De wilde ganzen hadden zich neergezet op een kleine klip buiten de
Rotsbeek. Maar toen het tegen middernacht liep, en de maan hoog aan
den hemel stond, schudde Akka den slaap uit de oogen, en liep rond
om Yksi en Kaksi, Kolme en Neljä, Viisi en Kuusi te wekken. 't Laatst
stootte ze met den snavel Duimelot aan, zoodat hij wakker werd.
"Wat is er, Moeder Akka?" vroeg hij, en sprong verschrikt op.
"Er is niets gevaarlijks," antwoordde de leidstergans. "Wij, de
zeven ouden in den troep, wilden van nacht een eind over zee vliegen,
en zouden graag weten, of je lust hebt om meê te gaan."
De jongen begreep wel, dat Akka zoo'n voorstel niet zou hebben gedaan,
als er niet iets gewichtigs te doen was, en hij ging dadelijk op
haar rug zitten. De vlucht ging recht naar het westen. De wilde
ganzen vlogen eerst over een streep groote en kleine eilanden, die
dicht bij de kust lagen, daarna over een breede streep open water
en bereikten toen de groote eilandengroep Väderöar, die 't verste
in zee ligt. Alle eilanden waren laag en rotsachtig, en in den
maneschijn leek het, alsof ze aan den westkant door de golven waren
gladgeslepen. Enkele waren heel groot, en daarop onderscheidde de
jongen een paar woningen. Akka zocht de kleinste klip uit, en streek
daar neer. Die bestond uit koolhoudenden grijzen steen, waarover in
't midden een vrij breede spleet liep, waarin de zee fijn wit zeezand
en wat slakkenhuizen had geworpen.
Toen de jongen van den rug van de gans gleed, zag hij dicht bij zich
iets, dat op een hoogen spitsen steen leek. Maar bijna op hetzelfde
oogenblik merkte hij, dat het een groote roofvogel was, die de klip
als nachtverblijf had uitgekozen. En nauwlijks had hij den tijd gehad
er zich over te verwonderen, dat de wilde ganzen zoo onvoorzichtig
waren neergestreken naast een gevaarlijken vijand, of de vogel kwam
met een langen sprong op hen toe, en hij herkende Gorgo, den arend.
't Bleek, dat Akka en Gorgo deze bijeenkomst hadden afgesproken. Geen
van beide was er verbaasd over den ander te zien.
"Dat was flink van je, Gorgo, dat je al voor ons hier bent," zei
Akka. "Ben je hier al lang?"
"Ik kwam hier vanavond," antwoordde Gorgo, "maar ik ben bang, dat
ik geen ander prijsje verdien, dan dat ik hier op tijd ben. 't Ging
verkeerd met de boodschap, die u me hebt opgedragen."
"Ik geloof zeker, Gorgo, dat je meer hebt gedaan, dan je toonen
wilt," zei Akka. "Maar eer je vertelt, wat je op reis is gebeurd,
wou ik Duimelot verzoeken me te helpen om iets te onderzoeken, dat
hier op de klip moet verborgen zijn."
De jongen had een paar mooie slakkenhuizen staan bekijken, maar toen
Akka zijn naam noemde, keek hij op.
"Je was zeker wel verwonderd, Duimelot, omdat we van den rechten weg
afweken, en hier naar 't westen vlogen," zei Akka.
"Ik vond het wel vreemd," antwoordde de jongen. "Maar ik wist immers
wel, dat u altijd een goede reden hebt voor wat u doet."
"Je denkt goed over mij," zei Akka, "maar ik vrees, dat je dat nu
wel eens zou kunnen tegenvallen, want 't is best mogelijk, dat we
deze reis tevergeefs hebben gemaakt."
"'t Gebeurde heel lang geleden," ging Akka voort, "dat ik met een
paar van de ouden in onzen troep, op onze lentereis door een storm
werd overvallen, en heel op deze klip geworpen. Toen we zagen, dat we
niets anders dan zee zonder kust voor ons hadden, vreesden we, zoo
ver weggedreven te worden, dat we nooit weer aan land zouden komen,
en gingen daarom op de golven liggen. De storm dwong ons verscheidene
dagen tusschen de kale klippen te blijven. We leden veel honger,
en eens liepen we hier deze kloof binnen om naar eten te zoeken. We
vonden geen enkel grassprietje, maar we zagen een paar zakken, die
goed dichtgebonden waren, en half in 't zand begraven. We hoopten,
dat er koren in de zakken zou zijn, en rukten en trokken er aan,
tot we het goed kapot gemaakt hadden, maar toen rolden er geen
zaadkorrels maar blinkende goudstukken uit. Zulke dingen konden wij,
wilde ganzen, niet gebruiken, en we lieten ze, waar ze waren. We hebben
in al die jaren niet aan die vondst gedacht, maar dezen herfst is er
iets gebeurd, dat maakt, dat we naar goud verlangen. We weten wel,
dat het niet waarschijnlijk is, dat de schat hier nog ligt; maar we
zijn toch hierheen gekomen, om je te vragen eens te onderzoeken, hoe
't met de zaak gesteld is."
De jongen sprong in de kloof, nam een mosselschelp in iedere hand,
en begon het zand op zij te schrappen. Hij vond geen zakken, maar toen
hij een vrij diep gat had gegraven, hoorde hij metaal klinken en zag,
dat hij een gouden munt had geraakt. Hij tastte met de handen over
den grond, voelde, dat daar veel ronde muntstukken lagen en haastte
zich naar Akka terug. "De zakken zijn vergaan en in stukken gevallen,"
zei hij, "zoodat het geld in 't zand gestrooid ligt, maar ik geloof,
dat al het goud er nog is."
