DE HEL IN FRIESLAND.

De oude Germanen in het algemeen, en dus ook de oude Friezen, hadden in

hunnen heidenschen tijd eene voorstelling van de hel, van de plaats

waar de onzalige geesten of zielen verblijven, als van een duister,

koud en vochtig oord. Zij dachten zich deze plaats, deze hel (reeds

door hen aldus genoemd) als een groot hol ergens in het binnenste der

aarde, onder de wateren. Holen en spleten en kloven in bergen en

rotsen, geheimzinnige bronnen (in de bergachtige streken), of, in de

lage landen aan zee, gelijk Friesland er een is, diepe, schier

onpeilbare putten met water gevuld, diepe poelen of kleine meerkes, of

ook diepe kolken in stroom of zeegat, waar de golven bruisten en de

stormwind loeide, gaven, naar hunne meening, toegang tot het onzalige

oord. Dat waren de helsdeuren, en de randen van zulken put, de boorden

van zulken poel, waren de randen, de boorden van de hel.

Deze voorstelling uit het heidendom kon eerst langzamerhand door het

Christendom uit de gedachtenis der lieden verdrongen worden. Ja, nog

heden vindt men, overal in Germaansche landen, de sporen van die oude

voorstelling, de herinnering aan die heidensche denkwijze in de namen,

aan sommige plaatsen eigen. Ook in Friesland ontbreken die niet.

Het woord of de naam hel is toegepast geworden, in verloop van tijd, op

de putten, poelen, meertjes, stroomen, die oorspronkelijk slechts als

helsdeuren, als toegangen tot de eigenlijke hel beschouwd geweest

waren. En als later nevens zulk eene zoogenoemde hel een stins werd

gebouwd, eene sate gesticht, of ook eene buurt of zelfs wel een dorp

ontstond, dan ging die naam hel ook op die stins, die sate, die buurt,

dat dorp over. Zoo bestaat daar nog heden ten dage eene sate in het

Heidenschap onder Workum, die de Hel heet, en daar nevens eene andere,

de Lytse Hel, Kleine Hel genoemd. Oudtijds was daar nabij deze sate een

poel, gelijk daar nog heden zeer velen in die krite gevonden worden.

Aan dien poel, sedert drooggelegd, kwam van ouds en eigenlijk die

helnaam toe, als helsdeur of toegang tot de hel.

Opmerkelijk is het, dat deze oude hel of helsdeur juist in It

Heidenskip gevonden wordt, in die laag gelegene, waterrijke, weinig

vruchtbare en weinig bewoonde krite, die, ten Oosten van Workum zich

uitstrekkende, tot den zoogenoemden Klokslag, tot het oude Rechtsgebied

dier stad behoort, en van aanmerkelijken omvang is. Men mag veilig

aannemen, dat juist bij de bewoners van dit eenzame en afgelegene oord

het heidendom langer in stand gebleven is als in de naast bij gelegene

plaatsen Workum en Koudum, die reeds vroeg aanzienlijke Christenkerken

moeten gehad hebben; en dat de zonderlinge naam It Heidenskip aan die

omstandigheid zijnen oorsprong dankt. Ook bij Grouw, oostwaarts van het

dorp, over de Pikmeer, draagt zulk eene lage krite van magere

hooilanden, die lang woest gelegen heeft, dien naam van It Heidenskip.

Tevens is daar zulk eene krite, met gehucht, het Heidenschap, bij het

dorp Garmerwolde in Groningerland. Beiden zijn zekerlijk uit de zelfde

oorzaak zoo genoemd, die ook bij het Workumer-Heidenschap den naam

gegeven heeft. In het Workumer-Heidenschap, zoo min als in de beide

anderen, is dan ook nooit eene parochie-kerk gesticht geweest, ten

bijzonderen dienste der bewoners, al hebben de laatst verloopene jaren

daar een hoogst eenvoudig preekhuisje zien verrijzen. Daar is dus ook

nooit een eigenlijk dorp ontstaan, al besloeg die krite ook vele uren

gaans in omtrek. Maar wel bestond daar in de laatste middeleeuwen een

kloosterke [50], het Klooster van Sinte-Ursula, in de volksspreektaal

It Sinte-Orsele-Kleaster genoemd, nabij eenen poel die nog heden den

naam draagt van Sinte-Orsele-Poel, St-Ursula of St-Urselpoel.

