De koekuut op’e toren sat—enz. [19]

Ook in Engeland is het oude woordeken tun bewaard gebleven, zij het dan

ook, door verloop van tijd, in eene eenigszins veranderde gedaante, en

tevens in eene gewijzigde beteekenis. Ook in Engeland, als in Holland,

heeft men pars pro toto genomen, en heeft het oude tun, thans als town,

de beteekenis van stad gekregen. Namelijk stad, als eene omheinde,

omtuinde, door eenen tuin (bolwerk, [20] wal of muur) omringde

woonstede. Eerst was de enkele sate, het enkele huis van den Germaan,

’t zij dan in Engeland of aan den vasten wal in Artesië, Vlaanderen of

waar elders, omtuind; daarna twee of meer landhoeven van verwante of

bevriende lieden gezamentlijk. Dit gehucht (gehöfte, ge-hof-te) groeide

dan aan tot een dorp, later tot eene stad, en de tun, oorspronkelijk

uit teenen gevlochten, was eveneens vermeerderd, versterkt, veranderd

in eene omheining van zware balken, later in eenen sterken steenen muur

met torens en poorten. De oude naam tun, ton, town was evenwel

gebleven, gold eerlang voor de geheele stad, en bleef ook in den naam

van stad of dorp bewaard, in Engeland zoowel als in Artesië.

Voorbeelden: Allington in Engeland, overeenkomende met Alincthun in

Artesië. Andere plaatsnamen, in hunne patronymica eenzelvig met

Allington en Alincthun, zijn nog Allincourt (Allinkhove) in de

Champagne, en Alligny (Allingen) in Burgundie, Frankrijk. Verder

Allingawier, dorp in Friesland; Allingasate, boerenhofstede bij het

dorp Tietjerk in Friesland; Allingahuizen, gehucht bij het dorp Winsum

in Groningerland; Alingewolde, de oorspronkelijke en volledige naam,

zooals hij in middeneeuwsche oorkonden voorkomt, van het hedendaagsche

Ayenwolde, een dorp in Oost-Friesland; Allinghausen, geh. bij

Wald-Broel in Rijn-Pruissen; Alkofen, oudtijds voluit Allinchova, het

hof der Allingen, een dorp in Beieren, enz. Zoo als men ziet, kinderen

of afstammelingen van mannen, die Ale of Alle geheeten hebben, zijn er

in alle Germaansche landen, Engeland en de Germaansche gewesten van

Frankrijk niet buiten gesloten, overal geweest; en ze zijn daar

blijkens de levende geslachtsnamen, in menigvuldig aantal, nog in

wezen. Even zoo de plaatsnamen, naar Alle en Ale genoemd.

Maar keeren wij tot de tunnamen terug. Andere zulke namen, als

plaatsnamen zoo veelvuldig in Engeland voorkomende, zijn nog Eckington,

Edington, Alkington, Kensington, Bennington, Sherrington, en honderden

anderen, schier allen patronymicale namen.

Hoogst opmerkelijk is het, dat plaatsnamen met het woord tun

samengesteld, in andere Germaansche landen bijna geheel ontbreken,

althans zoo hoogst zeldzaam zijn, dat de onvermoeide en geleerde

navorscher Förstemann in zijn Altdeutsches Namenbuch er slechts een

zevental weet aan te wijzen—terwijl zulke namen juist in Engeland zoo

ruimschoots en overtalrijk voorkomen, en ook in Artesië, het kleine

grondgebied in aanmerking genomen, betrekkelijk even talrijk zijn. Bij

de Angel-Sassen maakten deze plaatsnamen wel een achtste gedeelte uit

van alle namen over het geheele land van dezen volksstam verspreid. Uit

dit samentreffen der tunnamen in het Angelsassische Engeland en in

Artesië (terwijl wij die namen te vergeefs zoeken in het landschap

Angelen (in Sleeswijk), in al de Sassische landen en gouwen van

Noordwestelijk Duitschland en Oostelijk Nederland, in geheel Friesland

en Vlaanderen, [21] alle landen wier ingezeten ten nauwsten met de

Angel-Sassen en de Artesiërs verwant waren of zijn)—uit dit

samentreffen mogen wij wel besluiten, dat er eene nauwe

bloedverwantschap, eene oorspronkelijke eenheid van afkomst bestaan

heeft tusschen het Sassische volk dat in Engeland, en dat hetwelk in

Noordwestelijk Frankrijk, aan het later zoogenoemde Litus saxonicum,

dus in het hedendaagsche Artesië zich heeft neêrgezet.

En even opmerkelijk is het dat de patronymica, voorkomende in de

Artesische tunnamen, met inc (ink) zijn samengesteld (Alincthun,

Todincthun), terwijl de enkelvoudige patronymica (Ricmaninghen,

Wacquinghen) en die welke hem tot achtervoegsel hebben (Lottinghem,

Ruminghem), juist door den vorm ing zijn gekenmerkt. Hiervan is mij

geene uitzondering bekend. Nu weten wij (op bladzijde 98 hiervoren is

het ook reeds vermeld), dat juist de Sassische patronymicaal-vorm ink

is, terwijl de Frankische ing en de Friesche inga is. De patronymica op

ink zijn bijzonder eigen, zoo in geslachts- als in plaatsnamen, aan de

Sassische gouwen van Nederland, terwijl ze in de Frankische en Friesche

gewesten ontbreken, en door ing en inga vervangen zijn. Het ligt dus

voor de hand om aan te nemen, dat het Germaansche, het Dietsche volk

dat Artesië bewoont, en dat de bijzonderheden zijner oorspronkelijke

taal ons in de Artesische plaatsnamen heeft nagelaten, van tweeërlei

stam was, van Sassischen en van Frankischen of van Frieschen bloede. En

tevens dat de Sassen de tunnamen, de Franken en de Friezen daarentegen

de hemnamen, met de enkelvoudige patronymicale plaatsnamen, hebben in

’t leven geroepen. Daar is niets, voor zoo verre mij bekend is, dat

zich tegen deze stelling verzet; integendeel, daar is buiten dien nog

veel, dat haar aannemelijk maakt. En zoo straalt hier de namenkunde,

versterkt door de kennis van de eigenheden der volkstaal bij de

verschillende stammen waaruit ons Dietsche volk bestaat, een verrassend

licht uit op de geschiedenis van die volken in die overoude tijden,

waarvan de geschiedboeken zwijgen of slechts schaars eene spaarzame

getuigenis afleggen—overoude tijden, waaruit geene schriftelijke

oorkonden, ter nauwernood enkele vage overleveringen bestaan. Een

licht, dat ons de wegen doet kennen, die de wandelende volksstammen in

dien grauwen voortijd gegaan zijn, en de landstreken die zij

doorgetrokken zijn—een licht, dat de plaatsen ons doet kennen, waar zij

zich eindelijk in vaste woonsteden blijvend hebben gevestigd, de Sas in

zijnen tun, de Frank en de Fries in zijn hem.

Het moet ons niet verwonderen, dat wij in Artesië, even als ook in

Engeland, de Sassische tun- en de Frankische en Friesche hemnamen thans

naast en nevens elkanderen, als ’t ware onder elkanderen vermengd

vinden. Wij weten immers, dat de benden volks, de volkplanters of

landverhuizers, de uitwijkelingen die Brittannië veroverden en

bevolkten, uit maagschappen, gezinnen en enkelingen van verschillenden

volksaard, uit Sassen, Angelen, Jutten (of Noord-Friezen) en Friezen

waren samengesteld.

Ik stel mij deze zaak aldus voor. In de vijfde eeuw voornamelijk, maar

ook reeds vroeger in de derde en vierde eeuw na Christi geboorte,

trokken lieden uit de verschillende volken die in Noordwestelijk

Germanië waren gezeten, om lotsverbetering te erlangen, over de

Noordzee naar het rijke en vruchtbare, door de Kelten slechts dun

bevolkte Brittannië. Juist zoo, en om de zelfde redenen, als in deze

negentiende eeuw lieden uit allerlei volken van Europa naar

Noord-Amerika trekken. Westwaarts was de leuze, toen zoowel als nu.

Geheele benden volks trokken uit hunne oorspronkelijke woonsteden aan

den zuidelijken oever der Noordzee en van de meer binnenlands gelegene

heidevelden, te scheep gaande in de monden van Eider, Elve en Weser,

van Eems, Lauwers en Flie, dwars over de Noordzee naar Brittannië, in

die tijden het Land van Beloften. Die reize ging met groote

moeilijkheden gepaard, in aanmerking genomen de kleine en gebrekkige

schepen (kielen, ceola’s of tsjalken), waarmede men zich behelpen

moest. Om dit bezwaar, aan dien tocht over de veelal onstuimige

Noordzee verbonden, zooveel mogelijk te ontgaan, koos men den kortsten

overgang, het nauwste gedeelte der zee, de plek waar de vaste wal het

dichtste tot de oevers van het eiland Brittannië naderde. Met andere

woorden, men koos dat gedeelte van het Engelsche Kanaal, ’t welk de

Friesche en Hollandsche zeelieden van onze dagen de Haden of de Hoofden

noemen, en dat in de boeken als het Nauw van Calais bekend is. Om daar

te komen, moesten die uitwijkelingen uit hunne oostelijke woonsteden

langs den zuidelijken oever der Noordzee west- en zuid-westwaarts

voorttrekken. En zoo deden zij.

