Onder de in de Zuiderzee gelegen eilanden is Urk datgene, hetwelk
op den grootsten afstand van den vasten wal ligt. De afstand tot
aan Enkhuizen bedraagt 20280 ellen, tot aan de Lemmer 20340 ellen,
tot aan het vuur bij Kuinre 18840 ellen, en tot aan het Kampereiland
en den mond des IJssels 17320 ellen. Het meest in de nabuurschap
liggende Schokland is er 11400 ellen van verwijderd [9].
Het eiland heeft eenen langwerpigen vorm, liggende de grootste
afmeting nagenoeg juist in de rigting van het Zuid-Westen naar
het Noord-Oosten. In deze rigting gemeten, bedraagt de lengte
van het eiland,--met uitzondering van het smalle aanhangsel
aan de Noord-Oostpunt, waaraan men den naam van de Staart heeft
gegeven,--1800 ellen, terwijl de breedte, dat is de grootste afmeting
van het Zuid-Oosten naar het Noord-Westen, 680 ellen is, en de geheele
omtrek omstreeks 4230 ellen, dat is ongeveer drie vierde uur gaans. De
oppervlakte bedraagt, volgens de kadastrale opmeting, 80 bunders 5
[] roeden en 62 [] ellen, waaronder 74 bunders 36 [] roeden en 44 []
ellen belastbaar land. Hieronder is niet begrepen het later
aangespoelde stuk gronds tusschen den vuurtoren en de haven, waarvan
de oppervlakte 67 [] roeden en 50 [] ellen is, zoodat dan de geheele
oppervlakte 80 bunders 73 [] roeden en 12 [] ellen beloopt.
Alleen met uitzondering van de op de kaart aangewezen punten, namelijk
aan de Zuidzijde nabij de haven en langs een gedeelte der Oostkust,
is het geheele eiland door paalwerk en eene steenen glooijing omgeven,
ten einde het tegen het geweld der golven te beschermen.
Het bestaat uit twee verschillende gedeelten, waarvan het eene of
kleinere, het zuidwestelijk deel uitmakend (op de kaart door wit
aangeduid) zich hoog boven de zee verheft, terwijl het andere of
grootere (op de kaart licht geharceerd) daarentegen zeer vlak en
laag is.
Het hoog liggend gedeelte maakt ongeveer een vijfde van het geheel
uit. De Westkust is het hoogst, en van daar daalt de bodem met eene
zachte helling noordoostelijk naar het lager liggend gedeelte,
en zuidoostelijk naar de havenzijde. Het hoogste punt (a) der
westkust ligt juist achter de Kerk op niet meer dan 45 ellen van
de zee verwijderd. De hoogte van dit punt boven A. P. bedraagt 9,2
ellen. Bij den vuurtoren (v) op de zuidwestpunt, 150 ellen van a af
gelegen, is die hoogte 7,7 ellen. Aan de zee- of westzijde loopt de
bodem langs dit geheele gedeelte der kust aanvankelijk met eene zeer
steile helling af, vervolgens zachter glooijend tot aan het paalwerk,
en zoo onder de steenen glooijing door naar de zee.
Tusschen het havenhoofd en de punt, waarop de vuurtoren staat, is een
driehoekig stuk gronds (B) gelegen. Dit behoort oorspronkelijk niet
tot dit hoog liggend gedeelte, maar heeft zich eerst in de laatste
jaren gevormd, sedert den eersten aanleg der haven in het jaar 1819,
uit het daar aangespoelde zeezand.
Het laag liggende gedeelte des eilands, ongeveer vier vijfde van
het geheel bedragende, onderscheidt zich dadelijk van het zoo even
beschrevene, door dat het nagenoeg geheel vlak is, en zich over het
algemeen slechts weinig boven de oppervlakte der zee verheft. Het
eindigt aan de Noord-Oostpunt in den reeds genoemden Staart,
zijnde eene lange, smalle, eenigzins gebogen strook of zandplaat,
welker oppervlakte niet meer dan 0,1 tot 0,2 el boven A. P. ligt,
en de bovenzeesche voortzetting is van het rif, dat het geheele
eiland omgeeft.
Door de geheele lengte van het laag liggend gedeelte tot aan
het begin van den Staart, breidt zich een zandrug uit, nagenoeg
evenwijdig met de Noord-Westkust loopend, op eenen afstand van 35
tot 40 ellen van de zee. De breedte dezer rug verschilt van 15 tot
25 ellen, terwijl zij, ter plaatse, waar zij het hoogst is, dat is
in de nabijheid van het hoog liggend gedeelte des eilands, zich tot
2,2 el boven A. P. verheft. Volgens mededeeling van den Burgemeester,
die thans eenen ouderdom van 70 jaren heeft bereikt, is deze zandrug
haar ontstaan verschuldigd aan de Noord-Wester stormen op den 14den
en 15den November 1775 en den 20sten November 1776, toen het eiland
van die zijde nog slechts gebrekkig tegen de zee beschut was.
Aan weerszijde loopt deze rug glooijend af, en wordt dus de bodem
allengs vlakker en lager, het meest aan de Oostzijde, alwaar het
middengedeelte tot voor korten tijd een moeras was, dat slechts in
den allerlaatsten tijd, door het graven van een afwateringskanaal en
de werking van een' kleinen pompmolen, in droog land is herschapen. In
1842 is met deze droogmaking een aanvang gemaakt, en in 1851 heeft men
er den eersten hooioogst ingezameld. Vóór 60 jaren was die kom nog diep
genoeg om er paling in te visschen, en in 1789 besloeg dit moerassig
gedeelte, blijkens eene toen door den Stadslandmeter J. Schilling
vervaardigde kaart, waarop het onder den naam van verdronken land
staat afgeteekend, eene oppervlakte van 15 morgen en 554 [] roeden
Amsterdamsche maat, of 12 bunders 39 [] roeden en 80 [] ellen, derhalve
een zesde gedeelte van het geheele eiland.