Terwijl de jongen nog met zijn ontbijt bezig was, merkte hij een
flauwe rooklucht uit het noorden. Hij keerde zich dadelijk om
naar dien kant, en zag een kleine rookzuil, wit als damp, uit een
boschvlakte opstijgen; niet uit de naastbij liggende, maar uit de
daarop volgende. Dat was zonderling, die rook midden in het woeste
bosch, maar 't kon wel wezen, dat daar een zomerwei lag, en dat de
meisjes bezig waren hun morgenkoffie te koken.
't Was vreemd, zooals die rook toenam en zich verspreidde. Dit kon toch
niet van een zomerwei komen, maar misschien waren er kolenbranders in
het bosch. Op de Schans had hij een kolenbrandershut en een kolenmijt
gezien, en hij had gehoord, dat er ook zulke hutten hier in deze
bosschen waren. Maar dat was toch zeker 't meest in den herfst en in
den winter, dat de kolenbranders met de kolenhoop bezig waren.
De rook werd steeds dichter. Nu golfde ze voort over den heelen
bergrug. 't Was toch niet mogelijk, dat er zooveel rook uit een
kolenhoop kon komen. Er moest iets van een brand zijn, want een massa
vogels vlogen op, en verhuisden naar de volgende bergvlakte. Gieren
en andere vogels, die zoo klein waren, dat men ze onmogelijk op zoo'n
grooten afstand kon herkennen, vluchtten voor den brand.
De kleine witte rookzuil was tot een dichte witte wolk aangegroeid,
die over den kant van de bergvlakte golfde, en neerzonk in het dal. En
er vlogen vonken en roetvlokken uit die wolk, en nu en dan kon men
een roode vlam in den rook zien. 't Was wel een geweldige brand, die
daar aangekomen was. Maar wat ter wereld zou er toch wel branden? Daar
kon toch ook geen groote boerderij in 't bosch verborgen liggen!
't Zou ook meer dan een hoeve moeten zijn, om zoo'n brand te doen
ontstaan. Nu kwam de rook niet alleen meer van de bergvlakte; maar ook
uit het dal daar beneden, dat hij niet kon zien, omdat het achter de
dichtstbij zijnde hoogte verborgen lag, stegen de rookmassa's op. Er
was niets anders mogelijk, dan dat het bosch zelf brandde.
Hij had moeite te begrijpen, dat het frissche, groene bosch kon
branden, maar het was toch zeker zoo. En als het werkelijk het bosch
was, dat brandde, kon dan het vuur ook hem niet bereiken? 't Was niet
waarschijnlijk, maar hij wou toch, dat de arend maar terugkwam. 't
Zou toch zeker 't beste zijn uit dit dal weg te komen. Alleen al de
brandlucht, die hij bij iedere ademhaling binnenkreeg, was een plaag.
't Was vreeselijk zulk een geknap en geknetter, als hij nu op eens
hoorde. Dat kwam van de bergvlakte, die 't dichtste bij hem lag. Daar
stond op 't hoogste punt een groote den, even groot als die, waar hij
zelf op zat. Die was zoo hoog opgegroeid, dat hij boven alle andere
boomen uitstak. Nog pas had hij prachtig rood in 't morgenlicht
gestaan. Nu glommen alle naalden op eens, en ze vatten vuur. Zóó
mooi was hij nog nooit geweest, maar 't was ook voor 't laatst, dat
hij zijn schoonheid kon vertoonen. De den was de eerste boom op de
vlakte, die vuur vatte, en 't was onbegrijpelijk hoe de brand hem
had bereikt. Was die er op roode vleugels heengevlogen? of had die
langs den grond gekropen als een slang? Ja, dat kon niemand zeggen. De
brand was er. De heele den vlamde als een stapel takken.
Zie daar! Nu steeg de rook op uit verscheidene plaatsen op de
bergvlakte. 't Vuur in 't bosch was zeker allebei: vogel en slang. 't
Kon verre einden door de lucht vliegen en langs den grond sluipen. 't
Zette de heele bergvlakte op eens in vlammen.
De vogels sloegen in allerijl op de vlucht. Ze fladderden op uit den
rook als groote roetvlokken, vlogen dwars over het dal, en kwamen op
de bergvlakte, waar de jongen zat. Hij kreeg een berguil naast zich
op den den, en vlak boven hem streek een havik neer op een tak. Dat
zouden anders gevaarlijke buren zijn geweest, maar nu keken ze niet
eens naar hem. Ze staarden maar naar het vuur, ze konden zeker niet
begrijpen, wat er toch in het bosch gekomen was. Een marter vloog
ook boven in den top van den den, ging op de punt van een tak zitten,
en keek naar de brandende boschheuvels met zijn glanzende oogen. Vlak
naast hem zat een eekhoorn, maar ze schenen elkaar niet te zien.
Nu stroomde het vuur het dal in. Het siste en dreunde als een bruisende
storm. Door den rook heen was het te zien, hoe de vlammen van den
eenen boom op den anderen sloegen. Eer een de vlam vatte, werd hij
eerst in een dunnen rooksluier gewikkeld, dan werden alle naalden
tegelijk rood, en dan begon hij te knetteren en te branden.
