II.

Niemand moet nu meenen, dat het meisje na zoo’n moeilijk uur te hebben

doorgemaakt daar voor de rechtbank, zelf meende, dat ze iets

prijzenswaardigs had gedaan. Ze meende integendeel, dat ze te schande

was gemaakt voor de heele gemeente. Ze begreep niet, dat er iets

vereerends in was, dat de rechter naar haar toe gekomen was en haar de

hand gedrukt had. Ze meende, dat dit enkel beteekende, dat de zaak was

afgedaan en dat zij moest heengaan.

Ze zag ook niet, dat de menschen haar vriendelijk aanzagen, en dat er

velen waren, die haar de hand wilden drukken. Ze sloop maar weg en

wilde heengaan. Maar ginds bij de deur was gedrang. De zitting was

opgeheven en er waren velen, die zich haastten om naar buiten te komen.

Zij trok zich terug en was ongeveer de laatste, die de gerechtzaal

verliet. Zij vond, dat alle anderen haar voor moesten gaan.

Toen ze eindelijk naar buiten kwam stond Gudmund Erlandssons wagentje

ingespannen voor de stoep. Gudmund zat in ’t rijtuig met de leidsels in

de hand, en scheen op iemand te wachten. Zoodra hij haar zag onder de

menschen, die de gerechtszaal uitstroomden, riep hij haar toe: „Kom

hierheen Helga. Je kunt met mij meerijden. We moeten toch denzelfden

kant uit.”

Maar hoewel ze haar naam hoorde, kon zij toch niet gelooven, dat hij

háár riep. Dat was niet mogelijk, dat Gudmund Erlandsson met haar zou

willen rijden. Hij was de aanzienlijkste jonge man uit de heele

gemeente. Jong en mooi, van goede familie en algemeen bemind. Zij kon

niet gelooven, dat hij iets met haar te maken wilde hebben.

Zij had den hoofddoek ver over het voorhoofd getrokken en liep hem

haastig voorbij, zonder op te zien of te antwoorden.

„Hoor je niet, Helga, dat je met mij meê kunt rijden,” zei Gudmund

toen, en er was iets heel vriendelijks in zijn stem. Maar zij kon maar

niet begrijpen, dat hij het goed met haar meende. Ze dacht, dat hij

haar op de een of andere manier voor den gek wilde houden, en

verwachtte, dat zij die er bij stonden, zouden beginnen te proesten en

te schateren van ’t lachen. Ze wierp hem een verlegen, half boozen,

half bedroefden blik toe en liep bijna hard van ’t plein voor de

rechtszaal weg om buiten ’t gehoor te wezen als ’t geschater begon.

Gudmund was toen nog ongetrouwd en woonde bij zijn ouders thuis. Zijn

vader bezat een hoeve. ’t Was geen groote boerderij en hij was niet

rijk, maar hij was toch welgesteld. De zoon was naar het Ting gegaan om

koopwaren voor zijn vader te halen; maar omdat hij ook nog een andere

bedoeling met zijn tocht had, was hij bizonder goed toegerust. Hij had

den nieuwen wagen genomen, die nog geen enkel barstje in de verf had,

’t paard had hij geroskamd tot het glansde als zijde en hij had het

tuig gepoetst. Naast zich op den wagen had hij een mooi rood dek gelegd

en zelf had hij een kort jachtbuis aan, hooge laarzen, die over de

broek gingen, en een kleinen grijzen vilten hoed op. Dat was geen

feestcostuum, maar hij wist wel, dat hij er deftig en manlijk uitzag.

Gudmund had alleen in ’t wagentje gezeten, toen hij dien morgen van

huis ging, maar hij had iets prettigs om over te denken en de tijd was

hem niet lang gevallen. Toen hij ongeveer halfweg gekomen was reed hij

een arm meisje voorbij, dat heel langzaam liep en er uitzag, alsof zij

van vermoeidheid de voeten bijna niet verzetten kon. ’t Was herfst, de

weg was van regen doorweekt en Gudmund zag hoe zij bij iederen stap

diep in de modder zonk. Hij hield stil en vroeg waar zij heen moest en

toen hij hoorde, dat zij naar het Ting zou gaan, bood hij haar aan meê

te rijden. Zij nam dat aanbod dankbaar aan en klom achter op het smalle

plankje, waaraan de hooizak was vastgebonden, alsof ze het roode dek

naast Gudmund niet durfde aan te raken. ’t Was ook zijn bedoeling niet

geweest, dat zij naast hem zou gaan zitten. Hij wist niet wie zij was,

maar hij dacht wel, dat zij de dochter van een of anderen armen

hutbewoner was en hij vond, dat het goed genoeg voor haar was achter op

den wagen te zitten.

