HET LAAG LIGGEND GEDEELTE.

De geognostische gesteldheid van dit gedeelte verschilt ten eenenmale

van het hoogere en kondigt dadelijk eene jongere alluviaal-formatie

aan.

Deze formatie is nog van tweederlei aard, namelijk eensdeels door

aanspoeling uit de zee, anderdeels in zoet water ontstaan.

De geheele omtrek, voor zoo ver zij aan de zee grenst, wordt door

zand bedekt. Langs de Noord-Oostkust, waar ook nu nog het paalwerk

ontbreekt, en vroeger de reede is geweest, alvorens door het graven

der haven voor eene betere ligplaats der schepen was gezorgd, is het

strand door zand opgehoogd, ter hoogte van 1 el tot 1,5 el boven A. P.,

als het ware eene duinvorming op zeer kleine schaal daarstellende. Ook

de overlangs evenwijdig met de Noord-Westkust loopende rug, welke reeds

vroeger (bl. 9) vermeld is, bestaat enkel uit zand. Waar thans door

paalwerk het verder opwerpen van het zand door de zee verhinderd is,

en derhalve ook op den genoemden rug, daar is het zand op vele plaatsen

bedekt met een dun laagje teelaarde, doch onmiddelijk daaronder treft

men het zand aan.

De zoogenaamde Staart,--althans het bovenste gedeelte tot op 0,3 duim

onder de oppervlakte,--is alweder geheel uit zand gevormd.

Eindelijk behoort hiertoe ook het, alhoewel aan gene zijde van het

hooge gedeelte gelegen, door aanspoeling nieuw gevormde stuk gronds

B. Bij eene graving tot op 1,9 el werd daarin niets dan zand gevonden.

De zamenstelling van dit zand is overal dezelfde. Het is tamelijk

grofkorrelig, en bevat zeer talrijke schelpen (dezelfde die ook nu

nog de omringende zee bewonen) en gelijke rolsteenen als die, welke

nog dagelijks door de zee worden opgeworpen, en waarover wij straks

nader zullen spreken. Alleen vermeld ik hier, als min of meer de grens

te kennen gevende van de kracht, die de golven der Zuiderzee vermogen

uit te oefenen, dat op den zandrug, welks midden op eenen afstand van

omstreeks 50 ellen van de zee is verwijderd, steenen gevonden worden

tot van 20 duimen in doormeter, die derhalve door de stormen in de

jaren 1775 en 1776 zijn opgeworpen. Behalve deze schelpen en steenen

treft men hier en daar, in het zand gravende, ook eene derrieachtige

massa aan, ten deele naar het schijnt uit losgewoeld veen bestaande.

In de nabijheid der Noord-Westkust, en waarschijnlijk ook aan de

tegenovergestelde zijde, ligt onder het zand eene kleilaag. In het punt

C is deze aangetroffen op eene diepte van 1,1 el. Deze klei sluit nog

vele kleinere en grootere zandkorrels in. Dat ook zij door de zee is

aangevoerd, wordt bewezen niet alleen door de talrijke daarin bevatte

fragmenten van schelpen, welke tot dezelfde soorten behooren als die

in het hooger liggende zand, maar ook worden er de kiezelschalen

van Coscinodiscus cellosus, van Actinocyclus senarius, van eenen

Actinoptychus en fragmenten van Nonionina germanica in aangetroffen.

Geheel het middengedeelte wordt daarentegen door eene

zoetwater-formatie ingenomen. Nabij de oppervlakte treft men, in

plaats van zand, eene zandige klei aan, plaatselijk afgewisseld met

dunne veenstrooken, vooral in de nabijheid van het vroeger moerassige

gedeelte, doch zelden eene grootere dikte hebbende dan van 5 tot

10 duimen, en grootendeels gevormd door mossen (Sphagnum, Hypnum),

terwijl men op vele punten de gelegenheid heeft alle de opvolgende

toestanden van dit zich vormend veen waar te nemen, van de nog frissche

mosplantjes aan de oppervlakte af, tot aan de onderste geheel in veen

overgegane laag toe.

Deze zandige klei bevat vrij talrijke kleine kwartskorreltjes en een

scherpkantig gruis van kristallinische gesteenten; ook komen er vele

chlorietkorrels in voor, alsmede eenige straalsteenschilfers. Een

gedeelte van het fijne gruis bestaat uit koolstofzuren kalk, doch van

overblijfselen van zee-organismen komt geen spoor voor. Daarentegen

zijn er de kiezelschalen van eene zoetwater-diatomee (Navicula

Brebissonii Kütz.) op eenige punten in vrij groot aantal in

aangetroffen, sommige nog eene groene kleurstof bevattende.

