[1] De Navorscher, De Vrije Fries (tijdschrift van het Friesch
Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, Leeuwarden), Rond
den Heerd (Brugge), Ostfriesisches Monatsblatt (Emden), Nomina
Geographica Neerlandica (tijdschrift van het Nederlandsch
Aardrijkskundig Genootschap), Belfort (Gent), de Friesche Volksalmanak
(Leeuwarden), de Noordbrabantsche Almanak (Helmond), enz.
[2] Vermoedelijk komen soortgelijke spotnamen als de Nederlandsche, wel
in alle landen en bij alle volken voor. Eenigen van die namen uit
Duitschland vindt men vermeld in het Korrespondenzblatt des Vereins für
Niederdeutsche Sprachforschung, VIII, 47; en anderen uit Frankrijk in
De Navorscher, XV, 318. En wat Engeland aan gaat, de spotnaam van de
Londenaars, Cockneys, is daar algemeen bekend.
[3] De Dokkumer kleermaker spreekt hier natuurlijk ook de dagelijksche
spreektaal van Dokkum—dat is: gewoon stad-Friesch, met enkele
bijzonderheden. Bij voorbeeld: Luwarden en sil, waar de Leeuwarders
Leewarden en sal zeggen. Ook brengt de Dokkumer tongval meê, dat de
lange a eenigermate naar den aai klank zweemende wordt uitgesproken.
Van daar dat andere Friesche stedelingen de Dokkumers ook plagen en
bespotten, door, hunne bijzondere uitspraak nog overdrijvende, te
zeggen: Faaider! de blaaiker staait op ’e taaifel.
[4] Zie mijn werk Oud Nederland, (’s-Gravenhage, 1888) bladz. 327, 353,
358, 361.
[5] Te IJlst wordt eene soort van moppen gebakken, die kypmantsjes
genoemd worden. Die des winters op ’t ijs te IJlst komt, moet
kypmantsjes mede nemen naar huis. (Als zoogenoemd „welkom-t’-huis” voor
de t’huisgeblevene huisgenooten.)
[6] Eene kleine havenplaats, oostwaarts van Dokkum, aan de Lauwersee.
[7] Zoo schreeuwde toen de uitgelatene Worp:
Ik wil rijden om lijf en leven,
Ik wil tegen den besten uit ulieder dorp,
Dan ik op koeribben.
[8] Dr. J. H. Halbertsma, Ringmunten en oorijzers, in Overijsselsche
Almanak voor Oudheid en Letteren, 1853.
[9] Zie mijn werk Oud Nederland (’s-Gravenhage, 1888), bladzijde 327.
[10] Bij voorbeeld, van de hedendaagsche geslachtsnamen Akersloot,
Medemblik, Wijdenes, Beets, Barsingerhorn, Schermerhorn, Schagen,
Opperdoes, Dokkum, Deinum, Hinloopen, Hoogeveen, Barneveld, Eibergen,
Pijnacker, Oosterwijk, Steenbergen, Muntendam, Goudriaan, Valkenburg,
Hoogstraten, Leuven, en vele anderen. Bijzonderlijk in Noord-Holland is
deze soort van namen veelvuldig vertegenwoordigd.
[11] Van dit Latijnsche nepos is het Fransche neveu, en van dit
Fransche neveu weer het Engelsche nephew afgeleid, terwijl de
Hoogduitsche en Nederduitsche en Nederlandsche woorden Neffe, neve en
neef met nepos uit den zelfden taalwortel ontsproten zijn.
[12] Opmerkelijk is het, dat men ook in Brabant van vretters spreekt,
als in Friesland, en niet van vreters. De bekende spotnaam der
Brusselaars wordt door den Zuid-Brabantschen volksmond steeds als
Kiekenfretters uitgesproken.
[13] Deze naam Potmarge is, zonderling genoeg, ook eigen aan eenen
ouden, kronkelenden stroom, die, beoosten Leeuwarden, uit de Greuns
voortkomt, langs ’t dorp Huizum vloeit en te Leeuwarden in de
Stadsgracht of Buitensingel uitmondt. Hoe dit vaarwater aan dezen
bijzonderen naam komt, is mij niet bekend.
[14] Borst is een echt Oud-Hollandsche aanspraaksvorm voor jongeling of
jongman. Hangt dit woord misschien samen met het Hoogduitsche woord
Bursche, in de zelfde beteekenis?