Toen de weg een heuvel opging en ’t paard langzamer liep, begon Gudmund

te praten. Hij wilde weten hoe ze heette en waar zij thuis hoorde. Toen

hij hoorde, dat zij Helga heette en van een kleine keuterboerderij bij

’t bosch kwam, die de Moerashoeve heette, begon hij onrustig te worden.

„Ben je altijd thuis geweest, of heb je ook gediend,” vroeg hij.

’t Laatste jaar was zij thuis geweest; vroeger had ze gediend.

„Bij wie?” vroeg Gudmund heel snel.

Hij vond, dat het lang duurde eer ’t antwoord kwam.

„Op de Westerhoeve, bij Peter Maartenszoon,” zei ze eindelijk en haar

stem klonk zóó zacht, alsof ze liever niet had, dat hij ’t hoorde. Maar

Gudmund hoorde het wel.

„O zoo. Dan ben jij dat, die...” zeide hij, maar ging niet verder. Hij

wendde zich van haar af, ging recht in ’t wagentje zitten en zei geen

woord meer tegen haar.

Gudmund gaf de paarden den eenen zweepslag na den anderen, vloekte luid

over den slechten weg en scheen heel slecht gehumeurd. ’t Meisje zweeg

een poos; maar al spoedig voelde Gudmund haar hand op zijn arm.

„Wat wil je?” vroeg hij, zonder om te zien.

Ja, hij moest even stilhouden, zoodat ze van den wagen springen kon.

„Och waarom?” zei Gudmund verachtelijk. „Zit je niet goed?”

„Ja, dank je wel:—maar ik wil liever loopen.”

Gudmund was wat in tweestrijd. ’t Was vervelend, dat hij juist dien dag

iemand als Helga had aangeboden om mee te rijden. Maar hij vond ook,

dat hij, nu hij haar op den wagen genomen had, er haar niet weer

afjagen kon.

„Houd stil, Gudmund!” zei ’t meisje nog eens. Zij sprak vast besloten

en Gudmund hield de teugels in.

„Ze wil immers zelf uitstappen,” dacht hij. „Ik hoef haar toch niet te

dwingen tegen haar zin mee te rijden.”

Zij stond al op den weg, bijna nog vóór het paard stilhield.

„Ik dacht, dat je wist wie ik was, toen je me aanbood om mee te

rijden,” zei ze. „Anders zou ik niet op den wagen gekomen zijn.”

Gudmund zei haar kortaf goedendag en reed door.

Ze had wel reden gehad te denken, dat hij haar kende. Hij had immers ’t

meisje van de Moerashoeve zoo dikwijls als kind gezien, maar ze was zoo

veranderd, nadat zij volwassen was. Eerst was hij heel blij, dat hij

die reisgenoot kwijt was; maar zoo langzamerhand begon hij ontevreden

over zich zelf te worden. Hij had niet best anders kunnen doen, maar

vond het toch niet prettig iemand pijn te doen...

Een poosje nadat Gudmund van Helga was weggereden, week hij van den weg

af, reed een nauwe laan in en kwam aan een groote, prachtige hoeve.

Toen hij voor de stoep stilhield, ging de deur open en een van de

dochters vertoonde zich op den drempel. Gudmund nam den hoed af en

groette en tegelijk ging een lichte blos over zijn gezicht.

„Ik zou graag weten of de rechter thuis is,” zeide hij.

„Neen, Vader is naar het Ting,” antwoordde de dochter.

„O zoo, is hij al weg?” zei Gudmund. „Ik kwam hier om te vragen of hij

met mij meê wilde rijden. Ik ga ook naar het Ting.”

„Vader heeft altijd zoo’n haast,” klaagde de dochter.

„Nu, ’t is zoo erg niet,” zei Gudmund.

„Vader zou wel graag met zoo’n prachtig paard en in zoo’n mooien wagen

gereden hebben,” zei ’t meisje vriendelijk.

