Hoog op de rotsen in Lapland lag een oud arendsnest op een terras,
dat uitstak uit een steilen bergwand. 't Was van dennetakken gemaakt,
die in lagen over elkaar waren gelegd. Jarenlang was het versterkt
en bijgebouwd geworden, en nu lag het op de rotsen, een paar meter
breed en bijna even hoog als een Lappenhut.
De rotswand, waar het arendsnest lag, verhief zich boven een vrij groot
dal, dat 's zomers door een troep wilde ganzen werd bewoond. Dat dal
was voor hen een voortreffelijk toevluchtsoord. 't Lag zoo tusschen de
bergen verborgen, dat er niet velen waren, die 't kenden, niet eens
onder de Laplanders. Midden in 't dal lag een klein rond meertje,
waarop volop voedsel was voor de jonge gansjes, en op de met gras
begroeide meeroevers, die met wilgenstruiken en kleine verschrompelde
berkjes waren bedekt, lagen de beste broedplaatsen, die een gans maar
begeeren kon.
Ten allen tijde hadden er arenden boven op de rotsen, en wilde ganzen
in het dal gewoond. Ieder jaar roofden de arenden eenige van hen,
maar ze wachtten er zich wel voor zóóveel te rooven, dat de wilde
ganzen niet meer in het dal zouden durven wonen.
Op hun beurt hadden de wilde ganzen niet weinig dienst van de
arenden. Roovers waren ze, maar ze hielden andere roovers op een
afstand.
Een paar jaar voor dat Niels Holgersson met de wilde ganzen rondtrok,
stond de oude leidstergans Akka van Kebnekaise op een morgen beneden in
het rotsdal naar het arendsnest te kijken. De arenden gingen gewoonlijk
even voor zonsopgang op jacht, en alle zomers, die Akka in 't dal had
doorgebracht, had ze elken morgen zoo staan wachten op hun uittocht,
om te zien of ze in 't dal zouden blijven om daar te jagen, of dat ze
weg zouden vliegen naar een ander jachtgebied. Ze behoefde niet lang te
wachten, voor de beide statige vogels het rotsterras verlieten. Schoon,
maar vreeselijk, zweefden ze voort door de lucht. Ze namen de richting
naar de vlakte, en Akka slaakte een zucht van verlichting.
De oude leidstergans had opgehouden met eieren te leggen, en jongen
groot te brengen, en placht in den zomer den tijd te verdrijven met
van het eene ganzennest naar het andere te gaan, en raad te geven over
't broeden en over 't verzorgen van de jongen. Bovendien keek zij uit,
niet alleen naar de arenden, maar ook naar rotsvossen, uilen en alle
andere vijanden, die de wilde ganzen en hun jongen konden bedreigen.
Tegen den middag begon Akka opnieuw naar de arenden uit te zien. Zoo
had ze iederen dag gedaan, alle zomers, dat zij in het dal had
gewoond. Ze zag dadelijk aan hun vlucht of ze een goede jacht hadden
gehad, en ze voelde zich dan veilig voor haar troep. Maar dien dag
zag zij de arenden niet terugkomen.
"Ik word zeker oud en suf," dacht ze, toen ze een poos op hen had
gewacht. "De arenden moeten nu toch al lang thuis zijn."
Ze keek dien middag naar den bergwand op, en verwachtte de arenden te
zien op de scherpen vooruitspringende punt, waar ze gewoonlijk zaten
om hun middagslaapje te doen, en ze probeerde hen 's avonds in 't oog
te krijgen, als ze in het rotsmeer baadden, maar ze miste ze weer. Ze
was zoo gewoon, dat de arenden op dien berg daar boven woonden,
dat ze zich niet kon voorstellen, dat ze niet teruggekomen zouden zijn.
Den volgenden morgen was Akka vroeg wakker om naar de arenden
te turen. Maar ook nu zag zij ze niet. Daarentegen hoorde ze in de
stilte van den morgen een kreet, die boos en klagend tegelijk klonk,
en die uit het arendsnest scheen te komen.
