De bevolking van Urk is inzonderheid daarom merkwaardig, dat het een
zuiver nagenoeg geheel onvermengd ras is, dat gerekend kan worden van
de oude bewoners van het eiland schier onveranderd af te stammen,
want de Urkers trouwen bijna altijd met vrouwen van hun eiland, en
slechts hoogst zelden gebeurt het, dat vreemdelingen zich aldaar
nederzetten en hunne nakomelingen een blijvend bestanddeel der
bevolking worden. Ook hebben allen die overeenkomst, welke hen als
leden eener familie kenmerkt, dat is: zonder dat juist de een bepaald
op den ander gelijkt, is er toch in den algemeenen ligchaamsbouw, in
de gelaatstrekken, in de kleur van het haar, van de oogen enzv. iets,
dat telkens aan hunne gemeenschappelijke afstamming herinnert.
Over het algemeen zijn het stevig gebouwde, wel gemaakte menschen,
met breede schouders en heupen, blond haar en blaauwe oogen. Onder
de vrouwen treft men er vele aan, die aanspraak op schoonheid kunnen
maken. Vooral munten zij uit door blankheid van vel en door groote
donker blaauwe oogen met lange wimpers en fraai gebogen wenkbraauwen,
minder door hunnen overigen ligchaamsvorm, die iets plomps en
mannelijks heeft. Jammer is het ook dat zeer vele inwoners nog
de sporen dragen der pokkenepidemie, welke hier in 1844 met groote
hevigheid geheerscht heeft, ten gevolge van de gebrekkige vaccinatie,
waaraan de inwoners zich vroeger zelden wilden onderwerpen, totdat
zij door eene droevige ervaring van hare nuttigheid overtuigd werden.
Daar men, zoo ergens in ons vaderland, dan op Urk hopen mag, de
onvervalschte type aan te treffen van deszelfs vroegere bewoners,
zoo is het van eenig belang het maaksel des schedels van de Urkers te
vergelijken met dat der schedels van andere Nederlanders en van andere
Europeanen. Ik heb gelegenheid gehad drie schedels, uit het kerkhof van
Urk afkomstig, te onderzoeken. Twee daarvan was ik verschuldigd aan de
welwillendheid van den hoogleeraar G. Vrolik. Blijkens den toestand der
kiezen en tanden is de eene dezer schedels (No. 3 in de bijgevoegde
tafel) die van een jong nog niet volwassen mensch, vermoedelijk van
een vrouwelijk individu, terwijl de andere (No. 2) aan een volwassen
persoon, waarschijnlijk van meer dan middelbaren leeftijd, heeft
toebehoord. Beide schedels zijn voorzien van onderkaken, doch deze
schijnen niet werkelijk daartoe te behooren, maar die van andere
schedels te zijn, welke waarschijnlijk in de nabijheid lagen. De
derde der door mij onderzochte schedels (No. 1) is afkomstig uit
de vroegere verzameling van den hoogleeraar Sandifort, waaruit hij
in der tijd voor het ontleedkundig museum der hoogeschool alhier is
aangekocht. Het is blijkbaar de schedel van een bejaard persoon. De
kroon- en pijlnaden zijn geheel vergroeid. De onderkaak ontbreekt.
Het zal ter naauwernood behoeven gezegd te worden, dat het getal
der onderzochte schedels veel te gering is, om daaruit eenige zekere
besluiten af te leiden aangaande den schedelvorm der Urkers in het
algemeen, en bepaaldelijk omtrent de punten, waarin deze van die bij
de overige Nederlanders en bij andere natiën afwijkt. Echter kunnen
de in de tafel opgeteekende maten aan hen, die later eene ruimere
gelegenheid tot voortzetting dezer vergelijking mogten hebben, eenige
nuttige wenken opleveren.
