Heer Diederik wenschte nog eenigen tijd in het veroverde kasteel
te vertoeven; in dien tijd hadden zijn mannen natuurlijk niet veel
te doen; ze konden dus vrij rondloopen en op allerlei wijzen zich
vermaken. Alewijn hield veel van visschen, en, daar hij in den omtrek
eenige plassen ontdekte, die rijk aan visch waren, had hij op die
wijze al spoedig een aangename tijdkorting gevonden. Terwijl hij eens
met zijn hengel in de hand, geduldig wachtende, bij een beekje stond,
kwam er een vrouw op hem toeloopen. Het was het moedertje, bij wie
de jonker een schuilplaats had gezocht.
"Gelukkig, dat ik je zie," sprak ze.