Zooals boven reeds gezegd is, bestonden die benden landverhuizers uit

allerlei volk, uit leden van verschillende, maar verwante volksstammen,

die elkanderen onderling, met meer of minder moeite, in ’t spreken

verstaan konden. Sassen vormden zekerlijk wel het hoofdbestanddeel van

deze benden, die slechts los onderling samenhingen, die slechts door

den gemeenschappelijk ondernomen tocht, slechts door het

gemeenschappelijke doel verbonden waren.

Op hunnen tocht door de gewesten, die heden ten dage Holland, Zeeland,

Vlaanderen heeten, kwamen zij hier en daar door weinig bevolkte of

geheel eenzame oorden, die hun genoegzaam levensonderhoud aanboden, en

die, door verlatenheid zoowel als door vruchtbaarheid, den armen

landverhuizers noopten daar voor goed te blijven. Zoo deed dan ook deze

of gene maagschap, dit of dat gezin, versterkt met den een of anderen,

of met meerdere bevriende enkelingen. Dit is waarschijnlijk de

oorsprong, bij voorbeeld, van het dorp Sassenheim (woonstede der

Sassen, eene Sassische volkplanting?) in Holland tusschen Haarlem en

Leiden. En tevens van de talrijke sporen van Sassen en Friezen en

Sweven, die de opmerkzame navorscher nog heden in Zeeland en in

West-Vlaanderen en Zee-Vlaanderen ontmoet. Zoo kwamen de

landverhuizers, wier scharen onder weegs reeds aanmerkelijk gedund

waren, wier aantal reeds verminderd was door de achterblijvers in

Holland, Zeeland en Vlaanderen, eindelijk in het gewest, later Artesië

genoemd, waar zij, in hoofdmassa, uit de overoude havens van Kales en

Boonen (Calais en Boulogne sur Mer), eenen korten en gemakkelijken

overtocht naar Brittannië vonden. Maar geenszins allen trokken over.

Het schijnt wel, dat dit gewest van Gallië, (zoo nabij Brittanië

gelegen, en in der daad, in menig opzicht, wat bodem- en

luchtsgesteldheid, ligging, enz. aangaat, veel overeenkomst met het

begeerde Brittenland aanbiedende) den volke bijzonderlijk behaagde, en

hen tot blijven, tot duurzame vestiging noopte. In der daad, het

onderscheid tusschen dit liefelijke, vruchtbare, heuvelachtige land,

langs den zeeoever zich uitstrekkende, en met eene zachte

luchtsgesteldheid gezegend, was groot tegenover het duistere, voor een

goed deel onvruchtbare, met groote moerassen, sombere venen en met

onafzienbare dorre heiden bedekte, door onophoudelijke overstroomingen

van zee en van riviermonden, en door eene ruwe luchtsgesteltenis

geteisterde land in Noordwestelijk Germanië en op het Kimbrische

schiereiland, het erf van Friezen en Sassen en Angelen. Hier in Artesië

draalden velen eer zij tot den overtocht naar Brittannië besloten, en

velen bleven daar voor goed achter en vestigden zich in verspreide

woonsteden, in tunnen en hemmen over het geheele land. Dit gezonde,

krachtige en eenvoudiglijk levende volk vermeerderde zich weldra

aanmerkelijk in zijne nieuwe woonstede, op deze vruchtbare velden, die

rijkelijk levensonderhoud verschaften. Het werd het stamvolk van de

Dietsche Artesiërs, die van de jaren 500 en eerder tot 1500 en later,

dat geheele land overdekten, en hunne Dietsche taal alomme deden

hooren, wier plaatsnamen nog heden getuigenis afleggen van den

volksaard der stichters.

Sommige benden uitwijkelingen—waarschijnlijk zij die in wat lateren

tijd kwamen, en Artesië reeds door hunne voorgangers ingenomen en bezet

vonden, trokken nog verder westwaarts voort, zonder naar Brittannië

over te steken, aangelokt door het schoone en vruchtbare land van

Gallië. Al verder en verder westwaarts, tot zij eindelijk in het

hedendaagsche Normandië goede gelegenheid tot duurzame vestiging

vonden. Daar, in de hedendaagsche Départements Calvados en La Manche

vinden wij bij eenen schrijver van het jaar 843 eene gouw genoemd

Otlinga Saxonica, en Gregorius van Tours meldt, dat aldaar de Saxones

bajocassini wonen. Bajocassini noemt hij deze Sassen, naar de stad

Bajoccas, thans Bayeux geheeten, in die Sassische gouw gelegen, even

als de stad die hedendaags den zeer verbasterden naam van Caen draagt,

maar oudtijds in het oorspronkelijke Germaansch Catheim of Cathem

heette. Hoe langen tijd deze Sassische volksplanting in het

hedendaagsche Normandië nog de oorspronkelijke Sassische volksspraak in

stand heeft gehouden, is ons niet bekend. Maar de plaatsnamen in deze

streek leggen nog heden ten dage eene onwederlegbare getuigenis af van

den volksaard der lieden, die deze plaatsen gesticht en genoemd hebben.

Als enkele voorbeelden noemen wij, behalven het bovengenoemde Cathem of

Caen nog: Sassetot, Hermanville, Etreham voormaals Ouistreham genoemd,

met Le Ham, Cottun, Etainhus, Heuland, Douvres, enz. Verder vele

patronymicale namen als: Berengeville, Hardinvast, Thorigny, Potigny,

Isigny, Cartigny, en anderen.

Sassetot beteekent: woonplaats der Sassen; tot, een aanhangsel bij

plaatsnamen, dat in geheel Normandië veelvuldig voorkomt, is voluit

toft, en behoort bijzonderlijk tot het Skandinavische taaleigen. Het

achtervoegsel ville in Hermanville, Berengeville, Bellengreville,

Bazenville, en meer andere namen in deze Oud-Sassische gouw, is

geenszins het Latijnsche woord villa, het heden daagsche Fransche

ville. Het is eene verbastering van het Oud-Germaansche woord wiler,

hedendaagsch Hoogduitsch weiler, ’t welk een gehucht beteekent. In

andere Oud-Germaansche gouwen van Frankrijk leeft dit woord eveneens

nog in plaatsnamen, onder den vorm villiers; bij voorbeeld

Hardivilliers. In Duitschland zijn de namen die op weiler uitgaan, nog

zeer talrijk; die van de Elsate worden op verschillende wijzen

verfranscht: Rappoltsweiler tot Ribeauvillé, Gebweiler tot Guebwiller.

Dit zelfde algemeen Germaansche aardrijkskundige woord leeft nog in

België als de naam van het dorp Wilderen in Limburg. En als Wylre in

Nederlandsch-Limburg, tusschen Maastricht en Aken. Verder nog Wyler,

een dorp tusschen Nijmegen en Kleef, enz.—Ouistreham is oorspronkelijk

Westerham, de westelijke woonplaats; Cottun of Cotun is Koetuin,

omheinde plaats waar binnen men koeien houdt. Ons woord huis leeft in

Etainhus (Steenhuis); Heuland is Hoogland; Douvres is De Oevers, enz.

Overigens is geheel Normandië overdekt met Germaansche plaatsnamen;

echter zijn dezen niet van Sassischen of anderen Dietschen oorsprong,

maar van de Noormannen afkomstig. De Noormannen, die dit deel van

Gallië veroverden en bevolkten, hebben de Sassen, welke reeds sedert de

derde eeuw daar zaten, ongemoeid gelaten, als zijnde een verwant

Germaansch volk. Zoo vinden wij heden ten dage Noorsche namen over

geheel Normandië, met uitzondering van de Sassische gouw rondom Bayeux

en Caen.

Langs de geheele Fransche kust tusschen Boonen en Bayeux, en min of

meer diep landwaarts in, vinden wij Germaansche plaatsnamen, waarvan

het soms twijfelachtig is of zij van Noordschen (Skandinavischen), dan

wel van Dietschen oorsprong zijn. Een enkel aardig voorbeeld hier van,

moge den lezer voldoende zijn.

Etretat is de naam van eene badplaats op de kust van Normandië, die

jaarlijks door duizenden weelderige en vermaakzoekende Parijsenaars

bezocht wordt, waarvan wel niemand er aan denkt dat de namen der

plaatsen, die hem daar omringen, niet Fransch, maar oorspronkelijk

Germaansch, Noorsch zijn. Even als in Holland en Vlaanderen het

binnenland door eene duinreeks is afgescheiden van het zeestrand, zoo

neemt in Normandië eene reeks rotsen de plaats onzer duinen in. Die

rotsen heeten daar, en ook in Artesië, les Falaises, een verfranscht,

maar oorspronkelijk Germaansch woord, dat nog leeft in het Hoogduitsche

Fels, rots, steenklip. Door de zee, door de hevige golfslag, die eeuw

uit eeuw in tegen die rotsen of falaises beukt en dondert, die ze

beknaagt en uitspoelt, zijn hier en daar groote holen en gaten, als

poorten, in die steenklippen gemaakt. De mannen, de visscherliên, maken

wel van deze zeer groote en ruime gaten gebruik, om daar door heen op

het strand en in zee te komen. Twee van die holen, de bijzondersten en

grootsten, dragen te Etretat den zelfden naam, maar in twee talen, in

gedeeltelijk Oud-Germaansch, en in Nieuw-Romaansch. De eene heet le

Manneporte, en de ingezetenen van Etretat gebruiken dien naam nog

dagelijks, al verstaan zij hem niet. En de andere heet le Trou à

l’Homme.

