tot ’e dag fan fandaag toe. In se salle him wel houde, soo lang as
Leewarden bestaat, in soo lang as d’r Leewarders binne. In wij wille
hope dat dat nog duzent jaar in langer dure sal!
Na de Leeuwarder Speknekken en Galgelappers zijn de andere Friesche
stedelingen aan de beurt. Dat zijn dan de Tobbedounsers van Harlingen,
de Dúmkefretters van Sneek, de Oaljekoeken van Bolsward, de Garnaten
van Dokkum, de Klokkedieven van Franeker, de Brijbekken van Workum, de
Ribbekliuwers van Staveren, de Keapmankes van IJlst, en de Tjeeunken
van Hindeloopen. De burgers van Slooten zijn eigenlijk geen bijnaam
rijk; maar over hen zal verder in dit opstel nog gesproken worden.
Te Harlingen waren oudtijds vele weverijen, waar eene bijzondere soort
van linnen (later katoenen) stof vervaardigd werd; wit, met
licht-blauwe ruitjes in verschillende teekening. Dit weefsel, deze
kleedingstof had eenen zeer goeden naam in den lande, wegens hare
deugdelijkheid, hare sterkte en haar fraai voorkomen. Ze werd vooral
voor vrouwenschorten of voorschooten gebruikt, en ze was (en is nog
heden, al wordt ze te Harlingen niet meer gemaakt) in Friesland als
Harnser bûnt, Harlinger bont, in andere Nederlandsche gewesten als
Friesch bont bekend. Dit maken van Harlinger bont geschiedde te
Harlingen door wevers en verwers in het klein, bij wijze van handwerk,
in het eigene woonhuis. Dat was lang voor den tijd van groote
stoomfabrieken en van maatschappijen tot uitoefening van allerlei
takken van nijverheid in het groot. Iedere burger, iedere „baas”,
werkte toen op zich zelven en voor zich zelven als vrij man. Als het
linnen garen dan ook blauw geverfd was geworden, moest het ter dege in
frisch water uitgespoeld worden, eer het gebruikt, eer het geweven
werd. Dat uitspoelen geschiedde in groote kuipen, en de verwer sprong
met bloote beenen in die kuip of tobbe, en bearbeidde het garen, al
trappelende met zijne voeten, tot het spoelwater helder en ongekleurd
afliep, en het garen niet meer afgaf. De Harlinger stoffenverwer stond
als ’t ware te dansen in de tobbe, en dat zonderling en dwaas
schijnende werk heeft den Harlingers in ’t algemeen hunnen spotnaam van
Tobbedansers bezorgd.
Nijverheid, van welken aard ook, is eigenlijk den echten Fries, die
boer of zeeman is, een vreemd bedrijf. Nijverheid heeft dan ook nooit
vasten voet in Friesland kunnen vatten, vooral geen nijverheid in ’t
groot. En die daar dan nog de eene of andere tak van noodzakelijke
nijverheid uitoefende, deed dit in ’t klein, en was in den regel een
vreemdeling, veelal een „Bovenlander”, uit Westfalen, uit Lippe of uit
Hessen. Zulk een vreemdeling was bij voorbeeld ook Toon Wever, die in
de geestige zedeschets van Dr. Eeltje Halbertsma, in De Reis nei de
Jichtmasters zijn rol speelt. Ook de Harlinger-bontwevers en verwers
waren oorspronkelijk vreemdelingen in Friesland, die hunne kunst, hunne
nijverheid uit Vlaanderen, hun vaderland, waar ze, om geloofs wille, in
de 16de en 17de eeuw waren uitgedreven, naar Friesland hadden
meêgebracht, en in hunne nieuwe woonplaats uitoefenden, tot eigen
opkomst en bloei, en almede tot opkomst en bloei van Harlingen. Die
verdrevene Vlaamsche nijverlingen waren Doopsgezinden, en ze stichtten
te Harlingen, te Haarlem, aan de Zaan en elders hunne eigene kerkelijke
gemeenten, wier leden nog tot in het laatst der vorige eeuw als
„Vlamingen”, als „Oude Vlamingen”, als „Vlaamsche Mennisten” in
Friesland en Holland bekend waren, en zich van de landseigene
Mennonieten afgezonderd hielden. Hunne nakomelingen zijn nog heden ten
dage aan hun veelal bijzonder Vlaamsche namen, en aan andere bijzondere
zaken kenbaar.—
De Sneekers heeten Dúmkefretters. Het ligt voor de hand aan te nemen,
dat de Sneekers van ouds bijzondere liefhebbers zijn geweest van
dúmkes, dus gaarne en veelvuldig dúmkes aten, en alzoo zich dezen
spotnaam verwierven. Een bijzonder soort van klein gebak, van koekjes,
hard, droog en zoet, en rijkelijk met halve amandelen doorspekt (zal ik
maar zeggen), in vorm eeniger mate en in grootte als een mansduim,
draagt den naam van dúmkes (duumkes), verhollandscht tot duimpjes, en
ook wel den griezeligen, alle eetlust benemenden naam van
„doodemansfingers”. Die dúmkes zijn overal in Friesland bekend, en
worden er vooral in kermistijd veelvuldig als snoeperij gegeten. Dus
zegt ook Hoatse, de bloode vrijer uit het aardige liedje van De
Boalserter Merke (bij de Friezen zoo zeer bekend, en zoo gaarne door
hen gezongen), als hij voornemens is van de kermis naar huis toe te
gaan:
„Ik koft hwet dúmkes for de bern.”
De Sneeker koekbakkers kunnen anders niet uit tegen die van Franeker,
in het bakken van bijzonder lekkere dúmkes. De Franeker dúmkes hebben
den voorrang bij de Friezen, en genieten zekere mate van bekendheid, ja
van roem. Toch is ook Sneek niet verstoken van eene eigene lekkernij;
de drabbelkoeken van Sneek zijn vermaard. Ik zie waarlijk geen kans, om
dat eigenaardige gebak hier duidelijk te beschrijven. Die het kennen
wil, koope het en ete het. In blikken bussen gesloten, naar
hedendaagsch gebruik, zijn de Sneeker drabbelkoeken tegenwoordig ook in
Holland en andere Nederlandsche gewesten verkrijgbaar.
Nog eene bijzonderheid; de drabbelkoeken hebben van ouds te Leeuwarden
eenen eigenen naam. De Leeuwarders noemen ze keugels. Ik versta dezen
naam niet, al ben ik Leeuwarder van ouder tot voorouder. Het
Nederlandsche woord kogel is het niet—al zoude de vorm van den
drabbelkoek anders wel aanleiding kunnen geven tot dezen naam; immers
een kogel heet in de Oud-Leeuwarder spreektaal ’n koegel.
Ook die van Bolsward dragen hunnen spotnaam, die aan eene lekkernij,
aan zeker gebak ontleend is. De Bolswarders heeten Oaljekoeken,
Oliekoeken.
Oliekoeken zijn zeker eene versnapering, die bijzonderlijk bij de
Friezen in ’t algemeen veel gebakken en veel gegeten werd, en nog
wordt, en die bij het Friesche volk zeer in den smaak viel, en nog
valt; ofschoon—heden ook al minder dan vroeger. In vroegere tijden,
veertig en vijftig jaren geleden, waren de Friesche oliekoek- en
wafelkramen op alle kermissen, ook in Holland en andere Nederlandsche
gewesten te vinden. Het bakken van de bruin-glanzende oliekoeken, op
een rookend vuur van turf en hout, verspreidde zijnen vettigen,
scherpen, eigenaardigen walmgeur over alle kermissen in den lande, en
het Friesche famke (meisje), Friesch sprekende en in Friesche kleeding,
dat de oliekoek- of wafelssmullende gasten in het kraamke bediende, of
anders het gebak aan de huizen der ingezetenen bracht of in de straten
uitventte, was als „Friesch wafelmeisje” alom bekend. Zij vervulde eene
vroolijke, vriendelijke rol in het Oud-Nederlandsche volksleven, en is
in het bekende werk De Nederlanden, Karakterschetsen, enz.
(’s-Gravenhage, Nederl. Maatschappij van Schoone Kunsten, 1862), in
woord en beeld verheerlijkt.
Zulk eene Friesche wafel- en oliekoekenkraam zag ik nog ten jare 1878
te Hamburg, op de Neumarkt, nadat al in de verte de eigenaardige walm
aan het oliekoekbakken verbonden, mijne reukzenuwen had geprikkeld, en,
onbewust, Oud-Vaderlandsche herinneringen bij mij had opgewekt. En een
paar jaren later zag ik er nog eene te Brussel, op het plein bij de
Halsche Poort. Beide keeren kon ik het niet laten mijnen landsman, die
daar oliekoeken zat te bakken, eens vriendelijk goeden dag te zeggen,
en den man en zijne vrouw, die met een oorijzer getooid was, eens aan
te spreken in de zoete klanken der Friesche moedertaal.
Omstreeks het midden dezer eeuw werden oliekoeken nog te Leeuwarden op
straat uitgevent, vooral des Zondags-avonds, en meest in de buiten- en
achterbuurten der stad. Dan galmde het geroep „Oliekoeken hie-ie-iet,
hiet ende warrem!” op lang gerekten, weemoedig-zangerigen toon, door de
stille straten. De verkooper had zijne oliekoeken in eenen grooten
schotel van grof aardewerk, dien hij in eene hengselmand aan den arm
droeg; en, om zijne waar hiet ende warrem te houden, had hij een kussen
boven op het deksel van den schotel gelegd. Uit dezen ouden woordvorm
ende (min of meer als inne klinkende), die bij dezen oliekoekenroep nog
steeds voluit werd gesproken, blijkt het dat deze wijze om oliekoeken
uit te venten, al zeer oud, wel minstens twee-honderd jaren oud was. In
de dagelijksche spreektaal der Leeuwarders van deze eeuw werd ende
(inne) nooit meer gezegd.—Ook op de Oude Veemarkt te Leeuwarden zaten
er op marktdag altijd een paar oude wijfkes, bij den ingang van het
marktplein, te oliekoekbakken, ten dienste van de veedrijvers, die het
vette gebak zóó uit de hand opaten, en hunnen voorraad daarvan soms in
hunne petten bewaarden. En des winters, bij mooi ijs, als schier alle
Friezen en Friezinnen tusschen de zes en de tachtig jaren, op schaatsen
waren, zaten er hier en daar te lande, onder bruggen waar veel volk
onder door reed, en bij de toegangen der waterherbergen, [4] waar veel
volk inkeerde, oude vrouwen te oliekoekbakken, met vuurpot en bakpot in
eene oude theekist, voor den wind. Vooral de vrouw, die onder de brug
van Uultsjestein (aan de Bolswarder trekvaart, halfweg Leeuwarden en
Bolsward) oliekoeken bakte, had veel gunst van Leeuwarder jongelieden,
die reeds bij haar hunnen voorraad oliekoeken opdeden, waarmede zij de
Bolswarders zouden hoonen, zoo als hier vervolgens zal vermeld worden.
Maar—om op de Bolswarder oliekoeken in het bijzonder terug te komen—of
men nu dit volkseigene gebak oudtijds te Bolsward bijzonder lekker wist
te maken, dan wel of de Bolswarder burgers het bijzonder gaarne en
veelvuldig aten, daarvan melden „’s Lands Historieblaân” niemendal.
Toch heeft iemand verkondigd dat de bijnaam der Bolswarders
(Oliekoeken) wel degelijk eenen geschiedkundigen oorsprong zoude
hebben. Paulus C. Scheltema vermeldt in zijne Verzameling van
Spreekwoorden (Franeker, 1826) het volgende: „Zoo stamt de naam,
waarmede men de Bolswarders alsnog betitelt, af van den hoofdman over
Bolsward, Edo Jongema, die vreemde gezanten, bij zekere gelegenheid op
oliekoeken onthaalde. Het spreekwoord Bolswarder oliekoeken was reeds
bekend in de vijftiende eeuw.”
Waar of Scheltema dit bericht vandaan had, heeft nog geen Friesche
navorscher ooit kunnen ontdekken; en of hij het misschien uit den mond
des volks heeft opgeteekend, meen ik sterk te mogen betwijfelen. Immers
als zulk eene overlevering, sedert de vijftiende eeuw, nog in de eerste
helft dezer eeuw bij den volke bekend geweest was, me dunkt dan kon ze
in de laatste helft dezer eeuw moeielijk geheel en al reeds bij het
volk vergeten zijn. Toch hebben anderen en ik nooit ofte nimmer gehoord
noch bespeurd, dat het volk iets wist van deze oliekoeken van Jonker
Edo. Trouwens, men dient Scheltema’s mededeelingen altijd cum grano
salis op te vatten; dit is bij de Friesche geschied- en oudheidkundigen
bekend genoeg.
Een ander weet er weêr wat anders op ter verklaring van den spotnaam
der Bolswarders. Waling Dykstra schrijft daarvan in zijn werkje In
doaze fol âlde Snypsnaren (Frjentsjer, 1882):
„To Bolswert plichte in oaljemounle to wêzen der sokke bêste lyn- en
raepkoeken makke waerden, dat de lju fier en hein der fen ha woene. Dy
neamde men den, om de aerdichheid, Bolswerter oaljekoeken.”