"Zou er werkelijk iets in de war zijn, daar boven in het
arendsnest?" dacht ze. Ze sloeg met de vleugels uit, en steeg zoo hoog,
dat ze in het arendsnest kon zien.
Daar zag ze geen van de beide oude arenden. In 't heele nest lag
alleen een half naakt jong, dat om voedsel schreeuwde.
Akka daalde langzaam en aarzelend neer naar het arendsnest. Dat was
een griezelig oord om te komen. 't Was te zien wat voor roovervolk
daar thuis hoorde. In 't nest en op het rotsterras lagen verbleekte
beenderen, bloedige veeren, lappen vel, hazekoppen, vogelsnavels en
gevederde hoenderpooten. Ook de jonge arend, die daar midden in lag,
was terugstootend om te zien met zijn grooten gapenden bek, zijn lomp,
donzig lichaam en zijn halfklare vleugels, waar de aangroeiende pennen
als takken van uitstaken.
Eindelijk overwon Akka haar tegenzin, en ging op den rand van het nest
zitten; maar ze keek onderwijl onrustig naar alle kanten uit, want
ze verwachtte ieder oogenblik, dat de oude arenden zouden thuiskomen.
"Dat is goed, dat er ten minste eindelijk iemand komt," riep het
arendsjong. "Breng me dadelijk eten!"
"Nu, nu, maak niet zoo'n haast," zei Akka. "Vertel me eerst, waar je
vader en moeder zijn."
"Ja, als ik dat maar wist! Ze vlogen gisteren morgen weg, en lieten
me een rotsmuis achter, om van te leven, terwijl ze weg waren. Je
kunt wel begrijpen, dat die al lang op is. 't Is schande, dat moeder
me zoo'n honger laat lijden."
Akka begon nu te gelooven, dat de oude arenden wezenlijk waren
geschoten, en ze dacht er aan, dat ze, als ze dezen jongen arend dood
lieten hongeren, misschien voor goed 't heele roovervolk kwijt zou
zijn. Maar toch ging het haar aan 't hart een verlaten jong niet te
helpen, zoo goed 't haar mogelijk was.
"Waar zit je zoo naar te turen?" zei de jonge arend. "Hoor je niet,
dat ik eten wil hebben?"
Akka sloeg de vleugels uit, en daalde neer op het meertje, beneden
in 't dal. Een poos later kwam ze weer naar boven in 't arendsnest,
met een jonge zalm in den bek.
De jonge arend werd geweldig boos, toen zij den visch voor hem neerlei.
"Meen je, dat ik zooiets eten kan!" zei hij, schoof den visch op zij,
en probeerde Akka te pikken. "Breng me een hoen of een muis, hoor je!"
Nu stak Akka den kop vooruit, en gaf den jongen arend een flinken
pik in den nek.
"Ik zal je eens wat zeggen," zei de oude gans. "Als ik je eten zal
geven, moet jij tevreden zijn, met wat ik je geven kan. Je vader en
moeder zijn dood, zoodat zij je niet meer helpen kunnen, maar wil
je hier liggen doodhongeren, terwijl je op hoenders en muizen wacht,
dan zal ik je dat niet beletten."
Toen Akka dit gezegd had, vloog ze weg, en vertoonde zich pas een heele
poos later weer bij het nest. De jonge arend had den visch opgegeten,
en toen ze er weer een voor hem neerlegde, slokte hij dien dadelijk
op, hoewel 't aan hem te zien was, dat hij 't allerakeligst vond.
Akka had een zwaar werk op zich genomen. De oude arenden vertoonden
zich nooit weer, en zij moest alleen het arendsjong al het eten
bezorgen, wat hij noodig had. Ze gaf hem visch en kikvorschen en die
kost scheen hem goed te bekomen, want hij werd groot en sterk. Hij
vergat al gauw zijn ouders, en meende, dat Akka zijn echte moeder
was. Akka had hem lief, alsof hij haar eigen kind was. Ze probeerde
hem een goede opvoeding te geven, en hem zijn wildheid en overmoed
af te leeren.
