'T AFSCHEID VAN DE WILDE GANZEN.
De jongen stond den volgenden morgen vóór zonsopgang op en ging naar
het strand. Hij stond daar een eind ten oosten van 't visschersdorp
Smyge, vóór 't nog goed licht was. Hij was alleen. Hij was in 't
ganzenhok geweest om Maarten, den ganzerik, te roepen, maar die had
niet van huis gewild. Hij had geen woord gezegd, maar alleen het
hoofd onder den vleugel gestoken, en was weer ingeslapen.
't Scheen een heerlijke heldere dag te worden. 't Was bijna even mooi
weer, als op dien lentemorgen, toen de wilde ganzen naar Skaane waren
gekomen. De zee lag rustig en onbewegelijk. De lucht was doodstil,
en de jongen dacht er aan wat een goeden overtocht de ganzen zouden
hebben.
Hij zelf leefde nog als in een soort bedwelming. Nu eens dacht hij
als dwerg, dan weer als mensch. Als hij een steenen walletje langs
den weg zag, was hij bang om verder te gaan, eer hij er zich van had
overtuigd, dat daar achter geen roofdier op den loer lag. En dadelijk
daarna lachte hij zichzelf uit, en verheugde er zich over, dat hij
groot en breed en sterk was, en nergens bang voor hoefde te wezen.
Toen hij bij de kust kwam, ging hij, zoo groot als hij was, vlak
aan 't strand staan, opdat de wilde ganzen hem zouden zien. 't Was
een groote trekdag. Onophoudelijk klonken er loktonen vanuit de
lucht. Hij glimlachte, toen hij er aan dacht, dat niemand zoo goed
als hij verstond, wat de vogels elkaar toeriepen.
Nu kwamen ook de wilde ganzen aanvliegen. De eene groote troep volgde
op den anderen.
"Als 't nu maar niet mijn ganzen zijn, die weggaan zonder me goedendag
te zeggen," dacht hij. Hij zou hun zoo graag vertellen, hoe alles
gegaan was, en hun laten zien, dat hij weer een mensch was geworden.
Daar kwam een troep, die sneller vloog en luider riep dan de andere,
en er was iets, dat hem zei, dat het deze troep moest zijn. Maar hij
kon ze niet zoo zeker herkennen als den vorigen dag.
De troep vloog langzamer, en streek heen en weer langs het strand. Toen
begreep de jongen, dat zij het wezen moesten. Hij kon alleen niet
begrijpen, waarom de wilde ganzen niet bij hem neerkwamen. 't Was
toch onmogelijk, dat ze hem niet zagen.
Hij trachtte den loktoon te roepen, die hen bij hem zou brengen,
maar zijn tong was onwillig. Hij kon het rechte geluid niet krijgen.
Hij hoorde Akka hoog in de lucht roepen, maar hij begreep niet wat
ze zei.
"Wat is dat? hebben de wilde ganzen een andere taal gekregen?" vroeg
hij zich verbaasd af.
Hij wenkte hen met zijn muts, hij liep langs het strand en riep:
"Hier ben ik! Waar ben jij?"
't Scheen, dat hij ze alleen maar bang maakte. Ze vlogen hooger op,
en verder de zee in.
Toen begreep hij het eindelijk!
Ze wisten niet, dat hij een mensch was geworden. Ze herkenden hem niet!
En hij kon ze niet roepen, omdat een mensch de taal van de vogels niet
spreken kan. Hij kon die niet meer spreken, en ook niet meer verstaan.
Hoewel de jongen zoo blij was, dat hij uit de betoovering verlost was,
voelde hij 't als een bitter verdriet, dat hij op die manier van zijn
goede kameraden moest scheiden. Hij ging in 't zand zitten en verborg
zijn gezicht in zijn handen. Wat hielp het of hij ze al nakeek?
Maar dadelijk daarna hoorde hij vleugels ruischen. Het was Moeder Akka
zwaar gevallen van Duimelot weg te gaan, en ze kwam nog eens terug. En
nu de jongen stil zat, waagde ze 't hem te naderen. Plotseling had
zeker 't een of ander haar oogen geopend, zoodat ze zag, wie hij
was. Ze streek neer op de landpunt vlak bij hem.
De jongen deed een uitroep van blijdschap, en omhelsde de oude Akka. De
andere wilde ganzen omringden hem, en streken met hun snavels langs
hem heen. Ze kakelden en praatten allen door elkaar, en wenschten hem
allen hartelijk geluk. En hij sprak ook, en dankte hen voor de heerlijk
mooie reis, die hij met hen had gemaakt. Maar op eens werden de wilde
ganzen wonderlijk stil, en trokken zich van hem terug. 't Was alsof
ze wilden zeggen: "Och, hij is een mensch! Hij verstaat ons niet,
en wij verstaan hem niet."
Toen stond de jongen op, en ging naar Akka. Hij streelde en liefkoosde
haar. Dat deed hij ook met Yksi en Kaksi, Kolme en Neljä, Viisi en
Kuusi, de ouden, die van 't begin af bij hem waren geweest.
Toen ging hij van 't strand weg, het land in. Want hij wist wel,
dat vogelverdriet nooit lang duurt, en hij wilde van hen weggaan,
terwijl ze nog bedroefd waren, omdat ze hem missen moesten.
Toen hij op den dijk gekomen was, keerde hij zich om, en keek naar
de vele vogeltroepen, die over zee vlogen. Alle riepen hun loktonen,
alleen één troep wilde ganzen vloog stil voort, zoolang als hij ze
zien kon.
Maar de troep was goed geordend, en vloog met flinke vaart, en hun
vleugelslagen waren sterk en krachtig. En de jongen voelde zóó'n
verlangen naar hen, die wegvlogen, dat hij bijna wenschte, dat hij
weer Duimelot was, die over land en zee kon rijden met een troep
wilde ganzen.