Beneden in het dal, dat onder hen lag, liep een kleine beek, met elzen
en kleine berkjes omzoomd. Daar scheen het, dat de brand ophouden
zou. De loofboomen vatten niet zoo snel vuur als de naaldboomen. De
boschbrand stond voor een muur, en kon niet verder komen. Hij gloeide
en spatte vonken, probeerde over te springen op het sparrenbosch aan
de andere zijde van de beek, maar bereikte dat niet.
Voor een poos was het vuur gestuit, maar toen wierp zich een
lange vlam op een dorre spar, die wat hooger op de helling stond,
en dadelijk stond die in lichte laaie. En toen was het vuur over de
beek gekomen. De warmte was al zoo sterk geweest, dat iedere boom op
de heele helling klaar was om vuur te vatten. Bruisend en dreunend
als de sterkste storm en de meest woeste waterval vloog de boschbrand
de bergvlakte op.
Toen vluchtten de havik en de berguil, en de marter snelde naar
beneden uit den boom. 't Zou zeker niet lang meer duren, voor 't vuur
in de dennetop kwam. De jongen moest ook maken, dat hij wegkwam. 't
Was niet gemakkelijk van den hoogen rechten stam van den denneboom
weg te komen. Hij hield er zich aan vast, zoo goed hij kon, gleed
heele einden neer tusschen de takken door, en rolde eindelijk op
den grond. Maar hij had geen tijd om te voelen, of hij zich ook
had bezeerd. Hij moest zich haasten om weg te komen. 't Vuur sloeg
als een sissend onweer neer in den boom, de grond onder zijn voeten
was warm en begon te rooken. Aan zijn eene zij liep een los; aan de
andere schoof een lange adder voort, en vlak naast de slang kakelde
een korhoen, dat voortliep met haar kleine donzige jongen.
Toen de vluchtelingen van de helling af en beneden in het dal waren
gekomen, ontmoetten ze menschen, die waren uitgegaan om den brand
te blusschen. Zij waren daar zeker al een heele poos geweest, maar
de jongen had zoo hardnekkig naar den anderen kant gekeken, van waar
de brand kwam, dat hij ze niet had opgemerkt. Er was ook een beek en
een breede rand loofboomen aan dezen kant, en daarachter werkten de
menschen. Ze velden de naaldboomen, die het dichtst naast de elzen
stonden, haalden water uit de beek, en goten het over den grond,
en trokken het heikruid uit, opdat het vuur niet in de kleine takjes
zou kunnen voortkruipen.
Ook zij dachten alleen aan den boschbrand, die nu op hen aan kwam
stormen. De vluchtende dieren sprongen tusschen hun voeten door,
zonder dat zij ze zagen. Ze sloegen niet naar de adders, ze trachtten
niet de korhoenders te vangen, terwijl ze heen en weer liepen langs
de beek met haar piepende jongen, ze letten niet eens op Duimelot. Ze
stonden met groote dennetakken, die ze in 't water hadden gedoopt,
en daarmeê gewapend schenen ze op het vuur te willen afgaan. Er waren
niet zoo heel veel menschen. 't Was merkwaardig hen daar te zien staan,
klaar voor den strijd, terwijl alles vluchtte.
Toen het vuur langs de helling kwam, met gedreun en gedruisch en
ondragelijke hitte en verstikkende rook, klaar om over de beek en den
muur van loofboomen te springen, om den anderen oever te bereiken,
zonder een oogenblik stil te staan, weken de menschen eerst achteruit,
alsof ze 't niet uit konden houden. Maar 't werd geen lange vlucht;
ze keerden weer om.
De boschbrand liep storm met vreeselijke kracht. De vonken stoven als
een vuurregen over de loofboomen, de lange vlammen vlogen sissend uit
den rook, alsof het bosch aan den anderen kant ze naar zich toe zoog.
Maar de loofboomen hielden het vuur tegen, en daar achter werkten de
menschen. Waar het veld begon te rooken, haalden ze water, en doofden
het. Als een boom in rook werd gewikkeld, vielen ze hem aan met snelle
bijlslagen, gooiden hem om en bluschten de vlammen. Waar het vuur
door het heikruid sloop, sloegen ze het neer met natte dennetakken,
en smoorden het. De rook werd zóó dicht, dat hij alles omhulde. Het was
niet meer te zien, hoe de strijd ging, maar wel was het te begrijpen,
dat die zwaar was, en dat het vaak bijna zoover kwam, dat de brand
verder vooruit zou dringen.
Maar zie, na een poos verminderde het sterke dreunen van 't vuur,
en de rook werd dunner. Toen hadden de loofboomen al hun blaren
verloren, de grond onder hen was zwart geschroeid, de menschen
waren zwart van den rook, en dropen van zweet, maar de boschbrand
was teruggeslagen. Hij vlamde niet meer. De rook kroop wit en zacht
over den grond, en daaruit schoten een massa zwarte staken op. Dat
was alles wat van het mooie bosch was overgebleven.
De jongen was op een steen geklauterd, en had daar gezien hoe het
vuur gebluscht werd. Maar nu 't bosch gered was, begon 't gevaar voor
hem. De uil en de havik keerden op eens de oogen naar hem.
Daar hoorde hij, hoe een welbekende stem hem riep. Gorgo, de
koningsarend, suisde neer door 't bosch. En spoedig zweefde de jongen
boven in de wolken, ver van alle gevaar.