De overige schedels, waarvan de maten mede in de tafel zijn
opgeteekend, zijn allen van personen van middelbaren leeftijd, en
berusten in het ontleedkundig museum alhier. Die van Nederlanders
zijn nagenoeg allen afkomstig van lijken, welke vroeger ten behoeve
der ontleedkundige lessen uit Amsterdam gezonden zijn. Het zoude
dus voorzeker gewaagd zijn daarin de type te willen vinden van het
maaksel des Nederlandschen schedels, daar nergens de bevolking meer
gemengd is, dan in eene groote koopstad.
De laatste der schedels (No. 25) is voor de kennis van den schedelbouw
der oude bewoners van ons vaderland van een bijzonder gewigt. Hij is
namelijk te gelijk met een aantal andere schedels en menschenbeenderen
gevonden in den Wageningschen berg, en door den heer Graaf Nahuys aan
het ontleedkundig museum ten geschenke gegeven [35]. De beenderen van
den eigenlijken schedel zijn, met uitzondering van een paar gaten,
die er welligt door de spade bij het uitgraven in ontstaan zijn,
nagenoeg geheel gaaf, doch de gelaatsbeenderen ontbreken.
De hieronder vermelde toestand, waarin deze menschelijke overblijfselen
gevonden zijn, maken het meer dan waarschijnlijk, dat daar ter plaatse
eene begraafplaats geweest is van eenen zeer ouden volksstam, en
het zal zoo aanstonds blijken, dat dit door het maaksel des schedels
bevestigd wordt
De genomen maten zijn de volgende:
1o. De omvang (o), gemeten om het voorhoofd over de tubera frontalia,
de slapen, en zoo verders om het meest uitpuilende gedeelte van
het achterhoofd.
2o. De welvingslijn (w), eene kromme lijn, gaande van den neuswortel
over het voorhoofd en de kruin naar het achterhoofd en eindigende
aan de protuberantia occipitalis.
3o. De lengte (l), van het midden van het voorhoofd tusschen de
tubera frontalia tot aan het meest uitpuilende gedeelte van het
achterhoofdsbeen.
4o. De hoogte (h), bepaald door den schedel, na verwijdering der
onderkaak, op eene tafel te plaatsen, op het hoogste punt des schedels
eene liniaal te leggen, waarvan de loodregte afstanden aan weerszijden
tot aan de oppervlakte der tafel werden gemeten. De gemiddelde dezer
beide maten gaf dan de hoogte aan.
5o. De voorhoofdsbreedte (v), gemeten aan het smalste gedeelte van
het voorhoofdsbeen.
6o. De achterhoofdsbreedte (a), zijnde tevens de grootste breedte
des schedels, of de afstand tusschen de meest uitpuilende plaatsen
der beide wandbeenderen.
7o. De gelaatsbreedte (z), gemeten van het meest uitpuilende gedeelte
van den eenen arcus zygomaticus naar dat des anderen.
8o. De grondvlaksbreedte (t), zijnde de afstand tusschen de
buitenvlakten der tubercula articularia op de helft hunner hoogte.
9o. De afstand (p) tusschen de protuberantia occipitalis en de spina
palatina.
De daaruit afgeleide verhoudingen zijn:
1o. De verhouding tusschen den omvang (o) en de welvingslijn (w). Deze
verhouding drukt den graad van welving des schedels uit.
2o. De verhouding tusschen de hoogte (h) en de lengte (l).
3o. De verhouding tusschen de voorhoofdsbreedte (a) en de lengte (l).
4o. De verhouding tusschen de voorhoofdsbreedte (v) en de
achterhoofdsbreedte (a).
5o. De verhouding tusschen den afstand van de beide tubercula
articularia (t) en de lengte der loodregte daarop staande lijn (p),
welke den afstand uitdrukt der protuberantia occipitalis tot aan de
spina palatina.
6o. De verhouding tusschen de geringste voorhoofdsbreedte (v) en de
grootste breedte van het gelaat (z).
Eindelijk is in de laatste kolom nog de grootte van den Camperschen
gelaatshoek opgeteekend.
