XXXVI. bl. 206.

[20] De kaart van het eiland zelve is vervaardigd naar eene kopij der

in 1823 gemaakte kadastrale kaart, welke kopij bij den Burgemeester

van het eiland berust. Ik heb daarin, naar eigene opmetingen op de

plaats zelve, alleen die kleine wijzigingen aangebragt, welke door

de sedert genoemd jaar ontstane veranderingen noodig waren geworden,

en er tevens de door waterpassing gevonden hoogten van eenige punten

op aangeteekend.

[21] Bij de eilanders bestaat het vaste geloof, dat deze steenen weder

aangroeijen. Een hunner bragt mij, om mij daarvan te overtuigen,

bij een groot granietblok , aan welks ééne zijde eene uitpuilende

verhevenheid gezien werd, die, volgens hem, een uitwas zoude zijn. Het

zal ter naauwernood behoeven gezegd te worden, dat dit uitwas uit niets

anders bestond dan uit een stuk kwarts, hetwelk aan de verweêring en

afslijting meer weêrstand had geboden dan de naburige bestanddeelen.

[22] Zie de Prijsverhandeling van Hausmann, in de Natuurkundige

verhandelingen van de Holl. Maatschappij, Dl. XIX. bl. 292.

[23] Wagenaar, Tegenw. Staat, Dl. VIII. bl. 630. De tegenwoordige

vuurtoren, van een draaijend licht met eene Argandsche lamp en drie

Fresnelsche lenzen voorzien, is, gelijk het opschrift meldt, opgerigt

in 1844, onder het bestuur van Jonkheer A. C. Twent, Inspecteur van

het loodswezen.

[24] Wagenaar ibid.

[25] Scheltema, Mengelwerk, Dl. VI. St. 2. bl. 77. Het is ook op grond

dezer feiten, dat Scheltema vermoed heeft, dat Urk, met het Enkhuizer

zand vereenigd, het eiland Flevo zoude hebben gevormd. Acker Stratingh

(L. c. p. 238) houdt deze meening voor onwaarschijnlijk, omdat het Val

van Urk beide vaneen scheidt. Zonder in het minste partij te trekken

voor het gevoelen van Scheltema, doe ik hier echter opmerken, dat het

Val van Urk niet zóó diep is, dat dit eene vroegere aaneensluiting

onmogelijk zoude maken. De grootste diepte bedraagt 5,6 el, terwijl de

veenbedding onder Amsterdam op sommige punten eene nog iets grootere

diepte bereikt.

[26] Eene langwerpige smalle zandplaat, zijnde eene voortzetting van

het Enkhuizer zand, in eene zuidwestelijke rigting.

[27] Tijdschrift voor Natuurlijke Geschiedenis en Physiologie,

1842. Dl. IX. bl. 17 en 268.

[28] L. c. bl. 285.

[29] L. c. bl. 342.

[30] Het is bekend (zie onder anderen Vogt's Lehrbuch der Geologie,

II. s. 38 en verv.), dat elke deltavorming steeds vergezeld gaat van

het ontstaan van dergelijke lagunen. De door den Nijl en de Po gevormde

delta's leveren er vooral de duidelijkste voorbeelden van. Wat dat

gedeelte des bodems van ons vaderland in het bijzonder betreft, hetwelk

eene deltavorming van den Rijn, de Maas en de Schelde is, zoo kan men,

steunende op hetgeen de waarneming elders geleerd heeft, en op onze

kennis aangaande den aard der gronden, welke dien bodem zamenstellen,

zich van deszelfs ontstaan de volgende algemeene voorstelling vormen.

