Op een dag, in 't begin van November, vlogen de wilde ganzen om
Hallandsaas Skaane binnen. Ze hadden zich eenige weken opgehouden
op de wijde vlakte om Falköping heen, en daar waren verscheidene
andere groote troepen wilde ganzen gekomen. Zoodoende hadden ze er
een prettigen tijd gehad, met veel gesprekken met de oude vogels,
en allerlei wedstrijden en spelen van de jongen onderling.
Wat Niels Holgersson betreft, hij was niet zoo ingenomen geweest met
dat lange dralen in West-Gothland. Hij probeerde den moed erin te
houden, maar hij had moeite zich met zijn lot te verzoenen.
"Als ik nu Skaane maar achter me had, en in 't buitenland was,"
dacht hij, "dan wist ik, dat ik niets meer te hopen had, en zou ik
wel kalmer worden."
Toen braken de wilde ganzen eindelijk op, en vlogen in de richting
van Halland. En dien heelen dag vloog Akka met haar troepje heen en
weer over Skaane. Tegen den avond streek ze neer in een moeras in de
gemeente Vemmenhög.
De jongen kon niet laten te gelooven, dat ze dien dag haar weg zoo
genomen had, om hem te laten zien, dat zijn land zich wel meten kon
met alle andere landen in de wereld. Maar dat had ze niet hoeven
te doen. De jongen dacht er niet aan, of zijn land welvarend of arm
was. Van het oogenblik af, dat hij de eerste wilgen om de weiden, en
't eerste lage houten huisje had gezien, deed er iets in zijn hart
pijn van verlangen.
't Was een paar dagen later. 't Was stil en mistig weer. De wilde
ganzen hadden op de groote akkers om de kerk van Skurup gegraasd, en
hielden staande hun middagslaapje, toen Akka naar den jongen toekwam.
"'t Schijnt wel, of we nu stil weer zullen krijgen," zei ze, "en ik
denk, dat we morgen over de Oostzee zullen vliegen."
"Zoo," zei de jongen kortaf, want de keel snoerde hem samen, zoodat
hij niet spreken kon. Hij had toch nog gehoopt, dat hij uit zijn
betoovering zou verlost worden, terwijl hij op Skaane was.
"We zijn wel vrij dicht bij West Vemmenhög nu," zei Akka, "en ik dacht,
dat je misschien een poosje naar huis zoudt willen gaan. Misschien
duurt het lang, eer je je familie weerziet."
"'t Is misschien beter, dat ik het niet doe," zei de jongen, maar
aan zijn stem was het te hooren, dat hij er erg veel lust in had.
"Als de ganzerik bij ons blijft, kan er immers geen ongeluk gebeuren,"
zei Akka. "Me dunkt je moest eens gaan zien hoe je ouders het
hebben. Misschien kun je hen toch op de een of andere manier helpen,
al wordt je ook geen mensch."
"Ja, daar hebt u gelijk aan, Moeder Akka. Daar had ik eerder aan
moeten denken," zei de jongen levendig.
Een oogenblik later waren hij en de leidstergans op weg naar Holger
Nielssons huis, en 't duurde niet lang of Akka streek neer achter
't steenen walletje, dat om de kleine boerderij liep.
"'t Is wonderlijk zooals alles 't zelfde is gebleven," zei de jongen,
en klom gauw tegen 't walletje op om rond te kunnen zien. "'t Is
net, alsof het geen dag geleden is, dat ik hier zat, en u zag komen
aanvliegen boven in de lucht."
"Ik zou wel eens willen weten of je vader een geweer heeft," zei
Akka plotseling.
"Ja, dat heeft hij," zei de jongen. "'t Was juist om dat geweer, dat
ik thuis bleef, in plaats van dien Zondagochtend naar de kerk te gaan."
"Dan durf ik niet hier op je blijven wachten," zei Akka. "'t Is 't
beste, dat je ons morgen vroeg bij Smygehuk ontmoet, dan kun je den
nacht over thuisblijven."