Benedenwaarts wordt deze klei allengs minder zandig, tot dat zij

(in d op 0,25 el onder A. P.) in eenen donker gekleurden taaijen

kleimergel overgaat, waarvan de mineralogische bestanddeelen

dezelfde als die van de hooger liggende zijn, doch waarin alleen

de betrekkelijke hoeveelheid der kwartskorrels minder is. In dezen

kleimergel, vooral in de diepere gedeelten, treft men vele verveende

plantenoverblijfselen aan.

Werkelijk rust deze kleimergel ook op eene laag waar veen, waarvan de

bovenste grens (in d) op 1,5 el onder A. P. ligt, terwijl de onderste

grens op 2,8 el onder A. P., zijnde het diepste punt der boring aldaar,

nog niet bereikt is.

Dit veen draagt al de kenmerken van gewoon laag veen. Bij de boring

zijn, op de grootst bereikte diepte, daaruit verscheidene stukken hout

opgehaald, welke in allen deele beantwoorden aan dat van den gewonen

wilgenboom (Salix alba), en daarmede bepaaldelijk in mikroskopisch

maaksel geheel overeenstemmen. Deze boom, die thans volstrekt niet

meer op dit gedeelte van het eiland voorkomt, heeft dus daar vroeger

gegroeid, tenzij het hout er is aangespoeld gedurende de veenvorming,

hetgeen echter minder waarschijnlijk is, omdat veen alleen in water

ontstaat, waarin weinig strooming is. Dit hout is wel roodachtig

bruin gevonden, doch overigens weinig veranderd. Zelfs bezitten de

houtvezelen nog in hooge mate de taaiheid en buigzaamheid, welke aan

het wilgenhout eigen zijn.

Op dezelfde plaats en uit gelijke diepte zijn ook eenige fragmenten van

beenderen opgeboord, welke afkomstig zijn van een rund. Herkenbaar

zijn: een gedeelte der onderkaak met bijna drie kiesholten, een

gedeelte der onderste geledingsvlakte van eene tibia, een gedeelte

van een os hamatum, en een os sesamoideum. Deze beenderen zijn iets

kleiner dan die van eene tegenwoordige volwassen koe.

Ten slotte blijft mij nog over hier iets te zeggen nopens het voorkomen

van barnsteen op Urk. Ik heb mij vele vergeefsche moeite gegeven,

zoowel tijdens mijn verblijf op het eiland, als later, door het meest

zorgvuldig onderzoek der van daar medegebragte of mij toegezonden

gronden, om daarvan iets te vinden, zonder dat het mij zelfs gelukt is

het kleinste mikroskopische brokstukje te ontdekken. De zaak verdiende

inderdaad dit naauwkeurig onderzoek, omdat het opwerpen van barnsteen

door de zee tot het vermoeden zoude kunnen leiden, dat zich op geene

zeer groote diepte onder den zeebodem eene bruinkolenbedding bevindt,

welke barnsteen bevat, een vermoeden echter, dat nog meer grond zoude

hebben, indien barnsteen niet zulk eene ligte zelfstandigheid is,

zoodat de stukken van elders door de zee kunnen zijn aangevoerd.

Hoe het zij, zoo schijnt echter dit punt van genoegzaam gewigt, om, bij

gebrek van eigene stellige uitkomsten, hier die berigten van anderen

bijeen te stellen, welke de vraag, of er van tijd tot tijd barnsteen

op Urk is gevonden, bijna met zekerheid bevestigend doen beantwoorden.

Het eerste berigt daaromtrent vind ik in de reeds vroeger (bl. 3)

vermelde briefwisseling tusschen N. Witsen en G. Cuper. In eenen brief,

gedagteekend 18 Aug. 1709, schreef de eerste:

"Op het eiland Urk heb ik weder barnsteen doen zoeken en gevonden:

't is bijzonder, men vindt er barnsteen in de aarde, welke ontdekt

werd als de zee het land afspoelde en wel allerhande soort, witte,

geele, heldere en donkere van kleur, ja in sommige stukken zie ik

onreinigheden van bladertjes, als andersins."

