De jongen keek ontsteld om en zei: "Wel, je zou me doen schrikken."

"Zie ik daar nu naar uit?" vroeg het vrouwtje glimlachend.

"Volstrekt niet, maar ik wist niet, dat er iemand bij me stond en

toen ik daar opeens je stem hoorde."

"Nu, dat kan ik best begrijpen. Laat ik nu maar gauw mijn boodschap

doen, voor iemand ons ziet."

Deze woorden van het oude moedertje verbaasden Alewijn zeer. "Wat zou

ze me te vertellen hebben?" dacht hij en hij legde zijn hengel neer,

daar de visch den laatsten tijd toch niet meer scheen te bijten.

"Ik moet je de groeten van den jonker doen."

"Zoo, is hij goed terecht gekomen?"

"Ik denk het wel. Eergisteren werd mij bericht, dat hij bij een van

zijn vrienden een schuilplaats heeft gevonden. Nu wil hij, voor hij

verder reist, je een klein bewijs van zijn dankbaarheid geven. Zie

hier!"

"Wat," riep Alewijn verrast, toen hij zag, hoe de vrouw hem een zakje

met klinkende schellingen toereikte, "ik behoefde er volstrekt niets

voor te hebben; zooveel was me de heele zaak niet waard. Neen, dat

neem ik niet aan."

"Waar moet ik er dan mee heen? Ik kan het den jonker niet terugzenden,

en het in het water te gooien....."

"Dat is ook niet noodig, maar ik zou denken, dat je het zelf best

kunt gebruiken."

"'t Is voor mij niet bestemd; de jonker heeft het alleen gegeven als

belooning voor den redder van zijn leven. Ik vind, dat je het niet

weigeren kunt."

"Wat toevallig, dat je me gevonden hebt. Wat zou je doen, als ik hier

niet aan het visschen was geweest?"

"Dan zou ik heel brutaal het kasteel binnengaan; ik denk, dat ze

een arme oude vrouw wel geen kwaad doen, en als ik je daar dan zag,

wilde ik je vragen, even buiten te komen."

"Zoo, zoo, dat is wel slim overlegd. Nu, als je er dan volstrekt op

staat, wil ik het geld wel aannemen, ofschoon ik eigenlijk niet weet,

wat er mee uit te voeren."

"Wees maar gerust; er zal een tijd komen, dat je het best kunt

gebruiken; bewaar het goed en zorg vooral, dat niemand er achter komt."

"Dank je wel. Dit zul je toch wel van me willen aannemen." Alewijn

bood de oude vrouw een paar geldstukken aan, die zij dankbaar in

ontvangst nam, waarop ze Alewijn vaarwel zei en haars weegs ging.

Toen Alewijn alleen was, zette hij zich op een steen neer, haalde het

zakje met geld te voorschijn en toen hij zich had overtuigd, dat geen

onbescheiden oogen hem beloerden, nam hij de klinkende munten in de

hand en bekeek ze met schitterende oogen. Welk een rijkdom. Zooveel

geld had hij nog nooit bij elkaar gezien en aanstonds overlegde hij

bij zich zelf, wat er al niet mee gedaan kon worden.

't Was een ware schat voor den armen lijfeigene, maar geheel onvermengd

bleef zijn genoegen toch niet, want de arme jongen begreep heel goed,

dat hij er in den eersten tijd niet veel mee zou kunnen uitvoeren. De

vrouw had hem terecht tot voorzichtigheid aangemaand, en Alewijn was

verstandig genoeg om dezen goeden raad niet in den wind te slaan. Want

wat zouden de lui wel zeggen, als ze zagen, dat de jongen plotseling

in het bezit van zooveel geld gekomen was? En de verdenking alleen was

al voldoende, om een lijfeigene het bitterste lot op den hals te jagen.

Zoo bij zich zelf overleggende, kwam Alewijn tot het besluit, dat hij

het verstandigst zou doen met zijn schat te verbergen, en zorgvuldig

eenigen tijd te bewaren, totdat het oogenblik aanbrak, om het op de

beste wijze te besteden.

Het kwam er nu maar op aan, een geschikte plaats te vinden, een plaats,

waar niemand het vinden zou en waar hij het geld zoo nu en dan kon

bewonderen, zonder gevaar voor ontdekking te loopen.

In het geheel niet meer denkende aan den hengel, waar nog wel een ferme

zeelt aan zat, die in zijn ijver om los te komen, den stok reeds half

in het water had geworpen, verliet hij zijn plaatsje aan de beek,

en zocht het veld rond. Geen enkele schuilplaats kon hem eigenlijk

voldoen. Eerst borg hij het geld tusschen eenige struiken, doch toen

hij eenige dagen later daar twee mannen aan het werk zag, begon hij

ongerust te worden. Hij vond dus geen rust, voor het hem gelukte, een

nieuwe schuilplaats te ontdekken. Ook nu was hij echter niet tevreden.

Zoo ging het den knaap, totdat eindelijk de heer bevel gaf, op te

breken en het oude kasteel weer te betrekken. Pas had Alewijn vernomen,

dat hij en zijn makkers binnenkort den veroverden burcht weer zouden

moeten verlaten, of hij ijlde naar de plaats, waar zijn schellingen

in den grond gestopt waren en borg ze nu onder zijn kleeren op zijn

bloote lichaam.