"Neen, gaat u nu nog niet weg, Moeder Akka," zei de jongen, en sprong
haastig van den wal naar beneden. Hij wist niet hoe het kwam, maar
hij kreeg een gevoel, dat er òf de wilde ganzen, òf hemzelf iets zou
overkomen, zoodat ze elkaar nooit meer zouden ontmoeten.
"U ziet wel, dat ik bedroefd ben, omdat ik niet meer een mensch kan
worden," ging hij voort. "Maar ik wil u dit toch zeggen, dat ik er
geen berouw van heb, dat ik in 't voorjaar met u meêging. Neen, ik
wil liever nooit meer een mensch worden, dan dat ik die reis niet
zou hebben gemaakt."
Akka haalde een paar keer diep adem, voor ze antwoordde.
"Er is iets, waar ik vroeger met je over had willen spreken, maar
omdat je niet naar je familie zoudt teruggaan, vond ik, dat het geen
haast had. Maar 't kan toch geen kwaad het te zeggen."
"U weet wel, dat ik graag wat voor u doen wil," zei de jongen.
"Als je wat goeds bij ons hebt geleerd, Duimelot, vind je misschien
niet, dat de menschen alleen recht hebben om op de wereld te zijn,"
zei de leidstergans heel ernstig. "Denk er aan, dat jelui een groot
land hebt, en dat je dus wel een paar kale klippen, een paar ondiepe
meren, drassige moeraslanden, of een paar eenzame rotsen en afgelegen
wouden te missen hebt voor ons, arme dieren, waar we met rust worden
gelaten! Mijn leven lang ben ik gejaagd en vervolgd. 't Zou goed zijn
te weten, dat er ergens een vrijplaats was, ook voor iemand als ik."
"Ik zou blij geweest zijn, als ik u daarmeê had kunnen helpen," zei de
jongen, "maar ik zal wel nooit veel macht onder de menschen krijgen."
"Neen maar... we staan hier te praten, alsof we elkaar nooit meer
zullen zien," zei Akka, "en we zullen toch morgen weer bij elkaar
zijn. Nu moet ik naar de anderen terug."
Ze sloeg de vleugels uit, maar ze kwam weer terug, streek met
den snavel een paar keer op en neer langs Duimelot, en vloog toen
eindelijk weg.
't Was helder dag, maar niemand was te zien op de hoeve, en de jongen
kon gaan, waar hij wilde. Hij liep gauw naar den koestal, want hij
wist, dat hij van de koeien 't beste de waarheid zou hooren. 't Zag
er droevig uit in den stal. Dit voorjaar hadden er drie prachtige
koeien gestaan; nu stond er nog maar één. 't Was Meiroos, en men kon
merken, dat ze naar haar kameraden verlangde. Ze liet den kop hangen,
en had nauwelijks het voer aangeroerd, dat voor haar lag.
"Dag Meiroos!" riep de jongen, en sprong zonder angst bij haar in
den stal. "Hoe gaat het met Vader en Moeder? Hoe maken het de kat,
de ganzen en de kippen, en waar heb je Sterretje en Goudlelie gelaten?"
Toen Meiroos de stem van den jongen hoorde, schrikte ze, en het
was alsof ze van plan was hem te stooten; maar ze was nu niet meer
zoo heftig als vroeger: ze nam den tijd Niels Holgersson eens goed
aan te kijken, eer ze toestootte. Hij was even klein als toen hij
heenging, en hij was precies zoo gekleed, maar hij was toch heelemaal
veranderd. De Niels Holgersson, die was heengegaan in 't voorjaar,
liep zwaar en langzaam, en zag er slaperig uit, maar hij, die daar
stond, was vlug en behendig, sprak verstandig, en had oogen, die
vlamden en straalden. Hij had zoo'n flinke houding, dat men respect
voor hem hebben moest, zoo klein als hij was, en hoewel hij zelf er
niet opgewekt uitzag, werd men blij alleen door hem te zien.
"Boe!" loeide Meiroos. "Ze zeiden, dat hij veranderd was, maar ik kon
het niet gelooven. Welkom thuis, Niels Holgersson, welkom thuis! Dit
is een van de prettigste oogenblikken, die ik in lang heb gehad."
"Dank je wel, Meiroos," zei de jongen, en was zoo blij, dat hij zoo
goed ontvangen werd. "Vertel me nu hoe 't met Vader en Moeder gaat."
