III.

Helga van de hoeve bij ’t groote moeras kwam nu op Närlunda en daar

ging alles goed. Ze was gewillig en leerzaam, en dankbaar voor elk

vriendelijk woord, dat men tot haar sprak. Ze voelde zich altijd als de

geringste en wilde zich nooit op den voorgrond dringen. Het duurde niet

lang of haar meester en meesteres en haar kameraden waren met haar

ingenomen.

De eerste dagen scheen het, alsof Gudmund vermeed met Helga te praten.

Hij vreesde dat dat kind van de groote Moerashoeve zich wat zou gaan

verbeelden, omdat hij haar te hulp gekomen was. Maar dat was onnoodige

zorg. Helga vond hem al te heerlijk en te ver boven haar verheven, dan

dat zij ’t wagen zou haar oogen naar hem op te heffen. Gudmund merkte

al spoedig, dat hij haar niet op een afstand behoefde te houden. Ze was

voor hem nog schuwer dan voor ieder ander.

En ’t zelfde najaar, dat Helga op Närlunda kwam, bracht Gudmund menig

bezoek bij den rechter op Elvakker, en er werd veel over gesproken, dat

zijn kans om daar in de familie te komen, goed stond. Heelemaal zeker,

dat zijn aanzoek goed opgenomen werd, was men toch eerst in de

Kerstdagen. Toen kwam de rechter met zijn vrouw en dochter naar

Närlunda, en het was duidelijk, dat zij gekomen waren om te zien hoe

Hildur het zou hebben als ze met Gudmund trouwde.

’t Was voor ’t eerst, dat Helga ’t meisje, waarmeê Gudmund trouwen zou,

van nabij zag. Hildur Eriksdochter was nog geen twintig jaar, maar ’t

was vreemd, dat niemand haar kon zien zonder er dadelijk aan te denken

wat een uitstekende en deftige huismoeder ze eens worden zou. Ze was

groot, sterk gebouwd, blond en mooi en zag er uit alsof ze ’t prettig

vond veel menschen om zich heen te hebben, die ze verzorgen kon. Ze was

nooit schuw of verlegen, sprak veel en scheen alles beter te weten dan

degene, waar ze meê sprak. Ze was een paar jaar in de stad op school

geweest en had de mooiste kleeren, die Helga ooit gezien had; maar ze

scheen toch niet ijdel of onbeduidend. Rijk en mooi als ze was, had ze,

als ze maar gewild had, de vrouw van een heer kunnen worden, maar ze

zei altijd, dat ze geen deftige mevrouw worden wou en met de handen

over elkaar zitten. Ze wilde met een boer trouwen en zelf haar huis

verzorgen als een echte boerenvrouw.

Helga vond Hildur een echt wonder. Nooit had ze iemand gezien, die zoo

prachtig was. Ze had niet gedacht, dat een mensch zóó volmaakt kon zijn

in alle opzichten. ’t Kwam haar voor, dat ’t een groot geluk zou zijn

ooit onder zulk een huismoeder te mogen dienen.

Alles was goed gegaan onder het bezoek van den rechter en zijn familie,

maar als Helga aan dien dag terugdacht, kwam er een zekere onrust over

haar. Dat was zoo gegaan: toen de gasten pas waren aangekomen, had zij

de koffie rondgediend. Toen ze met het blad binnenkwam had de vrouw van

den rechter zich voorover gebogen naar de gastvrouw en had gevraagd of

zij het meisje van de Moeras-hut was. Ze had dit niet zóó zacht

gevraagd of Helga had de vraag gehoord. Moeder Ingeborg had „ja”

geantwoord en toen had de andere iets gezegd wat Helga niet had kunnen

verstaan. Maar ’t was zooiets geweest van... dat ze ’t vreemd vond, dat

men zoo’n mensch in zijn huis wilde hebben. Dat maakte Helga zeer

bekommerd, maar ze trachtte er zich mee te troosten, dat het de

moeder—en niet Hildur zelf was, die dat gezegd had.

Op een Zondag, heel vroeg in ’t voorjaar kwamen Helga en Gudmund samen

uit de kerk. Toen ze over ’t kerkplein gingen waren ze met een groote

massa andre kerkgangers mee geloopen, maar al spoedig was de een na de

ander heengegaan en eindelijk bleven Helga en Gudmund alleen over.