Eenige dagen later waren allen weer op hun vroegere woonplaats

teruggekeerd, en, daar de oogsttijd naderde, viel er voor de

krijgslieden van eenige weken geleden overvloedige arbeid te vinden:

de meesten van hen, waaronder ook Alewijn, moesten boog of speer of

kolf wegbergen en ijverig meehelpen aan den veldarbeid.

Maar wat Alewijn ook deed, zijn schat ging hem geen oogenblik uit zijn

gedachten. Hoe verheugd hij er ook mee was, hoe goed hij hem ook had

verborgen, toch bekroop hem gedurig de vrees, dat het geld bij het werk

door een plotselinge sterke beweging voor den dag mocht komen. Deze

gedachte plaagde hem onophoudelijk, totdat hij eindelijk besloot, ook

nu weer een plaatsje op te zoeken, waar hij zijn rijkdom verbergen kon.

Op een namiddag, toen hij het dagwerk verricht had, begaf hij zich

niet zooals anders in den kring van zijn makkers om een praatje te

houden, maar hij sloop stil de poort uit.

"Hei, Alewijn, waar ga je naar toe?" riep Hark.

Onwillekeurig werd Alewijn verlegen, en in zijn angst, dat de ander met

hem mee zou willen gaan, gaf hij maar het eerste antwoord het beste,

dat hem in den zin kwam.

"Ik heb hengels gezet en ga zien, of er een snoek aan zit."

"Jongen, dan moet ik mee."

"Wat een vervelende kerel," dacht Alewijn, die niet weinig verlegen

was, daar hij in het geheel geen hengels gezet had, en zijn

verlegenheid werd nog grooter, toen Gerebrandt sprak: "Weet je wat,

ik wil ook wel eens zien, waar jij altijd die prachtige snoeken

vandaan haalt."

Alewijn kon natuurlijk, nu hij eenmaal gelogen had, niet meer met

de waarheid aankomen en hij bracht zijn nieuwsgierige makkers naar

een sloot, waar, naar hij zei, de hengels zich moesten bevinden. De

grootste verwondering veinzende, zei hij: "Wel verbazend, daar hebben

ook dikke snoeken aan gezeten; alles is verdwenen."

"Weet je, wat ik geloof?" zei Gerebrandt, terwijl hij aandachtig de

oppervlakte van het water onderzocht.

"Nu?" vroeg Hark.

"Dat hij ons leelijk voor den gek gehouden heeft."

Als Hark daar eerst nog niet aan gedacht had, dan kon hij het nu

wel gissen, want Alewijn, die de kunst van veinzen slecht verstond,

kreeg een kleur als vuur en stamelde enkele woorden, om zijn houding

te verklaren.

"Nu," zei Gerebrandt, "ik vind, dat het al een heel flauwe manier

van doen is. Wat heb je daar nu aan?"

En Hark zei: "Ik zal je wel weer krijgen, vrind. Je had zeker andere

plannen, niet waar Alewijntje, plannen, waarbij je geen dwarskijkers

gebruiken kunt."

"O, heelemaal niet," bracht Alewijn met moeite uit, terwijl zijn

kleur nog hooger werd.

"Dan moeten wij hem niet storen," zei Gerebrandt spottend. "Kom,

Hark, ga je mee?" Plotseling keerden beiden zich om en maakten,

dat ze wegkwamen, terwijl Alewijn met een dwaas gezicht bij de sloot

bleef staan, niet wetende, wat te doen.

Toen schoot het hem weer te binnen, met welk doel hij eigenlijk

uitgegaan was, maar hij durfde zijn plan niet te volvoeren, uit vrees,

dat Gerebrandt en Hark uit een boschje hem zouden beloeren. Daarom

keerde hij ten laatste naar het kasteel terug. Het spreekt van zelf,

dat er de volgende dagen geen denken aan was, het geld te verbergen;

daartoe hield de hooioogst hem, evenals de andere knechts van heer

Diederik, veel te druk bezig. Een dag of vier later was de gelegenheid

gunstig: Hark en Gerebrandt moesten voor den heer een sloot uitdiepen

en, toen Alewijn vrij was, vroeg hij aan Eggerik een schop ter leen,

begaf zich daarmee naar buiten en maakte op een eenzaam plekje een

kuil in den grond. Hier werd het zakje met geld verborgen. Om het

plaatsje later te kunnen terugvinden, mat hij, hoeveel passen het

verwijderd was van een boom, die daar in de buurt stond, vergewiste

zich, dat hij geen fout gemaakt had, en ging weer heen. Gelukkig was

hij zoo verstandig, er niet elken dag naar te gaan kijken; anders zou

het al spoedig de aandacht getrokken hebben, vooral daar Gerebrandt

en Hark op hem letten. Het kostte hem anders moeite genoeg, want

voortdurend had hij een groot verlangen om te zien, of zijn geld er

nog wel was. Weldra bemerkte hij tot zijn geruststelling, dat Hark

en Gerebrandt de geschiedenis vergeten schenen te zijn; op het door

hem gekozen plaatsje kwam nooit iemand en zoo had hij alle reden

tot tevredenheid.

Alewijn, de Lijfeigene: Historisch verhaal uit de 12e eeuw · 第 24 / 38 题