"Ze hebben niet anders dan zorgen gehad, van 't oogenblik af, dat je
wegging," zei Meiroos. "'t Allerergste is 't met dat dure paard, dat
den heelen zomer heeft staan eten. Je Vader wil hem niet doodschieten,
en hij kon hem niet verkoopen. 't Is om dat paard, dat Sterretje en
Goudlelie hier allebei vandaan moesten."
Dat was eigenlijk wat anders dan wat de jongen wilde weten, maar hij
was te verlegen om 't ronduit te vragen. Daarom zei hij:
"Moeder vond het zeker heel vervelend, toen ze zag, dat Maarten,
de ganzerik was weggevlogen."
"Ik geloof niet, dat ze zoo erg om den ganzerik zou hebben getreurd,
als ze had geweten, hoe het was gegaan, toen hij wegvloog. Nu klaagt
ze er 't meest over, dat het haar eigen zoon was, die met den ganzerik
wegliep."
"Zoo! Gelooft ze, dat ik hem gestolen heb?" zei de jongen.
"Ja, wat moest ze anders denken?"
"Vader en Moeder verbeelden zich zeker, dat ik dezen zomer als een
landlooper heb rondgezworven."
"Ze denken, dat het niet goed met je is," zei Meiroos, "en ze hebben
over je getreurd, zooals men doet, als het liefste wat men heeft,
verloren gaat."
De jongen liep snel uit den koestal weg, toen hij dat hoorde en ging
naar den paardenstal. Die was klein, maar gezellig en mooi. 't Was
aan alles te zien, dat Holger Nielsson het zoo had willen maken,
dat de nieuweling goed tieren zou. Daar stond een groot, mooi paard,
glanzend van welvaren.
"Goeiendag," zei de jongen. "Ik heb gehoord, dat hier een ziek paard
moet zijn. Dat kun jij toch niet wezen. Je ziet er best en welvarend
uit."
't Paard keerde den kop om, en zag den jongen oplettend aan.
"Ben jij de zoon des huizes?" vroeg hij. "Ik heb veel kwaad van hem
gehoord. Maar jij hebt zoo'n goed gezicht, dat ik niet zou gelooven,
dat jij 't zijn kon, als ik niet had gehoord, dat hij in een dwerg
was veranderd."
"Ik weet wel, dat ik geen goeden naam heb hier op de hoeve," zei
Niels Holgersson. "Mijn eigen moeder gelooft, dat ik wegliep als
een dief. Maar dat doet er niet toe, want ik zal hier niet lang
blijven. Voor ik weer heenga, zou ik toch graag weten, wat je scheelt."
"Jammer, dat je niet hier blijft," zei het paard, "want ik voel, dat
we goede vrienden zouden worden. Mij scheelt niet anders, dan dat ik
iets in mijn poot heb gekregen, een mespunt, of zooiets. 't Zit zoo
goed verstopt, dat de dokter het niet kan vinden, maar het steekt, en
ik heb zoo'n pijn, dat ik niet loopen kan. Als je aan Holger Nielsson
zoudt willen zeggen wat me scheelt, geloof ik, dat hij me gemakkelijk
zou kunnen helpen. Ik zou me graag nuttig willen maken. Ik schaam me er
genoeg over, dat ik hier maar sta te eten, zonder iets uit te voeren."
"'t Is goed, dat je geen ziekte hebt," zei Niels Holgersson. "Ik zal
probeeren te zorgen, dat je geholpen wordt. Ik mag zeker wel met mijn
mes wat op je hoef krassen?"
Niels Holgersson was juist klaar met het paard, toen hij stemmen op
de hoeve hoorde. Hij zette de staldeur wat op een kier, en keek naar
buiten. 't Waren Vader en Moeder, die van den weg kwamen, en naar
het huis gingen.
't Was duidelijk, dat ze door zorgen waren gedrukt. Moeder had veel
meer rimpels in 't gezicht dan vroeger, en Vaders haar was grijs
geworden. Moeder liep er met Vader over te spreken, dat hij moest
probeeren, of haar zwager hem niet wat geld kon leenen.
"Neen, ik wil geen geld meer leenen," zei Vader, juist toen hij voorbij
den stal ging. "Niets is zoo erg als schulden te hebben. 't Is beter
ons huis te verkoopen."
"Ik zou daar niet zooveel tegen hebben, dat we dat wegdeden," zei
Moeder, "als 't niet om den jongen was. Maar waar moet hij heen,
als hij op een goeden dag thuiskomt, arm en ellendig, zooals je wel
kunt begrijpen, dat hij worden zal, en wij zijn hier niet meer."
"Ja, daar heb je gelijk aan," zei Vader. "Maar we moeten hen, die
hier dan komen, vragen hem vriendelijk te ontvangen, en hem te zeggen,
dat hij ons welkom zal wezen. We zullen hem geen onvriendelijk woord
zeggen, hoe hij ook terugkomt, wel Moeder?"
"O neen! Als ik hem maar terughad, als ik maar wist, dat hij geen
kou of honger leed ergens op den weg, dan zou ik niets meer begeeren."
Toen Vader en Moeder dat gezegd hadden, gingen ze naar binnen, en
de jongen kon hun gesprek niet verder hooren. Hij was heel blij en
bewogen geweest, toen hij hoorde, dat ze hem zóó liefhadden, hoewel
ze geloofden, dat hij op den verkeerden weg gekomen was, en hij had
wel naar hen toe willen vliegen.
"Maar misschien is 't een nog grooter verdriet voor hen, als ze me
zien, zooals ik nu ben," dacht hij.
Terwijl hij daar stond, en niet recht wist, wat hij doen moest,
kwam er een rijtuig aan, en hield voor het hek stil. De jongen had
bijna een schreeuw van verbazing gegeven, want zij, die uitstapten
en de hoeve binnengingen, konden niemand anders zijn dan Asa,
't ganzenhoedstertje en haar vader. Ze hielden elkaar bij de hand,
toen ze naar 't huis liepen. Ze liepen stil en ernstig, maar met een
mooien glans van geluk in hun oogen. Toen ze ongeveer midden op de
hoeve waren, hield Asa haar vader staande, en zei:
"U denkt er wel aan, Vader, dat u niets moogt zeggen van die klomp,
of van de ganzen en het dwergje, dat zoo op Niels leek, dat, als hij
't zelf niet was, toch zeker iets met hem te maken moest hebben."
"Foei neen!" zei Jon Andersson. "Ik zal alleen zeggen, dat je meermalen
zoo goed door hun zoon werd geholpen, terwijl je naar mij zocht, en
dat we daarom hierheen zijn gekomen, om te vragen of we niet iets
voor hen kunnen doen, nu ik weer een man ben, die er boven op is,
en meer bezit dan hij noodig heeft, door de mijn, die ik gevonden heb."
"Ja, ik weet wel, dat u 't goed zult zeggen," zei Asa. "Ik wou alleen
maar, dat u dat eene niet zei."
Ze gingen het huis binnen, en de jongen had graag willen hooren wat
ze daar in de kamer bepraatten, maar hij durfde niet op de plaats te
komen. 't Duurde niet zoo heel lang, voor ze weer buiten kwamen, en
toen brachten Vader en Moeder hen naar het hek. 't Was opmerkelijk hoe
blij ze nu waren. Ze zagen er uit, alsof ze opnieuw begonnen te leven.
Toen de gasten weg waren, bleven Vader en Moeder nog aan het hek
staan om hen na te zien.
"Ja, nu ben ik niet bedroefd meer," zei Moeder, "nu ik zooveel goeds
van Niels heb gehoord."
"Maar ze vertelden toch niet zoo heel veel van hem," zei Vader
nadenkend.
"Was het niet genoeg, dat ze alleen hierheen kwamen om te zeggen,
dat ze ons wilden helpen, omdat Niels hun zoo groote diensten had
bewezen? Ik vind, dat je hun aanbod had moeten aannemen, Vader."
"Neen, Moeder. Ik wil van niemand geld aannemen, niet als geschenk
en niet te leen. Ik wil van mijn schulden af komen, dàt allereerst,
en dan zullen wij ons wel weer opwerken. We zijn toch nog niet zoo
stokoud, wel Moeder?" En Vader lachte hartelijk, terwijl hij dat zei.
"Ik geloof, dat je 't nog prettig vindt deze hoeve te verkoopen,
waar we zoo aan gewerkt hebben," zei Moeder.
"Je begrijpt toch wel, waarom ik lach," zei Vader. "Dat ik dacht, dat
onze jongen verloren was, drukte me zoo, dat ik heelemaal machteloos
ben geweest, maar nu ik weet, dat hij leeft en zich goed gedraagt,--nu
zul je zien, dat Holger Nielsson nog wel wat kan!"
Moeder ging in huis, maar de jongen kroop zoo gauw hij maar kon,
weg in een hoek; want Vader kwam den stal binnen. Hij ging naar het
paard en nam, zooals gewoonlijk den zieken poot op, om te zien of
hij niet kon ontdekken, wat er aan scheelde.
"Wat is dat?" zei Vader, want hij zag, dat er letters op het hoefijzer
waren ingekrast.
"Neem het ijzer uit de hoef!" las hij, en keek verbaasd en vragend
rond. Toch begon hij te kijken en te voelen onder aan de hoef.
"Daar geloof ik zoowaar, dat iets scherps zit," mompelde hij na
een poosje.
Terwijl hij met het paard bezig was, en de jongen in een hoek van
den stal weggedoken zat, kwamen er weer andere bezoekers op de hoeve.
't Was namelijk zoo gegaan, dat nu Maarten de ganzerik, zóó dicht bij
zijn vroeger thuis was, hij de lust niet kon weerstaan, om zijn vrouw
en kinderen te vertoonen aan de oude kameraden op de boerderij. Hij
had eenvoudig Donsje en de kleine gansjes meêgenomen, en was er
heen gewandeld.
Er was geen mensch op de hoeve bij Holger Nielsson toen de ganzerik
er aankwam. Hij streek dus heel kalm neer, en liep rustig rond,
en liet Donsje zien hoe heerlijk hij 't had gehad, toen hij nog een
tamme gans was. Toen ze de heele plaats hadden bekeken, merkte hij,
dat de deur van den koestal open stond.
"Kijk hier nu eens in!" zei hij, "dan zul je zien waar ik vroeger
woonde, dat is heel wat anders, dan je in moerassen op te houden,
zooals we nu doen."
De ganzerik stond op den drempel en keek in den koestal. "Er is
hier geen mensch," zei hij. "Kom mee, Donsje, dan zal ik je het
ganzenhok laten zien. Wees maar niet bang. Het is hier heelemaal
niet gevaarlijk."
Toen gingen de ganzerik, Donsje en alle zes de jonge gansjes regelrecht
het ganzenhok in, om te zien in welk een pracht en heerlijkheid de
groote witte had geleefd, eer hij zich bij de wilde ganzen aansloot.
"Kijk, zoo was het hier. Daar was mijn plaats, en daar stond de
voederbak, die altijd vol haver en water was," zei de ganzerik. "Wacht
eens, er zit nu ook nog wat in," en hij liep gauw naar den bak,
en begon van den haver te smullen.
Maar Donsje was onrustig.
"Laat ons nu weer naar buiten gaan," zei ze.
"Nog maar een paar korreltjes!" zei de ganzerik. Maar meteen gaf hij
een schreeuw, en vloog op den uitgang aan. Maar het was te laat. De
deur klapte dicht, de huismoeder stond buiten, en deed den haak er
op. Ze waren opgesloten!
Vader had een scherp stuk ijzer uit den poot van den zwarte gehaald,
en stond heel vergenoegd zijn paard te streelen, toen Moeder haastig
den stal binnenliep.
"Vader! Kom eens kijken wat een goede vangst ik daar deed!" zei ze.
"Neen, wacht even, Moeder. Kijk eens hier," zei Vader. "Nu ben ik
erachter gekomen, wat ons paard scheelde."
"Ik geloof, dat het ons nu weer eens meêloopt," zei Moeder. "Stel je
voor, de groote ganzerik, die van 't voorjaar verdween, is teruggekomen
met zeven wilde ganzen! Ze gingen het ganzenhok binnen, en daar heb
ik ze allemaal opgesloten."
"Dat is wonderlijk!" zei Holger Nielsson. "En weet je Moeder,
't allerbeste van dit alles is, dat we nu niet meer hoeven denken,
dat de jongen den ganzerik meênam, toen hij van ons wegging."
"Ja, daar heb je gelijk aan! Maar ik ben bang, dat we ze nu vanavond
al slachten moeten. 't Is over een paar dagen al St. Maarten, en we
moeten ons haasten, als we ze nog op tijd naar de stad willen krijgen."
"'k Vind 't zonde den ganzerik te slachten, nu hij met zoo'n groot
gevolg hier thuis komt," zei Holger Nielsson.
"Als 't ons beter ging, zou hij wel mogen blijven leven, maar als we
van hier weg moeten, kunnen we toch immers de ganzen niet houden."
"Ja, dat is waar ook."
"Help me nu maar ze in huis te brengen," zei Moeder.
Ze gingen heen, en een oogenblik later zag de jongen Vader aankomen
met Maarten onder den eenen, en Donsje onder den anderen arm, en
met Moeder in huis gaan. De ganzerik riep, zooals altijd, als hij in
gevaar was: "Duimelot, Duimelot, help me!" hoewel hij niet weten kon,
dat de jongen in zijn buurt was.
Niels Holgersson hoorde hem wel, maar hij bleef achter de staldeur
staan. Hij deed dat niet, omdat hij wist, dat het goed voor hem zelf
wezen zou, als de ganzerik op de slachtbank kwam te liggen,--daar
dacht hij op dat oogenblik heelemaal niet aan--maar omdat hij--als
hij den ganzerik redden wou, zich aan Vader en Moeder moest vertoonen,
en dat vond hij vreeselijk.
"Ze hebben het al moeielijk genoeg," dacht hij. "Moet ik hun nu ook
dat verdriet doen?"
Maar toen de deur achter den ganzerik dichtviel, kwam er leven in
den jongen. Hij vloog over 't grasveld, sprong op het eikenhouten
plankje voor de huisdeur en de gang in. Daar deed hij ouder gewoonte
zijn klompen uit, en liep naar de kamerdeur. Maar hij vond het nog
aldoor zóó akelig zich aan Vader en Moeder te vertoonen, dat hij niet
de kracht had de hand op te heffen en te kloppen.
"'t Is om Maarten, den ganzerik, te doen," dacht hij toen, "hij,
die mijn beste vriend was, sinds ik hier voor 't laatst stond."
En in dat oogenblik herinnerde hij zich alles, wat de ganzerik en
hij hadden doorgemaakt, op bevroren meren en stormachtige zeeën en
onder gevaarlijke roofdieren. Toen klopte zijn hart van dankbaarheid
en liefde. En hij overwon zichzelf, en bonsde op de deur.
"Is daar iemand?" zei Vader, en deed open.
"Moeder, u moet den ganzerik niet aanraken!" riep de jongen, en op
't zelfde oogenblik gaven de ganzerik en Donsje, die op een bank
gebonden lagen, een schreeuw van blijdschap, zoodat hij hoorde,
dat ze nog in leven waren.
Maar wie ook een uitroep van vreugde liet hooren--dat was Moeder.
"Neen, wat ben je flink en groot geworden!" riep ze.
De jongen was niet in de kamer gekomen, maar bleef op den drempel
staan, als iemand, die er niet zeker van is, hoe hij ontvangen
zal worden.
"Goddank, Goddank, dat ik je terug heb," zei Moeder. "Kom toch binnen,
kom binnen!"
"Wees welkom," zei Vader. Hij kon geen woord meer uitbrengen.
Maar de jongen bleef nog op den drempel staan. Hij kon niet begrijpen,
dat ze zoo blij waren met hem, zooals hij nu was. Maar toen kwam
Moeder, en sloeg de armen om zijn hals, en trok hem mee in de kamer. En
toen eerst begreep hij wat er gebeurd was.
"Moeder, Vader! Ik ben groot! Ik ben weer een mensch geworden!" riep
hij.