SPOTNAMEN VAN STEDEN EN DORPEN.

Onderscheid in geaardheid, onderscheid in volkseigene zaken, taal en

tongval, kleeding, zeden en gebruiken, nering en bedrijf bij zee-,

steê- en landvolk, onderscheid in richting en partijschap op

godsdienstig en op staatkundig en maatschappelijk gebied is er heden

ten dage in ons vaderland nog ruimschoots voorhanden, tusschen de

bevolking van het eene en van het andere gewest, van de verschillende

Nederlandsche gewesten onderling. Niettegenstaande dit onderscheid

langzamerhand al minder en minder wordt, en gedurig uitslijt, vooral

door het meerdere en gemakkelijke verkeer tusschen de lieden uit de

verschillende gewesten van ons land onderling, zoo onderkent men toch

den Fries aan allerlei volkseigene en bijzonder Friesche zaken en

eigenaardigheden nog gemakkelijk uit alle andere Nederlanders. Maar ook

de Groningerlander en de Zeeuw, de Hollander en de Gelderschman, de

Overijsselaar en de Brabander, de Drent en de Limburger, ja ook de

Hollander uit het Noorden (West-Friesland) en die uit het Zuiden (het

Overmaassche) zijn voor den opmerkzamen man duidelijk en gemakkelijk te

kennen, duidelijk en gemakkelijk de een van den ander te onderscheiden.

Oudtijds traden de kenteekenen die den Fries en den Brabander, den

Gelderschman en den Hollander, den Drent en den Zeeuw onderscheiden,

veel sterker te voorschijn dan heden ten dage. Ja, allerlei bijzondere

kenmerken waren zelfs op te merken bij de bewoners van verschillende

steden en dorpen—kenmerken, waardoor dezen zich onderscheidden van de

ingezetenen van andere, van naburige of ook van verderaf gelegene

plaatsen. Het onderscheid tusschen de bewoners van twee naburige

plaatsen, al waren die lieden dan ook oorspronkelijk van geheel den

zelfden volksstam, viel juist hen onderling, over en weêr, bijzonder in

’t oog, klonk juist te duidelijker in hun oor, werd juist door hen te

scherper opgemerkt. Voor den Hollander moge er geen onderscheid zijn te

bespeuren, in spraak noch in voorkomen, noch in eenigerlei andere

volkseigene zaak tusschen eenen burgerman uit Leeuwarden en eenen uit

Dokkum, voor den Leeuwarder en den Dokkumer zelven is dit onderscheid

zeer wel te hooren en te zien. De Friezen mogen de Noord-Brabanders en

Limburgers dooréén werpen, en niet afzonderlijk onderkennen,

Bosschenaren en Maastrichtenaren, die van Breda en die van Roermond,

zijn diep doordrongen van het verschil dat er tusschen hen onderling

bestaat. De Hollander, in ’t algemeen de Nederlander uit het Westen en

het Zuiden des lands moge al Groningerlanders en Friezen over eenen en

den zelfden kam scheren en niet onderscheiden, de Amsterdamsche

grootstedeling moge die twee gelijkelijk als „buitenlui”, als

„provincialen, uit het Noorden” bestempelen en ze niet

onderscheidenlijk onderkennen, voor den Fries en den Groningerlander

zelven, over en weêr, zijn de bijzondere kenmerken, die hen

onderscheiden, zeer duidelijk en zeer groot, en de Leeuwarder begrijpt

zoo min als de Groninger hoe de Hollander den een met den ander als in

eenen adem kan noemen, hoe hij den een met den anderen kan verwisselen

en verwarren.

In oude tijden, toen de gelegenheden van onderling verkeer tusschen de

verschillende Nederlandsche gewesten, ook tusschen de verschillende

steden en dorpen van het zelfde gewest zoo veel minder en geringer

waren dan thans, kwamen de menschen, over ’t algemeen genomen, uit de

eene plaats vaak weinig of niet, soms schier nooit in aanraking met die

uit eene andere plaats, al ware ’t ook dat die twee plaatsen, naar ons

hedendaagsch begrip, volstrekt niet verre van elkander af lagen.

Natuurlijk bleven, ten gevolge van dit besloten zijn binnen de muren en

wallen en grachten van de eigene stad, hoogstens binnen de grenzen van

de eigene gouw, de oude volkseigenheden steeds vast en duidelijk in

wezen, bleven scherper begrensd, hielden veel langer stand dan heden

ten dage, nu schier de helft van de Nederlanders niet meer woont in de

plaatsen, waarin ze geboren en groot gebracht zijn, waar hunne

maagschap van oudsher gezeten is.

