Onderscheid in geaardheid, onderscheid in volkseigene zaken, taal en
tongval, kleeding, zeden en gebruiken, nering en bedrijf bij zee-,
steê- en landvolk, onderscheid in richting en partijschap op
godsdienstig en op staatkundig en maatschappelijk gebied is er heden
ten dage in ons vaderland nog ruimschoots voorhanden, tusschen de
bevolking van het eene en van het andere gewest, van de verschillende
Nederlandsche gewesten onderling. Niettegenstaande dit onderscheid
langzamerhand al minder en minder wordt, en gedurig uitslijt, vooral
door het meerdere en gemakkelijke verkeer tusschen de lieden uit de
verschillende gewesten van ons land onderling, zoo onderkent men toch
den Fries aan allerlei volkseigene en bijzonder Friesche zaken en
eigenaardigheden nog gemakkelijk uit alle andere Nederlanders. Maar ook
de Groningerlander en de Zeeuw, de Hollander en de Gelderschman, de
Overijsselaar en de Brabander, de Drent en de Limburger, ja ook de
Hollander uit het Noorden (West-Friesland) en die uit het Zuiden (het
Overmaassche) zijn voor den opmerkzamen man duidelijk en gemakkelijk te
kennen, duidelijk en gemakkelijk de een van den ander te onderscheiden.
Oudtijds traden de kenteekenen die den Fries en den Brabander, den
Gelderschman en den Hollander, den Drent en den Zeeuw onderscheiden,
veel sterker te voorschijn dan heden ten dage. Ja, allerlei bijzondere
kenmerken waren zelfs op te merken bij de bewoners van verschillende
steden en dorpen—kenmerken, waardoor dezen zich onderscheidden van de
ingezetenen van andere, van naburige of ook van verderaf gelegene
plaatsen. Het onderscheid tusschen de bewoners van twee naburige
plaatsen, al waren die lieden dan ook oorspronkelijk van geheel den
zelfden volksstam, viel juist hen onderling, over en weêr, bijzonder in
’t oog, klonk juist te duidelijker in hun oor, werd juist door hen te
scherper opgemerkt. Voor den Hollander moge er geen onderscheid zijn te
bespeuren, in spraak noch in voorkomen, noch in eenigerlei andere
volkseigene zaak tusschen eenen burgerman uit Leeuwarden en eenen uit
Dokkum, voor den Leeuwarder en den Dokkumer zelven is dit onderscheid
zeer wel te hooren en te zien. De Friezen mogen de Noord-Brabanders en
Limburgers dooréén werpen, en niet afzonderlijk onderkennen,
Bosschenaren en Maastrichtenaren, die van Breda en die van Roermond,
zijn diep doordrongen van het verschil dat er tusschen hen onderling
bestaat. De Hollander, in ’t algemeen de Nederlander uit het Westen en
het Zuiden des lands moge al Groningerlanders en Friezen over eenen en
den zelfden kam scheren en niet onderscheiden, de Amsterdamsche
grootstedeling moge die twee gelijkelijk als „buitenlui”, als
„provincialen, uit het Noorden” bestempelen en ze niet
onderscheidenlijk onderkennen, voor den Fries en den Groningerlander
zelven, over en weêr, zijn de bijzondere kenmerken, die hen
onderscheiden, zeer duidelijk en zeer groot, en de Leeuwarder begrijpt
zoo min als de Groninger hoe de Hollander den een met den ander als in
eenen adem kan noemen, hoe hij den een met den anderen kan verwisselen
en verwarren.
In oude tijden, toen de gelegenheden van onderling verkeer tusschen de
verschillende Nederlandsche gewesten, ook tusschen de verschillende
steden en dorpen van het zelfde gewest zoo veel minder en geringer
waren dan thans, kwamen de menschen, over ’t algemeen genomen, uit de
eene plaats vaak weinig of niet, soms schier nooit in aanraking met die
uit eene andere plaats, al ware ’t ook dat die twee plaatsen, naar ons
hedendaagsch begrip, volstrekt niet verre van elkander af lagen.
Natuurlijk bleven, ten gevolge van dit besloten zijn binnen de muren en
wallen en grachten van de eigene stad, hoogstens binnen de grenzen van
de eigene gouw, de oude volkseigenheden steeds vast en duidelijk in
wezen, bleven scherper begrensd, hielden veel langer stand dan heden
ten dage, nu schier de helft van de Nederlanders niet meer woont in de
plaatsen, waarin ze geboren en groot gebracht zijn, waar hunne
maagschap van oudsher gezeten is.