Gudmund moest toen dadelijk er aan denken, dat hij niet alleen geweest

was met Helga, na dien avond op de hut, en de herinnering daaraan kwam

nu sterk bij hem boven. Hij had dien winter dikwijls genoeg aan hun

eerste ontmoeting gedacht en daarbij altijd iets liefs en prettigs door

zijn ziel voelen gaan. Als hij alleen aan het werk was, trachtte hij

zich gewoonlijk dien heelen mooien nacht weer voor den geest te

brengen. Den witte nevel, de heldere maneschijn, de zwarte boschheuvel,

het lichte dal en dan het meisje, dat de armen om zijn hals had

geslagen en van blijdschap geschreid had. Dat alles werd steeds mooier,

hoe vaker hij ’t zich herinnerde. Maar als Gudmund Helga bij zich thuis

met de anderen zag werken en zwoegen, had hij moeite er aan te denken,

dat zij bij dat alles geweest was. Nu hij alleen met haar op den

kerkweg liep, kon hij niet laten te wenschen, dat zij voor een poosje

dezelfde zou worden, die zij dien avond was geweest.

Helga begon dadelijk over Hildur te praten. Zij roemde haar zeer; ze

zei, dat zij het mooiste en verstandigste meisje uit de heele buurt was

en wenschte er Gudmund geluk meê, dat hij zulk een uitnemende vrouw zou

krijgen.

„Je moet haar zeggen, dat zij mij altijd op Närlunda moet laten

blijven,” zei ze. „Het zal prettig zijn onder zulk een huismoeder te

dienen.”

Gudmund glimlachte om haar opgewondenheid, maar hij gaf er niet veel

antwoord op, alsof hij intusschen aan iets anders dacht. Maar dat was

immers goed, dat zij zoo met Hildur ingenomen was en dat zij er zoo

blij om was, dat hij ging trouwen.

„Je hebt je bij ons zeker wel thuis gevoeld van den winter,” zei hij.

„Ja, dat heb ik! Ik kan niet zeggen hoe goed Moeder Ingeborg en jelui

allen voor me geweest zijn.”

„Heb je nog naar ’t bosch verlangd?”

„O ja, in ’t begin; maar nu niet meer.”

„Ik dacht, dat zij, die in ’t bosch thuis hoorden niet konden laten er

naar te verlangen.”

Helga keerde zich half om en zag hem aan zooals hij daar aan de andere

zijde van den weg liep. Gudmund was haar anders heelemaal vreemd

geworden; maar nu was er iets in zijn toon en zijn glimlach, dat zij

herkende.

Ja, hij was nog dezelfde, die haar was komen redden in den hoogsten

nood. Al zou hij ook met een ander trouwen, zij was er toch zeker van,

dat hij voor haar een goed vriend en een trouw helper zou zijn. Ze werd

zoo blij: ze voelde, dat ze hem vertrouwen kon, zooals niemand anders

en ze vond, dat ze hem alles zeggen moest wat met haar gebeurd was,

sedert ze elkaar het laatst gesproken hadden.

„Ik moet je zeggen, dat ik het heel moeilijk heb gehad de eerste weken

op Närlunda,” begon ze. „Maar daar moet je niet met Moeder Ingeborg

over spreken.”

„Als je dat niet hebben wilt, zal ik zwijgen.”

„Je weet niet hoe vreeselijk ik verlangde in ’t begin. Ik was bijna

naar het bosch teruggegaan.”

„Verlangde je? Ik dacht, dat je blij was omdat je bij ons waart.”

„Ik kon ’t heusch niet helpen,” zei ze verontschuldigend. „Ik begreep

wel hoe goed het voor me was hier te mogen zijn. Jelui waart allemaal

zoo goed voor me, en ’t werk was niet zoo zwaar of ik kon ’t best

doen—maar ik verlangde toch. ’t Was alsof er iets aan me trok en zoog

en me terug wou brengen naar het bosch. Ik had een gevoel alsof ik

iemand, die recht op me had, ontrouw werd of verried, als ik hier in ’t

dorp bleef.”

„Dat was misschien...” begon Gudmund, maar hield half in den zin op.

„Neen, ’t was niet de jongen, waarnaar ik verlangde. Ik wist immers,

dat hij het goed had en dat Moeder lief voor hem was. ’t Was niet iets

bepaalds. Ik had een gevoel, alsof ik een wilde vogel was, die in een

kooi was gezet, en ik dacht dat ik zou sterven, als ik niet los gelaten

werd.”

„Neen maar, heb je ’t zóó zwaar gehad!” zei Gudmund, en op ’t zelfde

oogenblik glimlachte hij, want op eens was het hem, alsof hij haar

herkende. Nu was het alsof er niets meer tusschen hen stond, maar alsof

ze eerst den vorigen avond van elkaar waren gegaan bij de hoeve in ’t

woud. Helga glimlachte ook, maar vertelde verder van haar verdriet.