Zonder in alle de bijzonderheden te treden, waartoe deze metingen
aanleiding geven, willen wij ons alleen bepalen bij eenige hoofdpunten
der vergelijking van de Urksche schedels met de overigen. Die
vergelijking is echter des te minder zeker, naar gelang het uit de
cijfers in de tafel blijkt, dat de drie schedels zelve onderling
tamelijk veel verschillen. Zoo b. v. is de graad van welving (o : w)
van den schedel No. 1 beneden, die van No. 2 boven den gemiddelden
welvingsgraad. De hoofdoorzaak hiervan ligt daarin, dat bij No. 1 het
voorhoofd zeer laag en sterk terugwijkend is, terwijl daarentegen
het voorhoofd van No. 2, hoewel evenmin hoog, toch veelmeer naar
voren gewelfd is. Bij No. 3 is deze verhouding nog gunstiger, en het
voorhoofd tevens tamelijk hoog, doch de welvingsgraad heeft hier niet
kunnen bepaald worden, uit hoofde van het ontbreken der protuberantia
occipitalis.
Bij de beide schedels van volwassenen (No. 1 en 2) zijn de
wenkbraauwbogen sterk ontwikkeld. Aan de derde zijn deze slechts
flaauw zigtbaar.
Ook de verhouding tusschen de hoogte en lengte (h : l) is in de
drie gevallen te zeer uiteenloopend, dan dat zich hieruit iets laat
besluiten.
Daarentegen duidt de verhouding der achterhoofdsbreedte tot de lengte
(a : l) bij alle drie de schedels aan, dat de laatste vrij groot is,
terwijl de eerste (bij de volwassenen) de gemiddelde maat bij de
overige schedels slechts zeer weinig overtreft.
Een nog meer in het oog vallend verschil levert de breedte van het
voorhoofdsbeen op, hetwelk bij alle drie de schedels smaller dan
gewoonlijk is, en, daar de achterhoofdsbreedte de gewone grootte
heeft, zoo is de verhouding (v : a) tusschen deze beide breedten dan
ook tamelijk veel afwijkend van de gemiddelde, en hebben de schedels,
van boven op gezien, eene iets scherper wigvormige gedaante, waartoe
de platheid en geringe welving van het achterhoofd medewerkt. Ook
geeft deze geringere breedte van het voorhoofdsbeen, gepaard aan de,
de gemiddelde grootte iets te boven gaande, breedte van het gelaat,
waarvan de verhouding is uitgedrukt door v : z, aan het geheele
aangezigt iets vols en ronds, hetwelk inzonderheid dat der beide
schedels van volwassenen kenmerkt, doch bij de derde, welke, gelijk
reeds is opgemerkt, waarschijnlijk aan een jonger vrouwelijk voorwerp
heeft toebehoord, in merkelijk minderen graad wordt waargenomen.
Tot deze volheid en rondheid van het gelaat werkt mede de breedte van
de onderkaak. Wel is waar ontbreekt deze, gelijk reeds gezegd is, aan
de door mij onderzochte schedels, doch eensdeels had ik gelegenheid
dit op te merken bij het trouwens gering getal van mannen, die zich,
tijdens mijn bezoek, op het eiland bevonden [36], anderdeels echter
mag men daartoe ook besluiten uit de meer dan gewone breedte van het
grondvlak des schedels, terwijl ook de verhouding tusschen die breedte
en den afstand der protuberantia occipitalis van de spina palatina
(t:p), althans bij de beide volwassenen, hetzelfde aanduidt.
Eindelijk teeken ik hier nog als eene bijzonderheid aan, dat bij den
schedel No. 1 de voorvlakten der bovenkaaksbeenderen onder de oogholten
niet hol, gelijk gewoonlijk, maar vlak, ja zelfs veeleer bol zijn. Deze
afwijking is echter hoogstwaarschijnlijk slechts eene uitzondering,
want bij de beide andere schedels wordt zij geenszins aangetroffen.