Het onderlinge verschil tusschen de ingezetenen van de eene plaats en
die van de andere, werd ook wel eene oorzaak van min vriendelijke
verhouding over en weêr, van onderlingen naijver—ja, als ’t hoog liep,
van onderlingen afkeer, zelfs van haat. Kleingeestigheid,
bekrompenheid, uit onkunde geboren, weêrhield, aan den eenen kant,
wederzijdsche erkenning als volks-, als stamgenooten, en mat, aan de
andere zijde, het onderlinge, veelal onwezenlijke verschil ten
breedsten, ten hatelijksten uit. Leeuwarders en Dokkumers, bij
voorbeeld, gevoelden zich niet als volksgenooten, als Friezen, de eene
zoo goed als de andere, maar als Leeuwarders en Dokkumers op zich
zelven, als „Leeuwarder Galgelappers” en als „Dokkumer Garnaten”, zoo
als men elkanderen over en weêr betitelde, ja wel uitschold. Tusschen
Amsterdammers en Haarlemmers, al hoe nabij elkanderen hunne steden ook
gelegen zijn, heerschte in de 16e eeuw de grootste naijver—een naijver
die zich onder anderen lucht gaf in de spotnamen „Koeketers” en
„Muggen”, die men elkanderen wederkeerig toevoegde—een naijver die, bij
voorbeeld, ook blijkt uit het min of meer smalende vers, waarmede de
blijspeldichter Gerbrand Adriaense Brederoô, een Oud-Amsterdammer in
merg en been, de Haarlemmers uitdaagde:
„Haerlemsche drooge harten nu,
Toont nu eens wie gy syt!
Wy Amsterdammers tarten u
Te drincken eens om stryt.”
En juist zulk eene verhouding bestond er tusschen den Zwolschen
Blauwvinger en den Kamper Steur, tusschen den Deventerschman en den
Zutfenaar, tusschen den Franeker Klokkedief en den Harlinger
Tobbedanser, tusschen den Rotterdammer en den Dordtenaar, tusschen den
Emder Potschijter en den Auriker Pogge, tusschen den Antwerpschen
Sinjoor en den Mechelschen Maneblusscher, tusschen den Gentenaar en den
Bruggeling, tusschen den Keuneter van Duinkerke en den Drinker van St.
Winoksbergen.
Overal in al de Nederlanden, Noord en Zuid, en in aangrenzende
stamverwante gewesten die thans tot Duitschland en Frankrijk behooren
(Oost-Friesland, Bentheim, Munsterland, Fransch-Vlaanderen en Artesië),
had men oudtijds zulke spotnamen voor de inwoners van steden en dorpen;
en al mogen die namen tegenwoordig al minder sterk op den voorgrond
treden als in vorige tijden het geval geweest is, ze zijn toch heden
ten dage nog geenszins volkomen verdwenen. Oudtijds gaf de onderlinge
naijver, zich vooral ook uitende in het wederkeerig elkander noemen en
schelden met spotnamen, wel aanleiding tot zeer gespannen verhoudingen,
tot wrevel en haat, tot vechtpartijen zelfs, waarbij men elkanderen wel
bloedige koppen sloeg. Dit behoort in onzen tijd tot het verledene,
maar de oude spotnamen zijn nog wel bekend, en worden nog wel eens
gebruikt, zij het dan ook in tamelijk onschuldige plagerij, of geheel
in scherts.
Deze oude spotnamen zijn voor een goed deel belangrijk in menig
opzicht. Velen daarvan zijn reeds zeer oud en dagteekenen uit de
middeleeuwen. Velen ook berusten op het eene of andere geschiedkundige
feit, anderen op het wapen dat eigen is aan stad of dorp (Klokkedieven
van Franeker, Balkedieven van ’t Ameland, Mollen van Schermerhorn).