Toen de bodem der zee door het gestadig afgevoerde rotsgruis was

opgehoogd tot op eene geringe diepte onder het watervlak, namen de

verdere ophooging en drooglegging haren aanvang aan de randen der

delta, derhalve aan de zeezijde. Waar zand den zeebodem bedekte,

vormden zich duinen uit het zand, dat, tijdens de eb droog geworden,

door den heerschenden Westen- en Noordwestenwind tot hoopen werd

opgestuwd. Waar de zeebodem met klei bedekt was, werd deze in fijn

verdeelden toestand, met het water, gedurende den vloed, aangevoerd,

en tijdens de eb als slib achtergelaten, hetgeen bevorderd werd door de

reeds in het ondiepe water groeijende strandplanten, en zoo ontstond

een schoor wal op dergelijke wijze als zulks, vooral langs de kusten

onzer noordelijke provinciën, nog heden ten dage plaats grijpt. De

aldus langs de randen der delta opgehoogde bodem vormde aanvankelijk

eene reeks of keten van eilanden, die de lagune begrensden, welke

toen nog met brak water gevuld was. Allengs echter vereenigden zich

deze eilanden, totdat er eindelijk nog slechts hier en daar opene

ruimten overbleven, waardoor de zee het water uit de lagune ontving,

waarin het zoete water der rivieren zich uitstortte. Door dezen meer

beperkten toegang der zee, hield het water in de lagune eindelijk ook

op brak te zijn, en toen ontstond op de ondiepste plaatsen der lagune

eene vegetatie van zoetwaterplanten, welke jaarlijks afstervend, maar

ook telken jare door eene nieuwe vegetatie opgevolgd, onder den vorm

van veen, tot de ophooging des bodems krachtig bijdroegen. Deze

veenvorming, langs den westelijken en noordwestelijken zoom

aangevangen, strekte zich van lieverlede meer binnenwaarts uit,

totdat eindelijk van de vroegere lagune slechts een meer overbleef,

waarin een der Rijnarmen zijn water ontlastte, dat daaruit noordelijk

zijnen verderen weg naar de zee vond.

[31] Deze meeningen zijn:

1o. Het eiland Flevo bestond uit Urk en Schokland vereenigd (Ortellius,

Alting, Wagenaar, Acker Stratingh).

2o. Het was het tegenwoordige Vlieland (Junius).

3o. Het lag op de plaats van het tegenwoordige Breezand, dus tusschen

Texel en de Friesche kust (Cluverius, Engelberts, Arend, van Lennep).

4o. Het nam de plaats in, waar thans het Enkhuizer zand is gelegen,

en waarmede het eiland Urk vereenigd was (Scheltema).

5o. Het omvatte, behalve het Enkhuizer zand, ook nog een vrij groot

gedeelte van Noord-Holland (Ottema, Eekhoff).

Het spreekt van zelf, dat bij de vier laatstgenoemde meningen tevens

wordt aangenomen, dat Urk en Schokland tot den vasten wal behoorden.

De lezer, die over dit onderwerp zich nader wenscht te onderrigten,

verwijs ik naar Dr. Acker Stratingh's Aloude Staat en Geschiedenis

des Vaderlands, Dl. I. bl. 240 en vervolg, waar hij tevens de bronnen

vindt aangegeven.

[32] L. c. p. 629.

[33] Overijsselsche Almanak voor oudheid en letteren 1847, bl. 271. Het

gewigt der zaak noopt mij daaruit het volgende over te schrijven.

»Tusschen Schokland en Urk op 2/3 van 't eerste en 1/3 van Urk, is eene

plaats in zee, algemeen onder den naam van het Kerkhof bekend. Nog

heden zijn er muren van drie voet boven den bodem der zee, en door

een 80jarig, onlangs overleden man, volgens zijn zeggen, bij laag

water gezien; en dat men hier tevens aan eene kerk moet denken, wordt

hoogst waarschijnlijk. Op Schokland leeft thans Bruin Visser, wiens

vader, in 1842, in 91jarigen ouderdom, is overleden. Deze grijsaard

was voor 70 jaren (dat is omtrent 1772) met zijn visschuit over het

Kerkhof gevaren, en had toen in zijne netten een kerkkandelaar, van

welk metaal wordt niet gemeld, gevonden, en dezelfde man getuigde,

dat de heden nog in de Roomsche kerk op Emmeland aanwezige doopvont,

vandaar gehaald was."

Wat de schrijver er verder op laat volgen, aangaande eene uit kei-

of balsteenen bestaande streep in zee, welke van Schokland, in de

rigting van dit Kerkhof, ver in zee loopt, en door de visschers een

straatweg wordt genoemd, schijnt minder bewijzend, daar dergelijke in

de Zuiderzee menigvuldig voorkomende stroken van meerdere of mindere

uitgestrektheid (zie ook de Konst- en Letterbode 1847. I. bl. 82)

hoogstwaarschijnlijk niet anders zijn, dan ontbloote zand- en

steenruggen, van dergelijken aard als het rif, dat Urk omgeeft,

gelijk reeds door Acker Stratingh (L. c. p. 245) te regt is opgemerkt.

[34] In het zeewater uit de haven van Urk vond ik in 1000 deelen 5,808

d. chlor. Uitgaande van de door Mulder (Scheikund. onderzoekingen,

Dl. VI) bewezen stelling, dat de zouten van het zeewater steeds in

dezelfde betrekkelijke hoeveelheid voorhanden zijn, en van de door hem

(bl. 34) aangegeven zamenstelling, dan vindt men, door berekening,

dat in 1000 deelen van het zeewater bij Urk bevat zijn:

Zwavelzure kalk 0,471

Zwavelzure magnesia 0,680

Chlormagnesium 0,999

Chlormagnesium sodium 8,326

Chlormagnesium potassium 0,109

Brommagnesium 0,018

Koolstofzure kalk 0,004

Kiezelzuur 0.001

======

Som 10,608

[35] Uit den begeleidenden brief van den heer Nahuys aan den

Hoogleeraar Schroeder van der Kolk ontleen ik het volgende.

