OP WEG NAAR ZEE.

Al van 't begin van de herfstreis af waren de wilde ganzen recht naar

het zuiden gevlogen, maar toen ze 't Fryksdal verlieten, sloegen ze

een andere richting in, en vlogen over west Wermeland en Dalsland

naar Bohuslän.

't Werd een vroolijke reis. De gansjes waren nu in zoover aan 't

vliegen gewend, dat ze niet meer over moeheid klaagden, en de jongen

begon weer zijn oude opgewektheid terug te krijgen. Hij was blij,

omdat hij met een mensch had gesproken, want dat had hem goed gedaan,

en zij had gezegd, dat, als hij maar bleef doorgaan op dezelfde

manier, als hij begonnen was, en allen goed deed, die hij ontmoette

op zijn weg, het niet verkeerd met hem kon afloopen. Ze had hem niet

kunnen zeggen, hoe hij zijn vorige gedaante kon terugkrijgen, maar

ze had hem een beetje hoop en vertrouwen teruggegeven, en dat was

het zeker, waardoor hij nu had kunnen bedenken, hoe hij den grooten

witten ganzerik er van af zou brengen om naar huis te gaan.

"Weet je wel, Maarten," zei hij, toen ze hoog door de lucht vlogen,

"dat het misschien wel eentonig voor ons wordt, den heelen winter

thuis te blijven, nu we zoo'n reis als deze hebben meegemaakt. Ik zit

er over te denken, of we niet met de wilde ganzen naar 't buitenland

zullen gaan."

"Dat kun je toch niet meenen," zei de ganzerik, en keek heel

verschrikt, want nu hij had getoond, dat hij in staat was, de wilde

ganzen heel naar Lapland te volgen, had hij erg veel lust om terug

te komen in het ganzenhok, in den koestal van Niels Holgersson.

De jongen zat een poos stil te kijken naar Wermeland, waar alle

berkenbosschen en boschvelden en tuinen in gele en roode herfstkleuren

waren getooid, en waar de lange meren helderblauw lagen tusschen de

gele oevers.

"Ik geloof niet, dat ik ooit de aarde zoo mooi onder ons heb zien

liggen als vandaag," zei hij. "De meren zijn als blauwe zijde, en de

oevers als breede gouden banden. Vind je niet, dat het jammer zou

zijn, als we ons vestigden op West Vemmenhög en niets meer van de

wereld zagen?"

"Ik dacht, dat je naar huis wilde, naar Vader en Moeder, en toonen

wat je voor een flinke jongen bent geworden," zei de ganzerik.

Hij had er den heelen zomer over loopen droomen, wat een heerlijk

oogenblik het zou zijn, als hij neerdaalde voor 't huis van Holger

Nielssons hut, en Donsje met de zes jonge gansjes kon vertoonen

aan de ganzen en de kippen, aan de koeien en de kat en aan Moeder

Holgersson zelf, zoodat hij niet heel ingenomen was met het voorstel

van den jongen.

De wilde ganzen hielden vaak en lang rust op den dag. Ze vonden overal

zulke heerlijke stoppelvelden, dat ze er bijna niet vandaan konden

komen, en ze kwamen niet in Dalsland voor tegen zonsondergang. Ze

vlogen over het noordwestelijk gedeelte van 't landschap, en daar was

het nog mooier dan in Wermeland. Daar waren zooveel meren, dat het

land er tusschen lag als smalle strepen grond met hooge heuvels. 't

Was geen goede grond voor akkers, maar de boomen tierden er des te

beter, en de steile oevers lagen er als mooie parken. 't Was alsof

er iets in de lucht of in 't water was, dat het zonlicht vasthield,

ook nadat de zon achter de bergtoppen was neergedaald. Strepen goud

speelden op de donker glanzende wateroppervlakte, en over 't veld

trilde een licht, bleekrood schijnsel, waaruit geelwitte berken,

helderroode esschen en roodgele sorbeboomen opstaken.

"Vind je zelf niet, Maarten, dat het jammer is, nooit meer zooiets

moois als dit te zien," zei de jongen.

"Ik houd meer van de vette akkers op Söderslätt, dan van die magere

bergakkers hier," antwoordde de ganzerik. "Maar je begrijpt wel, dat

als je met alle geweld verder wilt reizen, ik niet van je kan weggaan."

"Dat dacht ik wel, dat je dat zoudt zeggen," zei de jongen, en 't

was te hooren aan zijn stem, dat hij van een groote zorg was ontheven.

Toen ze later over Bohuslän reisden, zag de jongen, dat de bergvlakten

dichter bij elkaar waren; de dalen lagen er tusschen als smalle kloven

in den berggrond, en de lange meren op hun bodem waren zoo zwart,

alsof ze uit de onderwereld kwamen. Ook dit was een indrukwekkend

landschap, en toen de jongen het zag, nu eens met een smalle reep

zonneschijn, dan weer in de schaduw, vond hij, dat er iets wilds,

iets eigenaardigs over lag.

Hij wist niet hoe het kwam, maar hij had een gevoel, alsof hier vroeger

sterke en kloeke reuzen hadden gewoond, en dat ze veel gevaarlijke

en gewaagde avonturen hadden moeten beleven in deze geheimzinnige

streken. De oude lust om merkwaardige gebeurtenissen te beleven werd

bij hem wakker.

"'t Zou best mogelijk wezen, dat ik 't zou missen, als ik niet elken

dag in levensgevaar was," dacht hij. "'t Is 't beste maar tevreden

te zijn met mijn leven, zooals 't nu is."

Hij zei hiervan niets aan den ganzerik, want ze vlogen over Bohuslän

met de snelst mogelijke vaart, en de ganzerik hijgde zóó, dat hij

geen antwoord had kunnen geven.

De zon stond aan den horizont, en verdween soms achter een of anderen

heuvel, maar de wilde ganzen joegen met zoo'n vaart, dat ze haar

telkens weer te zien kregen.

Eindelijk zagen ze in 't westen een glanzende streep, die steeds

breeder werd bij elken vleugelslag. 't Was de zee, die melkwit en

met overgangen van rozerood tot hemelsblauw daar neerlag, en toen ze

voorbij de strandklippen zwaaiden, zagen ze de zon weer, die over 't

water hing, groot en rood, en gereed om in de golven onder te duiken.

Maar toen de jongen de vrije, oneindige zee zag, en de roode avondzon,

die zoo zacht en vriendelijk scheen, dat hij er in kon zien, voelde

hij vrede en rust in zijn ziel komen.

"'t Is verkeerd om bedroefd te zijn, Niels Holgersson," zei de zon. "De

wereld is heerlijk om in te leven voor groot en klein. 't Is ook iets

heel moois, vrij en zonder zorgen te zijn, en de heele wereld voor

je te hebben."

Niels Holgersson's Wonderbare Reis · 第 132 / 140 题