„Ik sliep geen enkelen nacht,” zei ze, „maar zoodra ik in bed lag begon

ik te schreien, en als ik opstond, was mijn hoofdkussen doornat.

Overdag, als ik bij jelui was kon ik mijn tranen wel inhouden, maar

zoodra ik alleen was kwamen ze mij weer in de oogen.”

„Je hebt veel geschreid in je leven,” zei Gudmund, maar hij zag er in

’t geheel niet medelijdend uit, toen hij dat zei. Helga vond, dat het

was alsof hij haar aldoor stilletjes liep uit te lachen.

„Je kunt zeker niet begrijpen, hoe moeilijk ik ’t had,” zei ze, en ze

sprak al levendiger in haar pogingen om te maken, dat hij haar begreep.

„Er was een verlangen over me gekomen, dat me buiten me zelf bracht.

Geen oogenblik kon ik me gelukkig voelen. Niets was mooi, niets was

prettig, aan geen mensch kon ik me hechten. Jelui waren me allemaal

even vreemd als toen ik voor ’t eerst in de kamer kwam.”

„Maar zei je zoo juist niet, dat je bij ons wilde blijven?” vroeg

Gudmund verwonderd.

„Ja zeker zei ik dat.”

„Dan verlang je nu toch niet meer.”

„Neen, dat is overgegaan. Ik ben beter geworden. Wacht maar, dat zal ik

je wel vertellen.”

Toen ze dat zei, kwam Gudmund dwars over den weg en ging naast haar

loopen. Hij glimlachte aldoor. Hij scheen haar graag te hooren spreken,

maar hij lette niet veel op wat ze vertelde. Zoo langzamerhand kwam

Helga in dezelfde stemming. Ze vond, dat alles gemakkelijk en helder

werd. De kerkweg was lang en moeilijk te begaan, maar vandaag werd ze

niet moe. Er was iets, dat haar droeg. Ze ging door met vertellen,

omdat ze nu eenmaal begonnen was, maar nu gaf ze er niet zooveel om te

mogen spreken. Ze zou ’t even prettig gevonden hebben stil naast hem te

loopen.

„Toen ik me ’t ongelukkigst voelde,” zei ze, „vroeg ik Moeder Ingeborg

op een Zaterdagavond of ik naar huis mocht en daar den Zondag

overblijven. En toen ik dien avond de heuvels opliep naar ’t groote

moeras, geloofde ik vast, dat ik nooit meer naar Närlunda terug zou

komen. Maar Vader en Moeder waren zoo blij, dat ik een dienst gevonden

had bij zoo’n aanzienlijke familie, dat ik het niet over mijn hart

verkrijgen kon hun te zeggen, dat ik het bij jelui niet uithouden kon.

Zoodra ik in het bosch kwam waren ook alle angst en verdriet heelemaal

weg. Ik dacht, dat het allemaal maar verbeelding van mij was. En dan

was dat ook zoo moeilijk met het kind. Moeder had het nu heelemaal

overgenomen en het tot haar kind gemaakt. Het was niet meer van mij. En

dat was immers heel goed, maar ’t was moeilijk om er aan te wennen.”

„Je begon toen misschien naar ons te verlangen,” viel Gudmund haar in

de rede.

„O neen! Toen ik Maandagmorgens wakker werd, en er aan dacht, dat ik

weg moest, kwam het verlangen weer over mij. Ik lag te schreien en was

angstig, want het eenige wat ik doen kon was immers in mijn dienst

blijven. Maar ik had een gevoel of ik ziek worden zou of het verstand

verliezen als ik terug ging. Maar opeens herinnerde ik mij, dat ik eens

iemand had hooren zeggen, dat, als men wat asch van den haard in zijn

eigen huis nam en dat over den haard in een ander huis strooide, het

verlangen overging.”

„Dat was nu een geneesmiddel, dat je gemakkelijk probeeren kon,” zei

Gudmund.

„Ja, maar daar zou ook van komen, dat men later nooit meer ergens

anders gelukkig zou kunnen zijn. Als men van de hoeve wegging, waar men

de asch heen gebracht had, dan verlangde men even hard daarheen terug,

als men vroeger naar huis verlangd had.”

„Zou men de asch niet kunnen meenemen als men wegging?”

„Neen, dat kun je niet meer dan ééns doen. En het is niet meer ongedaan

te maken. ’t Was dus een heel gevaarlijk ding om zooiets te probeeren.”

„Ik zou zooiets niet gewaagd hebben,” zei Gudmund en ze hoorde wel, dat

hij den draak met haar stak.

