Toen de arend den volgenden dag over een gedeelte van Angermanland
vloog, zei hij, dat hij honger had en wat te eten moest zien te
krijgen. Hij zette den jongen neer in een geweldigen den, die op een
hooge bergvlakte stond, en vloog toen weg.
Toen de jongen genoeg naar het prachtige landschap om zich heen had
gekeken, maakte hij den ransel van zijn rug los, nam er een stuk fijn
wit brood uit, en begon te eten.
"Ik geloof, dat ik nooit zulk goed brood heb geproefd," dacht hij. "'t
Is zeker, omdat ik het op zoo'n mooie manier kreeg, dat ik er zooveel
van houd."
Hij herinnerde zich hoe de koningsarend den vorigen dag Angermanland
was binnengevlogen, en nauwelijks was hij over de grens gekomen,
of de jongen had een rivierdal in 't oog gekregen, zóó statig, dat
het alles te boven ging, wat hij nog te voren had gezien.
Toen de jongen dat prachtige dal in al zijn rijkdom zag, had hij er
over geklaagd, dat hij zoo'n honger had. Hij had in twee dagen al
niets te eten gehad, zeide hij, en nu was hij heelemaal uitgerammeld.
Gorgo wilde niet, dat men zou zeggen, dat de jongen het bij hem minder
goed had, dan toen hij met de wilde ganzen reisde, en hij had dadelijk
zijn vaart vertraagd.
"Waarom heb je dat niet eerder gezegd?" had hij gevraagd. "Je kunt
zooveel eten krijgen, als je maar wilt. Honger hoef je niet te lijden,
als je een arend tot reisgenoot hebt."
Dadelijk daarop had de arend een boer in 't oog gekregen, die een akker
liep te bezaaien, dicht aan den oever van de rivier. De man droeg
koren in een mand, die hij voor de borst had hangen, en telkens als
die leeg was, haalde hij nieuw zaad uit een zak, die bij de greppel
stond. De arend had er op gerekend, dat die zak daar vol was met het
beste voedsel, dat de jongen maar wenschen kon, en hij was boven de
mand neergedaald.
Maar eer nog de arend den grond had bereikt, was er een vreeselijk
leven om hen heen ontstaan. 't Waren kraaien, musschen en zwaluwen,
die onder heftig geschreeuw waren komen toeloopen, denkende, dat de
arend van plan was op een vogel neer te schieten.
"Weg, weg, roover! Weg, vogeldooder!" riepen ze.
En ze hadden zoo'n spektakel gemaakt, dat de boer er opmerkzaam op
werd, en kwam toeloopen. Toen had de arend moeten vluchten, en de
jongen had geen korrel gekregen.
't Was wonderlijk geweest met die kleine vogels. Zij hadden niet
alleen den arend gedwongen te vluchten, maar ze vervolgden hem nog
een heel eind door het dal, en overal hadden de menschen hun geroep
gehoord. De vrouwen waren naar buiten op de plaats gekomen, en hadden
in de handen geklapt, zoodat het had geklonken als geweersalvo's. En
de mannen waren naar buiten gerend met hun geweer in de hand.
En zoo was het telkens gegaan, wanneer de arend op 't veld had willen
neerdalen. De jongen had de hoop opgegeven, dat de arend hem iets te
eten zou kunnen bezorgen. Hij had vroeger nooit vermoed, dat Gorgo zoo
gehaat en verafschuwd was. Hij had bijna medelijden met hem gekregen.
Een poos later waren ze over een groote boerderij gekomen, waar de
huismoeder juist gebakken had. Ze had nu een plaat met pas gebakken
broodjes op de plaats gezet om af te koelen, en stond er bij om op
te passen, dat de hond of de kat er niet van stelen zou.
De arend was neergedaald boven de boerderij, maar hij had niet voor
de oogen van de boerin durven neerstrijken. Hij was heen en weer
gevlogen, en wist niet hoe te doen. Een paar maal was hij zoo laag
gekomen, dat hij bij de schoorsteenen was, maar toen was hij weer in
de hoogte gevlogen.
Maar nu had de huismoeder den arend opgemerkt. Ze had het hoofd
opgeheven, en hem met de oogen gevolgd.
"Wat deed die vreemd," had ze gezegd. "Ik geloof, dat hij een van
mijn weitebroodjes wilde hebben."
't Was zoo'n mooie vrouw, lang en blond, met een vroolijk, open
gezicht. Ze had heel hartelijk gelachen, had een broodje van de plaat
genomen en 't boven haar hoofd gehouden.
"Kom 't maar halen, als je 't hebben wilt," riep ze.
De arend had haar woorden wel niet verstaan, maar hij had toch dadelijk
begrepen, dat ze hem het broodje wilde geven. In vliegende vaart was
hij op het broodje neergeschoten, had het gegrepen, en was er mee de
lucht ingevlogen.
Toen de jongen zag hoe de arend het broodje naar zich toe rukte,
had hij de tranen in de oogen gekregen. Hij had niet geschreid van
blijdschap, omdat hij nu een paar dagen geen gevaar liep honger te
lijden, maar 't had hem ontroerd, dat de boerenvrouw haar brood aan
den wilden roofvogel had gegeven.
En toen hij nu in den dennetop zat, zag hij nog die groote, blonde
vrouw voor zich, zooals ze daar op de plaats stond, en het brood
omhoog hield. Zij had 't zeker wel geweten, dat de groote vogel een
koningsarend was, een roofvogel, die de menschen gewoonlijk met scherpe
schoten begroeten, en ze had zeker ook wel den wonderlijken dwerg
gezien, dien hij op den rug had; maar ze had er niet over gedacht,
wie ze waren. Zoodra ze had begrepen, dat ze hongerig waren, had ze
haar goed brood met hen gedeeld.
"Als ik ooit weer een mensch word," had de jongen gedacht, "zal ik
die mooie vrouw bij de rivier gaan opzoeken, en haar bedanken, omdat
ze zoo goed voor ons was."