Op den breeden bergrug, waar Gorgo Duimelot had verlaten, was voor
tien jaar een hevige boschbrand geweest. De verkoolde boomen waren
geveld en weggebracht, en de groote brandplaats was aan de kanten
weer met groen begroeid, dat grensde aan 't frissche bosch. Maar het
grootste gedeelte van de hoogte lag daar naakt en akelig woest. De
zwarte knoesten stonden er tusschen de steenen, en getuigden er van,
dat hier een groot en prachtig bosch had gestaan, maar geen jong
kreupelhout kwam er op.
De menschen verbaasden er zich over, dat het zoo lang duurde, eer die
berghoogte weer met bosch bedekt werd, maar men dacht er niet aan,
dat toen de boschbrand daar uitbrak, het veld na een lange droogte,
zonder eenig vocht had gelegen. Daardoor waren niet alleen de boomen
verbrand, en alles wat er op het veld groeide; het heikruid en de
boschbessen, het mos en de jeneverbes waren ook meê verbrand, en de
aarde zelf, die den bergbodem bedekte, was na den brand droog en los
asch geworden. Bij elke windvlaag dwarrelde het omhoog in de lucht,
en daar de hoogte nog al in den wind lag, was de eene na de andere
schoongewasschen. Het regenwater hielp natuurlijk meê om de aarde
weg te spoelen, en toen nu de wind en het water tien jaar lang den
berg hadden afgespoeld, lag die zoo kaal, dat men bijna zou denken,
dat hij woest zou blijven in der eeuwigheid.
Maar op een dag in 't begin van den zomer kwamen alle kinderen van
de gemeente, waar de afgebrande berg lag, bijeen voor een van de
scholen. Ieder van de kinderen had een schoffel en een spade en een
zakje in de hand. Zoodra alle er waren, trokken ze in een langen
stoet het bosch in. De vlag werd vooruit gedragen, onderwijzers en
onderwijzeressen liepen naast den stoet, en achteraan kwamen een
paar boschwachters en een paard, dat een lading denneplanten en
sparrezaad trok.
De optocht bleef niet staan bij een van de beukenhagen, die 't dichtst
bij het dorp lagen, neen, ze gingen ver het bosch in. Die volgde oude
weidenpaden, en de vossen staken verwonderd hun koppen uit hun holen,
en vroegen wat dat voor zomerherders waren. Ze trokken voorbij oude
kolenbrandersvelden, waar de houtmijnen in den herfst werden gebouwd,
en de strandloopers draaiden hun hoekige snavels heen en weer, en
vroegen elkaar, wat dat voor mijnwerkers waren, die nu het bosch
binnendrongen.
Zoo kwam de optocht dan eindelijk op de groote, afgebrande
bergvlakte. Daar lagen de steenen naakt, zonder de fijne
vlasplantenranken, die ze eens hadden bekleed; de steenen hadden hun
mooie zilvermos en het witte prettige rendiermos verloren.
Om het zwarte water, dat in spleten en gaten was bij elkaar geloopen,
vond men geen wilde zuring en geen wilde Aaronskelk. De kleine brokjes
grond, die nog in kloven en tusschen steenen waren overgebleven,
lagen daar zonder wormen, zonder boschsterren, zonder witbloeiend
wintergroen, zonder al dat groene, roode, en lichte, en zachte en
sierlijke, dat gewoonlijk den bodem van 't bosch bekleedt.
Het was, alsof er een lichtglans over den grauwen bergheuvel ging,
toen alle kinderen uit de gemeente zich er over verspreidden. Dat was
weer iets zachts en fijns, iets frisch en rooskleurigs. Dat was iets,
wat jong was, en groeide. Misschien zouden zij den armen verlaten
stumper weer aan een beetje leven helpen.
Toen de kinderen uitgerust waren, en wat gegeten hadden, grepen ze naar
hun schoffels en spaden, en begonnen te werken. De boschwachters wezen
hun, hoe ze doen moesten, en ze zetten de eene plant na de andere op
alle kleine plekjes aarde, die ze konden vinden.
Terwijl de kinderen aan het planten waren, liepen ze er heel verstandig
over te praten, hoe de kleine stekjes, die ze in den grond zetten,
de aarde bijeen zouden houden, zoodat ze niet weg kon waaien. En hoe
er behalve dat, nieuwe aarde onder de boomen zou worden gevormd. En
hoe er zaadjes neer zouden vallen, en over een paar jaar zouden
ze frambozen en blauwbessen hier kunnen plukken, waar nu enkel
kale steenen waren. En de plantjes, die ze nu uitzetten, zouden
langzamerhand hooge boomen worden. Misschien zouden van hun hout
groote huizen en mooie schepen worden gebouwd.