[15] Sedert.
[16] Buitendien noemde men mij: de Braken van Kassel (die in den
langhen Adieu Voorvechters heeten), de Wittigten van Belle (in den
langhen Adieu Caesemaeckers), de Zotjes van Hondschoten, anders gezegd
de Zots (Gekken) van de witte torre (toren), Hazebroekje Passe-temps
van Hazebroek, Koesjes van Godewaartsvelde en ook Koesjes van
Boeschepe, dan nog Zots van Merris, enz.
[17] Brandstoffen, in ’t Friesch brânje (brandinga) genoemd.
[18] Dat ook oudtijds, reeds in de 16de eeuw, de Franschen zoo dachten,
daarvan strekt het volgende voorval ten bewijze.
Jonker Wigle van Aytta, van Swichum, lid en Voorzitter van den Raad van
State, en van den Geheimen Raad ten hove te Brussel, bij Keizer Karel
den Vde en later bij diens zoon, was een echte Standfries. Eens ontving
hij als voorzitter van den geheimen raad, een afgezant van den Koning
van Frankrijk, die over belangrijke staatszaken met hem wilde
onderhandelen. Deze man, van den zelfden aard, die velen Franschen in
den tegenwoordigen tijd ook nog eigen is, sprak Jonker Wigle aan in het
Fransch, en bracht hem zijne boodschap over, in die taal sprekende.
Jonker Wigle liet hem geheel uitspreken, en gaf den Franschman toen
zijn antwoord in het Friesch, dat is, in zijne eigene moedertaal. De
ambassadeur nam dit hoogst euvel op, en vroeg, in zijne Fransche
opgeblazenheid geraakt, of de raadsheer met hem en met zijnen koning
den spot dreef, door hem bescheid te geven in eene taal, die hij niet
verstond. Maar Jonker Wigle antwoordde in kalme en eenvoudige
waardigheid, en zeide: „Zijn wij dan meer gehouden, om uwe taal te
spreken, als Gij de onze? Wanneer wij in Frankrijk komen, spreken wij
Fransch. Het is dus ook billijk, dat Gij, als Gij hier in de
Nederlanden wat te zoeken hebt, ook onze taal gebruikt. Of, zoo Gij dit
niet kunt doen, spreek dan Latijn, de taal die allen volkeren gemeen
is.”
[19] Zie mijn opstel Oude Volksliedjes, voorkomende in den Frieschen
Volksalmanak voor het jaar 1887 (Leeuwarden, A. Meyer).
[20] Bolwerk, ook in het Engelsch bullwark, een werk of samenstel van
bollen, bolen, Hoogduitsch Bohle, dat zijn zware balken, behouwen
boomstammen. Dit zuiver Oud-Germaansche woord vinden wij terug in het
hedendaagsche Fransche woord boulevard, breede straat, lei of laan,
aangelegd ter plaatse der voormalige bolwerken of vestingswallen en
muren, die de oude steden omsloten hielden.
[21] In Vlaanderen echter met ééne uitzondering. De naam van de
hedendaagsche Westvlaamsche stad Waasten komt in oude oorkonden voor
als Warnasthun (1007), als Warneston (1066–1080, 1103), in 1126
verwaalscht als Garneston, en in 1347, niet ten onrechte, als Garneri
fortitudo (de veste, de versterkte, omtuinde plaats, de tuin, tun of
ton van Garner of Warner) in het Latijn vertaald. Zie Ant.
Verwaetermeulen, Westvlaamsche Oordnamenkunde, in het Bijblad van het
tijdschrift Biekorf, Slachtmaand, 1893. De hedendaagsche Fransche
naamsvorm van Waasten is nog Warneton.