Het onderlinge verschil tusschen de ingezetenen van de eene plaats en

die van de andere, werd ook wel eene oorzaak van min vriendelijke

verhouding over en weêr, van onderlingen naijver—ja, als ’t hoog liep,

van onderlingen afkeer, zelfs van haat. Kleingeestigheid,

bekrompenheid, uit onkunde geboren, weêrhield, aan den eenen kant,

wederzijdsche erkenning als volks-, als stamgenooten, en mat, aan de

andere zijde, het onderlinge, veelal onwezenlijke verschil ten

breedsten, ten hatelijksten uit. Leeuwarders en Dokkumers, bij

voorbeeld, gevoelden zich niet als volksgenooten, als Friezen, de eene

zoo goed als de andere, maar als Leeuwarders en Dokkumers op zich

zelven, als „Leeuwarder Galgelappers” en als „Dokkumer Garnaten”, zoo

als men elkanderen over en weêr betitelde, ja wel uitschold. Tusschen

Amsterdammers en Haarlemmers, al hoe nabij elkanderen hunne steden ook

gelegen zijn, heerschte in de 16e eeuw de grootste naijver—een naijver

die zich onder anderen lucht gaf in de spotnamen „Koeketers” en

„Muggen”, die men elkanderen wederkeerig toevoegde—een naijver die, bij

voorbeeld, ook blijkt uit het min of meer smalende vers, waarmede de

blijspeldichter Gerbrand Adriaense Brederoô, een Oud-Amsterdammer in

merg en been, de Haarlemmers uitdaagde:

„Haerlemsche drooge harten nu,

Toont nu eens wie gy syt!

Wy Amsterdammers tarten u

Te drincken eens om stryt.”

En juist zulk eene verhouding bestond er tusschen den Zwolschen

Blauwvinger en den Kamper Steur, tusschen den Deventerschman en den

Zutfenaar, tusschen den Franeker Klokkedief en den Harlinger

Tobbedanser, tusschen den Rotterdammer en den Dordtenaar, tusschen den

Emder Potschijter en den Auriker Pogge, tusschen den Antwerpschen

Sinjoor en den Mechelschen Maneblusscher, tusschen den Gentenaar en den

Bruggeling, tusschen den Keuneter van Duinkerke en den Drinker van St.

Winoksbergen.

Overal in al de Nederlanden, Noord en Zuid, en in aangrenzende

stamverwante gewesten die thans tot Duitschland en Frankrijk behooren

(Oost-Friesland, Bentheim, Munsterland, Fransch-Vlaanderen en Artesië),

had men oudtijds zulke spotnamen voor de inwoners van steden en dorpen;

en al mogen die namen tegenwoordig al minder sterk op den voorgrond

treden als in vorige tijden het geval geweest is, ze zijn toch heden

ten dage nog geenszins volkomen verdwenen. Oudtijds gaf de onderlinge

naijver, zich vooral ook uitende in het wederkeerig elkander noemen en

schelden met spotnamen, wel aanleiding tot zeer gespannen verhoudingen,

tot wrevel en haat, tot vechtpartijen zelfs, waarbij men elkanderen wel

bloedige koppen sloeg. Dit behoort in onzen tijd tot het verledene,

maar de oude spotnamen zijn nog wel bekend, en worden nog wel eens

gebruikt, zij het dan ook in tamelijk onschuldige plagerij, of geheel

in scherts.

Deze oude spotnamen zijn voor een goed deel belangrijk in menig

opzicht. Velen daarvan zijn reeds zeer oud en dagteekenen uit de

middeleeuwen. Velen ook berusten op het eene of andere geschiedkundige

feit, anderen op het wapen dat eigen is aan stad of dorp (Klokkedieven

van Franeker, Balkedieven van ’t Ameland, Mollen van Schermerhorn).

Anderen weêr danken hun ontstaan aan het eene of andere bijzondere

voorval, waarbij door den nabuur, den tegenstander, in ’t geven van den

spotnaam, juist de domme, de belachelijke zijde der zaak werd in ’t

licht gesteld (Kalfschieters van Delft, Keislepers van Amersfoort,

Maneblusschers van Mechelen, Rogstekers van Weert). Weêr anderen zijn

ontleend aan eenen bijzonderen tak van handel, van nering of bedrijf,

die in de eene stad bestond, in de andere niet; Gortbuiken of

Gortzakken van Alkmaar—te Alkmaar bestonden oudtijds vele grutterijen,

en de Alkmaarsche gort was wijd vermaard in den lande; Botervreters van

Diksmude en Kaasmakers van Belle—beide deze Vlaamsche plaatsen zijn van

ouds bekend om hare zuivelbereiding. Sommigen ook zijn ontstaan door de

eene of andere lekkernij, die in de eene of andere stad bijzonder

gemaakt en door de inwoners bij voorkeur gegeten of gedronken werd.

(Koeketers van Amsterdam, Klienroggen van de Joure, Dúmkefretters van

Sneek, Molboonen van Groningen, Roodbierdrinkers van Harelbeke.)

Kieskeurig waren de oude Nederlanders geenszins, in het bedenken en

gebruiken van spotnamen. Van daar dat sommige dezer namen heden ten

dage slechts ternauwernood in beschaafd mannen-gezelschap genoemd

kunnen worden; (Zandpissers van de Zijpe, Gruppendrieters van

Oldenzaal, Potschijters van Emden, Luzeknippers van Eernewoude,

Mosterdschijters van Diest). Maar, jufferachtig preutsch moet men niet

zijn, als men sommige eigenaardigheden onzer voorouders in nadere

behandeling neemt.

Al deze Oud-Nederlandsche spotnamen te zamen genomen geven een veelal

verrassend, ook leerzaam en soms niet onvermakelijk inzicht in de

beschavingsgeschiedenis van ons volk.

De spotnamen zijn over al de Nederlanden, Noord en Zuid, verspreid; in

al de Nederlandsche gewesten zijn ze in gebruik. In ’t eene gewest

echter meer dan in het andere. In de Friesche en in de Vlaamsche

gewesten zijn ze het talrijkst. Ook in de oorspronkelijk Dietsche

gewesten van Frankrijk (Fransch-Vlaanderen en Artesië) komen er voor,

en niet minder in de Friesche gouwen van Noord-Duitschland (Oost-,

Wezer- en Noord-Friesland). [2]

Als Fries zijn mij de Friesche spotnamen het beste en het volledigste

bekend. Dus komt in deze verhandeling aan de Friesche spotnamen het

leeuwendeel toe, en worden ze in de eerste plaats uitvoerig besproken

en verklaard. Vervolgens worden de spotnamen van de overige

Nederlandsche gewesten, voor zooverre ze mij bekend zijn, hier allen

vermeld. Bij sommigen van die namen heb ik eene kleine aanteekening

gevoegd, zonder echter den oorsprong en de beteekenis van al die namen

in het algemeen na te speuren en aan te geven. De Oud-Vlaamsche

spotnamen die ons overgeleverd zijn in het allermerkwaardigste gedicht

Den langen Adieu, van den Bruggeling Eduwaert den Dene, worden ten

slotte, nog bijzonderlijk vermeld, en, ten deele althans, in hunnen

oorsprong en in hunne beteekenis nader besproken. Zoo is de indeeling

van deze verhandeling.

De Friesche spotnamen zijn in de Friesche taal gesteld—dat spreekt

geheel van zelven. Daar is nog geen man van Arum ooit voor „kruiper in

het stof van den weg” gescholden; geen man uit Sneek voor

„duimpjevreter”, geen man uit Warns voor „schapenkeutel”. Maar

„Moudekrûpers”, zóó heeten de Arummers; „Dúmkefretters” de Sneekers;

„Skiepeloarten” de Warnsers. De Friesche spotnamen zijn hier en

vervolgens dan ook in het Friesch vermeld, en daarbij, voor zooverre

noodig, verdietscht, of anderszins in het Nederlandsch verklaard.

In mindere mate is het gelijke ook met andere namen het geval, die

steeds in gouwspraak genoemd worden. Welke Hollander en welke Vlaming,

of welke andere Nederlander, die de gouwspraak van Twente niet kent,

zal den spot naam van de Oldenzalers, „Gruppendrieters”, verstaan? Die

Friesche namen, of die welke in de eene of andere gouwspraak genoemd

worden, verliezen in oorspronkelijkheid, in eigenaardigheid, in kracht,

als ze vertaald worden of in algemeen Nederlandsch overgezet.

Moudekrûper, Gruppendrieter, dat is kernachtig, kort en krachtig,

volkseigen-schoon gezegd. Hoe lamlendig en laf staat daar tegenover

„Kruiper in het stof van den weg”, en: „Iemand, die zijne lichamelijke

ontlasting verricht in eene greppel”—’k weet waarlijk niet hoe men dit

best in zoogenoemd beschaafd Nederlandsch zal zeggen of schrijven.

Leeuwarden is de hoofdstad van Friesland. Met Leeuwarden willen we

beginnen.

De Leeuwarders dragen den spotnaam van „Galgelappers”. Zij zijn

eigenlijk wel twee spotnamen rijk. Immers heeten ze ook wel Speknekken.

Speknek is een bijnaam voor een welgesteld, lichamelijk ook zeer

welvarend man, wiens glad-geschoren nek, zoo als bij zulke lieden wel

’t geval pleegt te zijn, als ’t ware glimt van vet (spek), en met

plooien van eene dikke, onderhuidsche vetlaag is voorzien. Maar deze

spotnaam voor eenen ouderwetschen, dikken, kwabbigen burgerman, zoo als

ik die in den goeden ouden tijd, in mijne jeugd te Leeuwarden nog velen

heb gekend (een geschoren nek, en krullokken vóór de ooren, was „mode”

in de eerste helft dezer eeuw)—de spotnaam Speknek is verdrongen door

dien van Galgelapper.

Hoe nu de Leeuwarders aan den spotnaam Galgelappers gekomen zijn, wil

ik hier eens uitvoerig mededeelen, en wel, voor de verandering,

geschreven in de dagelijksche spreektaal der ouderwetsche Leeuwarder

burgerij; geheel zóó als een Leeuwarder burgerman van den ouden

stempel, dat verhaal den zijnen zoude doen. Dit dient dan met één als

een staaltje van de spreektaal der Leeuwarders, van het verkeerdelijk

zoogenoemde Stad-Friesch (het Stêdsk der Friesch sprekende Friezen), ’t

welk anders niet is als goed Oud-Dietsch, rijk vermengd met Friesche

woorden en woordvormen en zinwendingen, en dan uitgesproken door eenen

Frieschen mond, die geen letter n op ’t einde der woorden verwaarloost,

maar dit wel doet met de r in ’t midden der woorden; ook met sk, s en f

en zachte g in plaats van de Hollandsche sch, z en v en rochelende g,

die geen Fries uitspreken kan (de s of z, de f of v dan in ’t begin der

woorden), tenzij dan kunstmatig, met veel moeite, en met veel

keelgeschrap wat de sch en g betreft.

Luuster nou ’ris! Dan sa’ ’k jimme ’ris fertelle, hoe-’t de Leewarders

an har bijnaam fan Galgelappers komen binne.

Oudtiids hadden alle steden in Friesland, in de groote dorpen oek, daar

’t rechthuus fan ’e grietenij staat, in oek wel sommige staten (dat

binne fan die groote, oud-adellike boereplaatsen), it recht fan galg in

rad, liik as dat doe soo hiette. Dat is te seggen: in die plaatsen

mochten in musten de boosdoenders, de moordenaars, de branstichters in

suk gespuus, foor soo feer as se daar, of in ’e onderhoorichheit fan

die plaatsen har misdaden uutricht hadden, oek ophongen wudde an ’e

galge.

Later, doe-’t Leewarden, in ’e plaats fan Staveren, de hoofdstad fan

Friesland wudden waar, in doe de regeering over Friesland hoe langer

hoe meer in ien han komen waar, in te Leewarden har setel hadde, doe

houdde dat op. Doe musten alle boosdoenders, die-’t in Friesland oppakt

waren, in tot ’e dood feroordeeld, die musten te Leewarden an ’e galge

ophongen wudde. It lansbestuur liet in alle steden in andere plaatsen,

die-’t it recht fan galg in rad hadden, wete—om so mar ’ris te seggen,

met dizze woorden: „Hur ris, jimme Franekers in Harlingers, jimme

Dokkumers, Sneekers in Bolseters, in die ’t it meer angaat, jimme hewwe

ont nou toe jimme eigen moordenaars sels ophongen, mar dat houdt nou

op; dat mut deen weze. As jimme en moordenaar of en andere kwaaddoender

snapt hewwe, in feroordeeld om te hangen, dan mutte jimme die man na

Leewarden sture, om daar dan ophongen te wudden. Set de man dan mar,

goed in ’e boeiens slagen, met een paar dienders of feldwachters of wat

jimme hewwe (as it mar goed fortroude mannen binne), in ’t trekskip na

Leewarden, met en briefke der bij, hoe in wat. Dan salle se te

Leewarden dat saakje wel feerder opknappe, in de man an ’e galge

ophange.”

Nou! dat ston alle minsen lang niet an, in die kleine plaatsen. Want

jimme mutte begripe, d’r gebeurt daar niet veul nijs, soo deur ’n bank;

in dan gaf soo’n ophangerij altiid nog ’ris en aardig fersetsje, in ’n

mooi fleurig kiikje. Mar wat suden se d’ran doen? Se musten wel doen

soo-’t de regeering it hewwe wude, hee? Mar de Leewarders! nou, die

hadden en boel wille deur die nijigheit; in en hopen foordeel oek.

De merkedag wudde doe te Leewarden houden op Saterdag, in niet op

Frijdag, soo as nou teugenwoordig. In fan sels, op merkedag wudde der

ophongen, in branmerkt, in giisseld, in te pronk set. Want sien!

merkedag dan waar der altiid en hopen boerefolk in ’e stad, die daar

dan doch weze musten foor har saken, in om te koopen in te ferkoopen.

Mar dan kwammen d’r altiid oek en boel uut nijsgierigheit om ’t

ophangen te sien. In soo had de Leewarder galge it mar drok; hast alle

Saterdags waar d’r ’t ien of ander op ’t skawot te redden. In daar

hadden de Leewarders dan niet allienig de nocht in de wille fan, mar

oek groot foordeel. Fooral de kas’leins in de koekebakkers. Want en

koem koffi met en stuk koek, in en burreltsje—dat waar al ’t minste dat

de lui bruukten. De meesten nammen feul meer achter ’t fesje. In daar

kwam dan nog bij alderlei koopmanskap fan alderlei guud dat ’t

boerefolk noodig had, oek fan goud in sulver in mooie kleeren foor de

froului—dus de Leewarder merkedag wudde mar deeg fleurig fan dat alles.

Dat gong soo jaren heene, in de Leewarder galge had mar en boel te

doen. In fan sels—soodoende sleet-i oek deeg. Langsamerhand begon-i al

mooi oud te wudden, in te ferfallen. D’r muste noodig in nije galge

komme, soo noodig as eten in ’e mon.

Ja, mar wie must die nije galge betale? Daar kwam it mar op an. De

Leewarders seiden: Alles goed in wel! ’t is ons galge, in as d’r

allienig mar Leewarders an ophongen wudden, dan musten wij him oek

allienig onderhoude; of fernije, as ’t noodig waar. Mar nou al die

kleinsteedsers d’r an ophongen wudde, in al dat butenfolk, nou mutte

die minsen d’r oek mar an betale. It sude wat moois weze! Wij de galge

onderhoude, of en nije galge geve; in die Franeker klokkedieven in

Harlinger tobbedansers, die Dokkumer garnaten, Sneeker duumkefreters in

Bolseter olikoeken, in al die butenminsen, die suden d’r mar frij

anhange!—alles in recht in billikheid! Mar soo niet!

Hou wat! seiden doe de kleinsteedsers in it boerefolk, hou wat! Jimme

Leewarder Speknekken! jimme hewwe alle wille in oek alle foordeel fan

’e ophangerij, mar wij krije d’r in ons eigen plaatsen niks meer fan te

sien. ’T is billik in recht dat jimme nou oek de galge onderhoude, of

anders en nije galge make late!

Dat gaf nou fan sels ’n hopen roezje onder ’e lui, in ’n hopen geskriif

in gewriif onder ’e heeren. Want sien, ieder bleef fan sels stiif op

siin stuk staan—dat is ’t oude Friesse gebruuk soo, in daar mut me ien

dan oek an houde—is ’t nou waar of niet?

Nou, de galge waar oek nog niet soo, al sag-i d’r frij wat skunnig uut,

of-i kon nog wel wat dienst doen. In soo bleef dan die saak fan ’n nije

galge fooreerst mar sloeren.

Doe waar daar in die tiid ’n kleermaker te Dokkum, in die man had ’n

boos wiif. Benaud boos, kan ’k jimme segge. In op ’n goeie morgen sloeg

die man siin frou dood, met ’t striikiisder in de parsplanke. ’T waar

anders mar en klein, springerig in spichtig kereltsje, soo as de

sniders feulal binne; mar sien, die booze flarde had de man breinroer

maakt. Goed! Hij wudde oppakt, in fonnisd, in na Leewarden brocht, in

’t trekskip, om daar ophongen te wudden. De Frijdagsmiddags kwam-i te

Leewarden an, in de Saterdagsmiddags om twaalf uur suud-i ophongen

wudde. Eerst kreeg-i nog siin galgemaal. Want de lui die-’t oudtiids

ophongen wudden, mochten die daags foor ’t laast nog ’ris uutkieze, wat

se ete wuden. In wat se dan begeerden—as ’t niet al te mal waar, dat

kregen se dan oek. Nou—dizze man dan, die koos eindfeugel met

appelsmots; want it waar in ’t najaar. In daar ’n fles wiin bij; want

wiin had de man eigentlik nooit niet goed proefd. In doe-’t-’i dat

lekker oppeuzeld hadde, doe kwam d’r nog ’n domenij ’n half uurke bij

him—och ja, mins!—In daarna brochten se him op ’t skawot.

Doe die man daar soo ston onder ’e galge, in de beulsknecht sette de

ledder al klaar, in de burgemeester met de froedsmannen stonnen om him

heene, doe keek die man ’ris na boven, na de galge daar-’t-i an hange

muste. In doe skudd’-’i ’t hoofd, in doe wudd’-’i moeielik. Sij froegen

him wat of-’t-’i hadde. Och! seid’-i, Heeren fan ’e stad fan Luwarden!

[3] dat ik hier ophongen wudde sil, dat is tot daair an toe. Daair sil

ik niks fan segge. Dat hew ik ferdiend; in die wat ferdient, die mut

wat hewwe, segge se bij ons in Dokkum. Dat is niet anders. Mar—(in doe

sag die man al weêr na boven, na de galge) mar dat ik nou an soo’n

skunnige, an soo’n rotterige galge mut—dat krinkt mij. Ik bin ’n

fatsoendelik burgermanskiin fan ’e stad fan Dokkum, fan ouder tot

foorouder. In dat ik nou an soo’n wrak, onsjog ding bongele sil, daair

skiet mij ’t moed fan fol. Waar it nog ’n knappe, krease galge, ik suud

d’r niks fan segge. Sien! ik hew miin leven lang feul fan Luwarden

seggen hoord, dat it soo’n mooie stad is, in sukke mooie groote huzen,

in alles like deftig, knap in kreas. Mar die rotterige galge, die

skeint de hele stad. It is suver en skande foor de hoofdstad fan

Friesland. In jimme Luwarders! jimme sille om die oude galge, nog ’n

kwaaide naaim krije bij andere lui. Dit is te slim, Heeren! fur ’n

fatsoendelik burgermanskiin fan Dokkum!”

Mar, ons maat mocht lipe of pipe, in hij mocht hoog springe of leeg

springe, dat holp him allemaal niks. Hij muste d’r an geloove. In gien

twie minuten later, doe bongeld’-i al boven an ’t dwarshout fan ’e

galge.

Nou, doe dat karwei dan ofloopen waar, doe seide de burgemeester fan

Leewarden teugen ’e froedsmannen: „Hur ’ris! die Dokkumer kleermaker

het geliik had. Ik wude d’r niks fan segge, daar die man bij waar, mar

geliik het-i. Ons galge is te min. In d’r mut ferandering komme; anders

houdt heele Friesland ons nog voor de gek. Wij binne ’t an de eere in

an de goede naam fan ons stad ferplicht, om hierin ferbetering an te

brengen. In kan d’r dan gien gloednije galge op staan, in fredesnaam!

dan mutte wij de oude galge mar wat oplappe in opknappe. Dat kan oek

best!”

In soo wudde ’t dan besloten. De stads-timmerbaas hakte de rotterige

steden d’r uut, in-i sette daar nije stukken foor in ’t plak, in-i

bespikerde de galge wat, in-i skoorde ’m wat. In doe ferwde de ferwer

him mooi rood op. In sie daar! de galge waar alheel oplapt in opknapt,

in-i leek wel weer nij.

Ja—mar de Leewarders, omdat se soo skriel waren, dat se gien nije galge

betale wuden, die hewwe daar fan de bijnaam kregen van:

Studiën in Nederlandsche Namenkunde · 第 6 / 26 题