Gudmund glimlachte even bij ’t hooren van dien lof.

„Ja, dan moet ik weer weg,” zei hij.

„Wil je niet binnen komen?”

„Neen dank je, Hildur, ik moet immers naar het Ting. Ik mag niet te

laat komen.”

Gudmund reed nu regelrecht naar het Tinggebouw. Hij was heel opgewekt

en dacht niet meer aan zijn ontmoeting met Helga. Wat een geluk, dat

Hildur juist op de stoep gekomen was, zoodat zij den wagen en het dek

en ’t paard met het tuig gezien had. Ze had op dat alles zeker wel

gelet.

’t Was voor ’t eerst, dat Gudmund op het Ting kwam. Hij vond, dat daar

veel te hooren en te zien was en bleef er den geheelen dag. Hij zat in

de gerechtszaal, toen Helga’s zaak vóór kwam, zag hoe zij den Bijbel

naar zich toe trok en volhield tegenover de politieagenten en de

rechters.

Toen alles voorbij was en de rechter Helga de hand gedrukt had, stond

Gudmund haastig op en ging naar buiten. Hij spande vlug het paard voor

den wagen en reed voor de stoep. Hij vond, dat Helga dapper was geweest

en nu wilde hij haar eer bewijzen. Maar ze was zóó schuw, dat zij de

bedoeling niet begreep, maar weg sloop van de eer, die haar was

toegedacht.

Denzelfden dag kwam Gudmund naar de Moerashoeve, laat op den avond. ’t

Was een klein boerderijtje, dat aan den rand van een met bosch

begroeiden bergrug lag, die de gemeente omgaf. De weg, die daarheen

ging, was alleen in den winter te berijden, als de wegen hard waren en

Gudmund had te voet moeten gaan. Hij had moeite gehad om voort te

komen. Hij had bijna zijn beenen gebroken over stokken en steenen, en

had door beken moeten waden, die op verscheidene plaatsen midden over

het pad liepen. Als het geen heldere maneschijn geweest was dan had hij

de boerderij niet kunnen vinden en hij dacht er aan, dat ’t een zware

gang was, dien Helga dien dag had moeten doen.

De Moerashoeve lag op een ontgonnen plek, ongeveer half tegen den

bergrug op. Gudmund was er vroeger nooit geweest, maar hij had de

plaats dikwijls van uit het dal gezien, en hij kende die genoeg om te

weten, dat hij terecht was.

Rond om de plaats was een haag van dorre takken, die heel dicht was en

moeilijk om over te springen. Die moest zeker als ’t ware een verweer

vormen tegen al de woeste velden, die om de boerderij lagen. De hut

stond bovenaan in de omheinde plek. Daarvoor breidde zich een

afhellende plaats uit, met kort groen gras begroeid en daar onder aan

lagen een paar grijze bijgebouwtjes en een kelder met een dak van

groene zoden. ’t Was een kleine armoedige hoeve, maar toch kon men niet

ontkennen, dat het mooi was daarboven.

’t Moeras, waar de boerderij naar heette, lag ergens in de buurt en

zond zijn dampen omhoog; ze kwamen prachtig zilver-glanzend aanrollen

in den maneschijn en vormden een krans om den bergrug. De hoogste top

van den berg stak nog boven den nevel uit en de bovenste kant, met

puntige dennenbosschen afgezet stak scherp af tegen den hemel. Beneden

over ’t dal lag ’t maanlicht, zóó helder, dat men ’t veld en de

omliggende hoeven en de kronkelende beek kon onderscheiden waarover de

nevel zweefde als fijne rook. ’t Lag alles niet ver weg; maar het

eigenaardige was, dat het dal daar lag als een vreemde wereld, waarmee

al wat bij het bosch hoorde, niets scheen te maken te hebben. ’t Was

alsof de menschen, die daar in de hoeve bij ’t bosch woonden, altijd

onder de boomen moesten blijven. Ze zouden even weinig daar beneden in

het dal kunnen aarden als het korhoen, de steenuil, de los, het

heikruid en de boschbloemen.

