INLEIDING.

Een der merkwaardigste plekjes van onzen vaderlandschen bodem is

het kleine eilandje Urk. Gelegen midden in de Zuiderzee, heeft het

sedert eeuwen te kampen gehad met de woede der golven en stormen,

waaraan het meer dan eenig ander der in de Zuiderzee gelegen eilanden

is blootgesteld, en, alhoewel het in dien strijd geenszins ongedeerd

is gebleven, zoo ziet de reiziger, die van de Lemmer naar Amsterdam

de zee oversteekt, het zich nog altijd als een groene heuvel hoog

boven het watervlak verheffen, en de schipper vindt ligtelijk geloof,

als deze hem verzekert, dat het eene rots is.

Inderdaad is die meening onder hen, die de Zuiderzee bevaren, algemeen

verbreid, en zelfs zoude, volgens eenen schrijver [1], die, door de

nabijheid zijner woonplaats, beter dan menig ander in de gelegenheid

was, om met de ware gesteldheid bekend te zijn, de bodem van Urk uit

graniet bestaan, terwijl een ander [2], die het eiland zelf bezocht,

uitdrukkelijk zegt, dat de bodem van het westelijk of hooger gelegen

gedeelte rotsachtig is.

Echter was reeds Wagenaar de waarheid meer nabij geweest, toen hij, in

zijne beschrijving van Urk [3], zeide, dat het westelijkste gedeelte

hoog zand is, en dat daarin vele zware steenen worden gevonden. Nog

juister had zich een onbekend schrijver [4] uitgedrukt, zeggende:

"de grond is steenachtig en laat met reden vermoeden, dat dezelve

gevormd is uit granietblokken, wier tusschenruimten zijn aangevuld met

aarde." Wanneer hij echter hierop laat volgen: "overal is het strand

bezaaid met grootere en kleinere steenen, waarvan sommige met goud-

en zilverdeeltjes bezwangerd, echter niet rijk genoeg om ze daaruit

te halen," dan ontstaat er eenige gegronde twijfel aangaande zijne

geognostische en mineralogische kennis, en rijst het vermoeden, of

hij ook de glinsterende goudgele en zilverwitte glimmerblaadjes der

granieten en glimmerschiefers daarvoor heeft aangezien.

Intusschen mogt men, uit het door hem en Wagenaar medegedeelde, reeds

met meer dan waarschijnlijkheid, het besluit afleiden, dat een deel van

Urk tot de diluviale formatie behoort, gelijk dan ook door Dr. Acker

Stratingh [5] gedaan is, terwijl de gerolde blokken van graniet en

andere plutonische gesteenten, welke in die formatie zoo veelvuldig

worden aangetroffen, door hun groot aantal aanleiding hebben gegeven

tot het zoo algemeen verspreide volksgeloof, dat Urk eene rots is.

Doch er was nog een ander punt, hetwelk opheldering vorderde. Reeds

lang namelijk was het bekend, dat er op Urk een aantal zoetwaterputten

gevonden worden. Het bestaan van zoetwaterbronnen op een zoo klein

eilandje, en derhalve in de onmiddelijke nabijheid der zee, is op zich

zelf reeds merkwaardig, doch hier komt bij, dat men vindt opgeteekend,

dat het water in eene dier putten, te gelijk met het tij der zee,

rijst en daalt, en zelfs dat het daarin hooger of lager zoude staan, al

naar gelang van den waterstand op de rivier de IJssel bij Kampen [6].

Hoe gebrekkig na ook deze verschillende berigten waren, zoowel

aangaande den bodem van het eiland als aangaande de daarop voorkomende

zoetwaterputten, zoo mogt men er toch met eenigen grond uit afleiden,

dat een nader onderzoek niet onvruchtbaar zoude wezen, en dat Scheltema

[7] met regt reeds voor vele jaren geklaagd had: "het eiland Urk is

te weinig door natuurkundigen bezocht."

Toen ik in de lente van het vorige jaar eenigen tijd te Enkhuizen

doorbragt, besloot ik derhalve een bezoek op dit eiland af te leggen,

ten einde in de eerste plaats zijne geognostische gesteldheid nader

te leeren kennen, doch tevens van die gelegenheid gebruik te maken,

om zoowel door het verzamelen van voorwerpen, als door het inwinnen

van berigten bij de inwoners, eenige bekendheid te erlangen aangaande

de planten en dieren, welke dit kleine plekje gronds bewonen.

Den 29sten Maart begaf ik mij, voorzien van de noodige werktuigen tot

meten en boren, daarheen, in gezelschap van drie jongelieden, door

wier welwillende hulp het mij mogelijk was in een kort tijdsbestek

veel af te doen, want reeds den 31sten daaraanvolgende keerden wij

van daar terug.

