Gorgo was nog maar drie jaar oud, en had er nog niet aan gedacht,
een vrouw te zoeken en zich ergens te vestigen, toen hij op een dag
werd gevangen door een jager en aan de Schans verkocht. Daar waren al
een paar andere arenden. Die werden gevangen gehouden in een kooi, van
ijzer en staaldraad gemaakt. De kooi stond buiten in de vrije lucht,
en was zoo groot, dat men er een paar boomen had kunnen planten, en
een vrij groot hunnenbed bouwen, opdat de arenden er zich thuis zouden
voelen. Maar toch tierden de vogels niet. Ze zaten bijna den heelen
dag op een en dezelfde plaats. Hun mooie, donkere veeren werden ruig en
dof, en hun oogen staarden met hopeloos verlangen in de lucht omhoog.
De eerste week, dat Gorgo gevangen zat, was hij nog wakker en levendig,
maar toen begon een zware droomerigheid over hem te komen. Hij bleef
stil op dezelfde plaats zitten, als de andere arenden, staarde recht
voor zich uit zonder iets te zien, en had er geen besef meer van,
hoe de dagen voorbijgingen.
Op een morgen, toen Gorgo in zijn gewone dofheid verzonken zat, hoorde
hij, hoe iemand hem riep beneden op den grond. Hij was zoo soezig,
dat hij nauwelijks in staat was zijn oogen naar beneden te richten.
"Wie roept me daar?" vroeg hij.
"Maar Gorgo, herken je me niet? Ik ben Duimelot, die met de wilde
ganzen rondvloog."
"Is Akka ook gevangen?" vroeg Gorgo op een toon, alsof hij zijn
gedachten trachtte te ordenen na een langen slaap.
"Neen, Akka en de witte ganzerik en de heele troep zitten zeker
behouden en wel in Lapland op het oogenblik," zei de jongen. "Ik
alleen zit hier gevangen."
Terwijl de jongen sprak, zag hij, dat Gorgo de oogen afwendde, en
rechtuit in de lucht ging staren, zooals vroeger.
"Koningsarend!" riep de jongen. "Ik ben nog niet vergeten, dat je
me eens naar de wilde ganzen hebt teruggebracht, en dat je het leven
van den witten ganzerik hebt gespaard. Zeg me, of ik je niet op een
of andere manier kan helpen!"
Gorgo hief nauwelijks het hoofd op.
"Stoor me niet, Duimelot!" zei hij. "Ik zat te droomen, dat ik vrij
rondzwierf, hoog in de lucht. Ik wil niet wakker wezen."
"Je moet je wat bewegen, en opletten, wat er om je heen gebeurt,"
vermaande de jongen. "Anders zul je er gauw even ellendig uitzien,
als de andere arenden."
"Ik wou, dat ik al was als zij. Zij zijn zoo ver weg in hun droomen,
dat niets hen meer kan storen," zei de arend.
Toen de nacht kwam, en alle arenden sliepen, klonk een zacht schrapen
langs het net van staaldraad, dat hun kooi van boven bedekte. De twee
oude en suffe gevangenen lieten zich door dat gedruisch niet storen,
maar Gorgo werd wakker.
"Wie daar? Wie beweegt zich daar op het dak?" vroeg hij.
"'t Is Duimelot, Gorgo," antwoordde de jongen. "Ik zit hier het
staaldraad door te vijlen, dan kun je wegvliegen."
De arend hief den kop op, en zag in den lichten nacht, hoe de jongen
aan het staaldraadnet zat te vijlen, dat over de kooi gespannen
was. Hij voelde een oogenblik hoop, maar toen nam de moedeloosheid
weer de overhand.
"Ik ben een groote vogel, Duimelot," zei hij. "Hoe zou je zooveel
draden kunnen losvijlen, dat ik er uit kon komen. 't Is beter, dat
je met dat werk ophoudt, en me met rust laat."
"Slaap jij maar, en stoor je niet aan mij," antwoordde de jongen. "Ik
kom van nacht niet klaar en ook morgen niet; maar ik wil toch probeeren
je vrij te maken, eer je heelemaal voor goed ongelukkig ben."
Gorgo verzonk weer in diepen slaap, maar toen hij den volgenden
morgen wakker werd, zag hij toch, dat er al een heeleboel draden
waren doorgevijld. Dien dag voelde hij zich niet zoo dof als den
vorigen. Hij sloeg met de vleugels, en sprong op de boomen heen en
weer, om de stijfheid uit de leden te krijgen.
Op een morgen, juist toen het eerste krieken van den dag aan den
hemel was te zien, wekte Duimelot den arend.
"Probeer het nu, Gorgo," zei hij.
De arend zag op. De jongen had werkelijk zooveel draden doorgevijld,
dat er nu een groot gat in het staaldraadnet was. Gorgo bewoog de
vleugels, en zette af van den steen naar boven. Een paar maal mislukte
het, en hij viel terug in de kooi. Maar eindelijk kwam hij gelukkig
naar buiten in de vrije lucht.
