Het gaat niet aan van alle deze maagschapsnamen hier naderen uitleg,
nadere verklaring wat hunne beteekenis aangaat, te geven,—al is dit
onderwerp ook nog zoo aanlokkelijk voor mij, en voor den Lezer zeker
niet onbelangrijk. Maar ik zoude zoodoende te veel in herhaling moeten
vervallen, met ’t gene ik reeds vroeger uitvoerig heb geschreven. Met
mijn werk De Nederlandsche geslachtsnamen in oorsprong, geschiedenis en
beteekenis (Haarlem, 1888) in de hand, kan iedereen de verklaring dezer
namen gemakkelijk vinden.
Het is voor iederen Vaderlander duidelijk, dat dit allen goed
Oud-Dietsche, ik mag wel zeggen goed Oud-Nederlandsche namen zijn, en
dat de dragers dezer namen onze volksgenooten, ja onze volle broeders
in volkenkundigen zin moeten wezen. Deze schoone namen zijn
grootendeels of allen ongetwijfeld van oude dagteekening; zij bieden
ook in menig opzicht allerlei aanleiding tot veelvuldige beschouwingen
op het gebied onzer namenkunde.