Gudmund ging over ’t open grasveld naar het huisje. Door het raam

stroomde licht naar buiten; er hing niets voor de ruiten en hij keek

naar binnen om gewaar te worden of Helga in de kamer was. Een klein

lampje brandde op een tafel voor ’t venster en daar zat de huisvader

oude schoenen te lappen. De huismoeder zat verder achter in de kamer

bij den haard, waar een flauw vuur brandde. Zij had een spinnewiel voor

zich, maar ze was met het werk opgehouden om met een klein kindje te

spelen. Ze had het uit de wieg genomen en Gudmund kon hooren, waar hij

stond, hoe ze er tegen praatte. Haar gezicht was vol rimpels, en zij

zag er streng uit; maar als ze zich over ’t kind boog, werden haar

oogen zacht en ze lachte even teer tegen het kleintje, als de eigen

moeder zou gedaan hebben.

Gudmund zag rond naar Helga; maar kon haar nergens in de kamer

ontdekken. Hij vond toen, dat het ’t beste was buiten te blijven tot ze

kwam. Hij was er verwonderd over, dat ze nog niet thuis gekomen was.

Misschien was ze onderweg bij bekenden binnengegaan om te rusten en

iets te eten. Maar in alle geval moest ze spoedig komen, als ze vóór

den nacht onder dak wezen wou.

Gudmund stond een poos stil midden in de hoeve en luisterde of hij ook

voetstappen hooren kon. ’t Was doodstil, geen windje bewoog zich. ’t

Was hem of hij vroeger nooit zóó’n stilte had opgemerkt. ’t Was alsof

’t heele bosch den adem inhield en op iets bizonders stond te wachten.

Niemand liep door ’t bosch. Geen tak werd gebroken, geen steentje rolde

weg. Helga was nog in lang niet te verwachten.

„Ik ben benieuwd wat ze zeggen zal als ze me hier ziet,” dacht Gudmund.

„Ze zal misschien schreeuwen en ’t bosch inloopen en den heelen dag

niet weer thuis durven komen.”

Op eens viel ’t hem in hoe wonderlijk het toch was, dat hij nu in eens

zooveel te maken kreeg met dat arme boerenmeisje.

Toen hij van het Ting was thuisgekomen was hij zooals gewoonlijk naar

zijn moeder gegaan om haar alles te vertellen, wat hij dien dag beleefd

had. Gudmunds moeder was wijs en groot van ziel en had altijd zoo met

hem weten om te gaan, dat hij nog even vertrouwelijk met haar sprak,

als toen hij een kind was. Zij was reeds verscheiden jaren ziek; ze kon

niet loopen, maar zat den geheelen dag stil in haar stoel. ’t Was

altijd een goed oogenblik voor haar, als Gudmund van een reis thuiskwam

en nieuwtjes meebracht.

Toen Gudmund van Helga van de Moerashoeve verteld had, zag hij, dat

zijn moeder nadenkend werd. Ze zat lang stil voor zich uit te kijken.

„Er schijnt toch wat goeds in dat meisje te zitten,” zei ze toen. „’t

Gaat toch niet aan, iemand uit te stooten, omdat ze eenmaal wat

verkeerds heeft gedaan. ’t Zou wel kunnen zijn, dat ze zich er dankbaar

voor toonde, als iemand haar nu bijstond.”

Gudmund begreep dadelijk waar zijn Moeder aan dacht. Ze kon nu zich

zelf niet langer helpen, maar moest voortdurend iemand om zich heen

hebben, die tot haar dienst was. Maar ’t was altijd moeilijk iemand te

vinden, die daar bij haar wilde blijven. Zijn moeder was veeleischend

en ’t was haar niet gemakkelijk naar den zin te maken, en bovendien

wilden alle jonge menschen liever ander werk hebben, waarbij ze meer

vrijheid hadden. Nu was zijn moeder waarschijnlijk op de gedachte

gekomen, dat ze Helga van de Moerashoeve in haar dienst wilde hebben,

en Gudmund vond, dat dit een goed voorstel was. Helga zou zeker veel

van zijn moeder gaan houden. ’t Zou wel kunnen gebeuren, dat zij op die

manier voor langen tijd geholpen waren.

„’t Zal ’t ergste zijn met het kind,” zei de moeder een oogenblik

later, en Gudmund kon wel merken, dat zij ernstig over de zaak dacht.

„Dat zou bij de grootouders moeten blijven,” zei Gudmund.

„’t Is niet zeker, dat zij het afstaan wil.”