[22] Aernout, Van Graefschepe, De Coussemaker, De Baecker (Bakker),
Hase, Baert, Bernaert, Becuwe, Blavoet, Bloeme, Cappelaere, De Haene,
De Rode, De Ruywe, De Smidt, De Swarte, Meneboo (elders Minneboo),
Strobbel, Top, Treutenaere, Van de Walle (ook half verfranscht als
Deloualle), Verstavel, De Conynck, De Meunynck (de Monnik), De Grendel,
De Laeter, De Smyttere, De Vos, Goudaert, Hopsomer (een, door Franschen
invloed verbasterde vorm van Opsomer, Opzomer, dat ook in Noord- en in
Zuid-Nederland voorkomt), Ryngaert, Van den Abeele, Van den Kerckove,
Van der Veene, Verclytte, De Schodt, De Zitter, Wayenburg, Van der
Colme, Beekmans, Behaghel, Bieswal, Blanckaert, De Beyer, De Coster, De
Groote, De Man, Eeckman, Goemaere, Govaere, Herreman, Hooft, Liefooghe,
Lootgieter, Spillemaker, Wittevronghel, Wyckaert, Wellecomme,
Vinckevleugel, Wallaert, De Broere, Cleenewerck, Schoonheere, Van de
Velde, Hazewindt, Van Acker, De Stuynder, De Waegemaeker, Plaetevoet,
De Grave, Raeckelboom, De Mol, Elleboode, Yserbyt, (ook verfranscht tot
Iserbi), Van Hove, Oswin, De Vilder, Van Heeghe, Dagbert, Keingaert,
Swyngedauw, Van Eeke, De Temmaeker, Goeneute, Van Elslandt, en nog
velen meer. Hier bij valt op te merken dat door de Franschen de namen
die met het lidwoord de, of met het voorzetsel van of met van de, van
den, van der zijn samengesteld, in één woord schrijven; bij voorbeeld
Dehaene, Deruywe, Derode, Vanderwalle, Vandenabeele, Vandenkerckove,
enz. De namen krijgen op die wijze zulk een vreemd voorkomen, dat een
Nederlander zelf aanvankelijk ze niet herkent.
[23] De getallen achter de namen duiden de jaren aan waar in de
oorkonden zijn opgesteld, die deze namen vermelden: de jaren dus (in
den regel) waar in de personen leefden, welke die namen droegen.
[24] Van alle deze oude benamingen zal, in het vervolg van dit opstel,
de volledige overzetting in onze hedendaagsche taal niet gegeven
worden; de opmerkzame lezer zal, bij eenig nadenken, zelf die namen wel
kunnen duiden en verklaren. Slechts sommige, anders schier onbekende
benamingen zullen met een enkel woord nader worden aangeduid; terwijl
eenige zeer bijzondere en zeer opmerkelijke vóórnamen aan het slot van
dit opstel nog afzonderlijk nader zullen behandeld worden.
[25] Lambrecht Lauwreyzen Tielmanssoen (1400); Willem Gerits
Tsweertssoen (1439), dat is waarschijnlijk: Willem de zoon van Gerrit
den Weerd, den Waard, den herberghouder (Tsweerts = des weerds); Art
Art Metten Swagerssoen van Milheze (1416); Celen Claes Wolfssoen
(1416); Heyncke Willem Duysschensoen (1416); Claes Claes Wielmanssoen
(1418); Dirc Udemans Swolfssoen (1435); Peter Willem Luppensoen van
Bakel (1419); Lodewich wilen Heynen Stokssoen (1419); Henneken Jan
Deynensoen (1478).
[26] Hubrecht Kerstiaens (1413), Cornelis Vriens (1467), in 1492 als
Cornelis Vrients voorkomende; Dirc Wautgers (1439); Godart Vrancken
(1418), in 1439 Godart Vrankensoen genoemd; Willem Meynsen (1439); Maes
Weylarts (1416); Filips Goukens (1402); Godert Bants (1435), enz.