Hoe aantrekkelijk de studie der Germaansche plaatsnamen in Normandië

ook moge zijn, wij kunnen haar niet verder vervolgen, en keeren weêr

terug naar Artesië, en naar de tunnamen, van waar wij zijn uitgegaan op

onzen uitstap westwaarts.

Het laatste gedeelte dier namen, tun, genoegzaam verklaard zijnde,

blijft ons het eerste gedeelte, het patronymicon, nog over. Die

patronymica, Warinc, Todinc, Olinc, enz. vertoonen allen oorbeeldige

Sassische vormen; maar de mansnamen Ware, Tode, Ole, waarvan zij zijn

afgeleid, liggen niet zoo voor de hand. Dat zijn allen ingekorte,

versletene, verbasterde namen, en ze zijn geenszins allen gereedelijk

in hunne volledige, oorspronkelijke gedaanten aan te toonen. Ale, den

mansnaam, waarvan eerst het patronymicon Alinc, daarna de plaatsnaam

Alincthun is ontleend, hebben wij hier voren, op bladz. 105 reeds in

zijn oorsprong en verband nagespeurd. Wij willen dit ook met Cole doen,

met den mansnaam die aan het patronymicon Colinc, aan den plaatsnaam

Colincthun ten grondslag ligt.

Een mansnaam Cole, Colen, Koolen was oudtijds in sommige Nederlandsche

gewesten zeer wel bekend en in gebruik, als ingekorte vorm van den

volledigen Kerkelijken naam Nicolaus. Maar daar heeft van oudsher

buiten dien nog een andere, een oorspronkelijk Germaansche mansnaam

Colo bestaan, die nog leeft in sommige geslachts- en plaatsnamen, hier

en daar in Germaansche landen verspreid. Wat deze naam eigentlijk

beteekent, en met welke andere Germaansche namen hij in verband staat,

is mij niet duidelijk. En van gissingen wensch ik mij hier te

onthouden. Genoeg, dat hij ook nog deel uitmaakt van de volledige

mansnamen Colobert en Coloman. Veelvuldig in gebruik, en menigvuldig in

samenstellingen is de naam Colo niet. In Friesland leefde hij, als

Kole, nog in de jaren 1500. Thans komt hij nog slechts in afgeleide

geslachts- en plaatsnamen voor; te weten als Coolsma en Koolsma, ook in

den enkelen vorm Cool en Kool, in Friesland; elders in de Nederlanden

als Cools, Colen, Colens, Coolen; en, in verkleinvorm Kooltjes; ook

Colinck als patronymicon. In Engeland als Coles. Dit zijn allen

geslachtsnamen. Verder in de plaatsnamen: Coleshill, eene stad in

Warwickshire, Engeland; Kohlstädt in Lippe-Detmold (Duitschland), in

eene oorkonde van de 11de eeuw voorkomende als Colstidi; verder in

Kölliken, in het kanton Aarau (Zwitserland), samengetrokken uit den

volledigen vorm Kolinkhoven, die onder anderen in eene oorkonde van den

jare 864 als Cholinchova voorkomt, enz. Eindelijk Coolskamp, een dorp

in West-Vlaanderen; in eene oude oorkonde wordt deze naam als Colescamp

vermeld. Maar in den naam van een ander Westvlaamsch dorp, van

Coolkerke, schuilt niet deze Oud-Germaansche mansnaam. De kerk van dit

dorp is aan Sint-Nicolaas gewijd, en ’t is duidelijk dat de dorpsnaam

ontleend is aan den ingekorten naam van den Patroon der Parochie.

Niet alle tunnamen in het Germaansche Frankrijk zijn met patronymica

samengesteld. Daar zijn nog anderen, als de opgenoemden. Cottun of de

Koetuin is reeds op bladz. 111 genoemd. En verder liggen daar in

Artesië nog plaatsen, die Fréthun, Offrethun, Hardenthun, Landrethun,

Witerthun, Rocthun, Wadenthun heeten. Deze namen zijn ook in hun eerste

lid van ontwijfelbaar Germaanschen oorsprong. Bij het grootste deel

dezer namen zal ook wel een mansnaam, op zich zelven en niet als

patronymicon, ten grondslag liggen. Oude namen vinden wij hier terug,

die ons evenzeer uit Friesche namen, patronymicale geslachtsnamen en

anderszins, bekend zijn: Offringa en Vitringa (voluit Witheringa van

den mansnaam Witheri, Witer) bij voorbeeld.

Het getal van Germaansche plaatsnamen in Artesië is zeer groot en zeer

menigvuldig. Wij moeten nog vermelden:

Audreselles, Aringzele, Tramezele. De eerste dezer namen is verfranscht

in zijnen hedendaagschen vorm. Is hij oorspronkelijk Ouderzele (Ter

ouder Zele, woonstede bij de oude zale of halle) geweest? Dus de zelfde

naam die nog eigen is aan het dorp Oudezele in Fransch-Vlaanderen, en

aan het stadje Oldenzaal (ook Oldenzeel genoemd) in Twente?

Waarschijnlijk wel.—Aringzele is weêr een oorbeeldig Germaansche naam,

bestaande uit een patronymicon, met het bekende woord zele daar achter,

dat zoo menigvuldig aan Vlaamsche plaatsnamen eigen is. De mansnaam,

die aan dit patronymicon ten grondslag ligt komt als Ara en Aro, en in

samengestelde vormen als de mansnamen Arafrid en Aragis, en de

vrouwennamen Arohildis en Arolinda in oude geschriften voor. Ook leefde

hij nog, als Are, bij de Friezen in de jaren 1500. Arema, oudtijds

Aerma geschreven, is nog heden een Friesche maagschapsnaam, even als

het patronymicon in den Sassischen vorm Arink nog elders in de

Nederlanden als geslachtsnaam bestaat.

Zoo het al twijfelachtig is, bij gemis aan bescheiden, of de

bovengenoemde verfranschte naam Audreselles wel werkelijk Ouderzele

zij, bij eenen anderen verfranschten naam, die eveneens als eerste lid

dit Audre heeft, is het wel zeker, dat oorspronkelijk het Dietsche

woord oud, verbogen tot ouder, oudtijds, en nog heden in sommige onzer

oostelijke gouwspraken ald, alder, aan den hedendaagschen verfranschten

vorm ten grondslag ligt. Namelijk bij den naam van Audruicq, een

stedeke, de hoofdplaats van het Land van Bredenaerde, eene bijzondere

gouw van Artesië. Deze naam is anders niet als Ouderwijk, in goed

Nederlandsch: ter ouder Wijk. In eene oorkonde van de 12de eeuw komt

deze naam voor als Alder Wick, en in latere eeuwen vindt men hem

geschreven als Auderwick en Ouderwick. De vorm aud voor oud, ook in

België niet onbekend, komt nog voor in de Artesische plaatsnamen

Audeland, een gehucht bij Licques; Audrehem, enz.

Het woord hof, in verbogen vorm hove, komt niet zeldzaam in Artesische

plaatsnamen voor. Polincove is de verbasterde naam van een dorp. In

goed Nederlandsch zoude men Polinkhove moeten schrijven; dat is, het

hof (in den locativus ten hove) der Polinks of Polingen, der

afstammelingen van den man die Pole heette. Deze was waarschijnlijk een

Sas, te oordeelen naar den vorm van het patronymicon, ink. Dit zelfde

patronymicon leeft nog, in den Frieschen vorm, als Pohlenga, de naam

van eene Oostfriesche maagschap. Verder vinden wij het woord hof nog in

de namen van eenige landhoeven of hofsteden en gehuchten in Artesië.

Bij voorbeeld: Westhove bij Blendecques (Blendekens of Blindekens, als

in West-Vlaanderen?); Westerhove bij Eperlecques; Zuthove (Zuidhove)

bij Boisdinghem; Monckhove (de hoeve der monniken), Ophove, enz. Alle

deze zuiver Dietsche namen bestaan in gouwen, waar thans geen woord

Dietsch meer gesproken wordt, en waar men dus ook deze namen niet meer

verstaat. Geen wonder dan ook, dat men ze niet meer kan schrijven, en

dat men ze langzamerhand verfranscht, verbasterd. Zoo is de naam der

hoeve Ophove in deze eeuw reeds verbasterd tot „Au Pauvre”. Daar zal in

de volgende eeuw misschien een Franschman zijn, die naspoort, hoe deze

hofstede aan zulken vreemden naam, „Aan den Arme” gekomen zij.

Waarlijk, van de namen, zoo wel als van de boeken, mag het oude gezegde

gelden: habent sua fata.

Eene andere verbastering van het woord hove kan men aantoonen bij den

naam van het Artesische dorp Offekerque, eene verbastering die

lichtelijk op een dwaalspoor, ter naamsverklaring, leiden kan. Immers

het ligt voor de hand om dezen naam te duiden als Offekerke, de kerk

(ter kerke in den locativus) van Offe, van den man die Offe heette.

Offe toch (Offo, Offa, Uffo) is een Oud-Germaansche mansnaam, die nog

heden bij de Friezen als zoodanig in volle gebruik is, en al mede

oorsprong gegeven heeft aan de Friesche geslachtsnamen Offinga, Offema,

Offes, Offen, Ofkes, enz. en aan de plaatsnamen Offingawier, een dorp

in Friesland; Offenwarden, een dorp bij Bremen (Duitschland); Offignies

(dat is oorspronkelijk het patronymicon Offingen), een dorp in Picardië

(Frankrijk); Offa’s Dyke, een oude grenswal in Engeland, in de 8ste

eeuw opgericht door Offa den Angel-Sassischen koning van Mercia; enz.

Intusschen, het Artesische Offekerque heeft met dezen ouden mansnaam

niets te maken. Deze plaatsnaam is oorspronkelijk Hovekerke (ter kerke

bij den hove), zoo als hij nog in oude geschriften voorkomt. In eene

oorkonde van den jare 1100 heet deze plaats eenvoudig Hove; misschien

was daar toenmaals nog geen kerk aanwezig.

Ook nog andere plaatsnamen met kerke samengesteld, komen in Artesië

voor: Ostkerke, Nordkerke, Zutkerke, St-Marie-kerke, die ook wel gelijk

Dunkerque en Offekerque, geschreven worden: Ostkerque, enz. Twee andere

dorpen aldaar hebben hunne namen heden ten dage volkomen verfranscht,

als Vieille-Eglise en Nouvelle-Eglise. Maar op oude landkaarten, zelfs

nog uit de vorige eeuw, heeten ze Ouderkercke en Nieuwerkercke.

Laatstgenoemde plaats vinden wij in oorkonden van de 12de eeuw als:

Niukerka en Niwkerka.

Artesië is, vooral in hare zuidelijke helft, eene schoone landstreek,

met zacht glooiende heuvels en liefelijke dalen, met schoone bosschen

en heldere bronnen en beken. Deze eigenheden van den bodem worden ook

in de namen der plaatsen aangeduid. De heuvels heeten bergen—naardien

het woord berg bij alle volken van het berglooze Neder-Germanië (onze

Nederlandsche gewesten, Noord en Zuid, en die in Frankrijk daarbij

inbegrepen) in gebruik is voor de heuvels en de kleine, soms haast

onmerkbare verheffingen des bodems. Zulke bergnamen als plaatsnamen,

zijn Boulemberg, Colemberg, Brunemberg, Reberg, Fauquembergue (dit is

Valkenberge), enz. Verder heet een heuvel bij het dorp Tilques:

Blackenberg. Die bij Journy gelegen is, komt in oude oorkonden voor als

Calenberg, die bij Tournehem als Vierberg, en die bij Moulle, ofschoon

thans tot Hautmont verfranscht, komt in een stuk van de 15de eeuw voor

als de Hoberch (hooge berg). Aan den naam van het dorp Brunemberg

bovengenoemd, ligt ongetwijfeld de oud- en algemeen-Germaansche, zeer

bekende mansnaam Bruno ten grondslag, naardien Lambert van Ardres, een

Artesische schrijver uit de 12de eeuw, dezen naam als Brunesbergh (de

berg van Brune, Bruno of Bruin) vermeldt.

De dorpsnaam Colenberg of Colemberg wordt heden ten dage door de

Franschen ook wel als Colembert misschreven. In oude oorkonden vindt

men wel Coleberg, en Lambert van Ardres bovengenoemd verlatijnscht

dezen naam tot Colsbergium. Of de mansnaam Cole, op bladzijde 112

hiervoren vermeld, de oorsprong aan dezen plaatsnaam gegeven hebbe, dan

wel Sint-Nicolaas, of iemand of iets anders, moet ik in het midden

laten.

Aan den voet der heuvels of bergen strekken de dalen zich uit; en zoo

zoekt men ook, nevens de bergnamen, onder de Artesische plaatsnamen de

dalnamen niet te vergeefs. Deze namen zijn zoo wel eigen aan de

werkelijke dalen zelven, als aan de dorpen, gehuchten, landhoeven, in

die dalen gelegen. Op zich zelven, zonder bijvoegsel, is het woord dal,

als naam, eigen aan Dalle, een gehucht bij Lacre. Met bijvoegsels

vinden wij de plaatsnamen Waterdal, gehucht bij Seninghem; Bramendal,

bij Boisdinghem; Langhendale; Diependal, geh. bij Boucquehault. Verder

Bruckdal, gehucht bij Hesdin-l’Abbé; Grisendale, eene landhoeve bij

Wimille; Merlingdal, hoeve, bij Verlincthun; Pittendal, Totendal,

Wysquedal, Kinendale, enz. De vier eerstgenoemden van deze dalnamen

zijn nog geheel oorbeeldig Dietsch, en in hunne beteekenis volkomen

duidelijk voor iederen Nederlander. In Bruckdal herkennen wij het woord

bruck, broek, moeras, dat ook in den naam Brussel (oorspronkelijk

Broekzele) voorkomt; in Pittendal het woord put, dat ook in

West-Vlaanderen en elders in dezen bijzonderen vorm wordt uitgesproken.

Aan den naam Merlingdal ligt een patronymicon ten grondslag.

Aan de hellingen der heuvels en bergen ontspringen bronnen, en het

water van die bronnen vloeit als beken door de dalen. Verschillende

plaatsen in Artesië zijn naar die bronnen en beken genoemd. Het

algemeen Dietsche woord bron komt even menigvuldig voor als born;

Hoogduitsch Brunnen en Born; Engelsch burn, born (in de plaatsnamen

Blackburn, Tyburn, Osborne, Hachborn) en bourne (Bournemouth,

Ashbourne, Isbourne, Eastbourne). In Noord-Nederland als born, borne,

boorn, in de plaatsnamen Born, Borne, Warnsborn, Boarnwert (Bornwerd),

Boarn (Boorn), Aldeboarn (Oldeboorn), Easterboarn (Oosterboorn),

Boarnsweach (Boornzwaag), enz. Zoo wisselt ook dit woord in beide

vormen af, in de Artesische plaatsnamen. Een gehucht bij Licques heet

heden ten dage Courtebourne, maar wordt in de middeleeuwsche oorkonden

als Curtebrona en Curtebrune vermeld. De naam van een ander gehucht,

bij Audrehem, wordt hedendaags als Cousebourne geschreven, maar

oudtijds Cusebrona, dat is: Kuischebron, of born van rein, helder

water. Half verfranscht is tegenwoordig de naam Bellebrune, alsof het

de schoone bron beteekende. Maar in de 12de eeuw werd deze naam door

den geschiedschrijver Lambert van Ardres vermeld als Berebrona (de bron

van den ber of beer, den edelman of baron?). Nog vroeger, in de 9de

eeuw, droeg deze zelfde bron den naam van Helichbruna, de heilige bron.

Een openbare bornput te Wimille heet Losenbrune, en een andere bij

Tingry Lienbrune, de Liên- of Liedenbron, de bron voor alle liên, voor

iedereen. Dus als tegenhanger of weêrga van de bovengenoemde Berebron?

Dit zelfde woord komt ook voor in den naam Lienstrate, openbare straat

of weg, zooals in de 17de eeuw nog eene buurt heette in het stedeke

Ouderwijk of Audruicq. Bij Vieux-Moutier, eene plaats die in eene

middeleeuwsche oorkonde Oudemonstre heet, is eene Rousquebrune bekend,

oudtijds ook als Ruschebrune geschreven; dat is: de ruischende bron,

waarvan het water, bij het afvloeien, een ruischend, klaterend gerucht

maakt.

Estienbecq (overeenkomende met Steenbeke in Fransch-Vlaanderen en met

Steenbeek bij Zetten in Gelderland) en Morbecque (oorspronkelijk de

zelfde naam als Moerbeke in Fransch-Vlaanderen, dat ook wel tot

Morbecque wordt verwaalscht, met Moerbeke in ’t Land van Waas,

Oost-Vlaanderen, en met Moerbeek, gehucht bij Niedorp in Noord-Holland)

zijn twee Artesische plaatsnamen, waar het woord beek in voorkomt. Eene

straat in de stad Sint-Omaars, hedendaags Rue de l’Arbalête geheeten,

werd in de middeleeuwen Becquestraet (Beekstraat) genoemd.

Nevens al de bovengenoemde plaatsnamen, die allen samenhangen met

algemeen aardrijkskundige woorden, zijn daar in Artesië nog vele

plaatsnamen, die elk voor zich meer op zich zelven staan. Uit het

groote aantal dezer namen, allen ook zuiver Dietsch van oorsprong en

beteekenis, allen ook zeer bijzonder en zeer merkwaardig, en tevens in

hunne hedendaagsche geijkte spelling min of meer verfranscht, kunnen

wij hier ook slechts eenige weinigen den Lezer van dit opstel nader

voorstellen. Als voor de hand opgenomen vermeld ik dan, vooreerst:

Sangatte, en Wissant. Dat deze namen werkelijk in goed Nederlandsch, in

algemeen Dietsch, Zandgat en Witzand zijn, namen geheel eigenaardig aan

plaatsen die aan zee en in het witte duinzand gelegen zijn, bewijst ons

Lambert van Ardres. Deze middeneeuwsche Artesische geschiedschrijver,

reeds meermalen in deze verhandeling genoemd, schrijft (in Latijn) dat

de hooge, onstuimige zee oudtijds een gat zich had gebaand dwars door

de zandduinen, ter plaatse waar later het dorp Sangatte verrees en dat

de bevolking dieshalve aan die plaats den naam van Arenae foramen

gegeven had. En van het dorp Wissant, dat heden ten dage, nog meer

verbasterd, ook wel als Wissan geschreven wordt, schrijft hij: „Ab

albedine arenae vulgari nomine appellatur Witsant.”

Verder Marcq (mark of grens), Oye, hedendaags door de Franschen ten

onrechte uitgesproken als hun woord oie, gans (’t is echter ode of

eenzame onbewoonde plaats); Wiere (Friesch wier of vluchtheuvel?); le

Wat (wad of doorwaadbare plaats in waterstroom of beek); Wimille

(windmolen), en vele anderen zijn eveneens zulke bijzondere namen.

Al de plaatsnamen, tot dusverre in deze verhandeling genoemd en

verklaard, zijn eigen aan plaatsen die nog heden ten dage bestaan, en

komen in bovenvermelde, zoowel verbasterde als zuiver Dietsche vormen,

in de hedendaags geldige Fransche taal voor. Deze namen zijn bij

honderdtallen te tellen. Wil men echter in grondboeken en in oude

geschriften, in middeleeuwsche oorkonden, vooral in oude koopbrieven

gaan zoeken, dan vindt men de Dietsche namen van velden en wegen, van

huizen en straten in Oud-Artesië bij duizendtallen. Ook onder dat zeer

groote aantal Oud-Dietsche namen van dat gewest, die in den loop der

eeuwen door den overheerschenden Franschen invloed zijn verloren

gegaan, en die den hedendaagschen ingezetenen volkomen onbekend zijn,

komen er zeer velen voor die uit een taalkundig oogpunt

allermerkwaardigst zijn, en die ten volsten de aandacht, de opsporing

en onderzoeking der Germaansche taalgeleerden van onzen tijd verdienen.

Hoe gaarne zoude ik dezen schat van oude namen den Lezer nader

ontsluiten, ten volle kenbaar maken. Een geheel boekdeel zoude ik

daarmede kunnen vullen, en—slechts weinige bladzijden hier staan mij

daar voor ten dienste. Zoo moet ik mij tot enkele tientallen van deze

oude namen beperken.

Namen van stukken land, velden, akkers, enz. Briedstic, Grotstic,

Langstic, Cromstic (Breed-, Groot-, Lang-, Kromstuk), Hangstic (aan de

helling van eenen heuvel), Skermestic, Vierhornstic en Driehornstic

(het stuk met vier en dat met drie hoeken of hoornen; nog heden is het

woord hoek in ’t Friesch horn of hoarne, en is daar een stuk land te

Marsum in Friesland, dat de Trye-hoarne-finne, de Driehornfenne, heet).

Verder Stridland, Gendekinslant (Gendekin is een mansnaam, in

verkleinvorm), Morlant, Rodelant, Tarwelant, Brunevelt, Stienvelt en

Sanctingevelt (Sint-Inge-veld? aan den weg van Gisen (Guines) naar

Witzand (Wissant), heden ten dage tot Saint-Inglevert verfranscht),

Stridaker, Gomenacre, Hobbenaker, Blekenaker, Nantacre, Alvesmerscene

(Alvesmeerschen; Alf is een Oud-Germaansche mansnaam), Bonemersene,

enz.

Namen van bosschen en hout. Cortebosc, Mafferbosc, Bochout en Bocholt

(Beukenhout of bosch; deze naam bestaat heden nog en is nu tot

Boucquehault verfranscht), Ekhout (Eekhout, Eikenbosch), Malshout,

Scapshout, Mutshout, Lantershout.

Namen van straten en wegen, dijken, putten, huizen, bruggen. Hostraet,

Hostrat, Ostraet (Hoogstraat, zeer algemeen in schier al de steden en

dorpen van Oud-Artesië, even als de Highstreet is in de Engelsche

plaatsen). Haghestraet, Stienstraet, Witestraet, Weststraet,

Weetstraet, Waghestraet; in de stad Sint-Omaars: Arkestraet (Rue

d’Arques—Arques is een naburig dorp—, hedendaags Rue d’Arras genoemd),

Becquestraet, zie bladzijde 118, Potestraet—Rue du Pot—, Wackestraet,

Vincquestraet, enz. Mellewog, Oudewog en Oudewoghe, Scalrewoge, de weg

naar Scalle, hedendaags tot Escalles verfranscht; Gisenewog, Papenwoge,

Herewog; Koldic (Koldyk is ook de naam van eene sate of landhoeve bij

den dorpe Grouw in Friesland, en deze naam komt bij de hedendaagsche

Friezen ook nog veelvuldig als geslachtsnaam voor), Scardic

(Schaardijk; Scharendijke is de naam van een dorp op het eiland

Schouwen in Zeeland). Calkpit, Marlepit. Pit in plaats van put is nog

hedendaags Westvlaamsch. Wolhus, Winthus. Het raadhuis van het stadje

Ouderwijk (Audruicq) heette voor twee eeuwen nog le Landshus,

Landshuis, omdat het niet enkel voor Ouderwijk diende, maar tevens voor

het geheele Land van Breedenaerde, eene kleine gouw in Artesië, waar

van dit stedeke middenpunt en hoofdplaats was. En zoo ook heette het

raadhuis van het Land van den Hoeke, eene andere kleine gouw in dit

gewest, Gyselhus.—Lenebrigge. Het dorp Hoogbrugge bij Sint-Omaars heet

tegenwoordig Hautpont, maar komt in de geschriften uit vorige eeuwen

als Hobrigge voor, en de ingezetenen van dat dorp als Hobrighenards,

Hoogbruggenaren in onze hedendaagsche taal en spelling. Twee bruggen

te, of bij Sint-Omaars heeten in oorkonden van de 14de en 15de eeuw:

Lobrighe en Texbrighe.

Nog enkele Oud-Dietsche namen, uit middeleeuwsche oorkonden verzameld

en allen aan plaatsen in Artesië eigen, mogen hier ten slotte een

plaatsken vinden: Helde, Stapele, Stripe, Witstien, Walrichove (hof van

Walrik, Germaansche mansnaam), Hongercoutre, Boffershil, Wolfham,

Bontun, Riede, Knol, Brocshole, Doetlage, Stienrokkes (Steenrots),

Ravenstiene, Robarsdal, Walleshouck (Walle is een mansnaam),

Hasewinkel, Rambrectesgat (van Rambert, Ravenbrecht, volledige oude

mansnaam), enz.

Als aanhangsel noemen wij hier nog de namen van sommige Artesische

wateren, en wel eerstelijk den naam van het riviertje, dat langs de

stad St. Omaars vloeiende, de grensscheiding vormt tusschen Artesië en

Fransch-Vlaanderen, en dat de Aa heet. Geen oorbeeldiger Dietsche

waternaam is er bekend, dan juist deze naam Aa, die eigen is aan

riviertjes, stroomkes, beken, schier zonder tal, in alle landen,

gewesten en gouwen van geheel Neder-Germanië, van Artesië langs de

kusten van Noord- en Oostzee tot in de Oostzee-gewesten van Rusland

toe. Deze naam, in de Friesche gewesten als Ee of Ie en Ye, Y

voorkomende, beteekent eenvoudig water, stroomend water. Een water bij

het stedeke Ouderwijk (Audruicq), waarschijnlijk eene gegravene vaart,

heette nog in de 17de eeuw Stavart, (Sta(de), oever? ook voorkomende in

den ouden naam van eene kade te St-Omaars, namelijk Erbostade, thans

Quai des Tanneurs genoemd; en vaart). Het riviertje dat tusschen Gisen

(Guines) en Kales (Calais) vloeit, komt in eene middeleeuwsche oorkonde

voor als Leda, in eene andere van den jare 1208 als Gisenlet, en nog

anders als Ghisnenlet. De vergelijking met den naam van het rivierke

Leda in Oost-Friesland, en met den naam Leie, die in Friesland tusschen

Flie en Lauwers aan verschillende wateren eigen is, zoo mede aan de

Vlaamsche plaatsnamen Lendelede, Lede, Ledezele, Ledeberg ligt voor de

hand.

In Artesië vloeit een helder stroomke, weinig meer dan eene beek, al

westwaarts kronkelend door een liefelijk dal; het verbreedt zich verder

tot eenen flinken stroom, die langs de stad Boonen (Boulogne sur Mer)

loopt, en de haven van deze schoone zeestad vormt. Deze rivier draagt

den naam van Liane, een naam die volstrekt geen Dietsch voorkomen

heeft. Toch meen ik dat ook deze naam van Dietschen oorsprong zij. Maar

oude, middeleeuwsche vormen van den naam Liane zijn mij niet bekend.

Zoo neme men den volgenden naamsuitleg voor anders niet als voor eene

ongegronde gissing. En, men weet het, gissen doet missen. De grondslag,

de oorsprong van den naam Liane dan, meen ik te vinden in den

eenvoudigen, boven reeds vermelden waternaam Aa of A. In sommige

Nederduitsche tongvallen wordt de naam of het woord Aa verbogen tot

Ane, Aan; dezen verbogenen vorm vinden wij in de plaatsnamen Mundahn

(Mond van de Aa of Aan) en Overahn, Nordahn (in de middeleeuwen Norda)

en Middelstenahe (in de middeleeuwen Middelstenane), die in de Friesche

gouwen van Oldenburg en van Hannover (Land Wursten) voorkomen. Het

mannelijke lidwoord luidt in de gouwspraak van het Fransch, die

hedendaags aan Artesië eigen is, als li. Dit lidwoord neemt wel de

plaats in van het Dietsche lidwoord de, ook al blijft het hoofdwoord

dat er op volgt, onvertaald. Zoo is de geslachtsnaam De Jager, De

Jaghere heden ten dage in Artesië half-verfranscht geworden tot Liagre

(Li Jagre) en niet geheel (Le Chasseur). Zoude nu dit lidwoord ook niet

het eerste gedeelte van den naam Liane zijn (Li Ane), en deze naam De

Ane, De Aa, met andere woorden het water, het stroomende water

beteekenen?

Al deze Artesische plaatsnamen, op de voorgaande bladzijden opgenoemd,

en nog honderden dergelijken zijn (bij enkelen is dit nader aangeduid

geworden) in vorm, oorsprong en beteekenis naverwant of ook volkomen

gelijk aan andere namen, die in alle andere Germaansche landen, maar

vooral in Vlaanderen, Friesland en Engeland voorkomen, in die landen

dus, waar de bevolking oorspronkelijk geheel of ten deele van eenen

zelfden stam, van eenen zelfden bloede is met die van Artesië.

De namen, op bladzijde 120 en vervolgens vermeld, zijn allen aan

middeleeuwsche oorkonden ontleend, en, naar men mij in Artesië

mededeelde, zijn ze daar heden ten dage onbekend; dus uitgestorven. Dit

moge voor een groot gedeelte dezer namen waar zijn; dat het echter voor

allen zonder onderscheid zoude gelden, meen ik te mogen betwijfelen.

Immers namen over het algemeen, en bijzonderlijk plaatsnamen hebben een

taai leven. En, al zijn zulke namen van velden en akkers, van dijken en

vaarten, van straten en wegen niet meer in geijkten zin bekend, en al

komen ze nooit meer in geschrifte voor, het eenvoudige landvolk kent ze

nog wel, en gebruikt ze nog wel, zoo goed als hunne voorouders, van

geslacht tot geslacht, die deze namen eerst gegeven hebben. De

taalvorscher, die dus bij het van ouds ingezetene volk te lande in

Artesië naar zulke Oud-Dietsche namen zoeken wil, zal dit zekerlijk

niet te vergeefs doen. Zelfs in de steden vindt men nog wel zulke

namen, ja, in de stad Kales (Calais), die toch nooit volkomen Dietsch

is geweest, zooals de dorpen in den omtrek. Daar ter stede draagt een

buurtje aan de haven, waar de visschersschepen liggen, buiten den ouden

vestingwal, ter plaatse waar oudtijds het strand zich uitstrekte, den

naam van Place de l’Estran, zoo als ik zelf gelezen heb op het

naambordje aan het hoekhuis. Wie herkent in dit Estran niet den

verfranschten vorm van ons woord strand, of strange volgens de

Westvlaamsche, strân volgens de Friesche uitspraak? En, als om de

Oud-Dietsche herinnering te volmaken, de tapper die in dat hoekhuis

zijn bedrijft uitoefent (althans in 1891 uitoefende) draagt den

oorbeeldigen geslachtsnaam van Barends.

Zeer bijzonder en hoogst opmerkelijk zijn sommige woordvormen die in

deze Oud-Artesische namen voorkomen; zoo als wog (in verbogenen vorm

woge, woghe) voor weg, en brigge voor brug. Ook mille en melle voor

molen, rok voor rots, enz.

Voorbeelden van wog en brigge, in plaatsnamen, zijn op bladzijden 120

en 121 reeds genoemd. Anders en elders is dit woord wog mij nooit

voorgekomen. In eene oorkonde van den jare 1286 wordt bepaaldelijk de

weg die van het stedeken Gisen (Guines) naar het dorp Witzand (Wissant)

voert, de Gisenewog genoemd. Men vergelijke de Gisenlet op bladzijde

122 vermeld. Dat men evenwel oudtijds het algemeen geldige Dietsche

woord weg, verbogen als wege, ook wel kende in Artesië, blijkt uit

oorkonden van de veertiende en vijftiende eeuw, waarin melding gemaakt

wordt van den Boerwegue bij Baienghem, en van den Oudeweg bij

Salperwijk (Salperwic). Aan het voorkomen dezer twee woordvormen wog en

weg, nevens elkanderen, zal wel de zelfde of eene soortgelijke oorzaak

ten grondslag liggen, als die is, welke het voorkomen der twee vormen

ing en ink, bij den patronymicalen uitgang, heeft te weeg gebracht. Zie

bladzijden 98 en 106 hiervoren.

De vormen brigge (op bladzijde 121 vermeld), Friesch bregge, brug;

mille of melle, molen (in den hedendaagschen dorpsnaam Wimille,

oudtijds voluit Windmille, windmolen, en in Mellewog, dat in eene

oorkonde van 1286 voorkomt, en als Chemin du moulin wordt verfranscht),

en rok voor rots (in Stienrokkes—meervoudsvorm, en misschien ook in

Roccalf en in Brocshole = bij Rokshole, bij het hol in de rots?), deze

drie ook in de oorkonde van 1286 vermeld, bieden eene zeer opmerkelijke

overeenkomst, ja eene volkomene gelijkvormigheid aan met de vormen die

deze drie woorden in de Engelsche taal hebben (bridge, mill en rock).

Deze overeenkomst bevestigt te meer mijne meening dat de voorouders van

een deel der hedendaagsche Engelschen, en die van de oorspronkelijk

Germaansche bevolking van Artesië, lieden zijn geweest van eenen en den

zelfden bijzonderen Sassischen volksstam, lieden die, gezamenlijk uit

het Oosten (dat is in dit geval, voor het naast uit Noordwestelijk

Duitschland) opgetrokken en westwaarts getogen zijnde, voor een deel

naar Brittannië overstaken, uit de havens van Kales en Boonen, maar

voor een ander deel achter bleven in de gouw rondom deze oude, reeds

door de Romeinen bezette steden.

En niet enkel met het Engelsch, ook met het Friesch leveren de

Oud-Germaansche plaatsnamen van Artesië punten van overeenkomst op.

Trouwens dit kan wel niet anders, waar Friesch en Engelsch beiden nog

heden zoo naverwant en oudtijds uit eene zelfde bron zijn ontsproten.

Deze overeenkomst vinden we, in gezamentlijken zin, in het woord aker,

ook wel gespeld acre, hedendaagsch geijkt Dietsch akker, dat deel

uitmaakt van sommige Oud-Artesische plaatsnamen. Dit woord, in het

Friesch zoowel als in het Engelsch als eker uitgesproken, is nog heden

eigen aan de taal van Friezen en Engelschen, en komt in de plaatsnamen

dezer volken voor: Franeker in Friesland; Longacre in Engeland. Verder

stemmen de Artesische woorden stic voor stuk, horn voor hoek, stripe

voor streep, stien voor steen, enz. allen in oude plaatsnamen

voorkomende, letterlijk overeen met de zelfde woordvormen in het

Friesch, zooals het nog hedendaags leeft. Trouwens, in den loop dezer

verhandeling hebben wij reeds meermalen gelegenheid gehad, den Lezer te

wijzen op de bijzondere overeenkomst tusschen Oud-Artesisch en Friesch.

Indien men met opmerkzaamheid eene aardrijkskundige kaart van Artesië

gadeslaat, valt het den Nederlander al spoedig in het oog dat een zeer

groot deel der plaatsnamen, daarop vermeld, Dietsche namen zijn, gelijk

hierboven breedvoerig is aangetoond. Maar nevens en tusschen deze

Dietsche namen kan men ook vele namen opmerken, die een Fransch

voorkomen vertoonen in hunnen vorm en in hunne spelwijze, en die door

niemand voor oorspronkelijk Dietsche namen zullen worden gehouden.

Werkelijk zijn dan ook eenigen van die namen, welke van jonge

dagteekening zijn, en ontstaan ten tijde dat de Dietsche volkstaal in

die gouw van het Artesische land reeds geheel of ten deele uitgestorven

was, Fransch, behooren tot de Fransche taal. Maar anderen zijn toch

oorspronkelijk Dietsch, al zien ze er in hunne hedendaags geldige

vormen ook nog zoo Fransch uit. Die namen zijn eenvoudig in sterke mate

veranderd, verbasterd, naar de uitspraak der Fransche tonge, naar de

spelwijze der Fransche penne vervormd, verdraaid, mismaakt. Reeds zijn

een paar van dat soort van namen vermeld op bladzijden 102 en 115, waar

medegedeeld is dat van den ouden en oorspronkelijken naam Henrickinghem

heden ten dage Heuringhem is geworden, en dat Ophove tot Au Pauvre is

verfranscht. De volgende Artesische plaatsnamen behooren verder nog tot

deze groep: Hydrequent, de hedendaagsche naam van een dorp in Artesië,

is oorspronkelijk Hildheringahem, de woonplaats der Hilderingen, der

nakomelingen van Hildheri of Hilder, een volledige algemeen

Oud-Germaansche mansnaam. In eene oorkonde van den jare 1286 staat deze

volledige dorpsnaam in den vorm Hildrichem vermeld, een vorm die wel

reeds eeniger mate versleten is, maar die nog duidelijk een Germaansch

voorkomen heeft, terwijl het hedendaagsche Hydrequent volkomen

onkenbaar zoude zijn, ware ’t niet dat de genoemde middeleeuwsche

oorkonde ons op het goede spoor bracht ter herkenning en verklaring.

Een tegenhanger van Hydrequent is de hedendaagsche naam Rinxent, mede

eigen aan een Artesisch dorp. Deze naam vinden wij in eene oude

oorkonde vermeld als Erningessem, en in een ander middeleeuwsch

geschrift, maar van latere dagteekening, als Reningessem. De oudste

vorm is de oorspronkelijkste, en doet ons dezen naam duiden als

Erningeshem, Erningshem, Erning’s woonplaats. De vorm Reningessem is

slechts een letterkeer van Erningessem, en Rinxent is daarvan eene

verdere verbastering. Eindelijk nog Hardinxent, dat van oorsprongs

wegen Hardingessem, Hardingshem, de woonplaats van den man Harding is.

Erning en Harding, als samenstellende deelen van de twee laatstgenoemde

plaatsnamen zijn wel patronymicale vormen, maar deden toch dienst als

eenvoudige mansvóórnamen, gelijk uit hunne genitiefvormen op es

uitgaande blijkt, en gelijk nog heden in Friesland voorkomt, waar

Tjalling, Waling, Eling, enz. ofschoon eigentlijk patronymica zijnde,

toch ook als eenvoudige mansvóórnamen dienst doen. Verder, Dohem heette

in de elfde eeuw Dalhem, de woonplaats in het dal, een plaatsnaam die

als Dalhem (in ’t Land van Luik), als Dalem (in Gelderland) en als

Thalheim, nog heden aan België, Nederland en Duitschland eigen is. Upen

komt in oude oorkonden als Ophem voor, een naam die door eenen

geleerden Franschman dezer eeuw terecht als „Village d’en haut” is

verklaard. Het hedendaagsche Weims is ook zeer verbasterd, naardien de

oorspronkelijke vorm van dezen naam is Widinghem, dat is: woonplaats

der afstammelingen van Wido, Wito, Wyt, (Guido in verfranschten vorm).

De mansnaam Wido is in verschillende vormen en onderscheidene

afleidingen en samenstellingen zeer algemeen, vooral onder de Friezen

(Wytse).—De dorpsnaam Tubersent van heden ten dage doet ook den

oorspronkelijken vorm niet raden noch erkennen. Die oude, volledige

vorm is Thorbodessem, Thorbodeshem, de woonplaats van den man, die den

zeer ouden en schoonen mansnaam Thorbodo droeg.

Nog drie dorpsnamen zijn in Artesië, die in zoo sterke mate verbasterd

en verfranscht zijn, dat niemand ze meer zoude kunnen herkennen als

namen die eenen Germaanschen oorsprong hebben, dat iedereen ze voor

Romaansche, voor echt Fransche namen moet houden. Dat zijn de namen

Herbelle, Annezin en Fampoux. Den eerstgenoemden naam vinden wij in

eene oorkonde van de elfde eeuw vermeld als Hardberg. Inderdaad ligt

Herbelle op eenen heuvel of berg, die heden ten dage Roide-Mont

heet.—Annezin is verbasterd van Annineshem, zooals deze dorpsnaam in

oude geschriften voorkomt. De oorsprong, de beteekenis van dit

Annineshem is niet recht duidelijk. Het kan oorspronkelijk Anningshem

zijn, samengesteld met eenen mansnaam Anning, die een patronymicale

vorm van den mansnaam Anne is, oneigenlijk gebruikt, zooals op de

voorgaande bladzijde aangegeven is bij Harding en Erning, Tjalling,

enz. Het kan ook beteekenen: woonplaats van Annin, ’t welk dan als een

verkleinvorm van Anne gelden kan. Anne, op zich zelven, is nog heden

als mansnaam bij de Friezen in volle gebruik, en sommige Friesche

geslachts- en plaatsnamen zijn aan dezen mansnaam ontleend: bij

voorbeeld, om van beide naamsoorten slechts eenen naam te noemen: de

geslachtsnaam Annema, en de naam van het dorp Anjum, oorspronkelijk

voluit Anningahem.—Fampoux eindelijk is langs de vormen Fampoel,

Vanpoel, Venpoel, ontstaan uit den oorspronkelijken naam Venepoel

(Friesch Feanpoel, Oud-Friesch ook Faen voor veen), door eenen

Artesischen geleerde van deze eeuw vrij juist vertaald als Etang de la

tourbière.

Aan het slot van dit opstel willen wij nog eene bijzondere zaak hier te

berde brengen, die wel de aandacht verdient der volkenkundigen,

bijzonderlijk van hen, die de tochten nasporen van die volken en

volksstammen uit Noordwestelijk Germanië, welke Brittanië hebben

ingenomen en aldaar hunne volkplantingen hebben gevestigd.

Reeds een en andermaal is er in deze verhandeling op gewezen, dat

eenige bijzondere woorden en woordvormen, die in Artesische plaatsnamen

voorkomen, eveneens gevonden worden in Engelsche plaatsnamen, of

anderszins eigen zijn aan de Engelsche taal. Dit betrof echter in

hoofdzaak slechts eenige samenstellende deelen van die namen. Maar daar

bestaat nog eene grootere overeenkomst tusschen sommige Artesische en

Engelsche namen, eene overeenkomst die den geheelen naam betreft. Zoo

vinden wij de volgende namen:

In Artesië en in Engeland.

Warhem. Warham.

Fréthun. Freton.

Hollebecque. Holbeck.

Sangatte. (Zie bladz. 119). Sandgate.

Inghem. Ingham.

Wimille. (Zie bladz. 121). Windmill.

Grisendale. Grisdale.

Rattekot. Radcot.

Le Wast. Wast.

Appegarbe. Applegarth.

Het valt niet te ontkennen dat enkelen dezer namen een meer algemeen

karakter hebben, en zeer wel, volkomen onafhankelijk van elkanderen,

elk op zich zelven, Noord en Zuid van het Engelsche-Kanaal kunnen zijn

ontstaan; bij voorbeeld: Wimille, Windmill en Sangatte, Sandgate. Toch

blijft, bij de andere namen, de overeenkomst opmerkelijk, en een

gemeenschappelijke oorsprong blijft niet buitengesloten. In sommige

patronymicale namen ligt zulk een gemeenschappelijke oorsprong nog

nader voor de hand. Zie hier nog een lijstje van die overeenstemmende

patronymicale plaatsnamen,

in Artesië en in Engeland.

Alincthun. Allington.

Bazinghem. Bassingham.

Colincthun. Collington.

Hardinghem. Hardingham.

Linghem. Lingham.

Balinghem. Ballingham.

Berlinghen. Birlingham (Nevens Berlicum, dat

is voluit Berlinkheim, in

Noord-Brabant en in Friesland).

Elighen. Ellingham.

Eringhem. Erringham (Nevens Erichem, dat

is voluit Erinkhem, in Gelderland).

Lozinghem. Lossingham.

Maninghem. Manningham.

Masinghen. Massingham.

Pelincthun. Pallington.

Todincthun. Toddington.

De patronymica die den grondslag van deze namen uitmaken, en die, aan

den Artesischen en aan den Engelschen kant geheel de zelfden zijn, of

anders zoo gelijkvormig, dat een zelfde oorsprong voor beiden

aangenomen mag worden, hebben bij sommigen de meening doen ontstaan dat

zoowel de Artesische als de Engelsche plaatsen, waaraan deze namen

eigen zijn, juist ook door de zelfde lieden zouden zijn gesticht. Met

andere woorden, dat de zelfde Hardingen, de afstammelingen van eenen

zelfden aartsvader Hardo, in Artesië zoowel een hem, eene woonstede

zouden hebben gevestigd, een Hardinga-hem (Hardinghem), als in Engeland

(Hardingham). Ofschoon deze zaak geenszins onmogelijk, zelfs niet

onwaarschijnlijk te achten is, zoo vloeit ze toch ook geenszins

noodzakelijk voort uit deze gelijkheid der plaatsnamen. Immers Hardo

was, en is nog heden, een algemeene mansvóórnaam, die door

verschillende personen te gelijker tijde gedragen werd en wordt. Zoo

zijn er ook verschillende maagschappen Hardinga of Harding, Hardink,

onderling niet verwant. De eene maagschap van dien naam kan in Artesië,

de andere in Engeland een hem hebben gegrondvest.

Engelsche navorschers en geleerden hebben uit deze gelijkluidende of

volkomen gelijke plaatsnamen nog eene andere meening afgeleid. Volgens

hen zouden lieden, inwoners uit Hardingham in Engeland (om bij het eens

genomen voorbeeld te blijven), als landverhuizers of volkplanters zijn

uitgetogen, om in Artesië zich te vestigen. Bij hunne vestiging aldaar

zouden zij dan, in herinnering aan hunne voormalige woonplaats, hunne

nieuwe woonstede genoemd hebben met den zelfden naam, dien het oude hem

(ham) in Engeland droeg—gelijk zulks in deze eeuw menigvuldiglijk is

geschied bij de volkplantingen van Engelschen, Nederlanders en andere

Europeanen in Amerika. Intusschen, de geschiedenis leert ons dat de

vestiging van Sassen en andere Neder-Duitschers in Artesië reeds van

zeer oude dagteekening is, en, voor een deel althans, zeer zeker ouder

dan de nederzetting dier volken in Brittannië. Wij meenen dus bij onze

voorstelling dezer zake te mogen volharden, gelijk die op bladzijde 107

en vervolgens hiervoren is medegedeeld. Ook komt het ons aannemelijker

voor bij deze gelijke namen in Artesië en in Engeland liever te willen

denken aan eene toevallige gelijkheid, ontstaan door de algemeenheid

van dezen of genen mansnaam (Hardo; Ale of Alle in Alincthun en in

Allington en in Allingawier in Friesland)—dan aan eenzelvigheid in den

persoon van den aartsvader, ’t zij deze dan Hardo of Ale, Colo, Colle

of iets anders heette.

De patronymica van bovengenoemde Artesische en Engelsche plaatsnamen,

en nog talrijke anderen hier niet opgenoemd, zoo mede de mansvóórnamen,

waarvan zij afgeleid zijn, komen verder nog, in verschillende

onwezenlijk afwijkende vormen, bij schier alle andere Germaansche

volkeren en volksstammen eveneens voor, en hebben ook daar aan een

groot aantal geslachts- en plaatsnamen hunnen oorsprong gegeven. Dit

alles na te sporen en uitvoerig, naar den vollen eisch, hier te

vermelden, en dan ook de menigerlei opmerkingen, die zich daarbij

voordoen, nader hier te ontvouwen, is zeker eene aangename studie. Wil

ik echter niet te veel hooi op de vork nemen, wil ik niet te veel

ruimte hier beslaan, niet te veel van de belangstelling mijner Lezers

vergen, dan moet ik mij bescheidenlijk met het bovenstaande

vergenoegen.

Zoo kort en beknopt mogelijk dien ik echter toch ook nog een paar

bladzijden te wijden aan de Germaansche mans- en vrouwen-vóórnamen en

aan de Germaansche geslachtsnamen, die in Frankrijk, die vooral in de

Dietsche gewesten van dat land in gebruik zijn en voorkomen.

Wat de mans- en vrouwen-vóórnamen aangaat, zoo heb ik hier niet zoo

zeer het oog op die namen van Germaanschen oorsprong, die over schier

geheel de beschaafde wereld verspreid zijn, en die ook in Frankrijk

geenszins ontbreken, zij het dan ook in verfranschten vorm. Zulke namen

(Henri, Fréderic, Albert, Bertrand, Gérard, Guillaume, Louis,

Charles—dan ook Henriëtte, Adèle, Mathilde, Gertrude, Berthe, en vele

dergelijken) zijn wel van Oud-Germaanschen oorsprong; ze zijn zeker nog

afkomstig van de Germaansche Franken, het volk van Keizer Karel den

Grooten, die voor een deel de voorvaderen zijn van het hedendaagsche

Fransche volk. Maar in het bijzonder vestig ik hier de aandacht op die

Oud-Dietsche, Oud-Nederlandsche namen, die, veelal min of meer

versleten, of in vlei- of verkleinvorm, nog eigen zijn aan de Dietsche,

de Vlaamsche bevolking van Fransch-Vlaanderen en van Artesië, die daar

in de middeleeuwen, en nog in de zestiende eeuw algemeen of vrij

algemeen in gebruik waren, en die ook heden nog daar leven, zij het dan

niet in geijkten zin, dan toch in het dagelijksche leven, in den

huiselijken en vriendschappelijken kring.

Eene uitvoerige en belangrijke verhandeling over dit onderwerp, over

deze Oud-Dietsche mans- en vrouwen-vóórnamen bij de bevolking van

Noordwestelijk Frankrijk, is door C. Thelu geschreven, onder den titel

Noms de baptême avec leurs contractifs et diminutifs en usage chez les

Flamands de France, en geplaatst in het derde deel van het tijdschrift

Annales du Comité flamand de France. In die verhandeling wordt een zeer

groot aantal van die namen vermeld. Het is inderdaad zeer merkwaardig

te zien hoe vele echt Oud-Dietsche, echt Oud-Germaansche namen daar in

die Oud-Dietsche gewesten, al behooren ze sedert twee of drie eeuwen en

langer tot Frankrijk, nog in gebruik gebleven zijn, of voor jaren nog

in gebruik waren.

Onder deze namen treft men er aan, die men hedendaagsche

Algemeen-Germaansche, ook Algemeen-Nederlandsche kan noemen, zoo wel

als bijzonder Friesche namen; dat is: Oud-Germaansche namen in

Frieschen vorm, zoo vlei- als verkleinvorm. Uit dit voorkomen van

Friesche namen en naamsvormen onder de Dietschen van Artesië, onder de

Vlamingen van Fransch- of Zee-Vlaanderen blijkt eens te meer dat een

deel des volks in die gewesten, langs den zeekant gezeten, van

Frieschen oorsprong is, en van Frieschen volksaard.

Als enkele voorbeelden van zulke algemeen Oud-Dietsche namen in die

gewesten, vermeld ik hier de mansnamen Alart (Adelhart), Arend

(Arnhold, Aernout), Bartelt (Barthold, Berchthold, Bertout), Barent

(Bernhart, Bernaart), Bruyn (Bruno), Evert (Everhart, Everaart), Ewout,

Franck, Gysbert, Willem, Heynrick, Huybrecht, Coenradt, Ryckaert. En de

vrouwennamen Brechtje, Engeltje, Duyfken, Truy, Aaltje (Adela), Roosje,

enz.

En als voorbeelden van bijzonder Friesche namen en naamsvormen in die

gouwen mogen de volgenden gelden:

Mansnamen. Eppo, Agge, Bouken, Bouwen (een samengetrokken vorm van

Boudewijn), Wessel, Binnert, Bonne, Boye, Cyrick (in Friesche spelling

Sierk), Douwe, Egge, Eling, Eise, Feycke, Feyen, Fonger, Gabe, Gauke,

Gerken, Wybe, Hille, Ide, Jelken, Jelten, Lins, Lieuw, Lyckel, Lolck,

Luyt, Lolle, Monten, Menne, Bonten, Rintse, Reyn, Riemer, Romke, Wimar,

Wisse, Fedde, Hayen, Ytzen, enz.

Vrouwennamen. Lamke, Nieske, Aefje en Aefken, Mintje en Minke, Itjen,

Femmetje, Gepke, Wybrig, Heyltjen, Hilleken, Idtsken, Jayke, Jel, Luts,

Metjen, Rix, Richtje, Walleken, Wentje, Diewertje, Swaentje, Haeske,

enz.

Al deze namen zijn juist zóó als ze hier vermeld staan, of anders met

geringe, onwezenlijke afwijkingen in de spelling, nog heden ook onder

de Friezen in volle gebruik.

De schrijver van bovengenoemde verhandeling in de Annales du Comité

flamand de France heeft den Oud-Germaanschen oorsprong van deze namen

niet erkend. Hij is in zijne verklaring dezer namen volkomen op eenen

doolweg. In al deze namen ziet hij slechts verknoeide, verminkte,

versletene, saamgetrokkene, verkleinde, in sommige gevallen ook

vertaalde vormen (Minke van Charitas) van Bijbelsche en van Kerkelijke

namen, uitsluitend van zulke namen die door de Roomsch-Catholyke Kerk

als doopnamen voor de kinderen van de belijders harer leer, in geijkten

zin erkend worden. En zoo worden in die verhandeling die volledige

Bijbelsche en Kerkelijke namen dan ook steeds als de oorspronkelijke

namen vermeld, nevens die Oud-Dietsche en Friesche namen en

naamsvormen. De schrijver staat in deze zaak geheel op het zelfde

onjuiste standpunt, waar ook het bekende lijstje van doopnamen, ten

dienste der Roomsch-Catholyke geestelijken op staat; te weten, de

Nomina vernacula Hollandorum et Frisiorum, adjuncta nominibus

Sanctorum, quae per illa significantur, gevoegd achter het Rituale

Romanum contractum et abbreviatum in usum Sacerdotem Missionum

Hollandiae.

Als voorbeelden van zulke geheel averechtsche naamsafleidingen, in

Thelu’s verhandeling voorkomende, wijs ik hier op gedrochtelijke

verklaringen, als Cyrick (Sierk, Sigerik, Zegerijk, rijk in

overwinning) van den Kerkelijken naam Cyriacus; Eppo van den

Bijbelschen naam Absalon, of van den Kerkelijken, oorspronkelijk

Griekschen naam Epìmachus; Douwe van David; Fecken (Fekke) van Felix;

Lolka van Lucas, Hayen (Hayo) van Hyacinthus. Verder op de vrouwennamen

Lamke en Nieske die beide oorspronkelijk Agnes zouden zijn; op Minke

dat van Charitas zoude komen; Femmetje van Euphemia, Jel (Jeltje) van

Juliana, Grets (Gretske, Graetske) van Grata, enz. Maar genoeg van

dezen onzin.

In het tijdschrift De Navorscher, jaargang XX, bladzijde 251, heb ik

zelf, onder den titel Friesche namen in Frankrijk op bovengenoemde

verhandeling van Thelu de aandacht gevestigd, en de zaak der Friesche

namen in Frankrijk nader ontvouwd, en met voorbeelden gestaafd. Naar

deze twee geschriften, dat van Thelu en dat van mij, verwijs ik verder

den belangstellenden lezer.

Wat nu de bijzonder Dietsche geslachtsnamen aangaat, die in schoone,

veelal zeer oude vormen nog heden onder de Vlamingen en de Dietschen

van noordwestelijk Frankrijk voorkomen, als eene getuigenis van den

alouden oorsprong des volks in die gewesten, als eene getuigenis van de

nauwe verwantschap, ja van de eenzelvigheid die ons, Noord- en

Zuid-Nederlanders, met dien verlatenen broederstam in Frankrijk

verbindt, vereenigt—daarvan weet ik nog minder mede te deelen dan van

de Oud-Dietsche mans- en vrouwen-vóórnamen in die gouwen. Ik kan hier

slechts enkele Oud-Dietsche maagschapsnamen geven, die door mij, op

mijne omdolingen door de straten der steden Duinkerke,

Sint-Winoks-Bergen, Hazebroek, Sint-Omaars, Kales en Boonen (St. Omer,

Calais en Boulogne sur Mer) van de naambordjes der huizen zijn

opgeteekend. Zie hier dat lijstje:

Studiën in Nederlandsche Namenkunde · 第 13 / 26 题