„Ze zal wel niet zoo heel veel moeten denken over wat ze wil of niet

wil. Ik vond, dat ze er uitgehongerd uitzag. Ze hebben zeker niet veel

te eten op de Moerashoeve.”

Daarop antwoordde de moeder niet; maar begon over wat anders te

spreken. ’t Was merkbaar, dat ze op nieuwe bezwaren gestuit was, die

haar beletten een besluit te nemen.

Gudmund begon nu te vertellen hoe hij een boodschap bij den rechter

bedacht en Hildur gezien had. Hij sprak over wat ze van zijn paard en

den wagen had gezegd en ’t was duidelijk, dat hij blij met die

ontmoeting was. Zijn moeder was er ook zeer over tevreden. Terwijl ze

zoo onbewegelijk in de kamer zat was zij voortdurend bezig allerlei

plannen te maken voor de toekomst van haar zoon, en zij was ’t, die ’t

eerst op de gedachte gekomen was, dat hij moest probeeren de mooie

rechtersdochter het hof te maken. ’t Was ’t allerbeste huwelijk, dat

hij doen kon. De rechter was een van de aanzienlijkste boeren. Hij

bezat de grootste hoeve in de gemeente en was een machtig en rijk man.

’t Was eigenlijk àl te vermetel om te hopen, dat hij een schoonzoon zou

aannemen, die geen grooter vermogen had dan Gudmund; maar het was ook

mogelijk, dat hij zich zou voegen naar den wensch van zijn dochter. En

dat Gudmund Hildur zou kunnen winnen, als hij wilde—daar was de moeder

van overtuigd.

’t Was de eerste keer, dat Gudmund zijn moeder liet merken, dat die

gedachten bij hem wortel geschoten had en nu spraken zij lang over

Hildur en over al de rijkdommen en voordeelen, die ten deel zouden

vallen aan den man, die haar tot vrouw kreeg. Maar spoedig werd het

gesprek weer gestaakt, omdat de moeder opnieuw in haar overdenkingen

was verdiept geraakt.

„Zou je nu niet iemand om die Helga kunnen sturen? Ik zou haar wel

willen zien, eer ik haar in dienst nam,” zei ze eindelijk.

„’t Zou goed zijn als u zich over haar wildet ontfermen, Moeder,” zei

Gudmund en dacht in stilte, dat als zijn moeder een verzorgster had,

waar zij het goed mee kon vinden, zijn vrouw een prettiger leven zou

hebben. „U zult zien, dat u met dat meisje wel tevreden zult zijn,”

ging hij voort.

„’t Zou ook een goed werk wezen haar nu in bescherming te nemen,” zei

de moeder.

Toen het donker begon te worden ging de zieke naar bed en Gudmund naar

den stal om de paarden te verzorgen. ’t Was mooi weer, de lucht was

helder en de geheele streek werd overstroomd met maanlicht. Hij kwam op

de gedachte, dat hij naar de Moerashoeve moest gaan om nog dienzelfden

avond zijn moeders groeten over te brengen. Als het weer zich goed

hield zouden ze het den volgenden dag druk krijgen met het

binnenbrengen van de haver, zoodat hij, noch een van de anderen tijd

zou hebben om daarheen te gaan.

Toen nu Gudmund buiten stond te luisteren, voor de Moerashoeve, hoorde

hij wel is waar geen voetstap, maar er waren andre geluiden, die met

korte tusschenpoozen scherp door de stilte klonken. ’t Was een zacht

klagen, een stil en gesmoord gejammer en nu en dan snikken. Gudmund

meende op te merken, dat het uit de schuur kwam en ging daarheen. Toen

hij er dicht bij kwam hield het snikken op; maar ’t was duidelijk te

merken, dat iemand zich bewoog in de bewaarplaats voor het brandhout.

Gudmund meende op eens te begrijpen wie daarbinnen was.

„Ben jij het, Helga, die hier zit te schreien?” zei Gudmund en ging in

de deur staan, om te voorkomen, dat het meisje zou wegloopen vóór hij

met haar gesproken had.

Weer werd het volkomen stil. Gudmund had goed geraden, dat het Helga

was, die daar zat te schreien; maar zij beproefde haar snikken te

smoren, opdat Gudmund meenen zou, dat hij verkeerd gehoord had en heen

zou gaan. Het was pikdonker in het hok en ze wist, dat hij haar niet

zien kon.