Na een paar weken begon Akka te voelen, dat de tijd naderde, dat ze
zou ruiën, en niet in staat zijn te vliegen. Een heele maand lang
zou ze geen voedsel voor den jongen arend kunnen halen, en hij zou
moeten verhongeren.
"Gorgo," zei Akka op een dag tegen hem. "Nu kan ik niet meer bij
je komen met visch. Nu moeten we zien, of je beneden in 't dal kunt
komen, zoodat ik je eten kan blijven geven. Je moet kiezen tusschen
hier boven te verhongeren, of naar beneden te springen in 't dal. Maar
ook dàt kan je het leven kosten."
Zonder zich een oogenblik te bedenken, klom de jonge arend op den rand
van het nest, verwaardigde zich nauwelijks om den afstand van daar
naar het dal te meten met zijn oogen, sloeg zijn vleugeltjes uit,
en begaf zich op weg. Hij tuimelde een paar maal rond in de lucht,
maar gebruikte zijn vleugels toch zooveel, dat hij tamelijk ongedeerd
op den grond kwam.
Daar beneden bracht Gorgo den zomer door met de jonge gansjes,
en werd een goede kameraad voor hen. Daar hij zich als een jonge
gans beschouwde, probeerde hij op dezelfde manier te leven als zij,
en als ze in 't meer gingen zwemmen, ging hij mee, totdat hij bijna
verdronken was. Hij voelde er zich erg door vernederd, dat hij geen
zwemmen kon leeren, en ging er zich bij Akka over beklagen.
"Waarom kan ik toch niet zwemmen, als de anderen?" vroeg hij.
"Je hebt te kromme klauwen en te groote teenen gekregen, terwijl je
daar boven op de rotsen lag," zei Akka. "Maar wees daar maar niet
bedroefd om. Je zult nog best een flinke vogel worden."
Al gauw waren de vleugels van den jongen arend zoo groot, dat ze
hem konden dragen, maar niet vóór den herfst, toen de jonge gansjes
leerden vliegen, kwam het in hem op, dat hij ze kon gebruiken om te
vliegen. En nu kwam er een heerlijke tijd voor hem, want in dit spel
was hij de eerste. Zijn kameraden bleven nooit langer in de lucht,
dan ze moesten, maar hij was daar bijna den heelen dag, en oefende
zich in de vliegkunst. Nog was hij er niet achter gekomen, dat hij
tot een ander geslacht dan de ganzen hoorde, maar hij merkte toch
allerlei op, dat hem verbaasde, en hij deed Akka voortdurend vragen.
"Waarom loopen hoenders en muizen hard weg, als ze mijn schaduw op
de rotsen zien?" vroeg hij. "Ze zijn niet zoo bang voor de andere
jonge ganzen."
"Je vleugels zijn vergroeid, terwijl je op de rotsen woonde," zei
Akka. "Daar schrikken die kleine dieren van. Maar wees jij daar maar
niet bedroefd om. Je zult toch wel een flinke vogel worden."
Toen de arend goed kon vliegen, leerde hij zichzelf visschen en
kikvorschen vangen, maar al gauw begon hij daar ook over na te denken.
"Hoe komt het toch, dat ik van visschen en kikvorschen leef?" zei
hij. "Dat doen de andere jonge ganzen niet."
"Dat komt, omdat ik geen ander eten had om je te geven, terwijl je
boven op de rotsen woonde," zei Akka. "Maar wees er maar niet bedroefd
om, je zult toch wel een flinke vogel worden."