Daar woonden dan in heur cleyn cloisterkyn die vrome, nederige

zusterkens van Sinte-Ursula, de donkere, grove wollene pij in breede,

zware plooien om de slanke leest, de witte huive het hoofd omhullende,

liefde, vrede en eenvoud als weêrspiegelende in hare stille, liefelijke

gelaatstrekken; en zij brachten, in begeesterde toewijding, door leer

en leven, „de Blijde Boodschap” in de hutten en de harten der ruwe,

schier nog heidensche landzaten. Daar klonk het fijn tinkelende

kloosterklokje over de woeste vlakte en over de donkere, diepe poelen,

en noodde het volk tot zonden-belijdenis en gebed. Ook dit is voorbij

gegaan. Maar nog heden bewaart eene sate, daar ter plaatse, naam en

gedachtenis aan it lytse kleasterke fen Sinte Orsele. En nog heden

draagt hier of daar eene enkele Friezin den naam der Heilige Ursula,

zij het dan ook in de verbasterde, schier onkenbare vormen Orseltsje en

zelfs Osseltsje.

Niet verre van de Workumer-Hel is nog een poel, die den wel wat

bijzonderen naam draagt van De Liachte-Mar, de Lichtemeer. Of deze naam

ook in eenig verband (of tegenstelling?) staat met dien zwarten

helnaam, kan ik niet beslissen, maar acht ik wel waarschijnlijk.

Intusschen, wij moeten nog verder terug uit het licht tot de

duisternis, uit het Christelijke klooster naar de heidensche hel.

Eene andere hel bestaat er, of bestond er, in de Trynwouden, nabij het

dorp Oudkerk. Welk van de vele poeltjes daar in den omtrek in het veld

verspreid, van ouds voor de eigenlijke helsdeur is gehouden geworden,

weet men nu niet meer. Maar het gehucht Helbird aldaar, dicht bij

Oudkerk gelegen, maar ambtelijk tot Roodkerk behoorende, houdt die oude

hel in aandenken. Helbird (Hella birda), heden ten dage, en reeds in de

vorige eeuw veelal verkeerdelijk als Healbird geschreven (alsof het

Halfboord of zelfs Halfbaard ware)—Helbird beteekent eenvoudig de bird,

de boord, de oever, de rand van de hel.

Het komt mij niet onwaarschijnlijk voor, dat de namen der twee dorpen,

die het naaste bij deze Trynwouder-hel liggen, in verband staan met dat

oud stuk heidendom. Oudkerk als de oudste, de eerste, langen tijd de

eenige Christenkerk in deze Wouden, reeds vroegtijdig of terstond na de

invoering des Christendoms in dat oord, juist dáár gesticht als

tegenwicht tegen het heidendom, dat daar, bij dat helle-oord,

bijzonderlijk in bloei stond.

En Readtsjerk of Roodkerk, als Christelijke tegenhanger tegen de zwarte

hel der heidenen, gelijk Readhel, Reahel, Rahol of Rohel, waarvan

verder in dit opstel sprake zal zijn.

Eene derde hel was er, of is er, in Ferwerderadeel, alweêr in het lage

land, onder Hallum, in de zoogenoemde Hallumer-Mieden. Daar heet nog

een stuk land, zekerlijk vroeger een poeltje, de Hel; en een ander in

de nabijheid, door een dijkje half omgeven, en hierdoor nog zooveel te

meer het voorkomen van een droog gelegd poeltje vertoonende, draagt nog

den vollen ouden naam van de Helsdoar, de Helsdeur.

Dezen volledigen naam treffen wij ook elders aan. Zoo was daar nog in

de vorige eeuw een poel of kolk nabij het dorp Birdaard in Dantumadeel,

die den naam van de Heldoar droeg, op de kaart van Schotanus als

Healdoor misschreven. In de 16de eeuw lag bij deze hellekolk eene sate

die in eene oorkonde van den jare 1581 vermeld staat als „de sate

genoemt de Helldoer te Berdaert” [51], en in eene andere van 1580 als

Heldoor. Sedert is die kolk dicht gemaakt en tot land geworden, en die

oude naam is daardoor bij bet volk in vergetelheid gekomen. Maar in den

naam Kolkhuzen, heden ten dage eigen aan twee saten aldaar, blijft de

herinnering aan deze hellekolk, aan deze helsdeur bewaard. [52]