„Maar ik waagde het nu toch,” zei Helga. „’t Was beter, dan als een

ondankbare te staan tegenover Moeder Ingeborg en jou, die mij hadden

willen helpen. Ik nam een beetje asch van huis mee, en toen ik in

Närlunda terug kwam nam ik mijn kans waar, toen niemand binnen was en

strooide dat uit over den haard.”

„En nu meen je dus, dat de asch je geholpen heeft?”

„Wacht maar. Ik zal je vertellen hoe het ging. Ik kwam dadelijk in ’t

werk en dacht den heelen dag niet aan de asch. Ik verlangde precies als

vroeger en vond alles even akelig, als ik ’t gewoonlijk vond. Er was

dien dag veel te doen, binnen en buitenshuis en toen ik ’s avonds de

schuur had gesloten en naar binnen zou gaan, was het vuur in den haard

al aan.”

„Nu ben ik toch nieuwsgierig hoe het ging,” zei Gudmund.

„Ja, stel je voor!—al toen ik over de plaats liep vond ik, dat er iets

gezelligs bekends aan het schijnsel van het vuur was, en toen ik de

deur opendeed, was het me alsof ik in onze eigen kamer zou komen en dat

Vader en Moeder bij den haard zouden zitten. Ja, dat ging me even door

’t hoofd als een droom, maar toen ik binnenkwam, was ik er verwonderd

over, dat het zóó mooi en huiselijk in de kamer was. Ik had nooit

gevonden, dat Moeder Ingeborg en jelui allemaal er zoo vriendelijk

uitzagen als dien avond, toen je bij het schijnsel van ’t vuur zaten.

’t Was zoo’n prettig gevoel binnen te komen en dat was vroeger nooit

zoo geweest. Ik was zóó verbaasd, dat ik op ’t punt was te schreeuwen

en de handen in elkaar te slaan. Ik vond, dat jelui heelemaal veranderd

waren. Jelui waren me niet meer vreemd, ik kon overal met jelui over

praten. Je kunt wel begrijpen, dat ik blij was, maar ik kon toch niet

laten er me over te verwonderen. Ik vroeg mezelf af of ik betooverd

was. En op eens dacht ik aan de asch, die ik over den haard gestrooid

had.”

„Ja, dat was toch wonderlijk,” zei Gudmund. Hij geloofde heelemaal niet

aan spokerij of tooverij, maar hij vond ’t wel aardig Helga over zulke

dingen te hooren praten. „Nu is dat malle boschkind teruggekomen,”

dacht hij. „Hoe kan nu iemand, die zooveel heeft doorgemaakt als zij,

nog zóó kinderlijk zijn!”

„Ja, zeker is het wonderlijk,” hernam Helga. „En dat zelfde is den

heelen winter teruggekomen. Zoodra ’t vuur op den haard brandde, had ik

datzelfde gevoel van veiligheid en gezelligheid bij jelui, als ik thuis

had. Maar dat is toch ook wonderlijk met het vuur. Niet met ander vuur

misschien, maar met vuur op een haard, waar alle menschen in huis avond

aan avond omheen komen zitten. Dat wordt als een goede bekende. Dat

speelt en danst en praat tegen je en nu en dan ziet het zuur en is

treurig. Het is, alsof het de macht heeft gezelligheid of

ongezelligheid te scheppen. Nu kwam ’t me voor alsof ’t vuur van thuis

met mij meegegaan was en dat het over alles hier ’t zelfde waas van

gezelligheid legde, dat het thuis gaf.”

„Maar als je nu gedwongen wordt van Närlunda weg te gaan?” zei Gudmund.

„Dan zal ik er mijn leven lang naar terug verlangen,” antwoordde ze, en

aan haar stem was het te hooren hoe hoog ernstig zij dat meende.

„Ja, ìk zal er je nooit vandaan zenden,” zei Gudmund, en hoewel hij

lachte, was er iets warms in zijn toon.

Daarna begonnen zij geen nieuw gesprek, maar liepen zwijgend terug naar

de hoeve. Gudmund wendde nu en dan het hoofd om en zag haar aan,

terwijl zij naast hem liep. Zij was bijgekomen na den moeilijken tijd,

dien ze het vorige jaar gehad had. Er was iets frisch en teers over

haar. Haar trekken waren fijn, de haren stonden haar kroesig om ’t

hoofd, in de oogen was iets onbegrijpelijks. Ze liep vlug en licht. Als

ze sprak kwamen haar woorden snel, maar ze was verlegen. Ze was altijd

bang om uitgelachen te worden, maar ze moest toch zeggen wat ze op haar

hart had.