Het is van eenig gewigt afzonderlijk stil te staan bij den schedel
No. 25, ten einde dezen te vergelijken met dien der Urkers. Deze
vergelijking zal leiden tot het besluit, dat er tusschen beiden
slechts weinig overeenkomst bestaat.
Vooreerst kenmerkt zich deze schedel, van boven gezien, door zijnen
fraaijen eironden vorm. Niet alleen is de breedte van het voorhoofd
grooter in verhouding tot dien van het achterhoofd, maar bovendien
bevinden zich de uitpuilende gedeelten der wandbeenderen meer naar
beneden en naar voren, en vertoont zich het achterhoofd dien ten
gevolge merkelijk langer en meer gewelfd. Verders verdient de groote
lengte van dezen schedel de opmerking. Zij overtreft die van alle
de overige schedels, terwijl daarentegen de hoogte en desgelijks
de breedte zoowel van het achterhoofd als van het grondvlak iets
beneden de middelmatige blijven. Het voorhoofd is tamelijk laag en
de welvingsgraad dan ook niet meer dan middelmatig, in weerwil van
het sterk achterwaarts uitpuilend achterhoofd.
Uit het geheele maaksel van dezen schedel laat zich met eene schier
aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid besluiten, dat hij heeft
toebehoord aan eenen persoon van den keltischen volksstam. Dit
maaksel toch beantwoordt geheel aan dat, hetwelk door Retzius [37],
die gelegenheid gehad heeft verscheidene dergelijke schedels uit
oude grafheuvels te onderzoeken, als kenmerkend voor den keltischen
schedel beschreven is.
Dat het verschil met de schedels der bewoners van het eiland Urk
tamelijk groot is, valt dadelijk in het oog. Doch er zijn nog drie
andere punten, waardoor zich deze oude schedel niet alleen van de
Urksche, maar ook van die der meeste thans levende Europeanen, welke
ik heb kunnen onderzoeken, onderscheidt.
Vooreerst door de voorwaartsche plaatsing van het punt, waar de kroon-
en pijlnaden elkander ontmoeten. Gewoonlijk valt dit punt nagenoeg
zamen met de kruin of het hoogst gewelfde deel van het hoofd. Bij
dezen schedel ligt de kruin ongeveer 55 streepen meer achterwaarts.
Laat men ten tweede uit dit ontmoetingspunt der naden eene loodlijn
vallen op het grondvlak des schedels, dan komt deze gewoonlijk nog
eenige streepen binnen den voorsten rand van het foramen magnum,
gelijk bepaaldelijk ook van de Urksche schedels geldt. Bij dezen
ouden schedel valt deze lijn niet minder dan 45 streepen buiten
dezen voorrand. Dit hangt echter mede voor een groot deel af van
de achterwaartsche stelling van het foramen magnum, gelijk uit het
volgende tafeltje blijkt:
Van het midden van Van het meest
het voorhoofdsbeen uitpuilend gedeelte van
tot aan den voorrand het achterhoofdsbeen
van het foramen tot aan den achterrand
magnum. van het foramen magnum.
Oude keltische
schedel 115 str. 68 str.
Schedel van een'
Urker No. 1 109 str. 73 str.
Schedel van een'
Urker No. 2 110 str. 79 str.
Schedel van een'
Urker No. 3 102 str. 76 str.
Eindelijk ten derde onderscheidt zich ook het foramen magnum zelf door
den veel meer langwerpigen vorm, gelijk blijkt uit de volgende maten:
Lengte. Breedte.
Oude keltische schedel 40 str. 28 str.
Schedel van eenen Urker No. 1 35 str. 31 str.
Schedel van eenen Urker No. 2 38 str. 34 str.
Schedel van eenen Urker No. 3 37 str. 31 str.