Maar Helga was zóó wanhopend dien avond dat het niet gemakkelijk voor

haar was haar tranen in te houden. Ze was nog niet in huis geweest om

haar ouders te zien. Daar had ze geen moed voor gehad. Toen zij in de

schemering de groote heuvels opklom en er aan dacht, dat zij nu aan

haar ouders moest vertellen, dat zij geen steun van Peter Maartenszoon

zou krijgen voor de opvoeding van haar kind, was ze zoo bang geworden

voor al het harde en wreede, dat ze meende te zullen moeten aanhooren,

dat ze niet naar binnen had durven gaan. Ze vond, dat ze maar buiten

moest blijven, tot haar ouders naar bed waren; want dan hoefde zij over

dat ongeluk niet te spreken vóór den volgenden dag. En daarom had zij

zich in het schuurtje met brandhout verstopt.

Maar terwijl ze daar zat en koude en honger leed werd het haar eerst

recht duidelijk hoe arm en verlaten zij was. Alle schande en angst, die

ze al had doorgemaakt en alle angst en schande, die ze nog zou moeten

doormaken stond haar helder voor oogen en drukte haar als lood. Ze

schreide om zichzelf, omdat ze zóó ellendig was, dat niemand van haar

weten wou. Ze herinnerde zich hoe ze eens als kind in een modderpoel in

’t groote moeras was gevallen en recht naar beneden gezonken. Hoe meer

ze zich had ingespannen om naar boven te komen, hoe dieper ze er in was

neergezakt. Alle grasbosjes en kleine struiken, die ze had gegrepen,

hadden losgelaten. Zoo was het nu ook. Alles waar ze naar probeerde te

grijpen, om zich boven te houden, begaf haar. Niemand wilde haar

helpen. Toen ze in het moeras zakte, was er eindelijk een herdersjongen

gekomen, die haar er uitgetrokken had, maar nu kwam er niemand om haar

te redden. Nu zou ze zeker moeten vergaan.

Toen Helga aan het moeras begon te denken werd het haar op eens

duidelijk, dat het beste wat ze doen kon was daarheen te gaan—den

modderpoel in—en zich daar te laten zinken en begraven. Wie zóó slecht

was, dat geen mensch iets met haar te maken wou hebben, kon wel niets

beters doen dan sterven. Het zou ook het beste voor het kind wezen, als

zij weg was; want Helga’s moeder had het lief, hoewel ze dat niet

toonen wou als Helga thuis was. Maar als Helga voor goed weg was, dan

zou de grootmoeder het kind verzorgen, alsof het haar eigen was.

Ze begreep niet, dat ze midden in haar grootste ellende iets gedaan

had, dat de menschen beter over haar deed denken. Ze werd er met ieder

oogenblik meer van overtuigd, dat het groote moeras het eenige

geschikte toevluchtsoord voor haar was. En hoe beter ze dat begreep,

hoe meer ze schreide. ’t Was daarom niet gemakkelijk voor haar heur

tranen te bedwingen. Het duurde niet lang voor ze opnieuw begon te

snikken.

Gudmund kon zich niets ergers denken dan vrouwen, die schreiden. Hij

had ’t allermeeste lust dadelijk heen te gaan; maar hij vond, dat nu

hij de moeite gedaan had naar de hoeve te komen, hij toch ook zijn

boodschap moest overbrengen.

„Wat scheelt je?” zei hij op scherpen toon tot Helga. „Waarom ga je

niet naar binnen?”

„Och, ik durf niet,” antwoordde Helga en haar tanden klapperden terwijl

ze sprak. „Ik durf niet.”

„Waar ben je bang voor? Je hieldt je vandaag immers goed voor de

veldwachters en de rechters samen. Je kunt toch niet bang zijn voor je

ouders.”

„Ach ja, ach ja, die zijn veel erger dan alle anderen.”

„Waarom zouden ze nu juist vandaag boos zijn?”

„Ik krijg immers geen geld.”

„Je ben toch wel zoo’n flink meisje, dat je het brood verdienen kunt

voor jou en je kind.”

„Ja, maar niemand wil me in dienst hebben.”