[27] Wouter Maessoen die handschoemeker van Son (1418). Dat deze
Wouter, zoon van Maes (Thomas), een broeder had die even als zijn vader
ook Maes heette, en dat zoowel die broeder als vader Maes beiden ook
handschoenmakers waren, blijkt uit de benaming Maes den
Hantscomekersoen Maes Hantscomekers, die wij in eene oorkonde van den
jare 1439 ontmoeten.—Willem Diddensoen van Grotel (1416): Godart
Mathijs Bloxsoen (1450); Ruelken dien Scoemeker Lambrecht Ruelkenssoen
(1401); Gherit wilen Aerts van den Put (1440). Daar was nog een andere
Gherit van den Put in die jaren te Helmond. Maar de vader van dezen
heette niet Aert gelijk die van den eerstgenoemden Gherit; hij heette
Jan, en droeg den bijnaam van Hollander, waarschijnlijk omdat hij een
Hollander van geboorte of herkomst was. Dies wordt die tweede Gherit in
eene oorkonde van den jare 1413 genoemd: Gherit geheiten van den Put
Jans Hollanders soen.—Symon Lambrechts Langsmeedssoen (1348). Willem
van Eyke soen wilen Henrix Boyfaes van Eyke (1421); deze zelfde man
komt in eene oorkonde van het volgende jaar voor als Willem Boyfaessoen
van Eyke (1422). Hubrecht soen Happen Smolners, reeds op bladzijde 175
hiervoren vermeld. Willem den Weder wilen Dirc Sweederssoen (1428);
Weder, ook met het lidwoord den Weder of die Weder, schijnt reeds als
een vaste bijnaam, als of ’t een hedendaagsche geslachtsnaam ware, bij
Willem en bij zijnen vader Dirk in gebruik te zijn geweest. Immers
Sweederssoen in Willems benaming staat voor ’s weders soen, des weders
zoon. De vader komt in eene oorkonde van 1427 voor als Dirck die Weder;
en ook in een geschrift van den jare 1481 wordt een Dirc die Weder
genoemd. Weder, ook saamgetrokken tot weer, is een goed
Oud-Nederlandsch woord, dat ram, mannelijk schaap beteekent. Het woord
ram komt ook nog heden als maagschapsnaam (Ram en De Ram) voor.
[28] Nolle van der Egelmeere (1401); Jan Tempeler (1498); Florens van
den Vijfeyken (1439); nog heden dragen drie verschillende maagschappen,
die echter zeer wel allen van dezen zelfden Helmondschen Florens kunnen
afstammen, de geslachtsnamen Vijfeiken, Van Vijfeyken en Vijfeyken;
Michiel die Keteler (1472); Klaes Mijs (1472); Heynric van den
Kerckhove; dat deze toenaam aan de ligging van ’s mans huis ontleend
was, blijkt uit de oorkonde die zijnen naam vermeldt, van den jare
1414, en waarbij hij zijn huis verkoopt, gelegen te Helmond, „bij den
kerckhof.” Dit zelfde is het geval met den toenaam van Peter van den
Doseldonck (1469), die eigenaar was van het landgoed Doseldonk. Verder
Art van den Paependonck (1439); Heyn van den Berken (1416); Gherit die
Volre (de volder, lakenvolder: 1492); Jan de Blake (1416); Heyn Queyen
(1429), Jan de Berre, geheiten van Eyndoven (1419); Henric Kuylman
(1416): Reyner van den Wintmoelen (1348); Godert van Bistervelt (1348);
Jan van Stipdonc (1395); Art den Wize van Asten (1416)—een bijnaam aan
’s mans wijsheid ontleend? Ook zekere Henric had vroeger dien zelfden
bijnaam gedragen, zoo als blijkt uit de benaming waaronder diens zoon
ten jare 1416 voorkomt. Godart Henric Swisen soen, dat is Godart Henric
des Wisen soen, Godart zoon van Hendrik den Wijze. Eindelijk nog Jan
van Honthuys (1418); Yde van Roezel (1481); Udeman van Thefelen (1439);
Godart van der Capellen (1460); Lemmen van de Laer (1416); Henric
Scuerman (1394); Jan Wyflet (1417); Marcelys Bruynswyck (1477),
waarschijnlijk een Duitscher, en van de stad Brunswijk herkomstig;
Wouter Terlink (1427)—terlink, teerling, dobbelsteen, de bijnaam van
eenen speler, eenen dobbelaar?; Jan die Vleeschouwer (1404); Jan
Colibrant (1450); Jan van den Bocht (1450); Henric van den Hoeghenhuys
(1386); Willem Cortsmet (1462); Vranck van den Dijck (1462); Henric
Waunays (1429); Lodeken van Lofen (1410), reeds vroeger vermeld op
bladzijde 175; Willeken van Ghemert (1410); Reynier Haengreve (den
Hanegraaf of Pluimgraaf was oudtijds het toezicht op het pluimgedierte
van eenen heerenhof, kasteel of landgoed opgedragen) van Stakenborch
Matheus soen van Boesscot (1389); Jan de Blake (1416).
[29] Herman Eycmans (1439); Jan Starkens(1498), d.i. Jan, zoon van
Willem (?) Starken; deze toenaam Starken is ook weêr een patronymicale
naamsvorm, beteekenende van Stark of zoon van Peter (?) Stark, van den
man, die om zijne bijzondere sterkte, den bijnaam van Stark (of Sterk)
verworven had. Stark en Sterk, Sterck komen nog heden als
maagschapsnamen voor; ook de patronymicale vormen daar van: Sterke,
Sterckx, Sterken, enz. Verder Peter van Eyndhouts (1487); Peter
Stippelmans, Henric Touwers(1439; touwer = touwslager? zie bladzijde
175), in 1435 Heyn Touwers genoemd; Peter Pedelmans (1416); Goswyn
Wevers (1402) en Herman Swevers (1492; des Wevers); Mathys Jan Spapen
soen van Zomeren (1417), d.i. Matthijs, zoon van Jan de Paap of de
Pastoor van den dorpe Zomeren, of zoon van Jan die om d’eene of andere
reden den bijnaam van Paap droeg, zonder daarom juist een Pastoor of
ander Geestelijk Heer te zijn, en die van Zomeren herkomstig was. Dan
nog Diryck Swerts (1492); Heyn Teulinx (1389); Goeswyn Schuermans
(1419), met andere woorden: Gosewijn, de zoon of kleinzoon van eenen
man, die den toenaam Schuerman voerde (omdat zijn huis kenbaar was aan
eene groote of anderszins bijzonder in ’t oog vallende schuur?); de
naam Schuermans is nog heden als maagschapsnaam aan Brabantsche
geslachten eigen. Eindelijk nog Jan Coffermans (1436) en Goessen
Scorten (1460).
[30] Luytgart Huben dochter (1400), die in eene andere oorkonde van den
jare 1394 als Luytgaert Houben optreedt; Aleyt Moerkens (1395); Jutte
Gobbels (1436); Lisebet Harcmansdochter (1388); Wandel Jan
Embrechtsdochter (1419); Aleyt Arts Creppen dochter (1427). Deze
laatste benamingen komen reeds in samengestelden vorm voor den dag;
maar zij worden daarin nog verre overtroffen door benamingen als Engel
van den Doren Peters dochter van den Vehuse (1419), waar de dochter
eenen anderen toenaam voert als de vader. De toenaam van dezen laatsten
(van den Vehuse) hebben wij eerder in deze verhandeling op (bladzijde
174) ontmoet en besproken. Verder Swenelt wilen Henrics Mortels dochter
(1436); Margriet Sweders dochter wilen Jans van Binderen (1421), eene
onduidelijke benaming, die zoo wel de verklaring toelaat dat Margriet
eene dochter van Sweder en eene kleindochter van Jan van Binderen, als
deze, dat zij eene dochter van Sweder, maar de vrouw van Jan van
Binderen was; Heilwig dochter wilen Hermans Dircs Guedelen soens
(1443), dat is: Heilwig, de dochter van wijlen Herman, die een zoon was
van Dirk, die weêr een zoon was van vrouw Guedele (Goedele, Gudula);
Sophie van Geldrop Dircs Sjoncheren soens dochter (1400), dat is:
Sophie, dochter van Dirk, die een zoon was van den Jonkheer van
Geldrop. Nog omslachtiger zijn de benamingen van Gheertruy dochter
Heynen Coensen Maessoen van der Heyden (1472), dat is: Geertrui, de
dochter van Hein, die een zoon was van Koen, die een zoon was van Maes
van der Heyden; van Jutte dochter Meys van Herzel die dieselve
natuerlic gewonnen hadde Coratine van de Goer (1446), en van Katlin
geheiten van de Donc Marcelys Scillinx wilen spastoirs van Baerle
natuerlike dochter (1417). Wegens de geboorte dezer twee laatstgenoemde
dochters buiten huwelijk harer ouders, zijn hare namen zoo uitvoerig te
boek gesteld. Bij de eerste benaming is zoo wel de naam van den vader
als die van de moeder vermeld. De laatste wil zeggen Katelyne of
Catharine, met toename van de Donk, die de natuurlijke dochter was van
Marcelis Schillink, in zijn leven Pastoor in den dorpe Baarle.
[31] Zie over deze zaak mijne verhandeling Haarringen, Hoofdbengels en
Oorijzers, voorkomende in het werk Oud Nederland, ’s Gravenhage, 1888.
[32] Aeldrik (in Nederlandsche spelling Aaldrik, oorspronkelijk voluit
Adelrik), Aelwyn (in Nederlandsche spelling Aalwijn, oorspronkelijk
voluit Adelwin = Edele vriend), Ayold, Albert (oorspronkelijk voluit
Adelbrecht), Aldert (de zelfde naam als Aaldert, bovenvermeld), Alef en
Alof (oorspronkelijk voluit Adelelf, Adellof, Adelwolf), Alfert
(Alfred, Adelfred, Adelvrede), Alger (oorspronkelijk voluit Adelger,
Adelgar), Almer (Adelmar), Arend (Arnwald of Arnhold, de zelfde naam
als Arnout), Bareld (Barwald), Bindert en Binnert (Bernhard), Bronger,
Eadsger, Edser, Edsert, Edzard en Idsert; dan Egbert, Eilard
(Agilhart), Eilof (Agilolf), Evert (Everhart), Folken (Folkwin),
Folkert (Folkhart), Freark of Frjerk (Freerk, Frederik), Gerlof of
Geerlof, bij samentrekking Gelf (Gerolf, Gerwolf), Gerben en Gerbren
(Gerbern); Gerbrand; Gerrolt, bij samentrekking Grealt, Greolt of
Greult (Gerhold), Germen (German), Gysbert (Giselbrecht), Gisold,
Godsskalk (in Nederlandsche spelling Godschalk), Hartger, Hartman,
Hattem of Hattum (Harthelm), Hilbert (Hildbrecht), Hilbrand of
Hillebrand (Hildbrand), Idsert (zie hier voren bij Edser), Ysbrand,
Jelger (Ethelgar), Jelmer (Ethelmar), Jildert of Jillert, Jodserd,
Jorrit (Everhart), Jouwert, Lammert (Lambert, Landbrecht), Leffert
(Liafhart), Lubbert (Hludbrecht), Meindert en Meinert (Meginhart),
Nittert (Nidhart), Olfert (Olfhart, Wolfhart), Reinhard, Reinert en
Reindert (Reginhart), Richolt, Ryken (Rikwin), Ritsert (Richard,
Rikhart), Rodmer (Hrodmar), Sibrand (Sigbrand), Sibren of Sybren
(Sigbern), Sibout (Sigbald), Symen (Sigman), Tetman, Tsjalf (in
Nederlandsche spelling Tjalf, oorspronkelijk voluit Thiadlef), Wibrand
(Wigbrand), Wibren of Wybren (Wigbern), Wigbold, Willem (Wilhelm), enz.
[33] Alem (voluit Adelhelm, als Hattem en Willem gevormd), Alman
(Adelman), Alwart (Adelwart), Aswyn (vriend der Goden), Bornlef,
Bernlef of Bernolf, Brotryck, Edgar, Edleff, Egilbald, Eilbrand,
Folcbrat, Folkmar, Folkwart, Gardolf, Garhelm, Garlef, Gerbald,
Gerhold, Gerwalt, Godsfriund, Gondebald, Hadlef, Harald, Hartmod,
Hatebrand, Heylgar, Hellingbern, Helmrik, Herbern, Herbrand, Herdrad,
Hildegrim, Hilderik, Hildmar, Hildulf, Hildwin, Ibrand, Liafwin,
Lindrad, Liudger, Liudmund, Liudric, Liobbren, Ludelef (Ludelf, Ludolf,
Lulof, Hludwolf), Meinbern, Meynum (Meginhelm), Meinward, Notgrim,
Odelbald, Radbald, Radbad, Radbod, Rabbod, Rabbold (Radbout), Randolf,
Ratger of Redger, Redlef, Redward, Reinbern, Ricbald, Ricbern, Ricfred,
Riklef, Ricward, Robet (Hrodbald), Rodbern, Tancmar, Tethard, Thiadlef
(Tsjalf; zie hier voren), Ulfbold, Waldger, Werinhad, Wicholt,
Wilbrand, Wolbern, Wolbrand, Wolbrecht, enz.
[34] Bernou, Edwer, Eedwer of Idwer, Eland (Edelland), Ferdou, Fardou
of Fredou, Gerland, Hadewei (Hedwig), Jildou, Jeldou of Joldou, Ludewei
(Hlodwige), Meinou, Reinou, Welmoed, enz.
[35] Adelgonda, Aldburga, Armgard, Hatheburgis, Herbilda, Irmgard,
Irmtrude, Ysland, Liafburg, Machteld, Rikou, Swanelt (Swanhilda; zie
Swenelt op bladzijde 190 hiervoren), Switburga, Thiadlindis, Wigmod,
enz.
[36] De eenig goede uitspraak van dezen naam is dan ook met den vollen
klemtoon op de eerste lettergreep, op de A, terwijl de tweede
lettergreep de toonloos is; en geenszins als Adeelen, met de stemsate
op de tweede lettergreep die dan als dee wordt uitgesproken, gelijk
Hollanders, uit onverstand, wel spreken en schrijven. Zie bij voorbeeld
Mr. J. van Lennep, De Roos van Dekama, in welken roman een der
hoofdpersonen den verknoeiden naam Seerp van Adeelen draagt.
[37] Wilke Folkerts, Aesge Aesgesz (in betere spelling Easge), Sywrd
Sickez, Gerlef Abbez, Abele Jeltez, Herke Feykez, Wybe Saecklez (Seakle
of Seakele), Haya Sywrdz, Tzalingh Tiebbez (Tjalling Tjebbes), Janke
Fongerz, Tyesse Mennes, Doythye Feyckez (Doaitsje of Doaitsen), Tiethe
Tiercks (Tiete Tjerks), Dowe Bottez, Heerke Takaz (Take of Teake),
Botte Aukenz, Gerbren Sackez (Sake), Gerleff Abbez, Iw Eckez (Iw = Ivo,
Iuw, Juw, Jou, Jouke), Jarich Hiddes, en zeer vele andere dergelijken
meer.
[38] Gerryt Jacobz, Peter Lambertz (St. Lambert, in ouden
oorspronkelijken vorm Landbrecht, is de naam van eenen Heilige), Willem
Albertz (ook St. Albert, Adelbert, Athalbrecht is de naam van eenen
Heilige, maar tevens, even als Lambert en vele andere dergelijken, een
algemeen Germaansche naam), Frans Claesz, Claes Laurens, Albert
Pouwels, Tryn Heyndricks (Tryn, voluit Catharina is de naam van eene
Heilige; de naam is Grieksch, en beteekent de reine, de kuische),
Johannes Jorretz, Tialle Hanss, Jacob Adserts, Barent Gerbrenz (Barent,
Berent, verbastering van Bernard, Bernhart, een algemeen Germaansche
naam, tevens de naam van St. Bernardus) enz.
[39] Mijne grootmoeder bij voorbeeld, eene dochter van Johannes Schaap,
die in het laatst der achttiende eeuw stads-bouwmeester te Leeuwarden
was, schreef haren naam als Jeltje Johannis Schaap.
[40] Doed Juyssman (Juwsma, Jousma?), Eelck Onsta, Tierck Bonga, His
Taeckema, Lywe Kampstera, Jelte Bonge, Poppe Obbema.
[41] Deze voorbeelden zijn genomen uit Oorkonden der Geschiedenis van
het Sint-Antony-Gasthuis te Leeuwarden, allen in de Oud-Friesche taal
opgesteld en uit de 15de eeuw dagteekenende.
[42] Zie Helmondsche namen in de middeleeuwen, bl. 171.
[43] Frouck Martens, Rinscka Doekes, die op de zelfde bladzijde als
Reynsck Doekes voorkomt, Griet Heynes, Dew Gowerts (Dieuwke), Aleyt
Hayes, Follzw Piers, Tryn Gernants (de bijzondere namen van deze twee
laatstgenoemde vrouwen zullen nog nader in dit opstel besproken
worden). Griet Backer voert eenen schijnbaren geslachtsnaam, en Tryn
Hermane (Hermana) eenen waren, Oud-Frieschen, patronymicalen
maagschapsnaam, terwijl Auck Mester Sywcks in hare benaming nog den
titel van haren vader behouden heeft.
[44] Nog heden onderscheidt het volk hier en daar in Holland, onder
anderen te Haarlem, nauwkeurig „den Meester” (wondarts, chirurgijn) van
„den Docter”.
[45] Powels Tymmerman, Wybe Tymmerman, Gysbert Tymmerman, Albert Smidt,
Ryoerdt Smidt, Tyalle Smid, Gaele Metzelaer, Gauke Metzeler, Aelthie
Metzler, Paesche Backer, Eme Backer, Hessel Backer, Dowe Scomaker,
Syrick Scomaker, Wybrant Scomaker, Menno Scroer, Botte Scroer, Herman
Scroer, enz.
[46] Baucke Scutmaker, Wattie Scutmaker (Watse), Peter Scutmaker,
Sybren Wielmaker, Hed Wielmaker, Hanz Wyelmaker, Gerryt Kuyper, Inthie
Kuper, Egbert Kuper, Arys Glaesmaker, Gosse Glaesmaker, Alle Ferwer,
Jacob Decker, Jan Decker, Hilthyen Leydecker (Hiltje of Hyltje, Hylke),
Wynthie Leydecker, Gale Kistemaker, Wybren Kistmaeker, Sibet
Kistemaker, Romke Holtsnyder, Foppo Holtsnider, Bartolt Mesmaker,
Thomas Mesmaker, Wolter Slotemaker, Reyn Kannemaker, Claes Steenbicker,
Arent Brouwer, Ede Kremer, Gerryt Kramer, Jan Cramer, Jelle Kremer,
Sywert Molner, Ide Moller, Gheert ende Jancke Molner, Verbout
Boeckbinder, Roloff Schriver, Jancke Scriuer, Rothger Schriver, Hille
Coster, Jan Fleyshouwer, Herman Fleyshouwer, Anthonius Fyscker, Renick
Drager, Claes Drager, Ysbrant Drager, Anscke Rogdrager, Wilke
Rogdrager, Wythie Calcmaker, Jelle Holtsager, Baucke Holtsager, Romert
Wagenaer, Ydssche Wagenner, Sybet Wagener.
[47] Zie Oorkonden der Geschiedenis van het Sint-Anthony-Gasthuis te
Leeuwarden. Deel II, bladzijde 720.
[48] Zie De Navorscher, Deel XLI, bladzijde 203.
[49] Hoe zeer deze naam oudtijds onderhevig was aan allerlei spellingen
en misspellingen (even als het Friesche woord frjeon nog heden), leert
ons de naam van eenen boer te Wons, in 1511. Die naam wordt op drie
onderscheidene plaatsen van de Registers van den Aanbreng (deel III,
bl. 321, 341 en 350) geschreven als Johannes Goedsvrients, Johannes
Goedsfrioens en Johannes Goedsvriond.
[50] Ook in het Garmerwolder Heidenschap was in de middeleeuwen een
klooster gesticht.
[51] Zie: Oostergo, Register van Geestelijke Opkomsten van Oostergo,
bewerkt door Prof. Dr. J. Reitsma, Leeuwarden, 1888, bladz. 162.
[52] Ook in het dagelijksche leven is nog heden bij bet Friesche volk
het woord helsdoar niet vergeten, maar komt nog in de volksspreektaal
voor. Bij voorbeeld: Iemand heeft zekere zaak niet dan met uiterst veel
moeite kunnen verkrijgen, waarbij hij hevigen tegenstand van anderen
had te bestrijden; dan zegt hij wel: Ik moast it foar de helsdoarren
wei skûrre. Of anderszins, als een boos wijf, door helsche drift
vervoerd, begint te razen, te schelden en te rachen, en haren
tegenstander, onder groot misbaar, met beschuldigingen en verwijtingen
begint te overladen, dan zegt men: It is eft de helsdoarren iepen
komme.
[53] Zeer opmerkelijk is het, dat zelfs Gysbert Japicx nog van de hel
spreekt, vergelijkender wijze, als van eene diepe waterkolk.
[54] Immers zóó, met twee letters o, moet de naam dezer Friesche stede
geschreven worden, naar dien die naam in de Friesche taal Sleat is, het
welk overeenkomt met het woord sloot in het Nederlandsch, waarvan de
vorm Slooten den locativus voorstelt. De vorm Sloten zoude een
locativus zijn van het woord slot, kasteel, en het sprekende wapen der
stad, een slot (kasteel) en twee sleutels, begunstigt deze opvatting
van den oorsprong des naams. Maar de Friesche naam Sleat weêrspreekt
dit ten stelligsten, en heeft alleen gelding.
[55] Lexicon Frisicum, bladz. 407.
[56] Zie Mr. J. Dirks, Geschiedkundig Onderzoek van den Koophandel der
Friezen. Utrecht, 1846, blz. 69.