Maar het volk weet ook niets af van die oliekoeken voor het vee. Het
Friesche volk kent, in betrekking tot de Bolswarders, slechts de
oliekoeken voor de menschen. Om nu de Bolswarders niet openlijk en
luide met dezen spotnaam te noemen, maar toch stilzwijgende daar mede
te plagen, als door een teeken, rijden de jonge lieden uit andere
plaatsen, des winters als er ijs is, wel te Bolsward op de gracht, die
de geheele stad omgeeft, met een oliekoek op de punt van de schaats
gestoken, gespietst. De Bolswarders plegen deze hoon en smaad, hunner
oude en wijdvermaarde stede aangedaan, bijzonder kwalijk op te vatten.
Zij vergelden deze beleediging gaarne, als ze daar kans toe zien, door
de bedrijvers van die, in hunne oogen zoo gruwelijke wandaad, eens
flink af te kloppen. Menigeen die het stoute stuk waagde te Bolsward op
de gracht te rijden met oliekoeken op de schaatspunten, heeft deze
zijne koene daad moeten boeten met een duchtig pak slagen, dat de
verwoede Bolswarders hem gratis verstrekten, en dat lang niet malsch
was, zoodat er wel blauwe oogen, bebloede koppen en andere
krijgstropheeën bij te pas kwamen. Het gold in mijne jeugd dan ook nog
voor eene schitterende heldendaad, bij de jongelieden van Leeuwarden,
Sneek, Makkum, Harlingen, Franeker en de tusschen gelegene dorpen, als
men te Bolsward de gracht om de stad rondgereden was, met oliekoeken op
de schaatspunten. Want bij mooi weêr en mooi ijs, als het Friesche
jongvolk, in kleine of groote gezelschappen vereenigd, voor pleizier
naar naburige, vaak ook naar ver verwijderde plaatsen reed, stonden de
Bolswarder jongelui (die anders ook wel uitgereden waren, maar waarvan
er altijd eenigen opzettelijk om in de stad bleven) wel op den uitkijk
of ook een vreemdeling het zoude wagen dien smaad hunner stede toe te
voegen. En wee hem, dien ze betrapten en achterhaalden! Er behoorde
moed toe om het stuk te bestaan, en vlugheid en behendigheid om de
Bolswarder hoonwrekers te ontkomen. Slechts kloeke, dappere
jongelingen, flinke schaatsrijders tevens, waagden zich daaraan.
Waarlijk, eene eigenaardige, echt Oud-Vaderlandsche soort van sport,
die geen Engelschman den Frieschen jongelingen had behoeven te leeren!
Die de gracht van Bolsward rond gereden had, de geheele stad om, met
oliekoeken op de schaatsen, gevolgd, maar niet ingehaald noch gegrepen
door de wraaksnuivende bende Bolswarder hoonwrekers, was de held van
den winter in ’t geheele Friesche land.
De Friezen zijn van ouds bekend als liefhebbers van zoetigheid, vooral
van allerlei soorten koek en zoet gebak. Ook wordt in de Friesche
keuken veelvuldiger en meer suiker gebruikt bij de bereiding der
spijzen dan in andere Nederlandsche gewesten gebruikelijk is,
veelvuldiger en meer dan den smaak der andere Nederlanders behaagt.
Trouwens, hoe noordelijker men komt, hoe meer de smaak voor zoetigheid
toeneemt bij ’t eenvoudige, krachtige en frissche, door de scherpe
prikkels der verfijnde Fransche kokerij niet verwende en bedorvene
volk. In Skandinavië staat de suikerpot bij het middagmaal altijd op
tafel, zoo als bij ons het zoutvaatje, de peperbus, het mosterdpotje,
enz. Zelfs strooit men in Zweden wel suiker over gebakken visch, en
voor de Lappen is een mondvol keukenstroop de grootste lekkernij.
De liefhebberij der Friezen voor zoet gebak blijkt almede uit hunne
hiervoren verklaarde spotnamen Dúmkefretters en Oaljekoeken, en blijkt
ook uit den spotnaam, dien men den ingezetenen van ’t stedeke IJlst
aanhangt. De lieden van IJlst (of van Drylts, zoo als de Friezen zelven
dit plaatske noemen—en die zullen toch wel best weten hoe het heet—),
de lieden van Drylts dan noemt men Keapmankes of Keapmantsjes,
Kjepmankes of Kypmankes; ik weet waarlijk niet hoe ik dezen naam best
spellen zal. Waling Dykstra zegt van dezen naam, in zijne Doaze fol
alde Snypsnaren: „To Drylts wirdt en soarte fen moppen bakt, dy
kypmantsjes neamd wirde. Dy ’t winters oer iis to Drylts komt, moat
kypmantsjes mei nei hûs nimme.” [5]
Ook de ingezetenen van ’t dorp Hallum dragen hunnen spotnaam naar hunne
liefhebberij voor koeketen; zij heeten Koekefretters. Over de
Amsterdamsche koeketers vindt men verder in dit opstel nader bescheid.
Niet aan zoetigheid, maar aan eene hartige versnapering danken (of
wijten) de Dokkumers hunnen spotnaam. Zij heeten namelijk Garnaten.
Garnaet is het Friesche woord, beter gezegd: de Friesche woordvorm voor
het bekende schaaldiertje Crangon vulgaris, dat in ’t Hollandsch
Garnaal heet. De Oud- en Echt-Dietsche, de oorspronkelijke en volledige
naam van den Crangon is Geernaart, Gernaart of Garnaart—dat is ’t
zelfde, met een gering, onwezenlijk verschil in uitspraak of tongval.
De West-Vlamingen, die onder alle Nederlanders juist het beste de
oorspronkelijke, oude woorden en woordvormen tot op den dag van heden
in hunne spreek- en schrijftaal hebben bewaard, zeggen nog voluit
Geernaart, of, bij afslijting der sluitletter, Geernaar (Zie De Bo,
Westvlaamsch Idioticon, op dat woord). Even als de West-Vlamingen de
laatste letter in dit woord wel veronachtzamen, doen de Friezen dit met
de voorlaatste, met de r. Trouwens, dit is geheel volgens den aard der
Friesche taal, geheel volgens de volkseigene uitspraak der Friezen, die
in al zulke woorden, vooral als de r op eene d of op eene t stuit, die
r zóó flauw uitspreken, dat zij ter nauwer nood of ook in ’t geheel
niet gehoord wordt. De Friezen zeggen dan Garnaet (Garnaat), met de
volle stemzate op de laatste lettergreep, waardoor de eerste
lettergreep zoo onduidelijk wordt, dat het woord in den mond van geheel
ongeletterden en van slordig sprekenden wel als Ge’naat luidt. Deze
woordvorm en uitspraak geldt ook voor andere Friesche gewesten, voor
Groningerland, Oost- en Weser-Friesland, met dit onderscheid, dat de
oostelijk wonende Friezen de a van de laatste lettergreep niet zuiver,
maar op Sassische wijze, sterk naar de o zweemende, uitspreken. De
Hollanders vervallen weêr in eene andere fout, door hunne eigenaardige
uitspraak van dit woord, waarbij de t aan ’t einde, even als bij de
West-Vlamingen, vervalt, maar tevens de r in eene l overgaat (r en l
zijn wisselletters). Zoo is uit deze bijzonder-Hollandsche tongvalsvorm
de hedendaagsche geijkt-Nederlandsche naam Garnaal ontstaan. De
Strand-Hollanders spreken den zuiveren, onzijdigen aklank van ’t woord
garnaal, volgens hunnen eigenen tongval, al blatende, naar de e
zweemende, als æ uit. Te Haarlem hoort men de Zandvoorders (visscherlui
van het zeedorp Zandvoort) hunne waar op zangerigen toon uitventen,
zoodat het des morgens al vroeg door de straten der stad galmt: Garn æ
æ le-n—ekoakte garn æ æ le!” Noordelijker nog in Noord-Holland gaat de
Strand-Hollandsche æ klank in de West-Friesche volkomene e over. Men
spreekt daar van Garneel, of, gerekt, Garreneel. Zie Dr. G. J.
Boekenoogen, De Zaansche volkstaal. De Hoogduitschers, op hunne bergen
en in hunne bosschen van geen Geernaarts wetende, hebben voor hunne
boeketaal den Noord-Hollandschen vorm des woord overgenomen, ofschoon
anders de Oost-Friesche vorm hen toch veel nader lag. Immers den
Crangon noemen ze Garnele.
De Dokkumers dan heeten Garnaten. Hoe ze aan dien naam gekomen zijn,
daarvan weet het volksverhaal eene heele geschiedenis te vertellen,
eene geschiedenis die men uitvoerig, en op geestige wijze naverteld,
kan lezen in de Rimen ind Teltsjes fen de Broarren Halbertsma, het
geliefde volksboek als bij uitnemendheid, van de Friezen. Uit dat werk
heb ik die geschiedenis hier overgenomen en uit het Friesch in het
algemeen Nederlandsch vertaald, waarbij ik echter de Dokkumers, den
Groninger en den Duitscher hunne volkseigene spreektaal heb laten
houden.
Het is gebeurd in het jaar 1623, dat een schipper met eene lading hout
uit Noorwegen kwam, en te Ezumazijl [6] binnen liep. Die schipper had
uit aardigheid eenige levende kreeften in eenen korf meegebracht voor
zijnen reeder, die te Leeuwarden woonde. Dien korf met kreeften droeg
hij ’s avonds, toen het al duister was, door de stad Dokkum, en toen
kwam er, bij ongeluk een van die beesten uit de mand te vallen, juist
voor de deur van zekeren vroedsman, Grada. Des anderen daags, ’s
morgens vroeg, toen de dienstmaagd de straat zoude aanvegen, vond zij
dat beest daar liggen. Zij liep verschrikt het huis weêr in, en riep:
„Heere, Froedsman! Kom gau ’ris foor deur. Heere, wat leit daair ’n
raair ding op ’e straaite?” Vroedsman, met eene roode kamerjapon aan,
met de witte slaapmuts op het hoofd, en met afgezakte kousen, liep
terstond naar buiten. Hij sloeg de handen van verbazing in één, en zei:
„Dit is ’n mirakel! suud dat ok ’n jong weze van die roek, die hier
boven in ’e lynneboom nestelt?” Het duurde niet lang of daar liep al
spoedig een half honderd menschen bijéén, om het schepsel te
beschouwen. Een catechiseermeester, die daar ook voorbij kwam, riep:
„Minsken! minsken! sien it beest dochs niet an; want ik loof dat it de
Basiliscus is, daar men fan in ’e Skrift leest; it kon jimme allegaar
it leven koste.”—”’t Mocht in skyt, meester!” zeide een turfdrager, die
daar met zijn korf voorbij kwam, „ik hew him al goed in siin freet
sien; ’t stomme beest sal ons niks doen, in die d’r in mingelen bier
foor over het, dan sal ik him daaidlik met de tange in miin korf legge,
in draaige him waair de frinden him hewwe wille.”—„Dat gaait an!” zei
vroedsman. De tang werd gehaald, de kreeft in den korf gelegd, en toen
ging de man eerst naar de brouwerij, om zijn kan bier op te drinken.
Daar van daan recht uit naar den burgemeester, met een troep
straatjongens achteraan. De turfdrager zette den korf in het voorhuis
neêr, en vroedsman ging in de kamer bij burgemeester. Hij sprak den
burgemeester met een erg bedrukt en verschrikt gezicht aan, en zei:
„Goeie morgen, Burgemeister!”—„Goeden morgen, Froedsman! Jou hier soo
froeg al over de floer, man?”—„Ja, Burgemeister! Wij hewwe hier ’n
raair stuk, Burgemeister. Wij hewwe fan ’e morgén ’n levendig ding op
straait fonnen, en gien minske weet wat ding of it is, of hoe it hiet,
Burgemeister. Wij hewwe it metnomen, Burgemeister: it staait in ’t
foorhuus, Burgemeister. Wil Burgemeister it ok ’ris sien,
Burgemeister?”—„Fooral in believen, Froedsman!” zei die heer; „Jou
wete, seldsaamheden bin ik altoos nieuwsgierig na.” De Burgemeester,
die een eerste grappenmaker was, zag terstond wel dat het een kreeft
was, maar hij hield zich nog dommer als de vroedsman eigenlijk was. Hij
sloeg dan de handen samen en zei: „Froedsman! Froedsman! ik loof dat er
ons slimme dingen over ’t hoofd hange! Soo’n ding staat in gien kronyk
beschreven, in soo lang as de wereld staat is er soo’n ding in Dokkum
niet vertoond. Het is een stuk van te feel belang. Daarom gefoel ik mij
verplicht om nog heden morgen om tien uur den raad te beleggen, om dan
te bepalen, wat of wij met dit monster sullen aanfangen.—Jou komme
dochs ok, Froedsman?”—„Ja wis, Burgemeister!”
Des morgens om tien ure dan kwamen de Heeren bij elkanderen in het
Raadhuis. De mand met den kreeft er in werd in de Raadzaal gebracht;
ieder van de Heeren zag beurt voor beurt in de mand, en ging daarna
weêr op zijne plaats zitten. Sommigen van de Heeren waren maar juist
dapper genoeg om het onnoozele beest aan te durven zien. Toen allen
weer gezeten waren, zei de Burgemeester: „Heeren van de Raad van
Dokkum! De Heeren hebben gezien dat er in onze stad een wonderlijk
creatuur gefonden is, en daar men niet weet, welk dier dit is, en
fanwaar het gekomen is, soo heb ik het selve hier gebracht ten einde
het advys fan de Heeren te hooren. Daarom U, froedsman Grada! als de
oudste fan den raad dezer stad, fraag ik het eerst: wat dunkt u fan dit
beest?”
„Ikke?” zei vroedsman Grada, „ik bliif bij miin eerste advys, dat it
namentlik ien fan die jonge roeken is, die foor miin deur daair in die
hooge lynneboomen nestele; want waar duvel suud it ding anders wegkomen
weze? ’t Kan ok niet uut ’e straaitstienen kropen weze.”
„Daar ben je mis in, Froedsman!” zei de burgemeester. „Mijn soon heeft
onlangs een nest fol roeken uitgehaald, en die jonge roeken geleken
nergens meer op as op oude roeken. Nu is de beurt aan u, froedsman
Inia!”
„Heeremistiid, Burgemeister! wat weet ik, froedsman Yuje, fan fremde
gediertens. Ik hew wel seggen hoord, dat de kanarjefeugels, as se jong
binne, dat se dan kropen. Suud it ok ’n kanarjefeugel weze?”
„Zou een jong kanariefogel dan grooter zijn als een oude? Dat spreekt
sich immers selfs tegen,” sprak daarop de burgemeester.
„Dat weet ik niet,” zei vroedsman Inia. „Wij sien alderdegenst, dat
groote minsken klein wudde kinne. Miin grootfader is fan burgemeister
al bierdrager wudden.”
Nu was de beurt aan den vroedsman Starkenbolte, een Groningerlander,
een rijk man en een fijn man; fijn in de kerk, en fijn in de wereld.
Toen diens beurt was om te spreken, zeide hij in zijne eigene
Groningerlandsche spreektaal: „Ik wijt nijt, ik leuf Burgemeister! dat
onze Meister Douwe nog geliik had het, dat et nomentlik ’n Bosiliscus
of ’n ploagbeest is, doar de Heere ons met besuiken wil veur onze
sonden en ongerechtigheid, en al dat goddelooze vlouken, dat in Dokkom
doan wordt. Doarom hol ik mi oan Meister Douwe.”
„Meister Douwe,” viel vroedsman Grada daarop in, „die het wel eerder de
planke mis weest. Ferleden jaar song er foor it bordtsje in ’e kerk:
„Aller oogen wachten”, op ’n Karsmorgen.”
Bij dezen uitval begon de geheele raad van Dokkum te lachen, maar de
burgemeester niet. Die moest zijne deftigheid ophouden, en hij sprak
weêr:
„Als er dan niemand fan de Heeren is, die mij eenige inlichting in de
saak geven kan, soo laat dan eens de beide stadsboden boven komen, of
die ons in dit gefal ook nog souden kunnen dienen.”
De boden kwamen boven, en zagen een voor een in den korf. De een was
een stakker; hij durfde het beest niet bezien, en geloofde ook steevast
aan Meester Douwe. „Ik sil der miin oogen niet na draaye, Heeren!” zei
die man. „Want as it gien Basiliscus is, dan is it ’n plaaigbeest, die
nachts omloope en pest en kwalen ferkondige, en ik suud er foor weze om
it heele beest met korf en al te ferbrannen.” Maar de tweede stadsbode
zei ronduit, dat het een kleermaker was, omdat hij twee flinke scharen
vooruit stak.
Toen werd er ook nog een kleermaker, een oude Duitscher, ten raadhuize
geroepen. Maar toen die man den kreeft in de mand zag liggen, toen werd
hij nog bleeker om zijne smalle kaken als tien bleeke kleermakers met
elkanderen, en hij riep het uit: „Gott beware, Her Pirgemeister! soll
mich die sweernoot straffen, wenn ich solchen Peest langer in de Stadt
von Dokkom tolden sollte. Et is de Teufel, prave Herren! de lebendige
Teufel. On wann ikke Pirgemeister war, ik that den Hundsfot in de Graft
gooyen on versupen him.”
„Heb ik it nijt seid,” zei vroedsman Starkenbolte, „dat we ’t hijr met
de kwoade te doun hebben? Dat komt nou van ’t vervlouken en ’t
koartspeulen, dat de noatie hyr dout; nou loat de Heere hem los, en
geeft hem an de kwoade over.”
„Ja,” zei vroedsman Inia, „as it de kwaaide is, dan is fersupen de
baais, want dan helpt gien ferbrannen, want die is fuurfast.”
En de heele Raad van Dokkum riep: „Fersupe mar, fersupe!” De turfdrager
smeet den kreeft in de gracht, en de heele stad van Dokkum was blijde.
Maar de kreeft nog blijder.
Ettelijke jaren daarna, toen de kreeft al lang vergeten was, toen
vischten de Heeren van Dokkum de stadsgrachten met een’ zegen af, en
toen vingen ze onzen maat den kreeft weêr in hunne netten. „Soo’n
groote garnaait is der nog nooit in Europa fonnen, as dizze hier in dit
kleine Dokkum,” zei een hopman van de burgerwacht. „Die sal ik
bewaaire, soo lang tot Syn Hoochheit de Prins hier komt!” Hij legde de
kreeft (anders gezegd de groote garnaat van Dokkum), om hem in ’t leven
te houden, met een zilveren kettinkje vast in ’t water onder eene
brug.—
Nog heden ten dage pleegt men er de Dokkumers veelvuldig mede te
plagen, dat hun „groote garnaat” te Dokkum onder de „Syl” ligt, dat is
onder de breede, gewelfde steenen brug over het vaarwater dat midden
door de stad stroomt, en welke „Syl”, als een plein vlak voor het
Raadhuis gelegen, als ’t ware het middenpunt van de stad uitmaakt. De
Dokkumers zijn zeer gevoelig op dit punt; zij worden wrevelig, als men
er hen, met geveinsde belangstelling en ernst, naar vraagt of hun
„groote garnaat” nog wel veilig aan de ketting ligt. Juist dien
tengevolge worden ze daar nog altijd mede voor den gek gehouden.
Buitendien, onder de Friesche steden lijdt Dokkum altijd veel aanstoot.
Het overoude, gansch niet onaardige, vroeger ook bloeiende stadje, met
herinneringen, in overblijfselen en in overleveringen, aan Bonifacius,
den Apostel der Friezen, moet in Friesland de zelfde ongelukkige rol
vervullen, die in de andere Nederlandsche gewesten aan Kampen eigen is,
evenals aan Büsum in Noord-Friesland, aan Schilda en Krähwinkel in
Duitschland, aan de Pintschgau in Duitsch-Oostenrijk, aan Iglau in
Bohemen, aan Beaune in Frankrijk, enz. Van de Dokkumers vertelt men in
Friesland honderd en meer domme stukjes, zotternijen, uien, grappen en
grollen, de zelfde honderd en meer, die men elders van Kampen, van
Büsum, van Schilda vertelt, en nog honderd anderen bovendien. Deze
kluchten strekken nog steeds tot vermaak voor andere Friezen, en worden
nog steeds in vroolijke gezelschappen verteld, vooral als er een
Dokkumer bij is, en vooral als deze zich daarover gekrenkt toont te
zijn—zooals in den regel het geval is. Wij willen hier het leed der
Dokkumers niet vermeerderen, en laten de domme stukjes die men hen
nahoudt, hier verder onvermeld, al zijn velen daarvan ook nog zoo
vermakelijk, en geschikt om geestig verteld en lachende aangehoord te
worden.
De Dokkumers zijn onder de Nederlanders de eenigen niet wier bijnaam
aan de garnaal is ontleend. Ook de ingezetenen van het zeedorp
Blankenberge in Vlaanderen, deelen in deze zaak hun lot. Immers ook
dezen dragen bij de andere Vlamingen den spotnaam Geernaarts.
Klokkedieven, dat is de bijnaam van de burgers van Franeker, en zij
dragen dezen leelijken naam om de onnoozele reden dat het wapenschild
hunner stad een gouden klok vertoont op een blauw veld. Onschuldiger is
wel niemand ooit aan eenen leelijken bijnaam gekomen dan die van
Franeker aan den hunnen. Zij dragen hem echter niet alleen. Ook de
ingezetenen van Oudewater, van Delfzijl, van Schermerhorn en van
Carolinensyl (Oost-Friesland) deelen hun lot. Maar bij dezen moet eene
andere oorzaak als te Franeker in het spel zijn; immers op hunne
wapenschilden prijkt er geen klok.
Ook andere Friezen, die van ’t eiland Ameland, moeten zich zulk eenen
oneerlijken spotnaam laten welgevallen, naar aanleiding van het
wapenschild hunner woonplaats. Het wapenschild van het Ameland vertoont
op de eene helft drie balken, op de andere eene halve maan. Dies noemen
de andere Friezen de Amelanders Balketsjeaven, Balkedieven, en zingen
hen ook dit spotrijmke toe:
De Amelander schalken,
Die stalen eens drie balken,
’s Avonds in den maneschijn,
Daarom zal ’t hun wapen zijn.
Een schalk en een guit, dat is vrijwel het zelfde, volgens de
hedendaagsche beteekenis van deze woorden. En zoo heeten de Amelanders
niet enkel Schalken, ze heeten ook Guiten. Te Holwerd, het Friesche
dorp aan den vasten wal waar het hoofdveer is op het Ameland, waar dus
de Amelanders in den regel eerst voet aan wal zetten, zingt de
straatjeugd dien eilanders toe—in het Friesch natuurlijk:
De Amelanner Guten,
Dy komme hjir mei skuten:
Hja geane foar de finsters stean
En kypje troch de ruten.
Voor eenen Amelander is Holwerd, wat voor eenen Holwerder Leeuwarden
is, voor eenen Leeuwarder Amsterdam, voor eenen Amsterdammer Londen.
Als een Amelander jongmensch voor het eerst aan den vasten wal komt,
ziet hij daar zoo veel, dat zijne nieuwsgierigheid grootelijks opwekt.
Hij kan zich niet bedwingen, en, gewend als hij is aan het
vertrouwelijke, ongedwongene, gemeenzame verkeer van de menschen
onderling op zijn eiland, gaat hij ook te Holwerd al te vrij voor de
ramen der ingezetenen staan om naar binnen in de kamer te turen.
Die van Workum heeten Brijbekken. De uitlegging van den oorsprong van
dezen spotnaam is tweeërlei. Sommigen meenen, dat er van ouds onder de
Workumers steeds velen geweest zijn, die de letter r niet wel konden
uitspreken, die dus behept waren met het spraakgebrek dat men in
Friesland brijen, en in Holland brouwen noemt; en dat men deswegen den
Workumers den spotnaam van Brijbekken gegeven heeft. Anderen denken
eenvoudig aan eene bijzondere liefhebberij der Workumers voor het eten
van brij. Welke van deze twee meeningen nu de ware is, moet ik in het
midden laten. De eene reden is zoo waarschijnlijk of zoo mogelijk, als
de andere. Onder de Friezen, vooral onder de Friesche stedelingen, zijn
er steeds velen voor wie de goede uitspraak der letter r een
struikelblok is—meer in aantal dan elders in de Nederlanden het geval
is. Wijl dit spraakgebrek veelal erfelijk is, van ouder op kind
overgaat, zoo kan het zeer wel zijn dat er een tijd geweest is, waarin
een groot deel der Workumers brijde. En aan den anderen kant, brij, de
bekende melk- en meelspijze, is steeds eene zeer algemeen en dagelijks
gebruikte spijze bij het Friesche volk geweest; en is dit nog.
De Workumers deelen hunnen spotnaam met de Zwollenaars. Immers de
inwoners van Zwolle, ofschoon meest als Blauwvingers bekend, moeten
zich toch ook den spotnaam van Brijbekken laten welgevallen. En bij de
Zwollenaars behoeft men niet te twijfelen of hun spotnaam Brijbekken
van het brijen of gebrekkig spreken herkomstig zij, dan wel van de
bekende volksspijze. De Zwollenaren brijen schier allen. Te Zwolle zijn
duizenden menschen, die de r niet goed uitspreken; ’t zij dan dat deze
gebrekkige uitspraak veroorzaakt wordt door eenig aangeboren gebrek aan
de spraakwerktuigen—’t zij dat bij dit brijen eenvoudig nabootsing van
anderen, of eenvoudig gewoonte in het spel is. In der daad zijn er
duizenden Zwollenaars die, als ze in Holland zijn, of met Hollanders
spreken, of anderszins bij andere gelegenheden eens niet hunne
aangeborene stadstaal willen spreken, maar Hollandsch,—alsdan volstrekt
niet brijen. Maar die anders, als ze in hunne eigene stad zijn, of
elders met stadgenooten spreken en dus hunne eigenlijke, aangeborene,
hunne ware moedertaal spreken, terstond weer in die zonderlinge
uitspraak vervallen. Zulk een echte Zwollenaar zal in het eerste geval
heel duidelijk b.v. Overijssel zeggen, en in ’t andere geval zoo
ongeveer Ovechiissel (Ovech-iissel).
Hindeloopen en Staveren zijn twee hoogst merkwaardige stedekens.
Hindeloopen, wegens talrijke bijzonderheden en eigenaardigheden in de
taal, de kleeding, de zeden en gebruiken der ingezetenen, waardoor ze
zich van andere Friezen onderscheiden. En Staveren, omdat het in de
middeleeuwen eene welvarende, wijd vermaarde handelstad was, als ’t
ware de poorte des lands—ja meer! omdat het, volgens de overlevering,
de woonplaats is geweest der Oud-Friesche koningen, omdat het de oudste
hoofdstad is geweest van het Land tusschen Flie en Lauwers. Het is wel
opmerkelijk dat de eigenaardigheden van het bijzondere Hindeloopen en
van het Oud-Friesche Staveren als ’t ware eenen weêrklank gevonden
hebben in de spotnamen, waarmede andere Friezen de ingezetenen dezer
steden noemen. Immers is (of was althans voor een 50-tal jaren nog) de
spreektaal der Hindeloopers, ofschoon oorspronkelijk goed Oud-Friesch,
toch voor andere Friezen ten deele onverstaanbaar, althans moeielijk
verstaanbaar,—hunne spotnamen (want ze hebben er wel drie) zijn dit
ook. Ik vind als spotnamen der Hindeloopers aangegeven, volgens
Halbertsma Thjeunken of Tjeeunken (Waling Dykstra spelt Tjeunken en
zelfs Thé-unken) en Thjoaten of Tsjoaten. Deze namen zijn bij het
tegenwoordige geslacht niet meer in gebruik. Ik weet niet wat ze
beteekenen, noch ook wat hun oorsprong is, en niemand heeft mij dit ook
kunnen verkondigen, al hoe dikwijls ik er naar gevraagd, of er
anderszins onderzoek naar gedaan heb. Ook W. P. de Vries, in zijnen
Lapekoer trochskodde (Deventer, 1895), schrijft er van: „Ik haw in
bulte war dien om to witten to kommen hwat dizze wirden bitsjutte, mar
it wier om ’e nocht.”
De spot naam van de Hindeloopers, heden ten dage meest in gebruik, is
Uilen (ûlen in het Friesch, ulen in den tongval der stedelingen);
sommigen echter zeggen hûlen, of huwlen volgens Halbertsma’s spelling.
Deze tweeërlei uitspraak is bij de nog Friesch sprekende Friezen zeer
vreemd, en komt anders nooit voor, tenzij dan bij de Schellingers.
Immers de letter h pleegt in den mond der Friezen wel goed vast te
staan, en geenszins te wankelen, zooals bij Vlamingen en Zeeuwen, bij
Flielanders en Zwollenaren en sommige andere Nederlanders. En waarom de
Hindeloopers dan ûlen moeten heeten, of anders hûlen, heb ik ook niet
kunnen uitvorschen. Inderdaad, het schijnt wel of de Hindeloopers
altijd en in alles iets bijzonders moeten hebben, of iets vreemds. Het
gaat niet anders!
De lieden van Staveren, die oude Friezen, heeten Ribbekliuwers—en dit
is een naam, dien ik niet met een enkel woord verdietschen kan. Bij
hunne wedstrijden in het schaatsrijden, rijden de Friesche hirdriders
in voorover gebogene houding (mei de noas op ’t iis, zooals de term
luidt), al roeiende met de armen, alsof dit molenwieken waren, met
korte, krachtige, krassende streken, geenszins met lange, sierlijke
zwaaien, maar schier rennende, scharrelende voort; en deze voor ’t oog
zoo leelijke, maar snel vorderende wijze van schaatsrijden heet in het
Friesch kliuwe, volgens den tongval der stedelingen klouwe. Oudtijds,
in overoude tijden, toen de hedendaagsche, maar ook reeds zeer oude
ijzeren, in hout gevatte schaatsen nog niet bekend en in gebruik waren,
reed men op het ijs, op beenderen, op pijpbeenderen uit de pooten, of
ook op de ribben van het rund. Zulke runderbeenderen, die den ouden
Friezen als schaatsen hebben gediend, glad afgeslepen op hunnen vlakken
kant door het schuren over ’t ijs, en met gaten doorboord, waar men de
riemen door stak, die dienden om ze aan den voet te bevestigen, vindt
men nog wel in Friesland in den bodem. Bij het slatten van vaarten en
stroomen, bij het afgraven van terpen, komen ze nog wel aan den dag.
Natuurlijk was er, bij het gebruiken dezer beenderen-schaatsen geen
sprake van schaatsrijden in den hedendaagschen zin met bevallige
draaien, met zwierige zwenkingen en zwaaien. Het kan niet anders dan
een onbevallig en onbeholpen kliuwen geweest zijn. Al is het nu eeuwen
en eeuwen geleden, dat de oude Friezen zich met zulke
runder-pijpbeenderen en runderribben op het ijs behielpen, de heugenis
aan deze zaak is nog steeds bij het Friesche volk in leven gebleven,
zoo als blijkt uit eene spreekwijze, nog heden in zwang. Een
overmoedige Friesche schaatsrijder daagt nog wel, al spottende en
snoevende, eenen anderen uit, in wedstrijd tegen hem te rijden om het
hardst of snelst, daarbij aanbiedende dat de tegenpartij op gewone
ijzeren schaatsen mag rijden, hij zelf daarentegen het wel op koeribben
zal doen. Zoo daagt ook, in het overschoone gedicht van Dr. E. H.
Halbertsma, „De Winter yn it Wetterlân”, een overmoedige Friesche
jongeling, Worp met name, de Groningerlanders uit, tegen hem te rijden:
„Sa geide do d’útlitt’ne Woarp:
’k Wol ride om liif en libben,
’k Wol tsjin de bêste út jimm’ doarp,
Den ik op koueribben.” [7]
En ook uit den spotnaam der inwoners van Staveren, Ribbekliuwers,
blijkt het gebruik dat de oude Friezen van zulke beender-, van zulke
ribbeschaatsen hebben gemaakt. Onder de Friezen die in de vijfde eeuw,
met Sassen en Angelen, in Brittanje hunne volkplantingen stichtten, was
dit rijden of kliuwen op beenderschaatsen natuurlijk ook in gebruik; en
zelfs heeft het, onder hunne nakomelingen, de Engelschen, nog stand
gehouden tot in het laatst der vorige eeuw. Immers Dr. J. H. Halbertsma
deelt ons mede: „Het schijnt dat men in Friesland eertijds ook gebruik
maakte van koeribben; althans de zwetsers op het ijs, om hunne
minachting voor het rijden van eenen mededinger uit te drukken, nemen
aan op koeribben tegen hem op ijzeren schaatsen om snelst te rijden. En
deze gissing is mij tot zekerheid geworden, toen de bedaagde pedel van
het antiquarisch kabinet te Newcastle mij verhaalde, dat hij in zijne
kindschheid op koeribben gereden had.” [8]
Slooten is de laatste en de kleinste der Friesche steden, en de
inwoners van dit stadje hebben geenen bijzonderen spotnaam. Toch
blijven ze van spot niet vrij. Integendeel! De gebruikelijke
hoeveelheid hoon en smaad wordt hun door de andere Friezen rijkelijk
toegediend in een vierregelig rijmke.
Men verhaalt dat een gezelschap vroolijke en overmoedige jongelingen
(en espel biisfeinten), met elkanderen, des avonds laat, den koster van
de kerk te Slooten een bezoek bracht, en den man zoo onthaalde op
meêgebrachten sterken drank, dat hij daar dronken van werd, ja zich
aanstelde alsof hij stapel gek was. Dit werkte aanstekelijk op het
jonge volkje. Zij ontnamen den man den sleutel van den kerktoren,
klommen in den toren naar boven, en verstelden het uurwerk, zoo dat het
te middernacht zes ure zoude wijzen en slaan. Toen weer naar beneden
gaande, vonden ze beneden in den toren, in het vertrekje dat den
nachtwachter van het stedeke tot verblijfplaats diende als hij zijne
ronde had gedaan, dien man slapende. Zij namen zijnen ratel, waarmede
hij op zijne ronde het uur verkondigde, al zingende: tsien ûre hat de
klok! en verstaken dien, waar de man hem niet zoude kunnen vinden. Ook,
van kwaad tot erger vervallende, namen zij zijnen toethoorn, waarmede
hij den dageraad verkondigde, en de burgerij wekte (des winters te zes
ure), en deden daarin iets wat er volstrekt niet in behoorde. Toen
maakten ze door eenig gedruisch den man wakker. Hij hoorde daarop de
torenklok zes ure slaan, en geheel verbijsterd denkende dat hij den
geheelen nacht doorgeslapen had, wilde hij zijnen ratel nemen, en vond
dien niet; nam zijnen hoorn, en wierp dien vol afschuw weer weg; ging
naar den koster, en vond dien gek van dronkenschap. In vertwijfeling
holde hij de straat op, roepende:
Boargers fen Sleat, stean op! it is dei;
De hoarn is fol skyt, en de rottel is wei,
De koster is gek, en de toer is mal,
Ik wyt net hwet ik roppe sal!
Met dit rijmke worden nu nog steeds de ingezetenen van Slooten
geplaagd, alsof zij het kunnen helpen dat het oudtijds eens zóó is
toegegaan in hun stadje.
Hebben we hiermede de spotnamen van de elf steden van Friesland (en nog
van een Friesch eiland op den koop toe) afgehandeld, thans zijn die van
de Friesche dorpen en vlekken aan de beurt. Het aantal dorpen in
Friesland is zeer groot; maar onder die dorpen zijn er dan ook velen
die zeer klein zijn. Volgens de volksmeening zijn er 365 dorpen in
Friesland: „sa folle doarpen as der dagen yn ’t jier binne”, zegt men.
En het getal spotnamen is weinig kleiner dan het aantal dorpen is;
immers schier ieder dorp in Friesland heeft zijnen spotnaam. In der
daad zijn er in geen ander Nederlandsch gewest zoo vele spotnamen
bekend en in gebruik als juist in Friesland. Dr. J. H. Halbertsma zegt
van deze zaak: „Dit sit yn ’t Frysce laech om eltsjoar to narjen mei
bynammen, dorp tsjin dorp, ind stæd tsjin stæd. De Anglen ind
Angelsaxen hienen dat eak hiem, ind de scrandre Kemble het yn Sept.
1845 ien geleard stik foarlæzen yn it Archaeological Institute of Great
Britain to London, oer de by- ind sceldnammen, dy de Angelsaxen
eltsjoar joegen.” De Friezen zijn dus met hunne spotnamen in oud en
goed gezelschap.
Maar al zijn die spotnamen ook al oud en volkseigen, ze strekken juist
niet ter beschavinge des volks, noch ook ter bevordering van vrede en
eendracht, van goede verstandhouding en vriendschap. Waling Dykstra
schrijft hiervan: „Overal waren” (oudtijds in Friesland) „befaamde
vechtersbazen, die snoefden op hunne kracht en dapperheid, en door
velen werden gevreesd. De feesten waar ’t jonge volk samenkomt om pret
te hebben, bezochten zij met het bepaalde doel om te vechten. Maar dan
moest er eerst twist gezocht worden, en hiervoor was gewoonlijk niets
anders noodig dan het noemen van den schimpnaam waarmeê de inwoners van
een dorp gebrandmerkt waren. Een gezelschap jonge lieden van Menaldum
b.v. bezocht de kermis te Berlikum, en begon daar in de herberg, ten
aanhoore van de aanwezigen, te zinspelen op het konsumeeren van honden.
De Belkumers verstonden dat, en kwamen spoedig tot het besluit dat die
Menamer Beren voor hun geschimp eens duchtig dienden afgerost te
worden. Zoo ontstond niet zelden een allerbloedigst gevecht, dat voor
de belhamels correctioneele gevangenisstraf ten gevolge had.”