De naam Helsdeur komt ook nog voor in het naburige gewest

West-Friesland, bewesten Flie. Hij is aldaar eigen aan eenen fellen

stroom, in het groote West-Friesche zeegat tusschen het eiland Texel en

den hedendaagschen vasten wal van Noord-Holland, ook door de Friesche

zeelieden steeds de Helsdoar genoemd. (Halbertsma, Lexicon frisicum,

bladz. 407). En ook in den naam van De(n) Helder (Heldoar, Hella-dora),

eene zeer oude buurt aldaar aan den vasten wal, die thans wel eene stad

mag heeten, is een toegang tot de onderwereld nog te herkennen.

Verder op in Holland en in andere Nederlandsche gewesten (Hel of

Maasmond, door de Romeinen tot Helium verlatijnscht—Hellevoet, den

Briel of Brielle—Brie-Helle, de Breede Hel? enz. enz.) zullen wij de

helnamen maar niet vervolgen, maar tot Friesland weêrkeeren.

Eene bijzondere helleplaats bestaat er nog in Wonseradeel, tusschen de

dorpen Pingjum, Witmarsum en Wons. Daar draagt een laag gelegen stuk

land, waar in oude tijden eene kolk was, nog heden den naam van

Okkehel, Okke-Hel, de hel van Okke, van den man die Okke heette. Die

kolk was eertijds uit zee, uit het Flie, toegankelijk, en diende als

haven van Pingjum. En die Okke was een zeeman, een ruwe heiden, die

vloekte en God lasterde, en die, tot straf daarvoor, met zijn schip,

door den bliksem diep in die kolk werd weg geslagen, zoodat hij, door

die hellepoort, onmiddellijk ter helle voer. Zoo bericht ons nog heden

de sage, aan deze overoude plek verbonden. Deze sage is door den

Frieschen dichter Salverda in dicht gesteld (Scipper Ocke, in

Salverda’s Hiljuwns Uwren—Ljeauwerd, 1858), en door S. Koopmans nader

beschreven, en van geschiedkundige aanteekeningen voorzien (De

Middelzee in verbinding met den Fliestroom langs Bolsward, in den

Friesche(n) Volksalmanak voor 1890, Leeuwarden). Nog in deze eeuw werd

het aandenken aan deze sage levendig gehouden door een paaltje, dat

midden in het stuk land De Okkehel, in den grond gedreven stond. Dat

was voor de kinderen en eenvoudigen van harte (liefelijke zielen in

deze eeuw van ontkenning!) nog het topje van den mast van Okke’s

schip.—

Is daar niemand, die zulk een paaltje daar weêr herstelt? Eene

zichtbare, tastbare prediking zoude ’t den volke weêr zijn, over het

derde gebod des Heeren:

„Gy en sult den name des Heeren uwes Godts niet ydelick gebruycken;

want de Heere en sal niet onschuldigh houden, die synen name ydelick

gebruyckt.”

De sage spreekt van overoude tijden, toen het heidendom in Friesland

nog geenszins ten volle door het Christendom vervangen was, en dit

maakt den heidenschen oorsprong van dezen hellenaam zooveel te

zekerder.

Volgens eene aanteekening bij genoemd opstel van Koopmans, op bladz.

127, zoude het woord hel, in den naam Okkehel, hil of heuvel

beteekenen; eene duiding, waar mede juist de lage, holle ligging van

het stuk land, waaraan nu nog den naam van Okkehel gehecht is gebleven,

in zichtbare tegenspraak is. Trouwens, dit wordt ook in die

aanteekening erkend. Maar de duiding hel als waterkolk stemt overeen

met de nog hedendaags zeer duidelijk waarneembare gesteldheid van den

bodem daar ter plaatse.