Toen de wilde ganzen in den herfst gingen verhuizen, vloog Gorgo
midden in den troep. Nog altijd beschouwde hij zich als een van
hen. Maar de lucht was vol vogels, die naar het zuiden trokken,
en die geraakten in groote opschudding, toen Akka zich vertoonde,
met een arend in haar gevolg. De troep wilde ganzen was aanhoudend
door zwermen nieuwsgierigen omringd, die luide hun verwondering te
kennen gaven. Akka verzocht hun te zwijgen, maar het was niet mogelijk
zóóveel rappe tongen te binden.
"Waarom noemen ze mij toch een arend?" vroeg Gorgo onophoudelijk,
en werd meer en meer geprikkeld. "Zien ze dan niet, dat ik een wilde
gans ben? Ik ben geen vogelverslinder, die zijnsgelijken opeet. Hoe
durven ze mij zoo'n leelijken naam geven?"
Op een dag vlogen ze over een boerderij, waar veel kippen op den
mesthoop liepen te pikken.
"Een arend, een arend!" riepen ze, en begonnen hard weg te loopen,
om een schuilplaats te vinden. Maar Gorgo, die altijd arenden had
hooren noemen als wilde boosdoeners, schoot neer op 't veld, en sloeg
zijn klauwen in een van de kippen.
"Ik zal je leeren, dat ik geen arend ben!" riep hij boos en pikte
naar haar met den snavel.
Op hetzelfde oogenblik hoorde hij, hoe Akka hem riep hoog in de lucht,
en hij kwam gehoorzaam naar boven. De wilde gans vloog op hem toe,
en begon hem te tuchtigen.
"Wat doe je daar," riep ze, en pikte naar hem. "Was je misschien van
plan die arme kip te verscheuren? Schaam je je niet?"
Maar toen de arend zonder verweer de bestraffing van de wilde gans
aannam, steeg er een storm van gelach en spottende woorden op uit de
groote vogelscharen, die hen omringden. De arend hoorde dat, en keerde
zich naar Akka met boozen blik, alsof hij haar wilde aanvallen. Maar
hij veranderde snel van voornemen, steeg met sterken wiekslag hoog
in de lucht, steeg zoo hoog, dat geen geroep hem meer kon bereiken,
en dreef daar boven rond, zoolang de wilde ganzen hem konden zien.
Drie dagen later vertoonde hij zich weer in den troep van de wilde
ganzen.
"Nu weet ik wie ik ben," zei hij tegen Akka. "Omdat ik een arend ben,
moet ik leven, zooals het een arend betaamt, maar mij dunkt, dat we
toch wel goede vrienden kunnen blijven. U of een van de uwen zal ik
nooit aanvallen."
Maar Akka had er haar eer in gesteld, dat het haar zou gelukken,
een arend tot een zachten en ongevaarlijken vogel op te voeden,
en ze kon niet verdragen, dat hij naar zijn eigen goedvinden zou leven.
"Meen je, dat ik goede vrienden wil zijn met een
vogelverslinder?" vroeg ze. "Leef, zooals ik het je heb geleerd. En
dan mag je als vroeger in mijn gevolg meê gaan."
Beiden waren ze trotsch en onbuigzaam, en geen van hen wilde
toegeven. Dit eindigde hiermee, dat Akka den arend verbood zich in
haar nabijheid te vertoonen, en ze was zóó boos op hem, dat niemand
zijn naam in haar tegenwoordigheid durfde noemen.
Sinds dien tijd trok Gorgo door het land, alleen en door iedereen
verafschuwd, zooals alle groote roovers. Hij was vaak somber gestemd,
en zeker verlangde hij vaak terug naar den tijd, toen hij meende,
dat hij een wilde gans was, en met de vroolijke jonge gansjes
speelde. Onder de dieren was hij heel beroemd om zijn dapperheid. Zij
zeiden gewoonlijk, dat hij voor niets en niemand bang was, behalve
voor zijn pleegmoeder Akka. Ze plachten ook van hem te zeggen, dat
hij nooit een wilde gans had aangedurfd.