Het is den zeevarenden op de Zuiderzee genoeg bekend, dat het vaarwater
in den onmiddelijken omtrek van Urk zeer onveilig is, uithoofde
van de geringe diepte der zee in de nabijheid van dit eiland. Deze
ondiepte, gewoonlijk bekend onder den naam van het Rif van Urk, is
op de bijgevoegde kaart [20] aangeduid, tevens met de diepten des
zeebodems onder A. P., volgens de reeds vermelde Zuiderzee-kaart van
den Luitenant van Rhijn. Alleenlijk zijn de cijfers vermeerderd met
2 palm, zijnde dit ten naastenbij het verschil tusschen laag water
en A. P.
Op de hier achter gevoegde plaat, stellen fig. 1, 2, 3 en 4 eene
reeks van doorsneden voor, volgens de op de kaart door de lijnen O P,
Q R, S T en U V aangewezen rigtingen. Deze doorsneden zijn, wat de
horizontale uitbreiding betreft, op dezelfde schaal geteekend als
de kaart, namelijk op die van 1/20500, terwijl voor de vertikale
hoogte en diepte de schaal van 1/1000 is gekozen. Alle hellingen
zijn dus in werkelijkheid ruim 20 maal vergroot voorgesteld. De lijn
A P duidt in alle figuren de wateroppervlakte aan; de bijgevoegde
cijfers geven de hoogten en diepten boven en onder A. P. te kennen,
terwijl door 0 0 de plaatsen worden aangewezen, waar de bodem onder
de wateroppervlakte daalt en zich in land- en zeebodem scheidt.
Het blijkt, zoowel uit de kaart als uit deze doorsneden, dat het rif
zich rondom het eiland als een onderzeesch plateau uitbreidt, dat,
vooral aan de Westzijde, op vele punten digt onder de wateroppervlakte
is gelegen. Ook gebeurt het bij zeer laag water van tijd tot tijd,
dat het rif grootendeels droog komt, zoodat de eilandbewoners zich
tot nabij zijnen rand droogvoets kunnen begeven.
Aan de Oostzijde ligt niet alleen de oppervlakte van het rif in
het algemeen dieper, maar zij loopt ook langzaam glooijend af tot
aan het punt, waar de zee hare gewone diepte heeft bereikt welke,
aan die zijde (tusschen Urk en Schokland), nergens meer dan 4 ellen,
doorgaans slechts 3,6 tot 3,8 el bedraagt.
Daarentegen is aan de Westzijde de helling aan den rand van het rif
veel steiler (zie fig. 1 en 2), zoodat de diepte op eenen korten
afstand van dien rand snel toeneemt. Ook is het daarbuiten gelegen
gedeelte der zee sedert lang bekend onder den naam van het Val
van Urk, dat, aan de andere zijde begrensd door het Enkhuizer zand,
werkelijk eene soort van onderzeesche vallei of dal daarstelt, waarvan
de grootste diepte 5,6 el bedraagt, zijnde dit tevens de grootste
diepte der Zuiderzee bezuiden Enkhuizen, alleen met uitzondering van
een paar punten op de hoogte dier stad zelve, waar de diepte tot 6,2
el onder A. P. bedraagt.
De bodem van dit geheele rif bestaat uit grof zand met gerolde steenen,
waaronder vele van buitengewone grootte, vooral op het westelijk
gedeelte. Ik zelf heb verscheidene dier steenen gezien, welke 1 tot
1,5 el in doormeter hadden, en waarvan sommige nog slechts fragmenten
waren van merkelijk grootere steenen, die men, bij laag water, door
middel van kruid had laten springen. Ook deelde de Burgemeester mij
mede, dat men in vroegeren tijd steenen had gevonden van 15 voet of
ruim 4 ellen in doormeter, doch dat steenen van die grootte thans
zelden meer voorkomen.
Reeds sedert vele jaren hebben de eilanders die steenen van het
rif opgehaald, ten einde deze te verkoopen voor steenglooijingen
aan de zeedijken, en het gevolg hiervan is, dat de steenen op dit
rif allengs zeer in aantal verminderd zijn, en, dewijl alleen die,
welke aan deszelfs oppervlakte gelegen zijn, worden verzameld, zoo
kan men hieruit eenigermate besluiten tot de verbazende steenenmassa,
die hier eenmaal op een kort bestek is bijeen gehoopt geweest [21].