In bonte rij wil ik die dorps-spotnamen hier opnoemen (voor zooverre ze
mij bekend zijn—immers daar zijn er zekerlijk nog veel meer). Zoo
heeten de ingezetenen van Berlikum Hounefretters (Hondevreters), bij
verkorting Hounen (Honden). Ook die van Peasens moeten den hondennaam
dragen, maar dan in verkleinvorm; men noemt ze Peasumer Hountsjes
(Hondtjes), in tegenstelling met hunne buren, die van Wierum, die men
Katsjes (Katjes) noemt. Honden en katten behooren bij elkanderen, even
goed of even kwaad, als Peasumers en Wierumers, beide visscherliên op
de Noordzee, dus vrienden of vijanden al naar het valt, medestanders
tegenover de boeren van Ternaard en Anjum en Metslawier, maar onderling
tegenstanders. De Wierumer Katsjes hebben hunne naamgenooten in de
bewoners van het dorp Winaldum, en in die van Baard, die beide Katten
heeten. Bij de katten noemt men zoowel de ratten, als in ’t
bovenstaande geval de honden. Dies heeten dan de ingezetenen van
Midlum, het dorp dat het naaste bij Winaldum ligt, Rotten. Men heeft
van deze Winaldumer Katten en Midlumer Rotten zelfs een volksgezegde,
dat eigenlijk een raadsel is, maar waarvan ik de oplossing niet weet:
De Winamer Katten
Jeye de Mullumer Rotten
Troch de Harnser kloksgatten.
Verder heeten de ingezetenen van Warga Brêgebidlers (Bruggebedelaars),
even als die van Heeg, omdat in deze plaatsen op de bruggen tol placht
geheven te worden. Die van Oldeboorn heeten Toermjitters (Torenmeters)
en die van Tzum Lyntsjesniders (Lijntjesnijders); deze twee namen staan
met elkanderen in verband, zoo als verder in dit opstel zal worden
aangetoond. Die van Ureterp heeten Oanbreide Hoasen (Aangebreide
Kousen), en die van Eernewoude Luzeknippers. Dit is een leelijke naam,
die de Eernewoudsters als onzindelijke en vuile menschen voorstelt, ’t
welk bij de Friezen, die zindelijkheid en reinheid zoo hoog in eere
houden, eene groote blaam is. De Eernewoudsters nemen het dan ook
driedubbel kwalijk, als ze met hunnen bijnaam genoemd worden, en juist
daarom is hun schimpnaam meer bekend en wordt meer genoemd dan met die
van de bewoners der naburige plaatsen het geval is. Volgens het
volksverhaal zoude ’t geheele dorp Eernewoude zoo dik in ’t ongedierte
zitten, dat dit er zelfs den toren bedekt. Als het dan kermis wezen zal
te Eernewoude, en de Eernewoudsters zich zelven, hunne kleeding en
hunne huizen wat opknappen tegen dien tijd, wordt het ongedierte dan
ook vooraf met bezemen van den toren geveegd. En zoo hijschen dan de
overmoedige jongelieden uit Leeuwarden en Grouw, die des zomers, al
spelevarende, met hunne jachten en boeiers op de breede stroomen langs
Eernewoude zeilen, wel eenen bezem in den mast van hun vaartuig, tot
eene stilzwijgende beschimping; even als ze des winters te Bolsward op
de gracht wel met oliekoeken op de schaatsen rijden (zie bladzijde 19
hiervoren). En even als de Bolswarders door die oliekoeken, zoo worden
de Eernewoudsters dan door dien bezem in den mast, in helle woede
ontstoken en tot wraak geprikkeld, die dan in vervolging en beschimping
van de beleedigers, en zelfs in vechtpartijen, soms te water, als in
een zeeslag, voldoening eischt en vindt.
De inwoners van Arum heeten Moudekrûpers (Kruipers in het stof van den
weg), en die van de naburige dorpen Pingjum en Kimswerd noemt men ook
wel zoo. Deze bijnaam, die nog al raadselachtig is, schijnt dus aan den
geheelen noordwestelijken hoek van Wonseradeel eigen te zijn. De
ingezetenen van Blija noemt men Bellefleuren, die van Holwerd
Roekefretters (Roekevreters), die van Marrum Gibben (Wilde duiven,
Veldduiven), van Hallum Koekefretters (Koekvreters), van Stiens Rotten
(Ratten), als die van Midlum; van Hijum Skiepebingels (Schapebengels),
van Britsum Keallekoppen (Kalfskoppen), van Rinsumageest Hounewippers
(Hondewippers), van Kollum Kattefretters (Kattevreters), van Ternaard
Bargestrûpers (Varkenvilders), van Hantum Marge-iters (Merg-eters), van
Birdaard Skiepekoppen (Schaapskoppen), van Grouw Tsjiisfordounsers
(Kaasverdansers), van Irnsum Kattekneppelders (Katteknuppelaars), van
Akkrum Skytstoelen (men zie de verklaring van dezen naam verder in dit
opstel), van Makkum Strânjutten en Miigen (ook deze namen worden verder
in dit opstel nader verklaard), van Wirdum Toerkefretters
(Torentjevreters), van Menaldum Beren, van Finkum Flinters (Vlinders),
van Sint-Jacobi-Parochie Rammevreters, van Sint-Anna-Parochie
Raapkoppen, van Onze-Lieve-Vrouwen-Parochie Wortelkoppen, van Oude
Bildtzijl Vlashalen (Vlasstengels)—deze vier laatstgenoemde namen
worden niet in het Friesch gesproken, noch door mij geschreven, maar in
het Nederlandsch, omdat op het Bildt, de grietenij waarin deze vier
plaatsen gelegen zijn, niet het Friesch de volksspreektaal is, maar een
Oud-Hollandsch, met Friesch vermengd dialect.
Verder heeten de ingezetenen van Lekkum Mieuwen (Meeuwen), van Tietjerk
Biizesniders, van Garijp Klitsefretters, van Suameer Samaritanen, van
Bergum Koustirten (Koestaarten), van Oostermeer Broekophâlders
(Broekophouders), van Eestrum Oksen (Ossen), van Veenwouden
Gleaunkoppen (Gloedkoppen, Heethoofden), van de Valom, een gehucht in
Dantumadeel, Gnob; van Buitenpost Brimsters, van Kollumerzwaag
Hyngstefilders of Hyngstestrûpers, (Paardevilders), van de Rottevalle
Glêsdragers, van Drachten Keallestirten (Kalverstaarten) en Bôllen
(Wittebrooden), van Boksum Kneppelders (Knuppelaars), van Beetgum
Skierroeken (Bonte Kraaien), een naam dien ze gemeen hebben met die van
Balk; van Dronrijp Sleepsloffen, van Minnertsga Keallebouten
(Kalfsbouten), van Lollum Stippers, van Pingjum Beannehûlen
(Boonehullen), van Spannum Eartepûlen (Erwtepeulen), van Winsum
Spinsekken (Spinzakken), van Baayum Eartepotten (Erwtepotten), van
Ooster-Littens Ropeinen (Roepeenden), van Jorwerd Dweilstikken, van
Weidum Wynhounen (Windhonden), van Hilaard Prommen (Pruimen), van
Molkwerum Tsjoensters (Heksen of Toovenaars), van Warns Skiepeloarten
(Schapekeutels), van Woudsend Driuwpôllen (Drijvende eilandjes—zooals
er in de meren en stroomen rondom Woudsend wel voorkomen), van Koudum
Beantsjes (men spreekt uit: Bjentsjes) of ook Siike ierdappels
(Boontjes of zieke aardappelen); van Achlum Fjûrskiters,
(Vuurschijters), van Idsegahuizen Beannefretters (Boonevreters), van
Gaast Otterfretters, van de Gaastmeer Blijen, van de Joure Klienroggen
(kleine, zoete broodjes van rogge gebakken; aan de Joure bijzonder
eigen), van Langweer Dykwoartels, (Dijkwortels, een groot en grof soort
van wortels of peeën). Eindelijk de inwoners van het vlek Heerenveen
noemt men Poehoännen, dat een bijnaam is voor hoogmoedige en
opgeblazene, veel drukte en beweging makende menschen.
Elke naam, die onder menschen gegeven en gedragen wordt, heeft eenen
oorsprong, eene reden van bestaan, eene beteekenis. Dit is zonder
twijfel ook met alle deze spotnamen het geval, maar—die oorsprong, die
beteekenis is geenszins meer bij alle namen bekend. Integendeel, het
grootste gedeelte dezer namen is duister van oorsprong en beduidenis.
Wie weet er onder de hedendaagsche Friezen waarom bijvoorbeeld de
ingezetenen van Langweer Dykwoartels heeten, die van Bergum
Kouestirten, die van Britsum Keallekoppen? Waarom de Lekkumers Mieuwen,
de Marrumers Gibben, de Balksters en de Beetgumers Skierroeken heeten?
En die van Arum Moudekrûpers, van Hijum Skiepebingels, van Pingjum
Beannehûlen?
De huislieden te Warns houden, of hielden, veelal een melkschaap op het
erf hunner woning (’t welk trouwens in Friesland in ’t algemeen
gebruikelijk is bij de geringe burgerij ten platten lande); des avonds
en des morgens verzamelen ze de schapekeutels, ten deele om het erf
zindelijk te houden, ten deele om die keutels als mest te gebruiken op
de hooge, zandige akkers van hun dorp. Daarom hoont men die van Warns
met den naam van Skiepeloarten, (Schapekeutels).
De oude vrouwen te Winsum sponnen oudtijds, en nog in het begin dezer
eeuw, veelvuldig het garen voor de wevers te Franeker; zij brachten dan
het gesponnen garen in groote zakken naar die naburige stad. Dies noemt
men de Winsumers Spinsekken. Hoe eenvoudig, hoe huiselijk was toen nog
de nijverheid! De wevers betaalden het spinloon aan die oude vrouwen
niet altijd in geld. Zij betaalden haar wel met levensbehoeften, met
allerlei benoodigdheden des dagelijkschen levens, vooral met het spek
van hunne eigengeslachte varkens. Vandaar dat het Friesche volk zulk
ruilverkeer, met een aardig, zeker overoud stafrijm noemt: spek om
spinnen. Hoe eenvoudig, hoe huiselijk was toen nog de handel!
De kermis te Hilaard valt in den tijd dat eerst de pruimen rijp zijn en
ter markt komen. Zoo is die smakelijke, bij de Friezen zeer beminde
vrucht alsdan veelvuldig te Hilaard te koop, en zoo moeten
dientengevolge de Hilaarders het geheele jaar door Promiters
(Pruimeneters) of enkel Prommen (Pruimen) heeten. Ook de kermis van
Irnsum valt in dien zelfden tijd van het jaar. De Grouwsters trekken
dan naar het naburige dorp Irnsum om kermis te houden, en pruimen te
koopen; zij noemen de Irnsumer kermis dan ook steeds Jinsumer Prommerk
(Irnsumer Pruimenmarkt—merke of merk is het Friesche woord zoowel voor
kermis als voor markt.)
Maar de eigenlijke spotnaam van de Irnsumers is Kattekneppelders
(Kattenknuppelaars), en ook deze naam hangt met de Irnsumer kermis
samen. Oudtijds, en nog in het begin dezer eeuw, bestond eene der
zoogenoemde vermakelijkheden, die bijzonderlijk de Irnsumer kermis den
volke bracht, in het katteknuppelen—een barbaarsch spel van
afschuwelijke dierkwellerij, dat met het hondewippen, het aaltrekken en
het ganzesabelen thans (ofschoon dan ook nog maar sedert korten tijd),
gelukkig volkomen tot het verledene behoort, en nergens meer wordt
uitgeoefend. Midden aan een touw, tusschen twee boomen of tusschen de
topgevels van twee tegenover elkanderen staande huizen dwars over den
weg gespannen, werd een biertonnetje bevestigd, waarin men eene kat
besloten had. Door het spongat kreeg de kat lucht, en uit het spongat
klonken weldra hare angstkreten omhoog. De jongelingen en jonge mannen,
om hunne vaardigheid in het mikken te toonen, smeten dan met knuppels
naar het hangende tonnetje. Wien het gelukte met zijnen knuppel eenen
van de niet al te vast bevestigde bodems van het tonnetje uit te
smijten, of anders te verbrijzelen, had het spel en den uitgeloofden
prijs gewonnen. Als de bodem uitgesmeten was, sprong de arme,
verbijsterde kat uit het tonnetje, en kwam, naar kattenaard, veelal
ongedeerd, ofschoon in doodsangst, op hare vier pooten, op den weg
terecht, onder het gejuich der knuppelaars en der toeschouwers, die
haar nog menigen knuppel op hare vlucht nasmeten. Men begrijpt, de oude
moedertjes te Irnsum hielden tegen den tijd dat de kermis kwam,
wijsselijk hare poesjes in huis opgesloten.