Op eens kwam ’t Helga in de gedachten, dat ’t gebeuren kon, dat haar

ouders hun stemmen hoorden en naar buiten kwamen om te vragen wie daar

samen spraken. En dan zou ze genoodzaakt zijn hun alles te vertellen.

Dan zou ze zich niet meer kunnen redden daar beneden in ’t moeras. En

in haar schrik sprong ze op en wilde Gudmund voorbij loopen. Maar hij

was haar te vlug. Hij greep haar bij den arm en hield haar vast. „Neen,

je komt hier niet vandaan voor ik met je gesproken heb.”

„Laat me gaan!” zei ze en zag hem woest aan.

„Je ziet er uit, alsof je in ’t moeras wilt springen,” zei hij, want nu

stond ze buiten in ’t maanlicht, en hij kon haar gezicht zien.

„Ja, dat zou er ook niets toe doen, als ik dat deed,” zei Helga en

wierp op eens ’t hoofd in den nek en zag hem vlak in de oogen. „Van

morgen wilde je me niet eens achter op je wagen laten zitten. Niemand

wil iets met me te maken hebben. Je kunt toch wel begrijpen, dat het ’t

allerbeste is voor zoo’n stumper als ik, dat ik er een eind aan maak.”

Gudmund wist niet wat hij doen moest. Hij wenschte zich mijlen ver;

maar hij vond ook dat hij een mensch, dat zóó wanhopig was, niet aan

haar lot kon overlaten.

„Luister nu. Beloof me, dat je zult luisteren naar wat ik je te zeggen

heb, en dan mag je gaan waar je wilt.”

Ja, dat beloofde ze.

„Is hier iets om op te zitten?”

„Ja, daar staat immers het hakblok.”

„Ga daar dan op zitten en wees stil.”

Ze liep heel gehoorzaam naar ’t blok en ging zitten.

„Schrei nu niet meer,” zei hij, want hij vond, dat hij begon macht over

haar te krijgen. Maar dat had hij niet moeten zeggen, want ze legde

dadelijk haar hoofd in de handen en schreide erger dan ooit.

„Schrei niet,” zei hij en hij was op het punt van te stampvoeten. „Er

zijn er wel, die het erger hebben dan jij.”

„Neen, niemand kan het erger hebben.”

„Je bent jong en gezond. Je moest eens weten hoe mijn moeder het heeft.

Ze is zóó geplaagd door rheumatiek, dat ze zich niet verroeren kan;

maar ze klaagt nooit.”

„Zij is niet door iedereen verlaten zooals ik.”

„Jij ben ook niet verlaten. Ik heb met Moeder over je gesproken. En

Moeder heeft me naar je toe gestuurd.”

Het snikken hield een oogenblik op. ’t Was alsof men de groote stilte

hooren kon in ’t bosch, dat altijd als met ingehouden adem op iets

wonderlijks wachtte.

„Ik moest je haar groeten doen en zeggen, dat je eens bij Moeder moest

komen, zoodat Moeder je eens zien kon. Moeder denkt er over je te

vragen of je bij ons in dienst wilt komen.”

„Denkt ze er over mij dat te vragen?”

„Ja, maar ze wil je eerst zien.”

„Weet ze, dat...”

„Ze weet evenveel van je als ieder ander.”

’t Meisje sprong op met een kreet van verwondering en blijdschap en ’t

volgend oogenblik voelde Gudmund een paar armen om zijn hals. Hij was

heelemaal verschrikt en zijn eerste gedachte was zich los te rukken,

maar toen werd hij kalm en bleef staan. Hij begreep, dat het meisje

zoozeer buiten zich zelf was van blijdschap, dat zij niet wist wat zij

deed. Op dat oogenblik zou ze den eersten den besten schooier om den

hals hebben kunnen vallen, alleen maar om wat meêgevoel te hebben in

dat groote geluk, dat over haar gekomen was.

„Als ze mij in dienst nemen wil, dan kan ik immers blijven leven,” zei

ze, legde haar hoofd aan Gudmunds borst, en schreide weer; maar niet

zóó heftig als te voren. „Je kunt wel begrijpen, dat ik ’t ernstig

meende, dat ik in ’t moeras loopen wou,” zei ze toen. „O, ik dank je,

dat je gekomen bent. Je hebt mijn leven gered.”

