ONVERWACHTE UITREDDING.

't Was druk in Utrecht; van alle kanten hadden reizigers en kooplui

en boeren in de stad gastvrijheid gezocht; voortdurend kwamen

vreemdelingen aan, sommigen met schepen, velen met wagens, anderen

te paard, maar ook tal van voetgangers hadden zich een lastige reis

getroost, om in de beroemde handelsstad goede zaken te kunnen doen.

De koopman, dien Alewijn van den dood gered had, was eveneens in

Utrecht aangekomen, had zijn waren in een pakhuis gelost en bevond

zich nu op de markt, waar een deel van zijn zijde en van de andere

stoffen lag uitgestald. Zoo wachtte hij geduldig het oogenblik af,

dat een kooper hem zou naderen.

Kalm en rustig bleef hij zitten, zich verlustigende in den aanblik

van het gewoel, maar tegelijk goed uitziende, of Alewijn zich ook

onder de menschenmassa mocht bevinden.

De goedhartige koopman toch voelde warme dankbaarheid jegens den

redder van zijn leven en niets was hem meer pijnlijk, dan dat hij de

gelegenheid zou missen, om zijn erkentelijkheid te toonen.

Nu rekende hij er stellig op, dat de jongen in Utrecht wel zou zijn

aangeland. Hij had echter in het geheel geen vermoeden van den

deerniswekkenden toestand, waarin Alewijn de groote koopstad had

moeten binnentreden.

Toen dan ook een aanzienlijk, trotsch edelman, van een talrijk gevolg

vergezeld, de markt overstak, dacht de koopman er allerminst aan,

Alewijn onder dat gezelschap te zoeken.

Trouwens, op dat oogenblik vergat hij den knaap geheel en al. Geen

wonder: de trotsche oogen van den ridder hadden zich met onverholen

belangstelling op een zijden kleed gevestigd, een kostelijken, met

gouddraad gestikten mantel, die tot het edelste van de uitstalling

behoorde.

Geruimen tijd bleef hij staan, om het prachtstuk te bewonderen.

Wat zou hij daarmee kunnen pronken op den dag, dat zijn vrienden zich

voor het tournooi op zijn kasteel hadden vergaderd.

Wat zouden allen hem benijden, wat zou ieder van hem spreken.

In zijn gedachten zag hij zich al, zoo rijk getooid, in den grooten

armstoel zitten, die de eerezetel van de groote zaal in het kasteel

was.

Ook 's ridders metgezel betuigde zijn ongeveinsde bewondering, maar

beiden waren het er over eens, dat zoo'n kostbaar stuk buitengewoon

veel geld moest kosten. De laatste oorlog mocht groote voordeelen

hebben opgeleverd, hij had niet minder schatten verslonden en zeer

veel geld uitgeven zou een edelman tamelijk ongelegen komen.

De koopman wachtte intusschen geduldig, vertrouwende, dat het fraai

bewerkte stuk den machtigen heer wel tot koopen zou verlokken. Terwijl

hij zoo achteloos zijn blik over het gevolg van den ridder liet gaan,

ontdekte hij plotseling iets, dat hem bijna van groote verbazing op

had doen springen. Daar stond Alewijn!

Het allereerste oogenblik mocht de koopman verbaasd staan, al heel

spoedig had hij de toedracht der zaak begrepen, en, vindingrijk als

hij was, even gauw een besluit genomen.

Want de edele man vergat niet licht genoten weldaden, en het was

zijn grootste verlangen, den jongen voor zijn zelfopoffering rijk

te beloonen.

Plotseling schoot hem een heerlijk denkbeeld te binnen. Toen de ridder

eindelijk, op hem toetredende, naar den prijs van den mantel vroeg,

antwoordde hij: "Heer ridder, dit kleed is misschien het kostbaarste,

dat gij op de geheele markt zult vinden. Weinig edelen, hoe rijk ook,

kunnen er zich op beroemen, zulk een prachtigen mantel te bezitten. Zie

slechts, hoe kunstig dit gouddraad op de zijde is gestikt. De arbeid

alleen, die er voor noodig is geweest, moet met schatten betaald zijn."

Nu wachtte de koopman even, als wilde hij den edelman de gelegenheid

geven, het kleed nog eens nauwkeurig te bekijken. Heer Diederik

kon zijn oogen den geheelen tijd niet van het kunstwerk afhouden;

eindelijk keek hij den koopman vragend aan:

"En de prijs?"

De koopman glimlachte even; hij was nieuwsgierig, welk gezicht

de edelman zou zetten bij het antwoord, dat hij stellig niet kon

verwachten.

"Tegen gewoonte vraag ik geen geld; ik heb een fermen knaap noodig,

om mij bij mijn zaken behulpzaam te zijn; staat gij mij toe, een

van uw dienaren uit te kiezen, dan moogt gij dien fraaien mantel den

uwen noemen."

Neen, zulk een antwoord had de edelman niet verwacht en eenige

oogenblikken keek hij den koopman aan, als wilde hij weten, of

hij zijn klanten voor den gek hield, dan wel, of hij zijn verstand

niet had. Want zulk een prijs, het was immers belachelijk. Maar de

handelaar zag den ridder kalm in de oogen en herhaalde op ernstigen

toon zijn eisch.

Toch wist heer Diederik niet, hoe hij het had, en, nauwkeuriger dan

eerst, bekeek hij het kleed, als vreesde hij, dat het maar namaak zou

zijn. Maar zijn zwager, die niet minder verwonderd was over den lagen

prijs, verzekerde, dat men hier met geen bedrieger te doen had. Men

behoefde waarlijk niet veel zijde in handen gehad te hebben, om de

echtheid van deze fijne stof te herkennen.

"Maar man," riep de edelman eindelijk uit, "meen je, wat je zegt?"

"Hoe zou ik het wagen, edele heer, tegen u te schertsen; het is me

hooge ernst."

"Nu, als je dan volstrekt wilt, ga je gang, maar ik verzeker je,

dat je je zelf te kort doet. Kies er maar een uit; of weet je wat,

ik zal den besten kerel geven, dien ik bij mij heb."

Hoe gevoelig ook voor deze edelmoedigheid van den ridder, was de

koopman van dit aanbod niet gediend; hij wees den dienaar, die op

een wenk van den ridder naar voren was getreden, terug en sprak:

"Dank u, ik zoek liever zelf."

Alewijn, de Lijfeigene: Historisch verhaal uit de 12e eeuw · 第 36 / 38 题