Anderen weêr danken hun ontstaan aan het eene of andere bijzondere
voorval, waarbij door den nabuur, den tegenstander, in ’t geven van den
spotnaam, juist de domme, de belachelijke zijde der zaak werd in ’t
licht gesteld (Kalfschieters van Delft, Keislepers van Amersfoort,
Maneblusschers van Mechelen, Rogstekers van Weert). Weêr anderen zijn
ontleend aan eenen bijzonderen tak van handel, van nering of bedrijf,
die in de eene stad bestond, in de andere niet; Gortbuiken of
Gortzakken van Alkmaar—te Alkmaar bestonden oudtijds vele grutterijen,
en de Alkmaarsche gort was wijd vermaard in den lande; Botervreters van
Diksmude en Kaasmakers van Belle—beide deze Vlaamsche plaatsen zijn van
ouds bekend om hare zuivelbereiding. Sommigen ook zijn ontstaan door de
eene of andere lekkernij, die in de eene of andere stad bijzonder
gemaakt en door de inwoners bij voorkeur gegeten of gedronken werd.
(Koeketers van Amsterdam, Klienroggen van de Joure, Dúmkefretters van
Sneek, Molboonen van Groningen, Roodbierdrinkers van Harelbeke.)
Kieskeurig waren de oude Nederlanders geenszins, in het bedenken en
gebruiken van spotnamen. Van daar dat sommige dezer namen heden ten
dage slechts ternauwernood in beschaafd mannen-gezelschap genoemd
kunnen worden; (Zandpissers van de Zijpe, Gruppendrieters van
Oldenzaal, Potschijters van Emden, Luzeknippers van Eernewoude,
Mosterdschijters van Diest). Maar, jufferachtig preutsch moet men niet
zijn, als men sommige eigenaardigheden onzer voorouders in nadere
behandeling neemt.
Al deze Oud-Nederlandsche spotnamen te zamen genomen geven een veelal
verrassend, ook leerzaam en soms niet onvermakelijk inzicht in de
beschavingsgeschiedenis van ons volk.
De spotnamen zijn over al de Nederlanden, Noord en Zuid, verspreid; in
al de Nederlandsche gewesten zijn ze in gebruik. In ’t eene gewest
echter meer dan in het andere. In de Friesche en in de Vlaamsche
gewesten zijn ze het talrijkst. Ook in de oorspronkelijk Dietsche
gewesten van Frankrijk (Fransch-Vlaanderen en Artesië) komen er voor,
en niet minder in de Friesche gouwen van Noord-Duitschland (Oost-,
Wezer- en Noord-Friesland). [2]
Als Fries zijn mij de Friesche spotnamen het beste en het volledigste
bekend. Dus komt in deze verhandeling aan de Friesche spotnamen het
leeuwendeel toe, en worden ze in de eerste plaats uitvoerig besproken
en verklaard. Vervolgens worden de spotnamen van de overige
Nederlandsche gewesten, voor zooverre ze mij bekend zijn, hier allen
vermeld. Bij sommigen van die namen heb ik eene kleine aanteekening
gevoegd, zonder echter den oorsprong en de beteekenis van al die namen
in het algemeen na te speuren en aan te geven. De Oud-Vlaamsche
spotnamen die ons overgeleverd zijn in het allermerkwaardigste gedicht
Den langen Adieu, van den Bruggeling Eduwaert den Dene, worden ten
slotte, nog bijzonderlijk vermeld, en, ten deele althans, in hunnen
oorsprong en in hunne beteekenis nader besproken. Zoo is de indeeling
van deze verhandeling.
De Friesche spotnamen zijn in de Friesche taal gesteld—dat spreekt
geheel van zelven. Daar is nog geen man van Arum ooit voor „kruiper in
het stof van den weg” gescholden; geen man uit Sneek voor
„duimpjevreter”, geen man uit Warns voor „schapenkeutel”. Maar
„Moudekrûpers”, zóó heeten de Arummers; „Dúmkefretters” de Sneekers;
„Skiepeloarten” de Warnsers. De Friesche spotnamen zijn hier en
vervolgens dan ook in het Friesch vermeld, en daarbij, voor zooverre
noodig, verdietscht, of anderszins in het Nederlandsch verklaard.
In mindere mate is het gelijke ook met andere namen het geval, die
steeds in gouwspraak genoemd worden. Welke Hollander en welke Vlaming,
of welke andere Nederlander, die de gouwspraak van Twente niet kent,
zal den spot naam van de Oldenzalers, „Gruppendrieters”, verstaan? Die
Friesche namen, of die welke in de eene of andere gouwspraak genoemd
worden, verliezen in oorspronkelijkheid, in eigenaardigheid, in kracht,
als ze vertaald worden of in algemeen Nederlandsch overgezet.