Uit een en ander mag men veilig afleiden, dat de bewoners van het
eiland Urk hoogst waarschijnlijk van geenen keltischen oorsprong zijn,
hoewel het voorzeker zeer gewaagd zoude wezen reeds nu eenen stap
verder te gaan, dan deze ontkennende uitkomst. Wij moeten daartoe
eerst het licht, door verdere onderzoekingen verspreid, afwachten.
De oudste mij bekende opgave der bevolking van het eiland dagteekent
van 1637 [38]. Toen bedroeg zij 300 inwoners, waarvan er in datzelfde
jaar niet minder dan 149 door eene besmettelijke ziekte werden
weggenomen, zoodat het cijfer tot 151 daalde. In 1750 was het weder
geklommen tot 389 [39], waarvan 216 tot het mannelijk en 173 tot het
vrouwelijk geslacht behoorden. De verhouding der beide geslachten was
derhalve toen 100:80. In 1789 bestond de bevolking uit 520 personen
[40].
Sedert de invoering der registers van den burgerlijken stand, is de
gang der bevolking de volgende geweest:
Jaarlijksche toename.
In 1814 615 inwoners.
In 1819 630 inwoners. 3 0,48 proc.
In 1822 642 inwoners. 4 0,62 proc.
In 1825 739 inwoners. 32 4,33 proc.
In 1830 789 inwoners. 10 1,27 proc.
In 1835 857 inwoners. 14 1,63 proc.
In 1836 882 inwoners. 25 2,84 proc.
In 1837 907 inwoners. 25 2,76 proc.
In 1838 945 inwoners. 38 4,02 proc.
In 1839 985 inwoners. 40 4,06 proc.
In 1840 1011 inwoners. 26 2,57 proc.
In 1841 1025 inwoners. 14 1,37 proc.
In 1842 1091 inwoners. 66 6,05 proc.
In 1843 1105 inwoners. 14 1,27 proc.
In 1844 1115 inwoners. 10 0,90 proc.
In 1845 1133 inwoners. 18 1,60 proc.
In 1846 1137 inwoners. 4 0,35 proc.
In 1847 1152 inwoners. 15 1,30 proc.
In 1848 1175 inwoners. 23 1,96 proc.
In 1849 1194 inwoners. 19 1,61 proc.
In 1850 1205 inwoners. 11 0,91 proc.
In 1851 1232 inwoners. 27 2,20 proc.
Gemiddelde jaarlijksche toename 2,15 proc.
Van de 1232 inwoners, die er op den laatsten December 1851 geteld
zijn, behoorden 629 tot het mannelijke en 603 tot het vrouwelijke
geslacht. De verhouding dier beide cijfers is dus thans als
100:95,9. Het verschil tusschen de bevolking op den laatsten December
1813 of den aanvang van 1814 en die op den laatsten December 1851,
bedraagt 617. In hetzelfde tijdperk zijn geboren 1391 kinderen, waarvan
716 tot het mannelijke en 675 tot het vrouwelijke geslacht behoorden,
en dus tot elkander in verhouding stonden als 100:94,3. Gestorven zijn
720 personen, zoodat het getal der geborenen dat der gestorvenen met
671 overtreft, en men dus mag aannemen, dat in dienzelfden tijd 54
personen het eiland verlaten hebben, en elders gestorven zijn.
Het getal der huwelijken, in hetzelfde tijdvak voltrokken, bedraagt
270, hetgeen tot het cijfer der geboorten staat als 1:5,15. Of er
onder die geboorten ook onechte voorkomen, is mij niet berigt, doch
wel, dat geen der huwelijken geregtelijk is gescheiden.
Uit een en ander blijkt, dat de bevolking op Urk buitengewoon snel
toeneemt en dat die toeneming vooral in den laatsten tijd zeer versneld
is, gelijk blijkt uit het volgende overzigt.
Van 1638 tot 1750 of in 112 jaren van 1:2,6.
Van 1750 tot 1789 of in 39 jaren van 1:1,3.
Van 1789 tot 1825 of in 36 jaren van 1:1,4.