»In het jaar 1845 liet de Baron van Lijnden van Hemmen te Wageningen,

nabij den oprid van den Wageningschen berg, bij het Leksies veer,

niet ver van den zoogenaamden eersten Christen tempel, aan de

helling van de Rijnzijde van den berg, een gedeelte van dezen

zinken, om hetzelve tot een strook bouwland aan te leggen. Bij

die gelegenheid werden aldaar ook vele menschenbeenderen gevonden,

hetwelk te meer verwondering baarde, omdat het geheel onbekend was,

dat aldaar ooit eene begraafplaats geweest was. Dit vernemende, werd

mijne belangstelling opgewekt, en in de nabijheid (te Oosterbeek)

zijnde, verzocht ik den Baron van Lijnden de toestemming om aldaar

oudheidkundige onderzoekingen te mogen doen en des noodig eenige

vergravingen te mogen doen bewerkstelligen, hetgeen mij door gemelden

eigenaar niet alleen welwillend werd toegestaan, maar zelfs werden

eenige arbeiders ter mijner dispositie gesteld, om mij bij het doen

van onderzoekingen aldaar behulpzaam te wezen.

»Hierop begaf ik mij van Oosterbeek naar gemelde plaats met den

Baron van Wassenaar tot Catwijck en met den heer Spiering uit

Tiel. Op het terrein komende overtuigde ik mij niet alleen, dat

overal menschenbeenderen op den omgezetten grond waren, maar de

werklieden, die aldaar arbeidden, lieten ons eenige schedels zien,

en verhaalden ons, dat er nog veel meer gevonden waren, welke zij ook

maar weder onder den grond gestopt, en sommige aan den rentmeester

gegeven hadden. Ik liet op verscheidene plaatsen, vooral in den nog

ongeroerden grond, graven, in de hoop sporen te zullen vinden, hetzij

door voorwerpen of stukken van dezelve uit het dagelijksch leven,

of anderzins, ten einde of het tijdperk te kunnen bepalen, in welke

deze grond tot begraafplaats gediend had, of tot welken volksstam deze

schedels en beenderen behoorden. Ik werd echter hierin zeer te leur

gesteld, dewijl ik niets vond, waaruit ik iets bepaalds kon afleiden,

want enkele stukken (drie of vier) van potscherven van germaanschen

vorm en bakkelij, en de wijze, waarop deze in den grond lagen, gaven

mij geen aanleiding genoeg om daarop gevolgtrekkingen te bouwen,

zelfs niet om daaruit veronderstellingen te maken, vooral omdat ik

dergelijke scherven op vele plaatsen aldaar in den omtrek gevonden had.

Twee zaken nogthans trokken bijzonder mijne aandacht; vooreerst de

wijze waarop ik de lijken of liever de beenderen en schedels vond

liggen, te weten er was geen blijk, dat deze in een kist, noch van

hout, noch van steen, begraven waren geweest; integendeel zag men bij

eene doorsnede van den grond, dat die lijken op den grond gelegd waren,

rondom omgeven met houtskool, aan de eene zijde, even als van boven,

maar gedekt met puin, en daarover de aarde of het zand. Meer naar boven

van den berg werden ze boven elkander gevonden, doch in onregelmatige

rigting. Ten tweede de vorm der schedels, welke nagenoeg van allen

dezelfde was, en mij hoogst zonderling voorkwam."

Tot hiertoe heb ik vergeefs getracht nog meerdere van deze schedels

en beenderen te erlangen, doch er bestaat hoop op eenen lateren meer

gelukkigen uitslag, door de mij vriendelijk toegezegde hulp van de

heeren Baron Constant de Rebecque, den tegenwoordigen eigenaar des

Wageningschen bergs, en O. G. Heldring, predikant te Hemmen. Ik voeg

dus hier alleen nog bij, dat de laatste mij heeft berigt, dat hij

eenmaal eene steenen wigge, waarschijnlijk van Keltischen oorsprong,

heeft in handen gehad, welke op den Wageningschen berg gevonden was.

[36] Nagenoeg de geheele mannelijke bevolking was toen ter vischvangst

op zee. Het gelaat der vrouwen heeft over het algemeen eenen minder

ronden, meer ovalen vorm.

[37] Muller's Archiv, 1849. s. 573.

[38] Chronyk van Amsterdam, zijnde eene korte en zakelijke beschrijving

enzv., Dl. II. bl. 391.--Van der Aa, Aardrijkskundig Woordenboek,

Dl. XI. bl. 400.

[39] Wagenaar, Tegenw. Staat, Dl. VIII. bl. 629.

[40] Aanteekening gevoegd bij de kaart van Schilling.

[41] Chronijk van Amsterdam enzv. Dl. II. bl. 392.

Het Eiland Urk: Zijn Bodem, voortbrengselen en bewoners · 第 12 / 12 题