Gedurende dit tweedaagsch verblijf, gelukte het mij reeds een tamelijk

goed inzigt te verkrijgen van de geognostische gesteldheid des bodems

van het eiland. Intusschen bleven er nog eenige vragen onbeantwoord,

eensdeels uithoofde van het korte tijdsbestek, anderdeels omdat de

gebezigde grondboor slechts eene lengte van 3,5 el had, en bovendien,

na eenige boringen in den zeer vasten en harden leemgrond, geheel

onbruikbaar was geworden [8]. Welkom was mij derhalve mijne onderwijl

gevolgde benoeming tot correspondent der Hoofdcommissie voor de

Geologische kaart van Nederland, waarin ik eene aanleiding vond, om

aan die Commissie het voorstel te doen van eenige gelden beschikbaar te

stellen, om op Urk nog op sommige door mij aangewezen punten gravingen

te doen bewerkstelligen, in welk voorstel door de Commissie dadelijk

met bereidwilligheid werd toegestemd.

Deze gravingen werden verrigt onder de leiding--en ten deele ook in

de tegenwoordigheid--van mijnen vriend den heer P. Backer de Wit,

Apotheker te Enkhuizen, en verders onder het toezigt van den op Urk

woonachtigen vuurtorenwachter A. Schraal, die zich tevens belastte

met het verzamelen van monsters der gronden, telkens met verschil van

O,1 el in diepte, en bovendien van alle grootere en kleinere steenen

en andere voorwerpen, die bij de gravingen gevonden mogten worden.

Ten einde den graad van juistheid der later mede te deelen uitkomsten

te kunnen beoordeelen, volgt hier eene optelling van de plaatsen,

waar geboord of gegraven is, met vermelding van de bereikte diepte

onder den beganen grond. Deze plaatsen zijn door letters aangeduid

op de bijgevoegde kaart.

Eerste boring (a) tot op 1,4 el diepte.

Tweede boring (b) tot op 1,5 el diepte.

Deze twee boringen op het hoogste punt (9,2 el boven A. P.) des

eilands, achter de kerk der Hervormden, en op slechts 10 ellen

onderlingen afstand, moesten beide gestaakt worden, omdat de boor op

eenen granietsteen stuitte.

Derde boring (c) tot op 3 ellen diepte, aan de westelijke helling

van het hooger liggend gedeelte, waar de bodem 3,5 el boven A. P. is

gelegen.

Vierde boring (d) tot op 3,5 ellen, in het lager liggend gedeelte,

nabij de grens van het hooger gelegene. De hoogte des bodems boven

A. P. bedraagt aldaar 0,7 el.

De gravingen zijn alle, slechts met uitzondering van die op het punt

D, voortgezet totdat het binnendringen van het welwater de verdere

graving verhinderde, daar op Urk geene middelen voorhanden waren,

om dit water te lozen.

Bij de eerste en diepste graving (A), aan de westelijke helling van

het hooger gedeelte, 4,3 el boven A. P. gelegen, was dit het geval,

toen men tot eene diepte van 5,8 el was doorgedrongen.

Bij de tweede (B), op het driehoekig aangespoeld stuk gronds, tusschen

den vuurtoren en de haven, bereikte men eene diepte van 1,9 el.

De derde (C), vierde (D) en vijfde (E) graving, alle in het lagere

gedeelte des eilands, drongen tot eene diepte van 1 el en 1,1 el,

terwijl men eindelijk op het zesde of laatste punt (F), op den

zoogenaamden Staart, waar de hoogte boven A. P. niet meer dan 0,2 el

bedraagt, de graving reeds op 0,3 el staken moest.

Wat de flora van het eiland betreft, zoo waren natuurlijk op het

tijdstip, waarop ik het eiland bezocht, nog slechts weinige planten

voorhanden. In deze leemte is echter later door den heer P. Backer de

Wit voorzien, die zich op mijn verzoek, met dit doel, driemalen naar

Urk heeft begeven, namelijk op den 24sten Mei, den 14den Junij en den

26sten Julij, en mij de door hem verzamelde meerendeels bloeijende

planten heeft overgezonden.

De berigten aangaande de dierlijke bevolking zijn door mij, voor het

grootste deel, ontleend aan de mededeelingen der bewoners. Alleenlijk

de optelling van de aan het strand gevonden schelpen van Mollusken

berust op eigene bevinding.

De opgaven van het getal inwoners sedert de invoering der registers

van den burgerlijken stand ben ik aan den Burgemeester den heer

P. Nentjes verschuldigd, even als verscheidene andere mededeelingen,

die voor de kennis van het eiland van gewigt zijn.

Het Eiland Urk: Zijn Bodem, voortbrengselen en bewoners · 第 1 / 12 题