Van 1825 tot 1852 of in 27 jaren van 1:1,7.
Sedert de invoering der registers van den burgerlijken stand is de
bevolking verdubbeld, terwijl zij van 1638 tot 1852 of in 214 jaren
achtmaal grooter is geworden. Waarschijnlijk zullen er zeer weinige
plaatsen in ons vaderland zijn, welke in dit opzigt met Urk kunnen
wedijveren.
Ongelukkiglijk zijn de middelen van bestaan niet in gelijke mate
toegenomen. Het bijna eenige bestaansmiddel is de vischvangst op de
Noord- en Zuiderzee. In 1750 bezigden de Urkers 46 vischschuiten,
terwijl zij bovendien nog 2 koffen bezaten. Tegenwoordig bedraagt dit
getal wel is waar 125 vaartuigen, wier gezamenlijke tonnemaat ongeveer
3400 tonnen is, doch, terwijl de bevolking in dien tijd toegenomen
is van 1:3,2, is het getal visschersvaartuigen slechts vermeerderd
in de verhouding van 1:2,7, terwijl het mij niet gebleken is, dat
hun gemiddelde tonnemaat grooter is dan vroeger, en er thans geene
koffen meer op het eiland thuis behooren.
De vischvangst begint in Februarij en eindigt doorgaans in
November. Het zijn vooral schol, schelvisch, tong, tarbot en
kabeljaauw, die met kornetten gevangen en meestal te Amsterdam, doch
ook op andere plaatsen langs de Zuiderzee gelegen verkocht worden. Is
de tijd der visscherij echter voorbij, dan vangt ook, inzonderheid
in strenge winters, de tijd van gebrek aan, en dan gebeurt het niet
zelden, dat meer dan de helft der inwoners op kosten der provinciale
kas moet onderhouden worden, daar het getal der gegoeden in de gemeente
zelve uiterst gering is.
Alle de woningen en andere gebouwen zijn gelegen op het hoogere
gedeelte, gelijk op de kaart is aangeduid. Dit herinnert nog geheel
aan den ouden tijd, toen onze voorouders hunne woningen op eene
dergelijke wijze enkel op de natuurlijke hoogten des bodems of op
terpen bouwden. In de plaatsing dier woningen heerscht zeer weinig
regelmaat, zoodat zij tamelijk verward door elkander staan, en er
slechts hier en daar eenige der huizen nevens elkander gebouwd zijn,
welke dan eene korte reeks vormen. Alle deze tusschenruimten zijn met
gras begroeid, waardoor het geheele dorpje het voorkomen heeft van eene
weide, waarin men hier en daar een huis heeft neder gezet. Deze huizen,
meerendeels van slechts ééne verdieping, zijn ten deele van steen,
ten deele van hout gebouwd op de wijze, die in vele Noordhollandsche
dorpen gebruikelijk is. De beide kerken, die der Hervormden,--een klein
doch net gebouw, in 1786 op kosten der stad Amsterdam opgerigt,--en die
der Christelijk afgescheidenen,--voor een paar jaren gebouwd,--staan
geheel afzonderlijk en van de overige huizen verwijderd. De grond van
het eiland is voor drie vierde bijzonder- en voor het overige vierde
gedeelte gemeente-eigendom. De veestapel bestaat uit 85 runderen,
18 kalveren en 4 paarden. Deze runderen worden vooral om de melk
gehouden. Vleesch wordt er door de eilanders slechts zeer weinig
gegeten; ook is er geen enkele vleeschhouwer, doch tien bakkers,
terwijl zoowel het rogge- als tarwebrood zeer goed en smakelijk
zijn. Brood, aardappelen en visch maken dan ook de hoofdvoedsels
der bevolking uit. Moesgroenten worden er schier niet gegeten; het
weinige dat daarvan gebruikt wordt, wordt van Enkhuizen aangevoerd.
De kleeding der mannen bestaat uit een zeer wijd wambuis van blaauw
karsaai en een zwarte broek van dezelfde stof, waarop van voren
twee groote zilveren gebeeldhouwde knoopen of zilveren muntstukken
prijken. Zij dragen zwarte wollen kousen en lage schoenen, blaauwe
wollen ronde mutsen op het hoofd, en een roode puntdoek om den hals.
De kleeding der vrouwen, rok en borstrok, is van dezelfde stof
vervaardigd. Zij dragen een zwart keurslijf met eenen zoogenaamden
kroplap en eenen rooden doek om den hals, terwijl twee zilveren spelden
met groote knoppen in het haar zijn gestoken, doch zonder oorijzers.
De gezondheidstoestand der eilanders is over het algemeen vrij
voldoende. In weerwil van hun moeijelijk beroep, bereiken velen
eenen hoogen ouderdom. De meest algemeene ziekten zijn van eenen
rheumatischen en catarhalen aard, terwijl velen, vooral kinderen,
ook aan ingewandswormen lijden, iets, dat bij de algemeenheid van
het vischdiëet, en bij de waarschijnlijkheid van den overgang der
entozoa uit de visschen in den mensch, opmerkelijk is en een nader
onderzoek verdient. Tusschenpozende koortsen komen slechts zelden voor.
Wat de verstandelijke beschaving der eilanders betreft, zoo wordt
daaromtrent door hen, die in de gelegenheid zijn geweest nader met
hen bekend te worden, een gunstiger getuigenis afgelegd, dan men,
bij de beperkte gelegenheid, die hiertoe onder hen bestaat, daar op
de school slechts de eerste kundigheden, lezen, schrijven en rekenen
worden onderwezen, zoude meenen te mogen verwachten. Gedurende de
wintermaanden, wanneer alle werkzaamheden stil staan, houden velen
zich met lezen bezig, en bovendien komen de mannen door hun bedrijf
dikwerf op andere plaatsen, en in aanraking met velerlei soort van
menschen. Anders is het met de vrouwen. Daaronder zijn er zeer velen,
die nimmer aan den vasten wal zijn geweest, en die derhalve van de
geheele wereld niets anders kennen dan het kleine plekje gronds,
waarop zij geboren zijn. Zij gevoelen daarvoor dan ook eene groote
gehechtheid, welke zelfs geenszins verdwijnt, wanneer zij in de
gelegenheid geweest zijn iets meer van de wereld te zien, zoodat het
veeleer schijnt, alsof door de vergelijking Urk in hare oogen slechts
winnen kan. Eene jonge vrouw, die vroeger als dienstmaagd in Amsterdam
had gewoond, doch later naar haar eiland was teruggekeerd, merkte aan:
"dat daar, wel is waar, de huizen en vooral de winkels veel fraaijer,
maar toch de straten erg vuil zijn."
Aangaande hunne zedelijke ontwikkeling kan ik weinig mededeelen, dan
alleen, dat deze zich vooral uit door een sterk opgewekt godsdienstig
gevoel, waarvan het alleen te betreuren is, dat het heeft aanleiding
gegeven tot veel twist en tweedragt onder de bevolking, die, vroeger
geheel tot de kerk der Hervormden behoorende, thans in twee gemeenten
van nagenoeg gelijke sterkte is gesplitst, die elk hunnen eigen
predikant hebben.
Ook verdient nog te worden opgeteekend, dat geen der huizen van
schellen of kloppers voorzien zijn en evenmin des nachts gesloten
worden. Ook zoude op het eiland diefstal eene geheel ongehoorde
zaak zijn, ofschoon wij er moeten bijvoegen, dat, naar men zegt,
die eerbied voor den eigendom zich minder uitstrekt tot datgene,
wat de zee op hun strand werpt.