Hij steeg met fiere vlucht tot dicht bij de wolken. De kleine Duimelot
zat hem met een weemoedig gezicht na te zien, en wenschte, dat er
ook eens iemand zou komen, om hem de vrijheid te geven.
De jongen was nu al thuis op de Schans. Hij had met alle dieren,
die daar waren, kennis gemaakt, en met vele van hen vriendschap
gesloten. En hij moest erkennen, dat er veel te zien en te leeren was,
en dat 't hem niet moeilijk viel den tijd om te krijgen. Maar wel
gingen zijn gedachten alle dagen met groot verlangen naar Maarten,
den ganzerik, en de andere reisgenooten.
"Was ik maar niet door mijn belofte gebonden," dacht hij, "dan zou
ik wel een vogel vinden, die me bij hen brengen wou."
't Kan wel vreemd lijken, dat Klement Larsson den jongen de vrijheid
niet had teruggegeven, maar men moet wel bedenken, hoe de kleine
speelman in de war was, toen hij de Schans verliet. Den morgen toen
hij heenging, had hij er wel aan gedacht het eten voor het dwergje in
een blauwen schotel buiten te zetten, maar ongelukkig had hij er geen
kunnen vinden. Toen waren alle menschen van Skaane, de Laplanders, de
Dalecarliërs, de arbeiders van de gebouwen en de tuinbazen gekomen,
om hem goeden dag te zeggen, en hij had geen tijd meer gehad om
den blauwen schotel te halen. De tijd van vertrekken was gekomen,
en eindelijk had hij geen anderen uitweg gezien, dan een jongen
Laplander om hulp te vragen.
"Een van 't kleine volkje woont hier op de Schans," had hij gezegd,
"en ik geef hem elken morgen wat eten. Wil je mij het genoegen doen,
die restjes hier te nemen, een blauwen schotel er voor te koopen,
en die morgen met wat pap en melk onder de stoep van het hutje uit
Bollnäs te zetten?"
De jongen keek verbaasd, maar Klement had geen tijd de zaak nader te
verklaren, want hij moest naar den trein.
De Laplander was dan ook werkelijk naar de stad gegaan, om een schotel
te koopen, maar toen hij geen geschikten blauwen vond, kocht hij een
witten. En in dien witten zette hij trouw elken morgen eten buiten. Zoo
was de jongen niet van zijn belofte ontheven geworden. Hij wist,
dat Klement weg was, maar zelf mocht hij niet heengaan.
Dien nacht verlangde de jongen meer dan anders naar zijn vrijheid, en
dat kwam, doordat het nu echt lente en bijna zomer was geworden. Hij
had het wel moeilijk gehad met kou en ruw weer op reis, en toen hij
eerst op de Schans kwam, had hij gedacht, dat het misschien wel goed
was, dat hij de reis moest afbreken, want hij was zeker doodgevroren,
als hij in Mei in Lapland gekomen was. Maar nu was het warm geworden,
het veld stond groen, berken en populieren waren met bladen als
van zij, met weerschijn getooid, de kerseboomen--ja, alle mogelijke
vruchtboomen stonden vol bloesems, de bessestruiken hadden al kleine
vruchtjes aan de takken, de eiken wikkelden heel voorzichtig hun bladen
los; erwten, kool en boonen groeiden op de tuinbedden op de Schans.
"Nu zal het ook wel mooi en warm in Lapland zijn," dacht de jongen. "Ik
zou graag op den rug van Maarten, den ganzerik, zitten op zoo'n mooien
morgen. 't Zou heerlijk zijn in de warme, stille lucht rond te rijden,
en neer te zien op de velden, zooals die daar nu liggen, versierd en
getooid met groen gras en mooie bloemen."
Daar zat hij aan te denken, toen de arend op eens schuin uit de lucht
neerschoot, en naast hem kwam zitten op het dak van de kooi.
"Ik wilde mijn vleugels probeeren, om te zien of ze nog goed waren,"
zei Gorgo. "Je dacht toch niet, dat ik je hier in gevangenschap
achter zou laten? Ga nu op mijn rug zitten, dan zal ik je bij je
reisgenooten terugbrengen."
"Neen, dat is onmogelijk!" zei de jongen. "Ik heb mijn woord gegeven,
dat ik hier blijven zou, tot ik verlof kreeg om heen te gaan."
"Wat vertel je toch voor onzin," zei Gorgo. "Eerst hebben ze je tegen
je zin hierheen gebracht, en toen hebben ze je laten beloven hier te
blijven! Je kunt toch wel begrijpen, dat je zoo'n belofte niet hoeft
na te komen."
"Ja, dat moet ik toch," zei de jongen. "Ik dank je wel, want je meent
het goed, maar je kunt me niet helpen."
"Zoo, kan ik dat niet?" zei Gorgo. "Dat zul je eens zien." En meteen
pakte hij Niels Holgersson beet met zijn groote klauwen, vloog met
hem hoog op naar de wolken des hemels, en verdween toen in de richting
van het noorden.