Gudmund dacht er over of hij wilde, dat Hildur zoo was, maar dat wilde

hij toch niet. Met die Helga kon je toch niet gaan trouwen.

Een paar weken later hoorde Helga, dat ze van Närlunda weg moest tegen

April, omdat Hildur Eriks dochter niet met haar onder één dak wilde

wonen.

’t Was niet zoo, dat de menschen op de hoeve dat rechtuit tegen haar

zeiden. Maar Moeder Ingeborg begon er over te spreken, dat zij wel

zooveel hulp van de nieuwe schoondochter zouden hebben, als die kwam,

dat zij niet zooveel bedienden behoefden te houden. Een andre keer

zeide zij dat ze over een goeden dienst had hooren spreken, waar Helga

het beter zou hebben dan bij hen.

Helga behoefde niet meer te hooren om te begrijpen, dat zij weg moest;

en ze zei dadelijk, dat ze weg zou gaan, maar dat zij geen andren

dienst wilde hebben, en dat ze naar huis zou gaan.

’t Was wel te merken, dat men niet uit eigen beweging Helga den dienst

op Närlunda opzei.

Toen ze weg zou gaan, was er zóóveel eten klaargezet, dat het wel een

feestmaal scheen, en Moeder Ingeborg stopte haar zulk een menigte

kleeren en schoenen toe, dat zij, die gekomen was met een bundeltje

kleeren in een doek geknoopt onder den arm, nu nauwlijks haar

bezittingen in een kist bergen kon.

„Ik krijg nooit zoo’n goed dienstmeisje meer, als jij geweest ben,” zei

Moeder Ingeborg. „En denk nu niet te slecht over me, omdat ik je laat

heengaan. Je begrijpt wel, dat het niet met mijn toestemming gebeurt.

Ik zal je niet vergeten. Zoolang ik iets te zeggen heb, zul je geen

nood lijden.”

Zij sprak met Helga af, dat ze lakens en handdoeken voor haar zou

weven. Ze gaf haar werk voor minstens een half jaar.

Gudmund stond in de schuur voor ’t brandhout en hakte hout, toen Helga

heenging. Hij kwam niet binnen om afscheid te nemen, hoewel het paard

voor was. Hij scheen het zoo druk te hebben, dat hij niet merkte wat er

gebeurde. Zij moest naar hem toe gaan om hem goeden dag te zeggen. Hij

legde de bijl neer, gaf Helga de hand, en zei wat haastig: „Ik dank je

voor den tijd, dat je hier waart,” en begon toen weer te hakken.

Helga had iets willen zeggen, dat ze wel begreep, dat het niet mogelijk

voor hen was haar te houden, en dat alles haar eigen schuld was. Zij

zelf had het er naar gemaakt. Maar Gudmund hakte, dat de spaanders om

hem heen vlogen en ze kwam er niet toe iets te zeggen.

Maar het wonderlijkst van alles was, dat de boer zelf—de oude Erland

Erlandsson—Helga naar de Moerashoeve reed.

De vader van Gudmund was een kleine uitgedroogde man met een kaal hoofd

en mooie, verstandige oogen. Hij was heel teruggetrokken en zóó stil,

dat hij soms den heelen dag geen woord sprak. Zoolang alles goed ging

merkte men niets van hem, maar als er iets in de war raakte, kwam hij

altijd en zei of deed wat er gezegd of gedaan moest worden om alles

weer in orde te maken. Hij was bekwaam in administratie, en genoot veel

vertrouwen bij het gemeentebestuur. Hij kreeg alle kommunale opdrachten

en was meer in aanzien, dan menigeen, die een groote hoeve had en heel

rijk was.

Erland Erlandsson reed Helga naar huis over den slechten weg en liet

niet toe, dat ze uitstapte bij ’t oprijden van een of anderen heuvel.

Toen ze aan de Moerashoeve kwamen, zat hij lang in de hut met Helga’s

ouders te praten, en vertelde hun hoe tevreden hij en Moeder Ingeborg

over haar geweest waren. ’t Was alleen omdat ze niet zooveel personeel

meer noodig hadden, dat ze haar moesten wegzenden. Zij als de jongste,

moest heengaan. Zij hadden gemeend, dat het niet billijk was iemand weg

te zenden, die hun lang gediend had.

Erland Erlandssons gesprek met Helga’s ouders had de bedoelde

uitwerking, en zij ontvingen Helga vriendelijk. Toen zij hoorden, dat

zij zulke groote bestellingen gekregen had, dat zij van weven zou

kunnen leven, waren zij er blij om, dat ze thuis bleef.

Herinneringen · 第 12 / 16 题