Moudekrûper, Gruppendrieter, dat is kernachtig, kort en krachtig,
volkseigen-schoon gezegd. Hoe lamlendig en laf staat daar tegenover
„Kruiper in het stof van den weg”, en: „Iemand, die zijne lichamelijke
ontlasting verricht in eene greppel”—’k weet waarlijk niet hoe men dit
best in zoogenoemd beschaafd Nederlandsch zal zeggen of schrijven.
Leeuwarden is de hoofdstad van Friesland. Met Leeuwarden willen we
beginnen.
De Leeuwarders dragen den spotnaam van „Galgelappers”. Zij zijn
eigenlijk wel twee spotnamen rijk. Immers heeten ze ook wel Speknekken.
Speknek is een bijnaam voor een welgesteld, lichamelijk ook zeer
welvarend man, wiens glad-geschoren nek, zoo als bij zulke lieden wel
’t geval pleegt te zijn, als ’t ware glimt van vet (spek), en met
plooien van eene dikke, onderhuidsche vetlaag is voorzien. Maar deze
spotnaam voor eenen ouderwetschen, dikken, kwabbigen burgerman, zoo als
ik die in den goeden ouden tijd, in mijne jeugd te Leeuwarden nog velen
heb gekend (een geschoren nek, en krullokken vóór de ooren, was „mode”
in de eerste helft dezer eeuw)—de spotnaam Speknek is verdrongen door
dien van Galgelapper.
Hoe nu de Leeuwarders aan den spotnaam Galgelappers gekomen zijn, wil
ik hier eens uitvoerig mededeelen, en wel, voor de verandering,
geschreven in de dagelijksche spreektaal der ouderwetsche Leeuwarder
burgerij; geheel zóó als een Leeuwarder burgerman van den ouden
stempel, dat verhaal den zijnen zoude doen. Dit dient dan met één als
een staaltje van de spreektaal der Leeuwarders, van het verkeerdelijk
zoogenoemde Stad-Friesch (het Stêdsk der Friesch sprekende Friezen), ’t
welk anders niet is als goed Oud-Dietsch, rijk vermengd met Friesche
woorden en woordvormen en zinwendingen, en dan uitgesproken door eenen
Frieschen mond, die geen letter n op ’t einde der woorden verwaarloost,
maar dit wel doet met de r in ’t midden der woorden; ook met sk, s en f
en zachte g in plaats van de Hollandsche sch, z en v en rochelende g,
die geen Fries uitspreken kan (de s of z, de f of v dan in ’t begin der
woorden), tenzij dan kunstmatig, met veel moeite, en met veel
keelgeschrap wat de sch en g betreft.
Luuster nou ’ris! Dan sa’ ’k jimme ’ris fertelle, hoe-’t de Leewarders
an har bijnaam fan Galgelappers komen binne.
Oudtiids hadden alle steden in Friesland, in de groote dorpen oek, daar
’t rechthuus fan ’e grietenij staat, in oek wel sommige staten (dat
binne fan die groote, oud-adellike boereplaatsen), it recht fan galg in
rad, liik as dat doe soo hiette. Dat is te seggen: in die plaatsen
mochten in musten de boosdoenders, de moordenaars, de branstichters in
suk gespuus, foor soo feer as se daar, of in ’e onderhoorichheit fan
die plaatsen har misdaden uutricht hadden, oek ophongen wudde an ’e
galge.
Later, doe-’t Leewarden, in ’e plaats fan Staveren, de hoofdstad fan
Friesland wudden waar, in doe de regeering over Friesland hoe langer
hoe meer in ien han komen waar, in te Leewarden har setel hadde, doe
houdde dat op. Doe musten alle boosdoenders, die-’t in Friesland oppakt
waren, in tot ’e dood feroordeeld, die musten te Leewarden an ’e galge
ophongen wudde. It lansbestuur liet in alle steden in andere plaatsen,
die-’t it recht fan galg in rad hadden, wete—om so mar ’ris te seggen,
met dizze woorden: „Hur ris, jimme Franekers in Harlingers, jimme
Dokkumers, Sneekers in Bolseters, in die ’t it meer angaat, jimme hewwe
ont nou toe jimme eigen moordenaars sels ophongen, mar dat houdt nou
op; dat mut deen weze. As jimme en moordenaar of en andere kwaaddoender
snapt hewwe, in feroordeeld om te hangen, dan mutte jimme die man na
Leewarden sture, om daar dan ophongen te wudden. Set de man dan mar,
goed in ’e boeiens slagen, met een paar dienders of feldwachters of wat
jimme hewwe (as it mar goed fortroude mannen binne), in ’t trekskip na
Leewarden, met en briefke der bij, hoe in wat. Dan salle se te
Leewarden dat saakje wel feerder opknappe, in de man an ’e galge
ophange.”