Gudmund was tot nu toe onbewegelijk blijven staan, maar nu voelde hij

iets warms en teers, in zijn binnenste in beweging komen. Hij hief de

hand op en streek haar over het haar. Toen sprong ze op, alsof hij haar

uit een droom had gewekt.

„Ik dank je, dat je gekomen bent,” zei ze nog eens. Ze was vuurrood

geworden en hij bloosde ook.

„Ja, dan kom je morgen bij ons,” zei hij en reikte haar de hand om

afscheid te nemen.

„Ik zal nooit vergeten, dat je van avond bij me gekomen bent,” zei

Helga, en haar groote dankbaarheid verdrong haar verlegenheid.

„Ach ja, ’t was misschien goed, dat ik kwam,” zei hij kalm, maar hij

voelde zich heel tevreden over zich zelf. „Nu ga je zeker naar binnen?”

vroeg hij.

„Ja, nu zal ik wel naar binnen gaan.”

Gudmund kreeg opeens een warm gevoel voor Helga, zooals we gewoonlijk

voor iemand hebben wien ’t ons gelukt is te helpen. Hij bleef staan en

wilde niet heengaan.

„Ik zou je graag onder dak willen zien, vóór ik heenga.”

„Ik dacht, dat ze maar naar bed moesten gaan, eer ik binnen kwam.”

„Neen, je moet nu dadelijk gaan, zoodat je wat eten kunt en tot rust

komen,” zei hij, en vond het prettig voor haar te zorgen.

Ze ging dadelijk naar het hutje en hij ging meê, blij en trotsch omdat

ze hem gehoorzaamde. Toen ze op den drempel stond, namen ze weer

afscheid van elkaar; maar eer hij een paar stappen gedaan had, kwam zij

hem weer achterna.

„Blijf hier buiten tot ik binnen ben. ’t Zal gemakkelijker gaan, als ik

weet, dat je hier buiten staat.”

„Ja,” zei hij, „ik zal hier blijven tot je door het ergste heen bent.”

Toen deed Helga de deur van het hutje open en Gudmund merkte, dat ze

die op een kier liet staan. Het was alsof ze zich niet gescheiden wilde

voelen van haar helper, die daar buiten stond. Hij maakte er zich ook

geen gewetenszaak van alles te hooren en te zien wat er in de hut

gebeurde.

De oude lieden knikten Helga vriendelijk toe toen ze binnen kwam. De

moeder legde dadelijk het kind in de wieg, ging toen naar de kast,

haalde een kom melk en een stuk brood en zette dat op de tafel.

„Zie hier. Ga nu zitten en eet,” zei ze. Daarop ging ze naar den haard

en stookte het vuur op. „Ik heb het vuur aangehouden, opdat je je goed

zou kunnen drogen en je warmen, als je kwam. Maar eet nu eerst. Je zult

wel allereerst behoefte aan eten hebben.”

Helga was al dien tijd aan de deur blijven staan.

„U moet me zoo vriendelijk niet ontvangen, Moeder,” zei ze zacht. „Ik

krijg geen geld van Peter. Ik heb zijn hulp geweigerd.”

„Er is van avond al iemand hier geweest, die in de rechtszaal was

geweest en gehoord had hoe het je ging,” zei de moeder. „Wij weten

alles.”

Helga bleef bij de deur staan en keek, alsof ze niet wist hoe ze ’t

had.

Toen legde de hutbewoner zijn werk neer, schoof zijn bril naar boven op

zijn voorhoofd, en kuchte om een toespraak te houden, waar hij den

heelen avond over gedacht had.

„Het is zóó, Helga,” zei hij. „Moeder en ik hebben altijd fatsoenlijke

en eerlijke menschen willen wezen, maar we vonden, dat we door jou te

schande gemaakt waren. ’t Was alsof wij je het verschil tusschen goed

en kwaad niet geleerd hadden. Maar toen we hoorden wat je vandaag

gedaan hebt, zeiden we tegen elkaar, Moeder en ik, dat nu konden de

menschen toch zien, dat je een goede opvoeding genoten hadt en we

meenden, dat we misschien nog pleizier van je beleven konden. En Moeder

wou niet, dat wij naar bed zouden gaan vóór je kwam, opdat je een goede

ontvangst zoudt hebben bij je thuiskomst.”

Herinneringen · 第 11 / 16 题