Naar eene soortgelijke, als vermakelijkheid geldende dierenmishandeling
dragen ook de ingezetenen van het dorp Rinsumageest hunnen spotnaam,
die in deze gevallen wel een schandenaam heeten mag. Als het kermis was
te Rinsumageest—eene van ouds vermaarde kermis, waar de lui uit de
Dokkumerwouden en uit Dokkum in groote scharen heentrokken—had men op
den voormiddag van den dag, voor de feestelijke (?) hondewipperij
bestemd, alle honden die men machtig kon worden, in eene schuur bij
elkanderen verzameld. Dan gingen twee jongelingen tegenover elkanderen
aan weêrszijden van den dorpsweg staan, midden in het dorp, voor de
herberg. Zij hielden een zeel of reep (platgevlochten touw) strak
gespannen laag over den weg. Langs beide zijden van den weg tusschen de
schuur en de herberg, stond het volk in gesloten gelid geschaard. Dan
werden de honden uit de schuur losgelaten, een voor een, en tusschen de
dubbele menschenhaag door over het gespannen zeel gejaagd, waarbij de
arme dieren door het gegil der wreede menschen geheel verbijsterd
werden. Op het oogenblik dat de hond over het zeel liep of sprong, werd
dit plotseling met eenen forschen ruk omhoog getrokken, zoodat de hond
met kracht omhoog geslingerd, gewipt werd, soms zeer hoog, hoe hooger
hoe mooier—om daarna, al jankende, met een smak weêr op den weg neêr te
vallen, en soms, anders als de katten te Irnsum, pooten, ribben of nek
te breken. Waling Dykstra vermeldt dat er bij dit feest eene vlag, waar
de hondewipperij op afgebeeld stond, uit de herberg hing, en dat, naar
hij meende, die vlag nog in 1882 te Rinsumageest bewaard werd. Naar dit
wreede spel, dat nog omstreeks de helft dezer eeuw alle jaren met veel
omhaal en drukte op de kermis te Rinsumageest vertoond werd, dragen de
ingezetenen van dat dorp nog heden hunnen bijnaam Hounewippers.
De kerktoren van het dorp Tzum is zeer hoog; volgens de volksmeening is
hij de hoogste toren van Friesland. De hooge toren van de oude
Sint-Martens-kerke in het naburige Franeker is eene
Deventerkoeks-lengte lager, zegt het volk. In de 17de eeuw zoude te
Oldeboorn een nieuwe kerktoren gebouwd worden. In dat groote en
schoone, van ouds reeds aanzienlijke dorp wilde men nu ook eenen
bijzonder fraaien toren bij de kerk hebben; en niet alleen de
fraaiste—het moest ook de hoogste toren van Friesland worden, hooger
nog dan de Tzummer toren. De Boornsters vaardigden dus twee man uit hun
midden af naar Tzum, om den Tzummer toren te meten, ten einde daarnaar
het bestek van hunnen eigenen nieuwen toren te kunnen maken. Die
Boornster mannen maten dan ook den Tzummer toren, en berekenden zijne
hoogte, en, toen ze daarmede klaar waren, gingen ze in de herberg te
Tzum wat rusten en zich verkwikken met spijs en drank, eer ze weêr op
de t’huisreis gingen naar Oldeboorn. Maar de Tzummers, die de eere van
hun dorp niet wilden prijsgeven, de eere van den hoogsten toren des
lands te hebben, sneden onderwijl in de herberg listiglijk een paar
ellen af van het touw (it lyntsje, lijntje), dat de Boornsters als
torenmaat mede naar huis nemen wilden. De Boornsters bemerkten niet,
hoe de Tzummers hun, in den letterlijken zin des woords, te kort gedaan
hadden; zij kwamen met de maat van den Tzummer toren t’huis (met de
goede maat, zoo ze meenden), en bouwden in hun dorp eenen nieuwen
toren, die nog eene el hooger was, als hunne maat aangaf. En een fraaie
toren met opengewerkte spits was het, ook een hooge toren—en zoo staat
hij nog heden ten dage, een sieraad van het dorp Oldeboorn. Ja, maar in
stede van de hoogste toren van Friesland te zijn, hooger dan de Tzummer
toren, was hij integendeel nog eene el lager. In het begin hielden de
Tzummers zich stil. Maar toen de Boornster toren kant en klaar was,
brachten ze, vol vermaak in het leed van anderen, zelve hun schelmstuk
uit.
Sedert heeten die van Oldeboorn Toermjitters (Torenmeters), en die van
Tzum Lyntsjesniders.
De ingezetenen van het dorp Grouw hebben den naam van een vroolijk en
levenslustig volkje te zijn, en gaarne, als het, pas of ook geen pas
geeft, eens een deuntje te dansen. Oudtijds was daar eens een
gezelschap jongvolk bijeen, en, wijl er juist dien dag een reizende
speelman in het dorp gekomen was, die daar ook overnachten zoude, zoo
brachten de jongelui dien man in de herberg, en weldra kwamen de beenen
van den vloer, en draaiden en zwaaiden ze lustig rond. De speelman
moest betaald worden, en dat deden de Grouwsters ook. Maar zij hadden
nog van dansen niet genoeg; al weêr en al weêr moest de speelman
vedelen, tot laat in den avond, tot middernacht. Eindelijk had niemand
van het gezelschap nog geld in den zak, om den vedelaar te betalen.
Maar een van de jongelingen, de zoon van eenen kaaskoopman, wist wel
raad. Hij haalde uit zijns vaders pakhuis eene groote nagelkaas, om die
den speelman als loon te geven. Deze nam daarmede gaarne genoegen—maar
of de vader, des anderen daags, toen het geval uitkwam, dit ook deed,
meen ik te moeten betwijfelen.
En sedert heeten de Grouwsters Tsjiisfordounsers, Kaasverdansers.
In der daad is men te Grouw, spoediger dan wel elders in Friesland,
klaar met een dansje. In de jaren 1864 en ’65, toen ik als levenslustig
jongeling veel te Grouw verkeerde, en onder de Grouster fammen eene
trouwe verloofde, eene lieve bruid had, werd daar veel gedanst bij ’t
gezellig samenzijn van het jongvolk, en het devies Efternei dounsje, in
Friesland zoo bekend, werd daar toen strijk en zet toegepast bij elke
feestelijke volksbijeenkomst, van welken aard ook. Eens op eenen avond
in den laten herfst zat ik te Grouw in de herberg, met eenen vriend,
die mijn gast was, student als ik. Jongelingen, jonge mannen uit de
Grouwster burgerij, boerezonen, schippers-feinten, ook een paar
matrozen (bûte-farjers), waren daar, gul en vroolijk en eerbaar,
gezellig met ons vereenigd. De piano werd tusschenbeiden door den eenen
of den anderen bespeeld, en menig Friesch liedje („It wier op in
Simmerjoun”, „Forjit my net, as bolle wyntsjes waeye”, en vooral „De
Bolseter-” en „De Snitser-Merke”) werd er helder op gezongen. Daar
zaten ook een paar bejaarde schippers, en ook dezen werden door de
algemeene vroolijkheid aangestoken. Een van deze twee, een oorbeeldige
oude waterrot, met nog lustig schitterende oogen in ’t gelaat, dat door
weêr en wind gebruind en gerimpeld was, sprong op, en vertoonde ons den
Zevensprong. Hij zelf zong het deuntje, dat daar bij behoort:
„Hestou wol ’ris heard fen de saune, de saune?
Hestou de saunsprong wol ’ris dounsjen sjoen?”
„Da’s ien, da’s twa, da’s trije, da’s fjouwer, da’s fiif, da’s seis, en
da’s saun!” en poemp! sloeg hij met het voorhoofd op den vloer—en boem!
daar stond de zestigjarige met een sprong weêr overeind, lenig en vlug
als een jongeling, onder ’t gejuich der omstaande Tsjiisfordounsers.
En dan wordt er, reeds van oudsher, nog gezegd: „Frisia non cantat, non
saltat,” Friesland zingt niet en springt niet!
Het was een alleraardigst tooneeltje uit het Friesche volksleven van
den goeden, ouden tijd. [9] En waar vindt men dat nu nog zoo in onzen
kwaden, hedendaagschen tijd?
Die van Akkrum hebben eenen bijzonderen, geenszins mooien spotnaam:
Skytstoelen heeten ze.
Van ouds heet zeker meubel, eene soort van stoel, waar men kleine
kinders in zet, op z’n platst uitgedrukt: skytstoel, in betrekking op
het ronde gat, dat in de zitting is, en dat tot zeker bijzonder doel
dienstig is. Later, ook nog in deze eeuw, noemde men in Friesland zulk
een meubel gewoonlijk kakstoel; dat was al wat fatsoenlijker. Thans is
men al weer een graad fatsoenlijker geworden, en zegt men meest
tafelstoel. Hebben de Akkrumers oudtijds misschien zulke skytstoelen
eerder of meer in gebruik gehad voor hunne kinderen dan andere Friezen?
Of waren juist de Akkrumer skytstoelen bijzonder mooi, of anderszins
bijzonder—en is alzoo de spotnaam der ingezetenen van dat groote en
fraaie dorp te verklaren. Wie zal ’t zeggen!
Opmerkelijk is het dat er nog zulk een Oud-Akkrumer skytstoel is
overgebleven, en tot op den dag van heden (immers nog voor twee jaar)
aan den tand des tijds ontsnapt. Een handelaar in oudheden, op z’n
mooist „antiquaire” genoemd, te Amsterdam, had toen nog zulk een
meubelstuk in zijn bezit;—Oud-Friesch model, zooals ik er in mijne
jeugd nog velen in Friesland heb gezien. Maar deze stoel was zeer bont
van verwe, en er was een rijmke op geschilderd, achter op de bekkeling
(ruggeleuning). Dit rijmke:
In ’t jaer 1710
Werd ick voor het eerst gesien,
Ick was vercierd al nae behooren
Als kackstoel voor den eerstgeboren
Uyt de houwlickstrou
Van Geert Ackrum en syn vrou.
De man die hier genoemd wordt, had geen eigenen geslachtsnaam, zooals
vele Friezen uit den geringen boeren- en burgerstand, in die tijden.
Hij was een Geert Sjoukes, een Geert Bonnes, een Geert Hylkes, een
Geert Folkerts of zoo iets, maar bij deze gelegenheid schreef hij
zijnen naam, deftig, als Geert Ackrum, omdat hij een Akkrumer was, te
Akkrum woonde. Zoo iets gebeurde in die tijden, en ook later, tot den
jare 1811 toe, wel meer, en is de oorsprong van menigen hedendaagschen
geslachtsnaam. [10]
Welk een huiselijk, welk een aardig tafereeltje wordt ons door dit
eenvoudige en ongekunstelde, maar geenszins onbevallige rijmke als voor
de oogen getooverd. Een jonge vader, trotsch op zijnen eerstgeborenen,
verrast zijn wijfje, op den eersten verjaardag van hun kindje, van hun
kroonprins, met eenen nieuwen, fraaien, misschien door hem zelven
gemaakten, door hem zelven met een eigengemaakt „vaers” beschilderden
tafelstoel, dien hij ten overvloede, in de vroolijke stemming van zijn
hart, voor dit huiselijke feestje nog bijzonder versierd had met groen
en bloemen—zeker wel met palmgroen, dat in de 18de eeuw in geen enkel
tuintje ontbrak, met papieren bloemen en met klatergoud—„vercierd al
nae behooren”. En hoe aardig wordt het kindje aangeduid, de kleine
Sjouke of Bonne of Hylke of Folkert Geerts, als de „eerstgeboren uit de
huwelijkstrouw van Geert Ackrum en zijn vrouw.” Een tafereeltje van
eenvoud, van ongekunstelde en zeker dankbare blijdschap, van waar
huwelijksgeluk. „O rijkdom van zegen, waer soo de liefde viel!”
De ingezetenen van Makkum, een groot dorp of vlek aan de Zuiderzee
(eigenlijk aan het Flie), waar van ouds handel en scheepvaart en
nijverheid tierden, zijn zoo rijk als die van Leeuwarden. Even als die,
hebben ook de Makkumers twee spotnamen; men noemt ze zoowel Makkumer
Miigen als Makkumer Strânjutten.
Deze laatste benaming is eigenlijk een scheldnaam. Een strandjut is een
strandroover, iemand die bij nacht en ontijd, bij stormweêr, langs het
strand loopt, om alles wat uit zee aanspoelt, vooral allerlei goed van
gestrande schepen, lading en wrakstukken, ook kisten en kleedingstukken
der schepelingen zich wederrechtelijk toe te eigenen; een man die, als
hij kan, zich zelfs niet ontziet om den armen schipbreukeling, die nog
levend het strand bereikt, te berooven, of zelfs hem te dooden, om geen
getuige van zijne schanddaad in dien man te hebben—in stede van hem
hulp en bijstand te verleenen. Van ouds her strandden er jaarlijks wel
Friesche schepen, die naar de Oostzee voeren om graan en hout te halen,
op de westelijke kust van Jutland. De Jutten nu hadden den naam, en de
daad ook, zich veelvuldig aan strandrooverij, in bovengenoemden zin,
schuldig te maken. Menig Friesch zeeman heeft schip en lading, geld en
goed, ook wel ’t vege leven, op de Jutsche kust, in handen der Jutsche
strandroovers moeten laten. Geen wonder dat de „Strân-jutten” bij de
Friezen fel gehaat waren.
Het schijnt dat er oudtijds ook onder de Makkumer ingezetenen sommigen
waren, die zich aan strandrooverij schuldig maakten, en dat men deze
Makkumers, in navolging van den naam der Jutsche roovers, ook
Strandjutten heeft genoemd.
De andere bijnaam van de Makkumers heeft geen oneerlijke beteekenis,
maar geeft integendeel eervol getuigenis van den trouwen, Frieschen
zin, op het gebied der taal, die den Makkumers eigen is.
Een Oud-Germaansch woord heet „maag” (oudtijds maegh) in het
Nederlandsch, en miich (miig, myg) in het Friesch, en beteekent
bloedverwant in het algemeen, in ’t bijzonder neef, soms ook kleinzoon.
Zoo beteekent ook het Latijnsche woord nepos [11] zoowel kleinzoon als
neef (broeders of zusters zoon). In het Nederlandsch is het woord maag,
op zich zelven en in deze beteekenis, schier volkomen verouderd, maar
het leeft toch nog in het woord maagschap, verwantschap, waarvoor vele
verbasterde Nederlanders heden ten dage liever de Fransche woorden
famille en parentage gebruiken, die ze dan tot familie en parmentasie
verknoeien. Het woord maag leeft ook nog in de uitdrukking „met man en
maag”, waaronder men iemands geheele verwantschap en aanhang verstaat.
Dit „man en maag” wordt heden ten dage ook veelvuldig verbasterd tot
„met man en maagd”, en tot „met man en macht”, ja zelfs tot „met
mannemacht”, omdat men het oorspronkelijke woord niet meer kent.
Met miich, de Friesche weêrga van het Nederlandsche woord maag, is het
al niet veel beter gesteld. Ook dit woord is heden ten dage uit den
mond des Frieschen volks (met uitzondering van de Makkumers) verdwenen.
Maar de Friezen, die geene vreemdelingen zijn in hunne eigene
geschiedenis, kennen dit woord nog uit het antwoord: Ja, Wibe-miich!
dat Swob Sjaardema, de weduwe van Jarich Hottinga, dat valsche wijf,
aan haren neef Wibe Sjoerds Sirtema thoe Groustins gaf op zijne vraag
Swob-nift! is ’t lauwa?, toen zij dien neef Wibe, ten jare 1580, met
leugentaal lokte op de brug van haren burcht Hottinga-hûs te Nijland,
en hem daar verraderlijk door hare krijgsknechten gevangen nemen liet.
En zelfs in de 17de en in de vorige eeuw was ’t woord miich nog in de
spreektaal der Friezen in gebruik. Gysbert Japicx gebruikt het nog een
en ander maal in zijne gedichten; b.v. Lolcke myg, Neef Lolke; ook in
de vermaning, die Haytse-yem, Oom Haitse, zijnen neef Nijzgierige Jolle
toedient:
„Tinkste it tygge oer, foare in ney,
Fen dy salm, Myg! rinste wey.”
(Bedenkt Gij het ter dege, voor en na, van U zelven, Neef! loopt Gij
weg—’t is te zeggen: Gij krijgt eenen afkeer van U-zelven.) Ook Eelke
Meinderts gebruikt dit woord nog in dezen zin, in zijn bekend volksboek
It libben fen Aagtsje Ysbrands, gedagteekend van 1779.
Maar, is dit Oud-Friesche woord elders al uit den mond des volks
verdwenen, de Makkumers hebben het in stand gehouden, en gebruiken het
nog heden ten dage, vooral ook als vorm van aanspraak, bij jongelingen
en jonge mannen, waar men elders in Friesland heite! zegt, of jù!
En dit oude en goede gebruik, nog getuigende van den bloeitijd onzer
tale, strekt den Makkumers tot eere, maar het heeft hun ook, bij de
andere Friezen, den spotnaam Makkumer Miigen bezorgd.
Ook in den spotnaam der ingezetenen van Suameer speelt taalkunde eene
kleine rol. De naam van dit dorp is in het Friesch Suamar, eene
samentrekking van den oorspronkelijken, volledigen naam Sudera-mar, dat
is in het Nederlandsch Zuidermeer. Het dorp draagt dezen naam omdat het
ligt bezuiden de Bergumermeer, de bekende groote meer bij het dorp
Bergum. De naam Suderamar, Suamar, Suameer (Zuidermeer) staat in
tegenstelling met dien van het dorp Eastermar, Oostermeer, dat beoosten
de Bergumermeer ligt, en met dien van het gehucht Noardermar,
Noordermeer, dat benoorden die meer gelegen is. De naam Suamar, zooals
de geijkte Friesche schrijftaal eischt, wordt in de dagelijksche
spreektaal der Friezen nog nader ingekrompen tot Samar, Sumar, Semar
(met toonlooze e, en den klemtoon op mar). Van Samar tot Samaria, de
naam van eene stad en van eene gouw in het oude Palestina, is, op den
klank af, geen groote stap; in scherts komt men er geleidelijk toe den
Frieschen met den Bijbelschen naam te zamen te brengen. Samar dan
eenmaal Samaria genoemd zijnde, moest men er wel geleidelijk toe komen
om de ingezetenen van Samar Samaritanen te noemen. Zoo berust de
spotnaam der Suameerders op eene letter- en woordspeling, in scherts
bedacht.
Lollum is een klein dorp in Wonseradeel; maar deze dorpsnaam is toch in
geheel Friesland bekend. Immers een flauw sausje van wat meel, wat
edik, wat mosterd, met water te zamen gekookt, en dat de arme
huismoeder, in tijden van nood en gebrek, wel haren man en kinders
zuchtende voorzet, om, in plaats van vleesch- of spekvet, bij de
aardappelen gebruikt te worden, noemt men Lollumer stip. Stip, omdat
men de drooge aardappelen bij het eten in dit sausje stipt of doopt. Of
nu dit schrale, armoedige sausje juist veel, of meest, te Lollum op de
tafel van den arme komt, of daar, in hongerjaren, eerst op verschenen
en dus eene Lollumer uitvinding is, weet ik niet. Maar wel, dat
Lollumer stip te recht eenen kwaden naam heeft onder de Friezen, en dat
de Lollumers, als ze Stippers genoemd worden, dezen naam juist niet als
een vleinaam opvatten, als een naam die van weelde en welstand getuigt,
maar als eene getuigenis van kommer en gebrek.
De inwoners van het dorp Molkwerum, die oudtijds veel talrijker waren
dan tegenwoordig, en die toen voor een groot deel uit rijke zeelieden
en schippers bestonden („welvarenden” in den dubbelen zin des woords),
hadden van ouds veel bijzonders in hunne spreektaal, in hunne kleeding,
in hunne zeden en gebruiken, evenals die van het naburige Hindeloopen.
De eigenaardigheden van de Molkwerumers kwamen wel in hoofdzaak overeen
met die van de Hindeloopers, maar ze waren daar toch ook aanmerkelijk
van onderscheiden; ze hebben slechts tot het einde der vorige eeuw,
toen de Molkwerumer welvaart verloopen was, stand kunnen houden. Toch
onderkent men nog heden ten dage den Molkwerumer van andere Friezen,
aan enkele bijzonderheden in zijne spreektaal.
In den bloeitijd van Molkwerum, zoo van de jaren 1600 tot 1750, lagen
daar soms wel twintig en meer, (volgens Halbertsma „wol sechstich”)
Molkwerumer koopvaardijschepen, allen met het zwaantje, het wapen van
Molkwerum, in de witte baan van de vlag, te gelijkertijd te Amsterdam
aan den dijk bij de Haringpakkerij (thans het westelijkste deel der
Prins-Hendrikskade), en in het Damrak, te laden en te lossen. En zoo
ook te Bremen en te Hamburg, en verder op te Dantzig, Riga, Reval en
andere havens in de Oostzee. Aan de Haringpakkerij te Amsterdam, bij de
Panaalsteeg is daar nog heden eene herberg, die dien goeden ouden tijd
in gedachtenis houdt. Dat huis, ’t welk voor weinige jaren uit- en
inwendig nog geheel het karakter van ’t begin der jaren van 1600
vertoonde, maar dat sedert verbouwd is in den hedendaagschen trant,
draagt nog zijn ouden naam „Het wapen van Molqueren”, aan den gevel, en
it Molkwarder Swanke, het Molkwerumer Zwaantje, staat er nog steeds, in
beeltenis, boven de voordeur. Ei! hoe menige Molkwerumer zeeman,
Tsjalling, Gosse of Sierd, heeft, twee honderd jaren geleden, daar bij
den waard in het voorhuis zijn mingelen Haarlemmer bier gedronken! Hoe
menige Molkwerumer schippersdochter, Jildoe, Fod of Rimme, heeft daar
bij de waardinne in ’t kamerke achter ’t voorhuis, haren verschovenen
foarflechter te recht gezet, of hare verwaaide frissels wat geordend!
Evenals de spotnamen van de Hindeloopers zoo bijzonder zijn, dat men ze
niet eens meer verstaat, veel minder nog verklaren kan, zoo heeft de
spotnaam der Molkwerumers ook al weer iets zeer bijzonders; te weten
dit: dat hij niet geldt voor alle Molkwerumers zonder onderscheid, maar
dat hij slechts op de Molkwerumer vrouwen betrekking heeft, en de
Molkwerumer mannen buiten schot laat. De mannelijke ingezetenen van
„het Friesche doolhof” (zooals het dorp Molkwerum oudtijds genoemd
werd, wegens de onregelmatige, schier verwarde wijze waarop de huizen
daar, over zeven pôllen, eilandjes, verdeeld, schuins en scheef naast
en nevens, voor en achter elkanderen gebouwd waren)—de mannen van
Molkwerum dan hebben geenen spotnaam. Maar de vrouwen van dit
zonderlinge dorp heeten bij de andere Friezen en Friezinnen
Tsjoensters, Molkwarder Tsjoensters, dat is: Heksen, Molkwerumer
Heksen.
Het werkwoord heksen, tooveren, is in het Friesch tsjoene. Daarvan
afgeleid, noemt men in Friesland eene vrouw, die tsjoene, die tooveren
of heksen kan, eene tsjoenster, eene heks of toovenaarster. De
mannelijke vorm van het zelfstandige naamwoord, van tsjoene afgeleid,
zoude, volgens de regels der taal, tsjoender moeten wezen; maar dit
woord is mij nooit voorgekomen. Trouwens, tsjoene, heksen, tooveren,
was van ouds hoofdzakelijk het werk van vrouwen. Niettemin, de
volksverhalen en volksoverleveringen der Friezen weten juist ook wel te
berichten van Molkwerumer mannen, die tooveren konden. Men leze daar
maar eens over na een geestig verhaal, vol van oude overleveringen, dat
onder den naam van It Hexershol geschreven is door Dr. J. H.
Halbertsma, en voorkomt in Leed in Wille in de Flotgearzen, Dimter
(Deventer), 1854.
In den bloeitijd van Molkwerum waren de Molkwerumer mannen en
jongelingen, als schippers en zeelieden, geregeld negen of tien maanden
van het jaar van huis—op zee, of in vreemde havens. Omstreeks
Sint-Nicolaas’-dag kwamen ze thuis, en met Sint-Pieter’s dag, den
Oud-Frieschen zeemansdag, gingen ze al weêr aan boord. Van het vroege
voorjaar tot het late najaar waren daar te Molkwerum, om zoo te zeggen,
geen andere mannelijke wezens in het dorp dan jongens beneden de
twaalf, en grijsaards boven de zeventig jaren, behalve dominé, vermaner
en schoolmeester, kastelein, bakker en winkelman, en een paar kleine
ambachtslieden. Dan hadden de zeemansvrouwen en dochters een leven
zonder tier, zonder rechte fleur—al hadden ze ook volop werk in huis en
hof, en met de verzorging van het paar stuks vee, dat allen hielden.
Dan zaten ze, na afloop van hare bezigheden, bij elkanderen, en
vertelden elkanderen honderd malen de zelfde oude verhalen van heksen
en van tsjoenen, van foartsjiermerye en dûbeldsicht, van skynsels en
van spoek en foarspoek; en wat ze niet van mem of van beppe of van
moaike (moeder, grootmoeder en moei) hadden gehoord, dat bedachten ze
in hare vaak verhitte en ontstelde verbeelding er bij, zoo dat ze op ’t
laatst zelven ook aan tsjoenen, aan allerlei duivelskunstenarijen
begonnen te doen.
Zoo zijn de Molkwerumers, bijzonderlijk de Molkwerumer vrouwen, de
froulju fen ’t Heksershol, aan den spotnaam van Tsjoensters gekomen.
Te Birdaard, bepaaldelijk in de rij huizen die langs de Dokkumer-Ee
zich uitstrekt, woonden van ouds vele kleine slachters, die hunne
slachtwaar, bijzonderlijk schapevleesch, en ’t vleesch van nuchteren
kalveren (dit laatste ook wel spottender en smalender wijze Birdaerder
skylfisk—schelvisch—genoemd) op de weekmarkten te Leeuwarden en te
Dokkum uitstalden en verkochten, of anders bij de boeren in den omtrek
uitventten. Naar de schapekoppen, het geringste deel van het geslachte
beest, noemde men die slachters Birdaerder Skiepekoppen, Schapekoppen,
een spotnaam die op al de ingezetenen van Birdaard is overgegaan.
