DE KOSTBARE GORDEL.

De arend vloog door, tot hij een heel eind ten noorden van Stockholm

gekomen was. Daar daalde hij neer op een heuvel in 't bosch, en liet

den greep los, waarmeê hij den jongen vasthield.

Maar nauwelijks voelde deze zich vrij, of hij begon zoo hard, als

hij maar kon, naar de stad terug te loopen. De arend nam een grooten

sprong, hij haalde den jongen in, en legde een poot over hem heen.

"Ben je van plan naar je gevangenis terug te gaan?" vroeg hij.

"Wat heb je met mij te maken? Ik mag toch gaan, waar ik wil. Je

hebt niets over mij te zeggen," zei de jongen, en probeerde weg te

komen. Toen pakte de arend hem weer met zijn sterke pooten, vloog op,

en zette weer koers naar het noorden met den jongen over heel Uppland,

en hield niet stil, vóór hij aan den grooten waterval van Elvkarleby

kwam. Hij streek neer op een steen, die midden in de beek lag, vlak

onder den bruisenden waterval, en liet opnieuw zijn gevangene los.

De jongen zag dadelijk, dat 't hier niet mogelijk was, den arend te

ontkomen. Boven hen kwam de witte schuimwand van het water neerstorten,

en om hem heen bruiste wild 't water van den stroom. Hij was er

verbitterd over, dat hij op die manier tot een woordbreker was

gemaakt. Hij keerde den arend den rug toe, en wilde geen woord met

hem spreken. Maar nu de vogel den jongen op een plaats had gezet,

vanwaar hij niet weg kon loopen, vertelde hij hem, dat hij door Akka

van Kebnekaise was opgevoed, en dat hij ongenoegen met zijn pleegmoeder

had gehad.

"En nu begrijp je misschien, Duimelot," zei hij eindelijk, "waarom ik

je naar de wilde ganzen terug wou brengen. Ik heb gehoord, dat je bij

Akka hoog staat aangeschreven, en nu was ik van plan je te vragen,

of je niet zoudt kunnen maken, dat we weer goede vrienden werden."

Zoodra de jongen begreep, dat de arend hem niet alleen uit koppigheid

had meêgenomen, werd hij vriendelijk tegen hem. "Ik zou je heel

graag helpen met wat je me vraagt," zei hij, "maar ik ben door mijn

belofte gebonden."

En nu vertelde hij op zijn beurt aan den arend, hoe hij gevangen was

geweest, en dat Klement Larsson de Schans had verlaten, zonder hem

zijn vrijheid te geven.

Maar de arend wilde in geen geval zijn plannen opgeven. "Luister nu,

Duimelot!" zei hij. "Mijn vleugels kunnen je brengen, waar je ook

wezen wilt, en mijn oogen kunnen vinden, wat je ook zoekt. Vertel

me hoe de man er uitziet, die je die belofte afnam, en ik zal hem

zoeken, en je bij hem brengen! Dan moet jij maar zorgen, dat hij je

de vrijheid teruggeeft."

Dat vond de jongen een goed voorstel.

"Ik kan wel merken, Gorgo, dat je zoo'n wijzen vogel als Akka tot

pleegmoeder hebt gehad," zei hij. Hij beschreef toen Klement Larsson

heel nauwkeurig, en voegde er bij, dat hij op de Schans had hooren

zeggen, dat de kleine speelman in Hälsingland thuishoorde.

"We zullen heel Hälsingland doorzoeken, van Lingbo tot Mellammeer,

van den grooten berg tot Hornsland," zei de arend. "En morgen zal je

met den man kunnen spreken."

"Nu beloof je zeker meer, dan je kunt houden," zei de jongen.

"Ik zou toch een prul van een arend zijn, als ik dat niet eens kon,"

antwoordde Gorgo.

Toen Gorgo en Duimelot van Elvkarleby weggingen, waren ze goede

vrienden, en de jongen reed op den rug van den arend.

Toen nu de reizigers over een boschrijke streek in Gästrikland hadden

gereisd, sloeg Gorgo neer op den top van een kalen bergtop, en toen

de jongen op 't veld was neergesprongen, zei de arend: "Hier is wild

in 't bosch en ik denk, dat ik mijn gevangenschap niet kan vergeten,

en me niet recht vrij voelen, eer ik op de jacht ben geweest. Je bent

toch niet bang, als ik je alleen laat?"

"O neen," zei de jongen.

"Je kunt heengaan, waar je wilt, als je maar tegen zonsondergang

terug ben," zei de arend, en vloog weg.

De jongen voelde zich wel heel alleen en verlaten, toen hij op een

steen zat uit te zien over de kale bergvlakte en de groote bosschen,

die er om heen lagen. Maar hij had er nog niet lang gezeten, voor hij

gezang hoorde, dat beneden uit het dal kwam, en toen hij daarheen

keek, zag hij iets lichts, dat zich bewoog tusschen de boomen. Hij

zag al gauw, dat het een blauw en gele vlag was, en hij begreep door

het gezang en het blij gejuich, dat hij hoorde, dat de vlag voor een

heelen optocht van menschen werd uit gedragen, maar het duurde lang,

eer hij goed kon zien, wat het eigenlijk was. De vlag werd gedragen

langs slingerende paden, en hij vroeg zich verwonderd af, waar zij

en de menschen, die haar droegen, wel heen zouden gaan. Hij kon niet

gelooven, dat zij naar de leelijke, woeste bergvlakte zouden komen,

waar hij zat. Maar dat deden ze toch. Daar kwam de vlag te voorschijn

uit het bosch, en achter haar aan kwamen ze allen, wien zij den weg

had gewezen. Er kwam een leven en beweging over de heele vlakte,

en dien dag kreeg de jongen zooveel te zien, dat hij zich geen

oogenblik verveelde.

Niels Holgersson's Wonderbare Reis · 第 109 / 140 题