Toen ik het eiland bezocht, vond ik er echter nog vele op een' grooten
hoop gestapeld aan het strand nabij de haven, die men daar kortelings
uit de zee had aangebragt, zoodat ik de welkome gelegenheid had,
om den aard dier steenen nader te kunnen onderzoeken. De aldaar
verzamelde rolsteenen bestonden uit:
1. Graniet, a. een brokstuk van eenen grooteren rolsteen; de doormeter
van het fragment bedroeg 1,25 el; de bestanddeelen waren: witte
veldspaath (olikoglas), witte kwarts, zwartachtig groene glimmer en
eenige weinige hoornblende, waardoor deze steen tot syeniet nadert.
b. Een brokstuk van 0,75 el in doormeter, met roozenroode veldspaath,
witte kwarts en donkergroene glimmer; deze bestanddeelen zijn zeer
ongelijkmatig gemengd.
c. Een geheele rolsteen van 0,85 el in doormeter, bestaande uit
zeer veel tegelroode veldspaath, weinig graauwe kwarts, en bijna
geen glimmer.
d. Een geheele rolsteen van 0,5 el in doormeter, fijnkorrelig, met
graauwwitte veldspaath en kwarts, en zwarte glimmer.
e. Een brokstuk van 0,5 el in doormeter, fijnkorrelig, de hoofdmassa
bestaande uit witte, roode en groenachtige kwarts; verders uit
roozenroode veldspaath en weinig groenachtig gekleurde glimmer.
2. Syeniet. Twee brokstukken, van geheel dezelfde rotssoort, die
waarschijnlijk gedeelten van denzelfden door kruid gesprongen steen
hebben uitgemaakt. Het grootste heeft eenen doormeter van 1,5 el,
het kleinste van 0,75 el. De bestanddeelen zijn: roode veldspaath,
witte kwarts, zwarte glimmer en hoornblende, en bovendien triphaan.
3. Gneis. Een brokstuk van 0,9 el, met gelijke bestanddeelen als 2,
alleen laagswijze geordend.
4. Euriet, een rolsteen van 0,75 el in doormeter, wit met roode aders,
granaten insluitend.
5. Lichtgrijze kalksteen, een rolsteen van 0,5 el in doormeter,
tamelijk homogeen en hard, met onduidelijke fossile schelpen.
Behalve door deze groote blokken, bestond er nog gelegenheid om
den aard der steenen van het rif te leeren kennen door die, welke
de zee op het strand geworpen heeft, zoowel op de Staart als langs
de Noordoostkust en op het nieuwlings aangespoelde stuk gronds bij
de haven. Natuurlijk zijn deze steenen over het algemeen kleiner,
doch er bevinden zich toch onder van 0,2 el in doormeter. Zeer
vele dier steenen stemmen volmaakt overeen met die, welke in den
bodem van het hoogliggend gedeelte des eilands voorkomen. Men treft
daaronder aan: verschillende soorten van graniet, waarvan de roode ook
hier de overhand heeft; ook is daaronder een stuk goed gekenmerkt
schriftgraniet gevonden; verders syeniet, gneis, waaronder één
stuk met donkerroode veldspaath en kwarts in zeer duidelijke scherp
afgescheidene dunne lagen; voorts euriet, veldsteenporphier, witte
en violetroode kwarts, zwartachtig groene hoornsteen, gele zandsteen,
marmer, lichtgeelachtig witte Jurakalk, blaauwachtig grijze kalksteen,
krijt en talrijke vuursteenen.
Bovendien werden er nog, als fossilen uit oudere lagen afkomstig, op
het strand tusschen de rolsteenen gevonden: eene geheel in kalkspaath
veranderde Astraea rotularis Michelin, waaraan, ten gevolge der
afslijting, de cellen alleen nog op sommige plaatsen goed herkenbaar
zijn, en een steenkern, waarschijnlijk van Melania Zenkeri Dunker.