"Dat is goed," zei Akka, "maak nu het gat weer dicht en strijk het
zand zoo glad, dat niemand kan zien dat er in gegraven is."
De jongen deed wat hem was opgedragen, maar toen hij daarna weer op
de rots kwam, was hij niet weinig verwonderd, toen hij zag, dat Akka
voor de zes wilde ganzen was gaan staan, en dat alle hem heel plechtig
tegemoet kwamen. Toen ze voor hem bleven staan, bogen ze verscheidene
malen de halzen, en zagen er zoo gewichtig uit, dat hij onwillekeurig
de muts afnam, en voor hen boog.
"De zaak is deze," zei Akka, "dat wij, die oud zijn, tegen elkaar
hebben gezegd, dat, als jij, Duimelot, bij menschen in dienst waart
geweest, en hun zooveel goed hadt gedaan als je ons deedt, dan zouden
ze zeker niet van je weggaan, zonder je een goede belooning te geven."
"Niet ik heb u geholpen, maar u hebt mij beschermd," zei de jongen.
"Wij vonden ook," ging Akka voort, "dat als een mensch die heele reis
met ons meêgemaakt had, zou die zeker niet even arm van ons weggaan,
als hij gekomen was."
"Ik weet wel, dat wat ik dit jaar bij u geleerd heb, meer waard is
dan goed of goud," zei de jongen.
"Nu die goudstukken na zooveel jaar nog in de kloof liggen, is het
wel zeker dat er geen eigenaar van bestaat," zei de leidstergans,
"en ik vind, dat jij ze wel nemen kunt."
"Maar hadt u zelf den schat niet noodig?" vroeg de jongen.
"Ja, wij hadden dien noodig, om je zoo'n belooning te kunnen geven,
dat je Vader en Moeder konden zien, dat je als ganzenhoeder bij een
ordentelijke familie hebt gediend."
Nu keerde de jongen zich half om, wierp een blik over zee, en keek
toen Akka vlak in de glanzende oogen. "Ik vind het wel vreemd, Moeder
Akka, dat u me mijn ontslag geeft en mij mijn loon uitbetaalt, vóór
ik mijn dienst heb opgezegd," zei hij.
"Zoolang als wij, wilde ganzen, in Zweden blijven, wil ik wel gelooven,
dat je bij ons blijft," zei Akka, en vervolgde: "Maar ik wilde je
graag wijzen, waar de schat was, nu we er bij konden komen, zonder
een al te grooten omweg te maken."
"Het is toch, zooals ik zeg, dat u me weg wilt sturen, voor ik het zelf
verlang," zei Duimelot. "Na zoo'n goeden tijd, als wij samen hadden,
vind ik, dat het niet te veel was, als ik u vroeg om met u naar het
buitenland te mogen gaan."
Toen de jongen dat zei, staken Akka en de andere wilde ganzen hun
lange halzen recht naar boven, en stonden een poos in de lucht te
kijken met half open snavels.
"Dat is iets, waar ik niet aan heb gedacht," zei Akka, toen ze weer
tot bezinning was gekomen. "Maar vóór je besluit met ons meê te gaan,
is het 't beste, dat we luisteren naar wat Gorgo te vertellen heeft. Je
moet weten, dat hij naar je huis in Skaane zou gaan, om daar betere
voorwaarden voor je te bewerken."
"Ja, dat is waar," zei Gorgo. "Maar, zooals ik u al zei, het is
me niet meegeloopen. Ik vond Niels Holgerssons hoeve gauw genoeg,
en toen ik een paar uur heen en weer had gevlogen over de plaats,
zag ik den kabouter, die tusschen de gebouwen kwam aansluipen. Ik
sloeg dadelijk op hem neer, en vloog met hem weg naar een akker, om
ongestoord met hem te kunnen praten. Ik zei, dat ik door Akka van
Kebnekaise was gezonden om hem te vragen, of hij Niels Holgersson
geen betere voorwaarden kon stellen.
"Ik zou wel willen, dat ik het kon," antwoordde hij, "want ik heb
gehoord, dat hij zich goed heeft gehouden op de reis. Maar dat staat
niet in mijn macht."
Toen werd ik boos, en zei, dat ik niet te goed was om zijn oogen uit
te pikken, als hij niet toegaf.
"Je kunt met mij doen, wat je wilt," zei hij. "Met Niels Holgersson
blijft het toch, zooals het is. Maar je moet hem van mij groeten,
en zeggen, dat hij goed zou doen, met zijn ganzen thuis te komen,
want het gaat slecht hier op de hoeve. Holger Nielsson heeft een
borgstelling voor zijn broer moeten betalen, op wien hij zoo vast
vertrouwde. Een paard, dat hij heeft gekocht voor geleend geld, werd
kreupel, de eerste keer, dat hij er meê reed, en na dien tijd heeft
hij het niet meer kunnen gebruiken. Zeg Niels Holgersson, dat zijn
ouders al twee koeien hebben moeten verkoopen, en dat ze zeker van
de hoeve zullen moeten heengaan, als ze niet worden geholpen."
Toen de jongen dat hoorde, fronste hij de wenkbrauwen, en balde de
vuisten, zoodat de knokkels wit werden.
"'t Is wreed van den kabouter," zei hij, "dat hij me zulke voorwaarden
stelt, dat ik niet naar huis kan komen en mijn ouders helpen. Maar
't zal hem toch niet lukken me tot den verrader van mijn vriend te
maken. Vader en Moeder zijn eerlijke menschen, en ik weet, dat ze
liever mijn hulp missen, dan dat ik thuiskom met een slecht geweten."