Vroeger was op het eiland een vrij groot aantal honden, doch sedert
men op elken hond eene belasting van twee gulden heeft gelegd,
is dit aantal zeer verminderd, en bedraagt thans niet meer dan
vier. Een dier honden behoort aan den blinden omroeper, die hier van
eene groote handschel voorzien is. Deze hond is voor zijnen meester
geheel onmisbaar geworden, want, altijd denzelfden weg volgende,
geleidt hij dezen, die hem aan een' band vasthoudt, door alle de
kronkelpaadjes tusschen de verward staande woningen heen.
Eertijds zouden er ook vele konijnen in het wild geleefd hebben [41],
iets, dat opmerking verdient, omdat deze dieren er thans bezwaarlijk
hunne holen in den harden leemgrond zouden kunnen graven, hetgeen
tot het vermoeden leidt, dat een gedeelte van den diluvialen bodem
vroeger, toen het eiland eene grootere uitgebreidheid had, uit zand
heeft bestaan.
Thans zijn de eenige wilde viervoetige dieren ratten en muizen, die
trouwe doch lastige begeleiders van den mensch, waar hij zijne woning
ook vestigt. Men zeide mij, dat deze dieren hier zeer talrijk zijn, en
dat daaraan ook het groote aantal van katten moet worden toegeschreven,
hetwelk door de inwoners gehouden wordt.
In de omringende zee leven vele zeehonden (Phoca vitulina), die des
nachts op de Staart van het eiland komen slapen en ook zeer dikwijls
de daar uitgezette haringfuiken berooven, waarin zij echter niet
zelden zelve gevangen worden.
Behalve de door de inwoners gehouden hoenders, vindt men er musschen
(Passer domesticus Gessn.), spreeuwen (Sturnus vulgaris L.),
leeuwrikken (Alauda arvensis L.). Deze zijn de eenige soorten van
vogelen, die op het eiland eijeren leggen en broeden. Kievieten
(Vanellus cristatus Meijer en Wolf), tureluurs (Totanus calidris
Bechst.), lijsters (Turdus musicus L.), watersnippen (Scolopax Galinago
L.), regenwulpen (Numenius Phaeopus Letham), en verschillende soorten
van meeuwen (Larus L.) bezoeken wel het eiland op hunne zwerftogten,
doch broeden er niet. Hetzelfde geldt van de bergeenden (Anas tadorna
L.) en zwarte zeeëenden (Anas nigra), die ik in Maart in groote
schoolen in de omringende zee zag zwemmen.
Als eene opmerkenswaardige bijzonderheid zij hier nog vermeld, dat,
volgens mededeeling van den vuurtorenwachter, het zeer gewoon is,
dat de vogels des nachts op het licht van den vuurtoren aanvliegen en,
in hunne vaart stuitend tegen de harde 9 streepen dikke spiegelglazen
des lantaarns, dood nedervallen, of op den omgang al pikkende tegen
het glas blijven zitten, totdat zij met de hand gegrepen worden. Op
eenen enkelen nacht had de wachter 147 vogels op die wijze gevangen,
meest leeuwrikken, lijsters en spreeuwen. De katten op het eiland
doen hier ook hun voordeel mede, want, daar er steeds eenige vogels
naar beneden tuimelen, zoo wordt de vuurtoren elken nacht omsingeld
door een aantal dezer dieren, welke op hun deel aan den buit wachten.
Wat de in de zee rondom Urk levende dieren betreft, zoo zal men
hier wel geene volledige opgave daarvan verwachten. Alleen vermeld
ik nog de op het strand gevonden schelpen van weekdieren. Zij zijn:
Mya arenaria Lin., Tellina solidula Lam., Cardium edule Lam., Mytilus
edulis Lam., Buccinum undatum Lin. en Littorina litorea Fer. Van deze
is de eerste soort verreweg de talrijkste. Eindelijk zijn de steenen
der glooijing, die tijdens den vloed overstroomd worden, bezet met
eene menigte zeepuisten, Balanus sulcatus Lam., die desgelijks ook
vaak op de groote steenen van het rif worden aangetroffen, daar,
waar deze digt onder de watervlakte liggen.