Nou! dat ston alle minsen lang niet an, in die kleine plaatsen. Want
jimme mutte begripe, d’r gebeurt daar niet veul nijs, soo deur ’n bank;
in dan gaf soo’n ophangerij altiid nog ’ris en aardig fersetsje, in ’n
mooi fleurig kiikje. Mar wat suden se d’ran doen? Se musten wel doen
soo-’t de regeering it hewwe wude, hee? Mar de Leewarders! nou, die
hadden en boel wille deur die nijigheit; in en hopen foordeel oek.
De merkedag wudde doe te Leewarden houden op Saterdag, in niet op
Frijdag, soo as nou teugenwoordig. In fan sels, op merkedag wudde der
ophongen, in branmerkt, in giisseld, in te pronk set. Want sien!
merkedag dan waar der altiid en hopen boerefolk in ’e stad, die daar
dan doch weze musten foor har saken, in om te koopen in te ferkoopen.
Mar dan kwammen d’r altiid oek en boel uut nijsgierigheit om ’t
ophangen te sien. In soo had de Leewarder galge it mar drok; hast alle
Saterdags waar d’r ’t ien of ander op ’t skawot te redden. In daar
hadden de Leewarders dan niet allienig de nocht in de wille fan, mar
oek groot foordeel. Fooral de kas’leins in de koekebakkers. Want en
koem koffi met en stuk koek, in en burreltsje—dat waar al ’t minste dat
de lui bruukten. De meesten nammen feul meer achter ’t fesje. In daar
kwam dan nog bij alderlei koopmanskap fan alderlei guud dat ’t
boerefolk noodig had, oek fan goud in sulver in mooie kleeren foor de
froului—dus de Leewarder merkedag wudde mar deeg fleurig fan dat alles.
Dat gong soo jaren heene, in de Leewarder galge had mar en boel te
doen. In fan sels—soodoende sleet-i oek deeg. Langsamerhand begon-i al
mooi oud te wudden, in te ferfallen. D’r muste noodig in nije galge
komme, soo noodig as eten in ’e mon.
Ja, mar wie must die nije galge betale? Daar kwam it mar op an. De
Leewarders seiden: Alles goed in wel! ’t is ons galge, in as d’r
allienig mar Leewarders an ophongen wudden, dan musten wij him oek
allienig onderhoude; of fernije, as ’t noodig waar. Mar nou al die
kleinsteedsers d’r an ophongen wudde, in al dat butenfolk, nou mutte
die minsen d’r oek mar an betale. It sude wat moois weze! Wij de galge
onderhoude, of en nije galge geve; in die Franeker klokkedieven in
Harlinger tobbedansers, die Dokkumer garnaten, Sneeker duumkefreters in
Bolseter olikoeken, in al die butenminsen, die suden d’r mar frij
anhange!—alles in recht in billikheid! Mar soo niet!
Hou wat! seiden doe de kleinsteedsers in it boerefolk, hou wat! Jimme
Leewarder Speknekken! jimme hewwe alle wille in oek alle foordeel fan
’e ophangerij, mar wij krije d’r in ons eigen plaatsen niks meer fan te
sien. ’T is billik in recht dat jimme nou oek de galge onderhoude, of
anders en nije galge make late!
Dat gaf nou fan sels ’n hopen roezje onder ’e lui, in ’n hopen geskriif
in gewriif onder ’e heeren. Want sien, ieder bleef fan sels stiif op
siin stuk staan—dat is ’t oude Friesse gebruuk soo, in daar mut me ien
dan oek an houde—is ’t nou waar of niet?
Nou, de galge waar oek nog niet soo, al sag-i d’r frij wat skunnig uut,
of-i kon nog wel wat dienst doen. In soo bleef dan die saak fan ’n nije
galge fooreerst mar sloeren.