Even als in andere gewesten voorkomt (Amsterdamsche Koeketers,
Kiekenvreters van Brussel, Konijneters van Duinkerke), zoo zijn er ook
bij de Friezen vele spotnamen in gebruik, die aanduiden dat in deze of
gene plaats de eene of andere spijze (of ook geen spijze) bijzonderlijk
is gegeten geworden. Zoo heeten de inwoners van bet dorp Berlikum
Hounefretters (Hondenvreters), die van Kollum Kattefretters, die van
Hallum Koekefretters, als de Amsterdammers, die van Holwerd
Roekefretters, die van Gaast Otterfretters, die van Garijp
Klitsefretters (Klitsen, in ’t Nederlandsch Klissen of Klitten, zijn de
bloemhoofdjes van Arctium Lappa), enz. Zoo de overlevering waarheid
spreekt, is de spotnaam der Berlikumers al van zeer oude dagteekening.
Ten jare 1182 bezochten de Noormannen, als zeeroovers, de Friesche
havenplaats Utgong (sedert verdwenen, door de dichtslibbing der
Middelzee) en bet naburige Berlikum, en ze plunderden, verbrandden,
verwoestten die plaatsen. De inwoners, ten gevolge daarvan aan allerlei
ellende, ook aan hongersnood ten prooi, kwamen er toe om hunne honden
te slachten en te eten, ’t welk hunnen nazaten, nu nog heden, zeven
eeuwen later, door de andere Friezen, met den spotnaam Hounefretters
wordt nagehouden.
Bij al de niet, of nauwelijks eetbare dingen (klitten, honden, katten,
roeken, otters), die, volgens bovenstaand lijstje, door Friezen zijn
gegeten, en hun eenen spotnaam hebben bezorgd, overtreffen de Wirdumers
de andere fretters nog grootelijks. Den ingezetenen van het dorp Wirdum
in Leeuwarderadeel wordt niets meer of minder verweten, dan dat zij
eenen toren zouden hebben opgegeten. Zij worden derhalve
Toerkefretters, torentjevreters genoemd. De kerk te Wirdum pronkte
oudtijds met twee torens—en dat vonden de Wirdumers juist één te veel;
ze konden best één van die torens missen, meenden ze. Dies besloten ze,
ten jare 1680, in kommerlijken tijd en toen de geldmiddelen der kerk
uiterst gering waren, om één van die twee torens voor afbraak te
verkoopen, en de opbrengst ten bate der kerk aan te wenden. En zij
voerden dit besluit ook uit. Trouwens, als het er enkel om te doen was
om geld te maken, dan misten de Wirdumers in dezen hun doel niet. Want
de toren, die toen reeds zeer oud was, maar geenszins vervallen, en die
uit de elfde of de twaalfde eeuw dagteekende, was geheel opgetrokken
van tufsteen, zoo als de oudste Friesche kerken allen. De afbraak van
den toren leverde 1395 ton tufsteen op, en die steen werd voor 4790
gulden verkocht, en meest naar Makkum vervoerd, waar men er tras van
maalde. Men kan uit deze hoeveelheid steen afleiden, dat de toren groot
en zwaar moet geweest zijn. Dat hij nu, in den spotnaam van de
Wirdumers, een toerke, een torentje, genoemd wordt, heeft dus niet te
beduiden dat het een kleine, onaanzienlijke toren zoude geweest zijn.
Maar de verkleinvorm van het woord, maar toerkefretter heeft beter val,
is den sprekers gemakkelijker om te zeggen, dan het eenigszins
stootende toerfretter. Juist de Friesche volksmond eischt dat men de
woorden vloeiend kunne uitspreken.
De toren was bij de afbraak nog hecht en sterk. Hij zoude, ware hij
sedert dien tijd goed onderhouden geworden, nog heden kunnen staan als
een gedenkteeken van den kerkelijken bouwtrant der Friezen uit de
vroege middeleeuwen. Jammer! dat men hem aan de baatzucht, hoewel dan
in nood, heeft opgeofferd. Voor dit snood bestaan hunner voorouders
dragen de Wirdumers nog heden hunnen spotnaam.
In bovengenoemde namen wordt eten en eters smadelijk als vreten en
vreters (frette en fretters) aangeduid. Deze lompheid in spreekwijze is
niet den Friezen alleen eigen. Zelfs de burgers van het quasi zoo fijn
beschaafde, half verfranschte Brussel worden door de andere Brabanders
en Vlamingen ruwelijk Kiekenvreters gescholden, [12] even als die van
Hulst Wijnzuipers heeten, in tegenstelling met de Roodbierdrinkers van
Harelbeke.
Maar, nevens de fretters weten de Friesche spotnamen toch ook, in
beleefder vorm, van iters, eters. Zoo heeten de ingezetenen van Hilaard
wel Promiters (Pruimeneters), om de reden, die op bladzijde 38 reeds is
vermeld. En die van Hantum dragen den naam van Margeiters, Marge-iters
(Mergeters, Merg-eters).
De spotnaam Marge-iters is zekerlijk ook van zeer oude dagteekening,
misschien nog wel veel ouder dan die van Hounefretters van Berlikum.
Reeds in overoude tijden, in den zoogenoemden vóórhistorischen tijd, in
het steentijdvak, was het merg uit de pijpbeenderen der dieren eene
bijzondere lekkernij voor de menschen. De versteende beenderen van het
wilde gedierte, die men in bergholen en in den bodem, of in de hoopen
afval van de maaltijden der menschen uit den grauwen vóórtijd, nog
heden wel vindt en uitgraaft, zijn veelal gespleten, door slagen met de
steenen hamers en beitels, die den lieden toenmaals tot wapenen en
werktuigen dienden—gespleten, stuk geslagen, verbrijzeld, om het merg
er uit te halen, nadat men eerst het vleesch er af geknaagd had. En al
de eeuwen door, tot heden toe, gold en geldt het merg der beenderen te
recht als eene krachtige spijze, als eene bijzondere lekkernij, die, op
een sneedje brood gesmeerd, bij boer en burger bijzonderlijk den
huisvader toekomt. Ja, de Friezen, bij wie alle oude zaken zulk een
taai leven hebben, gebruiken nog heden een spreekwoordelijk gezegde om
aan te duiden dat deze of gene met eene kleine versnapering of eene
andere kleinigheid, in ’t algemeen gemakkelijk en lichtelijk kan
verlokt en verleid worden. Dan zeggen ze van zoo iemand: det wiif (of
dy tzierl) is mei in margebonkje to fangen, dat wijf (of die kerel) is
met een mergbeentje te vangen.
In latere tijden, toen de menschen langzamerhand van ruwe en zwervende
jagers tot stille en vreedzame herders, en nog later tot rustige,
gezetene landbouwers waren geworden, en men niet meer uitsluitend of
hoofdzakelijk het vleesch at van de dieren op de jacht gedood of uit de
kudde geslacht, maar hoe langer hoe meer ook allerlei plantaardig
voedsel den menschen tot spijze begon te dienen—later kwam het merg der
beenderen niet meer zoo dagelijks op den disch, niet meer zoo
veelvuldig op de tonge. Toen begon de huisvrouw kunstmatig merg te
maken—als ik dat zoo eens noemen mag. Zij kookte in een pot allerlei
voedsel, zoowel van dierlijken aard, vooral ook zuivel, als van
plantaardigen oorsprong (granen, meelachtige vruchten) te zamen tot
eene weeke, zachte brij of pap, waaraan men nog wel den naam van merg
bleef geven.
Te Leeuwarden is een oud en vermaard en rijk gesticht, uit de
middeleeuwen dagteekenende, het Sint-Anthonij-Gasthuis, dat thans ten
deele een zoogenoemd proveniershuis is, waar oude lieden, tegen
vooruit-betaling van zekere somme gelds, hun leven lang kunnen inwonen
en gevoed worden, zoogenoemd „den kost kunnen koopen”. Die kost, de
spijzen, die daar gereed gemaakt en den inwonenden verstrekt worden,
zijn veelal eigenaardig, en veelal nog zeer ouderwetsch toebereid, zoo
als men dat reeds in de middeleeuwen deed. Onder die spijzen is er
eene, die een samenkooksel is van varkensbloed, roggenmeel en vierkante
stukjes reuzel, met stroop, rozijnen en wat kruiderijen daar toe. Dat
bloed is van de varkens die in de Slachtmaand geslacht worden, en hun
vleesch en spek moeten geven om ingezouten of gerookt te worden, voor
de wintertering der bewoners van Sint-Antoon’s gesticht. Dat
saamgekookte mengsel wordt in wijde darmen gedaan, als beuling, eerst
eenige weken bewaard (belegerd), en dan gegeten. Wel! het is in der
daad eene gezonde en krachtige spijze, ook zeer smakelijk voor eenen
Frieschen mond, al zoude men de samenstelling aanvankelijk ook wat
vreemd vinden. Deze kost noemt men in Friesland Bargemarge, dat is:
varkensmerg, en hij wordt als eene bijzondere, veel begeerde lekkernij,
die buiten het Sint-Anthonij-Gasthuis niet te verkrijgen is, door de
bewoners van dat gesticht, tegen Kersttijd, aan verwanten en vrienden
ten geschenke gezonden. Dat is dus kunstmatige merg, die nog de
gedachtenis aan verouderde tijden en zeden in wezen houdt.
Te Hindeloopen placht men ook aan samengestelde, weeke kooksels den
naam van marge te geven. Nog in deze eeuw droeg dik gekookte rijstepap
aldaar dien naam. Ook gort met rozijnen samengekookt noemt men hier en
daar in Friesland ook wel marge. Al zulk soort van spijzen noemt men er
ook wel in ’t algemeen potmarge, in de Sassische gewesten van ons land
wel pöttiensbeulink, even als men in Holland wel van pot-eten, van
hutspot, van gestampte pot spreekt. [13] Volgens Dr. J. H. Halbertsma
(De Lapekoer fen Gabe Skroar) is margemiel (letterlijk mergmaal in ’t
Nederlandsch) „de avondmaaltijd die door de boeren bij geeindigden
hooioogst aan de hooiers gegeven wordt, en bestaat uit pannekoeken,
gort met rozijnen,” enz. Eindelijk meldt de oude Kiliaan, in zijn
zestiende-eeuwsch woordenboek, dat Marghe een Friesch woord is en
Bolinck (beuling) of worst beteekent.
Maar genoeg van marge, en van de Hantumers, die deze spijze zoo gaarne
en zoo veelvuldig aten, dat zij van de andere Friezen eenen spotnaam
daarom gekregen hebben.
Nu resten nog de Heerenveensche Poehoannen, dat zijn hoog- en
overmoedigen, druktemakers, ophakkers. Naar Dr. E. Laurillard, mijn
voorganger in het verklaren van Nederlandsche spotnamen, willen we ten
slotte luisteren in ’t gene hij mededeelt over dezen spotnaam der
ingezetenen van het Heerenveen. „Als de burgers van Heerenveen den naam
van Poehanen krijgen, dan is dit eene bespotting van dien voornamen
naam Heerenveen,—geen boerenveen, maar „het veen der heeren”. Want wat
is een poehaan? ’t Is iemand, die zich kenmerkt door stoutheid en
grootspraak. Nu, zóó, zegt men, zijn de Heerenveeners, en dat er iets
van aan kan zijn, zou men haast gissen, als men er bij bedenkt, dat
Heerenveen zich „het Friesche Haagje” noemt, zoo wel als de Friesche
Hofstad.”
Die nu nog wat nazwelen wil op het veld der Friesche spotnamen, vindt
al licht iets van zijne gading in Dr. J. H. Halbertsma’s Skearwinkel
fen Joute-baes.
De spotnamen van steden en dorpen in het Nederlandsche gewest Friesland
zijn hiermede tamelijk uitvoerig behandeld en verklaard. Zoo ik op deze
wijze ook de spotnamen der steden en dorpen van de andere Nederlandsche
gewesten wilde beschrijven, zoude dit zekerlijk een al te uitvoerige
arbeid worden, en den lezer van dit boek al licht vervelen en
verdrieten. Ook zoude ’t meer kennis en wetenschap van mij eischen, dan
mijn deel is. Dies laat ik het, in dezen uitvoerigen zin, bij de boven
behandelde Friesche namen blijven. Misschien dat anderen zich genoopt
gevoelen of lust hebben, de overige, hier vervolgens nader opgenoemde
spotnamen op betere wijze te beschrijven, als mij met de Friesche namen
gelukt is. Dit hoop ik.
Eene opsomming echter van de overige Nederlandsche spotnamen, voor zoo
verre mij die bekend zijn, moge hier nog eene plaats vinden. Die mij
zouden willen navolgen in ’t verklaren van spotnamen, vinden dan hier
eene aanleiding daartoe. Enkele korte aanteekeningen wil ik hierbij ook
niet achterwege laten.