Maar als de kinderen hier niet waren komen planten, terwijl er nog wat
aarde in de spleten was, dan zou alles zijn weggeveegd door den wind en
't water, en de berg zou nooit meer bosschen hebben kunnen dragen.
"Ja, 't was maar goed, dat we kwamen," zeiden de kinderen. "'t Was
hoog tijd!"
En ze voelden zich verbazend gewichtig.
Toen de kinderen boven op den berg werkten, waren Vader en Moeder
thuis. En eindelijk werden ze benieuwd hoe de kinderen zich wel redden
zouden. 't Was natuurlijk maar een grapje, dat zulke kleintjes een
bosch zouden planten, maar 't zou toch wel aardig wezen te zien, hoe
't ging.
En al gauw waren Vader en Moeder op weg naar 't bosch. Toen ze op
den weg naar de zomerwei kwamen, ontmoetten ze verscheiden buren.
"Gaan jelui naar de brandplaats?"
"Ja."
"Om naar de kinderen te kijken?"
"Ja, om te zien hoe ze zich redden."
"Dat wordt toch maar een spelletje."
"Ja, veel echte boschboomen zullen er wel niet van komen."
"We hebben de koffiekan meêgenomen, zoodat ze wat warms kunnen krijgen,
want ze hebben eten voor den heelen dag meêgenomen."
Zoo kwamen Vader en Moeder op den berg, en eerst dachten ze er alleen
aan, hoe mooi dat stond, al die rose gezichtjes, die over de grauwe
steenen verspreid waren. Maar toen zagen ze, hoe de kinderen werkten,
hoe sommige planten uitzetten, en andere voren maakten en zaaiden,
en weer andere heikruid uitrukten, opdat het de kleine boompjes niet
zou verstikken. En ze zagen, dat de kinderen het werk ernstig opnamen,
en zóó vlijtig waren, dat ze nauwelijks tijd hadden om op te kijken.
Vader stond een poosje te kijken, en toen begon hij ook heikruid
uit te trekken. Maar zoo'n beetje voor de grap. De kinderen waren
de leermeesters, want zij waren al geoefend in de kunst. En ze wezen
Vader en Moeder, hoe ze moesten doen.
En nu ging 't zoo, dat alle volwassenen, die gekomen waren om naar
de kinderen te kijken, aan 't werk gingen meêdoen. Toen werd het
natuurlijk veel prettiger, dan 't eerst was geweest. En na een poosje
kregen de kinderen nog meer hulp.
Er waren meer werktuigen noodig. En een paar jongens met lange beenen
werden naar het dorp gestuurd om schoffels en spaden. Toen zij voorbij
de huizen liepen, kwamen zij, die thuis waren, naar buiten, en vroegen:
"Wat is er? Is er een ongeluk gebeurd?"
"O, neen! Maar de heele gemeente is boven op de brandplaats aan
't boomen planten!"
Toen kwamen de meesten aanstroomen naar den afgebranden berg. Eerst
stonden ze een poosje te kijken, maar toen konden zij niet laten
meê te doen. Want het is wel prettig om zijn akker in 't voorjaar
te bezaaien, en aan het koren te denken, dat er uit zal opkomen,
maar dit was nog uitlokkender.
't Waren niet alleen dunne halmpjes, die uit dit zaad hier zouden
opkomen, maar sterke boomen, met hooge stammen en geweldige takken. 't
Was niet alleen te doen om 't gewas van een zomer, maar om den groei
van vele jaren. 't Was de gonzende insecten wekken, en lijsterzang, en
't spelen van woudhoenders en allerlei soort van leven op de woeste
bergvlakte. En dan ook 't was als een gedenkteeken, dat men voor
't komende geslacht oprichtte. Men had hun een kale, naakte hoogte
als erfenis kunnen nalaten, en nu zouden ze in plaats daarvan een
prachtig bosch krijgen.
En als de nakomelingen daar aan dachten, zouden ze ook begrijpen,
dat hun voorvaderen goede en verstandige menschen waren geweest,
en ze zouden met eerbied en dankbaarheid aan hen denken.