In den bijzonderen tongval van de Friesche taal, gelijk die in den

Zuidwesthoek van Friesland gesproken wordt, en die oudtijds over geheel

het land bezuiden Bolsward en Sneek, en bewesten de Joure verspreid

was, terwijl die eigenaardige uitspraak heden ten dage hoofdzakelijk

slechts tot Hindeloopen, in mindere mate tot Molkwerum, Workum en

geheel de Hemelumer-Oldefert en Noordwolde met Gaasterland beperkt

is,—in dat zoogenoemde Zuidhoeksch-Friesch luidt, in menig woord en

naam, de e als o. Zoo heeten de lieden daar Jolle en Joltsje, ook

Jolmer, Jottsje, enz.; die elders Jelle en Jeltsje, Jelmer en Jetse

heeten, en het Gaasterlandsche dorp Sondel heet in de gewone, algemeen

Friesche uitspraak Sindel, dat is eigenlijk Sendel. Zoo spreekt of

sprak men daar van spjolde, fjold, kjolt, jolne, van kol en dol, van

sotte en notten, van fon, enz., terwijl men in het middengedeelte, in

het Noorden en Oosten van Friesland deze woorden als spjeld, fjild,

kjeltme, jelne, kel en del, sette en (fisk)-netten, als fenne of finne

uitspreekt. Deze zelfde uitspraak geldt ook voor het woord hel, dat in

het Oud-Zuidhoeksch als hol luidt. Zelfs Gysbert Japicx gebruikt het

woord hel nog in dien vorm, ’t welk niet vreemd is als men bedenkt dat

die uitspraak in de zeventiende eeuw nog in zwang was in het zuidelijke

deel van Wonseradeel, tot Bolsward toe. Zoo dicht hij:

Dear me opslingret oonne wolcke,

In fen dear delduwckt ynn’ kolcke,

As fenne Hymmel ynne Hol. [53]

Deze oude woordvorm vinden wij dan ook nog heden terug in sommige

plaatsnamen van Zuid-westelijk Friesland, volkomen in de zelfde

beteekenis als in de hellenamen uit het overige deel des lands, hier

voren reeds vermeld.

Zoo heb ik de zelfde poelen en de zelfde saten in het

Workumer-Heidenschap, die men thans de Hel en de Lytse Hel noemt, in

eene oorkonde uit het begin der vorige eeuw gevonden als Hol en Lyttick

Hol. Verder maakt dit woord hol deel uit van de samengestelde namen

Hollegrêft, dat is de Hellegracht, zoo als een vaarwater heet tusschen

de Geeuw en de Dolte (Delte), onder Uitwellingerga; de Hollebrekken

(een naam dien men als Hellebroek zoude kunnen verhollandschen; broek,

brekken = moeras of gebroken land), een poel onder Wijkel, en na bij

Slooten [54] gelegen; de Hollemar of Holmar, Holle- of Hellemeer,

vaarwater van Workum naar de voormalige Workumer-meer, eigenlijk het

verlengstuk van de Diepe-Dolte te Workum. De zeer oude, diepe gracht

die het Sint-Pieters-kerkhof te Grouw omringt, draagt den naam van

Holsgrêft. Door den grooten Frieschen taalgeleerde Dr. J. H.

Halbertsma, wordt deze naam te recht geduid als infernus canalis, de

gracht der onderwereld, de hellegracht, even als ook de bovengenoemde

Holmar door hem als infernus lacus wordt overgezet. [55] De plaats,

waar zekerlijk reeds terstond of althans vroeg na de invoering des

Christendoms in Friesland de Sint-Pieters-kerk gesticht werd aan den

oever van den Grouwstroom, was hoogst waarschijnlijk reeds onder het

heidendom eene geheiligde plaats geweest, gelijk dit met vele oude

kerkplaatsen in Friesland en elders het geval is; bij voorbeeld, met de

stede waar oudtijds de Sint-Vitus-kerk stond en waar thans nog de toren

van Oldehove te Leeuwarden staat; met de terp waarop Sint-Martens-kerke

te Dokkum gebouwd is, enz. Dit maakt de duiding van Halbertsma,

Holsgrêft = Hellegracht, zooveel te aannemelijker.

Opmerkelijk is het, dat wij dus, zoo noordelijk en oostelijk als Grouw

gelegen is, die oude uitspraak van hel als hol nog aantreffen, eene

uitspraak die daar ter plaatse en in den omtrek thans geheel niet meer

voorkomt noch bekend is. Immers in de zeventiende eeuw moge zij zich

tot Bolsward en Sneek hebben uitgestrekt, benoorden en beoosten die

steden werd zij toen ter tijde, en zeker eeuwen vroeger reeds niet meer

gehoord.