Ook het antwoord van Cuper aan Witsen moge hier eene plaats vinden,

als zijnde kenmerkend voor de meeningen van dien tijd, aangaande den

aard des barnsteens. Den 23 Augustus van hetzelfde jaar schreef hij:

"Hetgeen UWE. mij schrijft van barnsteen op Urk is zeer opmerkelijk, te

meer dewijl het mij toeschijnt dat hetzelve wordt gehaald uit den grond

en uit de aarde van dit eiland, en dat de zee hetzelve afspoelende

ontdekt waar het ligt. Ik verzoek U dit nader te onderzoeken en te

doorgronden, omdat het zoo verschilt van het begrip van kenners,

die vermeenen, dat deze stof liquida uit de aarde komt en opdrijvende

uit de zee, na zich neemt wat het ontmoet, vliegjes, visschub enzv."

Aan dit berigt sluit zich de volgende brief van Martinet, medegedeeld

door Le Francq van Berkhey [17], aan wien hij gerigt was.

"De heer Weerman, predikant te Urk, schrijft mij (aan Martinet),

oudtijds wierden er ware barnsteenen, geel en helder, brandende

als kaarsjes, op ons Eiland gevonden, dog nooit in menigte. Men

vond ze alleen nu en dan meer of min. In 't begin dezer Eeuw waren

de Jongens gewoon dezelve aan strand op te zoeken, voor den Wel

Ed. Gr. Achtb. Ambachtsheer Nicolaas Witzen, Burgemeester der Stad

Amsterdam [18], die hier jaarlijks kwam en dezelve van de Jongens

kogt: dog sedert dien tijd is er geen werk gemaakt om ze op te zoeken,

en ook weinig meer gevonden, en dus niet mogelijk om ze geredelijk

te verzorgen. Niet uit schepen die vergaan zijn, maar door de natuur

zijn ze hier aangespoeld, en wierden gevonden in eene zekere soort

van zwarte aangespoelde Mollemaarde of molmachtigen Veengrond, gelijk

ik zelfs, in het begin van mijne Dienst, wanneer nog een groot stuk

Lands, buitendijks, zich Noordoostwaarts naar de Lemmer uitstrekte,

een van die soorten van Barnsteen aldaar in aangespoelde Molmaarde of

Veengrond gevonden heb, een halve vingerkop groot, welke ik aan mijn

eerwaarden Vader present gedaan heb, maar sedert dat het opgemelde

agter Buitendijksland weggespoeld en niet meer daar van dan een vlakke

steenachtige strand overgebleven is, worden die steenen, zooveel mij

bekend is, niet meer gevonden, enzv."

Behalve op Urk, is ook op het naburige Schokland barnsteen gevonden

[19].

Ofschoon nu in lateren tijd de barnsteen op geen dezer beide eilanden

meer is ontmoet, zoo laten echter de daaromtrent medegedeelde berigten

geenen twijfel over, of het is aldaar vroeger voorgekomen, en wel,

naar allen schijn, opgeworpen door de zee. Tevens echter blijkt

daaruit, dat de hoeveelheid ten allen tijde zeer gering geweest

is. De mollemaarde, waarvan in deze berigten sprake is, zoude het

vermoeden kunnen versterken, als of deze barnsteen afkomstig was uit

eene door de zee omgewoelde bruinkolenlaag, doch reeds boven hebben

wij gezien, dat tusschen het zand, dat het vroegere zeestrand vormde,

zich veel derrie bevindt. Hoogstwaarschijnlijk was het deze, waarin

men den barnsteen vond. Deze derrie nu draagt alle de kenmerken van

losgespoeld veen. Van hout van coniferen, die zoo algemeen in de

bruinkolenbeddingen voorkomen, en bepaaldelijk in die, welke den

barnsteen bevatten, is geen spoor te vinden.

Maar bovendien is het genoeg bekend, dat de barnsteen zeer veelvuldig

voorkomt in zand- en leemgronden, gelijk inzonderheid langs de geheele

Oostzeekust het geval is. Hij is daarheen gevoerd uit andere tertiaire

bruinkolenbeddingen, en het zoude derhalve zeer wel mogelijk kunnen

zijn, dat barnsteen ook hier en daar onder het Zuiderzeestrand ligt,

zonder dat zulks daarom nog eene nabij zijnde bruinkolenbedding

verraadt. Het soortelijk gewigt van barnsteen is 1,08; het verschilt

derhalve zeer weinig van dat van water, en gevolgelijk kunnen stukjes,

gelijk op Urk gevonden zijn, zeer gemakkelijk van groote afstanden

daarheen door den stroom der zee zijn overgevoerd.

Het Eiland Urk: Zijn Bodem, voortbrengselen en bewoners · 第 6 / 12 题