Doe waar daar in die tiid ’n kleermaker te Dokkum, in die man had ’n
boos wiif. Benaud boos, kan ’k jimme segge. In op ’n goeie morgen sloeg
die man siin frou dood, met ’t striikiisder in de parsplanke. ’T waar
anders mar en klein, springerig in spichtig kereltsje, soo as de
sniders feulal binne; mar sien, die booze flarde had de man breinroer
maakt. Goed! Hij wudde oppakt, in fonnisd, in na Leewarden brocht, in
’t trekskip, om daar ophongen te wudden. De Frijdagsmiddags kwam-i te
Leewarden an, in de Saterdagsmiddags om twaalf uur suud-i ophongen
wudde. Eerst kreeg-i nog siin galgemaal. Want de lui die-’t oudtiids
ophongen wudden, mochten die daags foor ’t laast nog ’ris uutkieze, wat
se ete wuden. In wat se dan begeerden—as ’t niet al te mal waar, dat
kregen se dan oek. Nou—dizze man dan, die koos eindfeugel met
appelsmots; want it waar in ’t najaar. In daar ’n fles wiin bij; want
wiin had de man eigentlik nooit niet goed proefd. In doe-’t-’i dat
lekker oppeuzeld hadde, doe kwam d’r nog ’n domenij ’n half uurke bij
him—och ja, mins!—In daarna brochten se him op ’t skawot.
Doe die man daar soo ston onder ’e galge, in de beulsknecht sette de
ledder al klaar, in de burgemeester met de froedsmannen stonnen om him
heene, doe keek die man ’ris na boven, na de galge daar-’t-i an hange
muste. In doe skudd’-’i ’t hoofd, in doe wudd’-’i moeielik. Sij froegen
him wat of-’t-’i hadde. Och! seid’-i, Heeren fan ’e stad fan Luwarden!
[3] dat ik hier ophongen wudde sil, dat is tot daair an toe. Daair sil
ik niks fan segge. Dat hew ik ferdiend; in die wat ferdient, die mut
wat hewwe, segge se bij ons in Dokkum. Dat is niet anders. Mar—(in doe
sag die man al weêr na boven, na de galge) mar dat ik nou an soo’n
skunnige, an soo’n rotterige galge mut—dat krinkt mij. Ik bin ’n
fatsoendelik burgermanskiin fan ’e stad fan Dokkum, fan ouder tot
foorouder. In dat ik nou an soo’n wrak, onsjog ding bongele sil, daair
skiet mij ’t moed fan fol. Waar it nog ’n knappe, krease galge, ik suud
d’r niks fan segge. Sien! ik hew miin leven lang feul fan Luwarden
seggen hoord, dat it soo’n mooie stad is, in sukke mooie groote huzen,
in alles like deftig, knap in kreas. Mar die rotterige galge, die
skeint de hele stad. It is suver en skande foor de hoofdstad fan
Friesland. In jimme Luwarders! jimme sille om die oude galge, nog ’n
kwaaide naaim krije bij andere lui. Dit is te slim, Heeren! fur ’n
fatsoendelik burgermanskiin fan Dokkum!”
Mar, ons maat mocht lipe of pipe, in hij mocht hoog springe of leeg
springe, dat holp him allemaal niks. Hij muste d’r an geloove. In gien
twie minuten later, doe bongeld’-i al boven an ’t dwarshout fan ’e
galge.
Nou, doe dat karwei dan ofloopen waar, doe seide de burgemeester fan
Leewarden teugen ’e froedsmannen: „Hur ’ris! die Dokkumer kleermaker
het geliik had. Ik wude d’r niks fan segge, daar die man bij waar, mar
geliik het-i. Ons galge is te min. In d’r mut ferandering komme; anders
houdt heele Friesland ons nog voor de gek. Wij binne ’t an de eere in
an de goede naam fan ons stad ferplicht, om hierin ferbetering an te
brengen. In kan d’r dan gien gloednije galge op staan, in fredesnaam!
dan mutte wij de oude galge mar wat oplappe in opknappe. Dat kan oek
best!”
In soo wudde ’t dan besloten. De stads-timmerbaas hakte de rotterige
steden d’r uut, in-i sette daar nije stukken foor in ’t plak, in-i
bespikerde de galge wat, in-i skoorde ’m wat. In doe ferwde de ferwer
him mooi rood op. In sie daar! de galge waar alheel oplapt in opknapt,
in-i leek wel weer nij.
Ja—mar de Leewarders, omdat se soo skriel waren, dat se gien nije galge
betale wuden, die hewwe daar fan de bijnaam kregen van: