Nog eens zeide hij ernstig: "Gij geeft mij immers verlof te kiezen?"

"Natuurlijk; mijn eens gegeven woord is me heilig."

"Nu dan, vergun mij, dien knaap te nemen, dien gij als gevangene met

u voert."

Dit antwoord verbaasde den edelman in hooge mate, maar het wekte niet

minder zijn ergernis: "Wat, daar had ik niet op gerekend; ik gaf je

verlof, een dienaar te kiezen, niet een gevangene."

De koopman liet zich intusschen niet uit het veld slaan. Daar hij

maar al te goed gezien had, hoe groot het verlangen van den ridder

naar het kleed was, sprak hij bedaard: "We zijn het dus niet eens,

welnu, dan gaat de koop niet door."

"Waarom vraag je niet een flinke som geld?"

"Omdat mijn mantel voor geld niet te koop is," antwoordde de handelaar

wel beleefd, maar toch zoo beslist, dat de ridder niet verder behoefde

aan te dringen.

Eenige oogenblikken verkeerde de edelman in tweestrijd; die mantel

blonk hem zoo aanlokkelijk in de oogen.

Aan den anderen kant wilde hij zoo gaarne de voldoening smaken van

een ontvluchten lijfeigene geducht te straffen.

Wat moest hij doen?

Intusschen waren andere koopers genaderd en de handelaar hield zich

met dezen bezig. De schijnbare onverschilligheid, waarvan hij blijk

gaf, wond den edelman op.

"Spreek," riep heer Diederik ruw, "wat moet je voor den mantel

hebben. Noem een flinken prijs alsjeblieft, maar...."

"Ik blijf bij hetgeen ik gezegd heb," was het eenvoudige antwoord.

Reeds wilde heer Diederik, toornig over zulk een koppigheid, maar

nog meer geërgerd, daar men hem durfde wederstreven, zich omkeeren.

Nog eenmaal keek hij den heerlijken mantel aan. En nu werd de

verzoeking te sterk.

"Vooruit dan maar," riep hij plotseling, tot groote verbazing van

de omstanders.

Dadelijk werd Alewijn van de banden bevrijd en de edelman ontving

den mantel.

Diep ontroerd viel de gelukkige jongen op de knieën, stamelend sprak

hij zijn dank uit en tranen druppelden op des koopmans handen, toen

Alewijn zich bukte, om ze te kussen.

Maar de handelaar glimlachte en sprak: "Elk zijn beurt, mijn jongen. Nu

ben je vrij, voor altijd."

De omstanders begrepen er niets van. Sommigen mompelden, dat het vader

en zoon waren, die elkander hadden weergezien. Niemand wist het rechte,

maar dat behoefde ook niet.

Alewijn werd door den rijken koopman in staat gesteld, zijn ouders

op te zoeken.

Helaas, de reis was vergeefsch. In de buurt der abdij gekomen, vernam

de jongen, dat zijn moeder gestorven, zijn vader in een vreemd land

verkocht was.

Niets bond hem meer aan het land zijner geboorte, waar hij zooveel

ellende had geleden. Hij keerde naar den koopman terug en vergezelde

hem op al zijn tochten. Van nu af begon er een nieuw leven voor

Alewijn. Hij zag tal van vreemde streken; hij reisde naar alle oorden

der wereld en genoot volop van de verworven vrijheid.

Alewijn, de Lijfeigene: Historisch verhaal uit de 12e eeuw · 第 37 / 38 题