Bezuiden Sneek komt nog heden een bijzondere hellenaam voor, eene

aardige weêrga van de Heldoarren bij Birdaard en bij Hallum. Dat is de

Holpoarte, de Hellepoort, zooals eene sate heet, die al weêr in een

waterrijk oord, even benoorden het dorp Jutrijp gelegen is. Daarnevens

is nog een poel, heden ten dage de Holpoartepoel geheeten. Deze poel is

ongetwijfeld, in de meening der heidensche Friezen, de eigenlijke

Hellepoort geweest; maar de naam is van het water, van den poel

overgegaan op de sate, op het huis dat later daar nevens is gesticht

geworden, juist zoo als ook bij de Workumer-Hel en elders heeft plaats

gegrepen.

Ik vond ook nog een oude hellenaam, die thans niet meer bekend is, naar

het schijnt; te weten: de Skraerder-Hol of Schraarder-Hel, in eene

oorkonde van den jare 1543 Scraerdera hol genoemd, in Wonseradeel,

tusschen Pingjum, Surich en Wons.

Sedert het heidendom onder de Friezen plaats gemaakt had voor het

Christendom, kreeg ook eene andere voorstelling van de verblijfplaats

der onzaligen ingang bij het volk. Hadde men tot dusverre die

verblijfplaats zich gedacht als een duister, koud en vochtig oord, de

Christelijke voorstelling is die van eenen vuurpoel, hevig en

onophoudelijk brandende. Onder het heidendom had men gesproken van „de

zwarte hel”; de Christenen spraken voortaan van „de roode hel, reade

hel, rade hol, rea’ hel of ra’hol.” En sommige reeds lang bestaande

oude helnamen kregen sedert dit voorvoegsel rood, read, ra

onafscheidelijk bij zich, alsof men daarmede de oud-heidensche

voorstelling verwierp, de oud-heidensche hellenaam verkerstelijkte. Zoo

heet nog heden ten dage eene sate nabij Bolsward gelegen, onder den

Klokslag dier stad, voluit de Reade Hel, Roode-Hel; en ook de

Workumer-Hel wordt wel zoo genoemd. En deze zelfde naam, meestal in den

versletenen vorm Reahel, Nederlandsch Rohel, is nog aan verschillende

andere plaatsen eigen. Vooreerst aan een dorpje dat aan de Tjeukemeer

ligt, in den zuidwestelijken uithoek van Schoterland. In het

Zuidhoeksche Friesch, dat oudtijds ook tot hiertoe zijn gebied

uitstrekte, heet dit plaatske Rahol, en het draagt ook wel den naam van

Nyegea of Nijega. Dan aan een gehucht bij Augustinusga; de poel daar

ter plaatse, die oorspronkelijk den naam Reahel droeg, was in de vorige

eeuw nog aanwezig, maar is sedert gedempt. Eindelijk is er nog eene

sate onder Slappeterp, die Reahel of Rohel heet.

De laatste der mij bekende Friesche hellenamen is die van de Fetsehol.

Dezen naam draagt een poel of een meertje, gelegen in het Noorden van

Doniawarstal, tusschen Langweer en Uitwellingerga, aan de samenvloeiing

van vier stroomen, de Geeuw, het Slingerrak, het Stobberak en de

Langweerder-vaart; alweêr in een zeer laag gelegen en waterrijk oord.

Deze naam Fetsehol brengt mij geleidelijk tot eene kleine, bijzondere

groep van Friesche plaatsnamen, die eveneens met water in verband

staan, en die ik hier nog even, als ten slotte, nader wensch te

behandelen. Immers hebben wij dien naam Fetsehol niet te beschouwen als

samengesteld uit den mansnaam Fetse en het woord hol of hel, zooals bij

voorbeeld de plaatsnaam Okkehel wel uit den mansnaam Okke en het woord

hel bestaat, en niettegenstaande Halbertsma, Lexicon 411, Fetsehol

vertaalt met Fetsii inferi. Neen—maar Fetse heeft hier eene gansch

andere beduidenis, te weten: die van bron of wel, plaats waar water uit

den bodem opwelt. Dit woord is Oud-Friesch, en, in algemeenen zin, bij

de hedendaagsche Friezen niet meer bekend noch in gebruik. Trouwens,

bronnen, wellen, in de eigenlijke beteekenis dezer woorden, zijn in de

lage landen, waaruit Friesland hoofdzakelijk bestaat, dan ook zeldzaam.

Wel vindt men overal in Friesland zoogenoemde welputten; maar dit zijn

geen ware bronnen, waar het water diep uit de aardlagen naar boven

zoude komen. Integendeel, het water dat in die welputten staat is bijna

altijd maar zakwater, water dat van de oppervlakte der aarde naar

beneden in eenen kunstmatig gegraven put of kuil, door de bovenste

aardlaag heen gesijpeld is. Toch zijn er enkele ware bronnen of wellen,

bornputten of welputten in Friesland. Men denke hierbij echter niet aan

bronnen, gelijk die in bergachtige landen uit de spleten en kloven en

holen der rotsen en berghellingen springen en vloeien; maar aan diepe

putten, ’t zij dan kunstmatig met muren van baksteen ingevat, ’t zij

open en bloot in het veld liggende. Men kent deze bornputten aan de

eigenaardigheid dat het water, ’t welk zij bevatten, van bijzonder

zuivere hoedanigheid is, en ook in den droogsten zomertijd niet

vermindert, veel min nog opdroogt, maar steeds aanwezig blijft, hoe

veel men daar ook van gebruiken moge. Het schijnt dat men zulke

bornputten, zulke borndobben in het Oud-Friesch bij voorkeur met den

naam van Fetsa of Fetse heeft bestempeld. Dit woord hangt ongetwijfeld

samen, of is oorspronkelijk één en het zelfde met het Noord-Friesche

woord fething, ook, volgens sommiger uitspraak fäthing of fäding

geschreven (de th lispelend, als in het Engelsch, uit te spreken). Maar

al is fetse en fething van oorsprongswegen één en het zelfde, het

laatstgenoemde woord heeft nu toch in Noord-Friesland eene gewijzigde

beteekenis erlangd. Immers zoo noemt men aldaar nu eene opene kuil of

dobbe in het veld, vooral voorkomende op de zoogenoemde Halligen of

onbedijkte eilandjes in de Noord-Friesche Wadden. Die fethingen zijn

ten deele met regenwater, ten deele ook met zakwater gevuld, maar zijn

geen bronnen of wellen. Zij voorzien op die kleine eilandjes, rondom

open in de zoute zee liggende, mensch en vee van zoet drinkwater. Ook

de overoude en bekende, met sagen versierde Sapskuhle op het eiland

Helgoland is zulk eene fething. In sommige dorpen op het Zeeuwsche

eiland Zuid-Beveland zag ik opene waterkommen, van tamelijken omvang,

midden op het dorpsplein; zij dienen den ingezetenen tot allerlei

gerief, als waschplaats voor wagens en landbouwgereedschappen, als

paardewed, enz., misschien ook wel, in tijd van nood, om drinkwater te

verschaffen, en dragen den naam van „væte”. Op het eiland Over-Flakkee

zag ik eene ruime en diepe, opene waterkom, bij het dorp Dirksland,

benoorden de dorpsbuurt, aan den voet van den linker-havendijk, gevuld

met zuiver en zoet water, niettegenstaande het water in de haven, vlak

daarnaast, zeer brak is. In den zeer drogen zomer van het jaar 1893

voorzag deze „fetse”, door de omwonenden „’t væætje” (in verkleinvorm)

genoemd, den Dirkslanders en andere eilandbewoners ver in den omtrek,

volop van drinkwater voor mensch en vee. Ongetwijfeld hangt deze

Zeeuwsche benaming „væte” of „væætje” samen met de Friesche woorden

fetse en fäthing. Trouwens, het woord vat, Friesch fet, in algemeenen

zin een voorwerp beteekenende, dat eene holte omvat, is zekerlijk de

stam, waaruit deze verschillende woorden en woordvormen gesproten zijn.

Fetse is dus eigenlijk fet-tse, verkleinvorm van fet, letterlijk het

zelfde als het Flakkeesche woord „væætje”, vaatje.

Om na dezen taalkundigen uitstap naar de Fetsehol terug te keeren, zoo

houd ik het er voor, dat deze naam eene hol of hel (eigenlijk helledeur

of hellepoort) beteekent, die de bijzondere eigenschap van een fetse,

van eene bron vertoont. Die oude naam fetse treffen wij nog heden op

vier andere plaatsen in Friesland aan. Vooreerst in het oude Dokkum,

waar, op korten afstand van elkanderen, twee van die bronnen gevonden

worden, hoewel slechts aan eene van die twee de fetsenaam verbonden is.

Door eenen schrijver, die in het laatst der jaren 700 na Chr. leefde,

worden deze Dokkumer bronnen reeds, in hunne bijzondere vermaardheid,

vermeld. En volgens sommigen zoude de Romeinsche schrijver Plinius

daarvan reeds gewag maken. [56]

De eerste is de vermaarde Sint-Bonifacius-bron of -fontein, eene opene

dobbe in een weiland even buiten de Woudpoort te Dokkum. En de tweede

is de Fetse, als bij uitnemendheid zoo genoemd, een weinig minder

vermaarde bron midden in de stad, op de kruin van de terp, waarop

Sint-Martens-kerk gebouwd is, nabij het koor, dus ten oosten van die

kerk gelegen, en nog heden daar aanwezig, vroeger als een opene put,

thans gesloten, gedekt, en met eene pomp voorzien. Zonder twijfel zijn

deze twee Dokkumer bronnen van hoogen ouderdom en reeds voor duizend en

meer jaren, als de Friezen nog heidenen waren, bekend en in gebruik

geweest, waarschijnlijk wel als plaatsen waar godsdienstige

plechtigheden gehouden werden. Ook bij den tempel van Fosete, een der

afgoden van de Friezen in hun heidendom (’t zij die dan op ’t eiland

Ameland of op ’t eiland Helgoland—de Sapskuhle?—bestond), was zulk eene

heilige bron.

De eene Dokkumer bron is bijzonderlijk door den Apostel der Friezen,

door den Heiligen Bonifacius, als ’t ware gewijd, gekerstend geworden.

De overlevering doet die bron op wonderdadige wijze ontstaan of

eerstmaal opborrelen onder den hoefslag van het ros, dat de Heilige

bereed. Ik vermoed dat men op deze wijze het heidensche karakter aan de

bron heeft willen ontnemen, maar dat deze welle zelve veel ouder is. De

dwaze volksmeening, dat de naam Bonifacius eigenlijk in het Friesch

„goede Fetse” zoude zijn (Fetse komt nog heden als mansvóórnaam onder

de Friezen voor), heeft misschien eenen grondslag in het woord fetse,

waarmede men destijds ook wel deze bron zal hebben genoemd. Intusschen,

de mansnaam Fetse en het woord fetse, bron, staan, in taalkundigen zin,

in geenerlei verband met elkanderen.

Een tweede fetse bestaat er nog heden in West-Dongeradeel, waar eene

sate dien naam draagt (de Fetse), zuidwaarts van den dorpe Ternaard

gelegen, aan de Tsjettelfeart of Ketelvaart, ook een naam, die eenen

oud-heidenschen oorsprong (van den offerketel?) vermoeden doet. Deze

naam Fetse vindt men ook wel als Fetze, Fedse, Fedze gespeld, en,

volgens de bijzondere uitspraak der Donger-Friezen, als Fitse; op de

kaart van Schotanus, Fitze. Eene tweede hofstede, nevens de eigenlijke

Fetse gelegen, doet beide saten als een gehucht zich voordoen, waaraan

men den naam van Fetse- of Fitsebûrren geeft, evenals ook te Dokkum de

naam van de Fetse overgegaan is op de straat, die daar langs loopt, en

die als de Fetse of de Fetsestraat (bij Schotanus „op de Fetze”) bekend

is.

De derde fetse is te Dronrijp: eene oude state, even benoorden de

Tsjerkebûrren aldaar gelegen, en, in geijkten zin, meestal in den

Oud-Frieschen vorm als de Fetsa of Fetsa-state voorkomende. En de

vierde fetse is te Siksbierum; maar hier af weet ik geen nader

bescheid.

Zeer zeker hebben de sate te Ternaard en de state te Dronrijp hare

namen aan zulke fetsen of bronnen ontleend. Of die fetsen, misschien in

den vorm van oude, diepe bornputten met eenen onuitputtelijken voorraad

van zuiver drinkwater nog bij die plaatsen aanwezig zijn, is mij niet

bekend, maar acht ik wel waarschijnlijk. Anderen, die daar beter toe in

de gelegenheid zijn dan ik, mogen dit onderzoeken, en ook verder nog

veel betreffende de hel-, hol- en fetsenamen in Friesland aan het licht

brengen. Want ongetwijfeld valt hier nog een schat van merkwaardige

zaken uit den overouden tijd na te vorschen en op te diepen.

Studiën in Nederlandsche Namenkunde · 第 25 / 26 题