DE SAGE VAN DE FALUNMIJN.

"Ik zal je eens wat zeggen, Duimelot," zei Bataki. "Ik heb al een

lang leven achter mij. Ik heb veel goeds en veel kwaads ontmoet, en

verscheiden keeren ben ik door de menschen gevangen. Op die manier

heb ik niet alleen hun taal leeren verstaan, maar ik heb ook veel van

hen geleerd. En ik durf beweren, dat er geen vogel hier in 't land is,

die zooveel weet van je stamgenooten als ik.

Ik heb eens jaren achtereen in een kooi gezeten, bij een mijnopzichter

hier in Falun, en in zijn huis hoorde ik wat ik je nu ga vertellen.

Heel lang geleden woonde hier in Dalecarlië een reus, die twee dochters

had. Toen de reus oud werd en voelde, dat hij sterven zou, riep hij

zijn dochters bij zich, om zijn bezittingen tusschen hen te verdeelen.

Zijn voornaamste rijkdom bestond uit een paar bergen, die vol koper

waren, en die wilde hij aan zijn dochters geven. "Maar eer ik die

erfenis afgeef," zei hij, "moet jelui me beloven, dat als ooit

een vreemdeling jelui kopermijnen mocht ontdekken, jelui hem zult

doodslaan, voor hij zijn vondst aan anderen kan laten zien."

De oudste van de reuzendochters was wreed en woest, ze beloofde

zonder aarzelen haar vader te gehoorzamen. De andere had een zachter

karakter, en de vader zag, dat zij zich bedacht, vóór ze haar gelofte

aflegde. Daarom gaf hij haar maar een derde van de erfenis, terwijl

de oudste zoowat dubbel zooveel kreeg als zij.

"Op jou kan ik vertrouwen, alsof je een man waart," zei de reus. "En

daarom zul jij het broederdeel hebben."

Onmiddellijk daarop stierf de oude reus, en langen tijd waren de beide

dochters even getrouw aan hun woord. 't Gebeurde meer dan één armen

houthakker of jager, dat hij het kopererts zag, dat aan verscheidene

kanten tegen den buitenkant van den berg aanlag, maar nauwlijks was

hij thuis gekomen, en had hij over zijn vondst gesproken, of hij werd

door een ongeluk getroffen, òf er stortte een doode denneboom op hem

neer, òf hij kwam onder een grondverschuiving. Hij had nooit tijd

aan een ander den schat te wijzen, die op 't woeste veld te vinden was.

In dien tijd was het de gewoonte, dat de boeren des zomers hun vee

diep het bosch in zonden, om daar te grazen. De herder ging mee, om

op de melk te passen, en om kaas en boter te maken. Om voor menschen

en kudden schuilplaatsen in de wildernis te maken, kapten de boeren

een plaats open midden in 't bosch, en bouwden daar een paar hutjes,

die zij zomerweihutten noemden.

Nu gebeurde het, dat een boer, die bij de Dalelf in de gemeente

Torsang woonde, zijn zomerhutten had aan de oevers van 't meer Runn,

waar de grond zoo steenig was, dat nog niemand had geprobeerd dien

te ontginnen. Op een herfstdag ging een boer met een paar lastpaarden

naar de zomerweide, om te helpen 't vee, de botervaten en kazen naar

huis te brengen. Toen hij de kudde natelde, merkte hij op, dat een

van de bokken heelemaal rood aan de horens was.

"Wat heeft de Karebok voor horens?" vroeg de boer aan de herderin.

"Dat weet ik niet," antwoordde zij. "Hij is van den zomer elken avond

met roode horens thuis gekomen. Hij vindt het zeker mooi."

"Zoo, geloof je dat," zei de boer.

"Hij doet zijn eigen zin, die bok; en als ik dat rood van zijn horens

afschuur, gaat hij dadelijk heen, en zorgt, dat hij het terug krijgt."

"Schuur dan die roode verf nog eens af," zei de boer, "dan kan ik zien,

hoe hij dat doet."

Pas waren de horens van den bok afgeschuurd, of hij liep hard het

bosch in. De boer liep hem na, en toen hij den bok inhaalde stond die

zijn horens te wrijven tegen een paar roode steenen. De boer nam de

steenen op, proefde er van, en rook er aan. Hij meende te begrijpen,

dat hij een of ander soort erts had gevonden. Terwijl hij daar stond

te peinzen, kwam een steenblok aanrollen langs een helling vlak bij

hem. De boer sprong opzij, en redde zich nog juist bijtijds; maar

de bok Kare kwam vlak onder het blok, en werd dood geslagen. Toen de

boer tegen de helling opkeek, zag hij een groote, sterke reuzenvrouw,

die bezig was nog een steenblok naar beneden te gooien, dat op hem

gemunt was.

"Wat doe je toch?" riep de boer. "Ik heb jou noch je familie ooit

kwaad gedaan."

"Neen, dat weet ik wel," zei de reuzenvrouw. "Maar ik moet je

doodslaan, omdat je mijn koperberg hebt ontdekt."

Dat zei ze met zóó'n bedroefde stem, alsof ze in 't geheel geen

lust had hem te dooden, en daardoor kreeg de boer moed met haar te

spreken. Toen vertelde zij hem van den ouden reus, van de belofte, die

ze had gedaan, en van haar zuster, die het broederdeel gekregen had.

"Ik vind het zoo akelig, al die onschuldige stakkers dood te maken,

die mijn koperberg ontdekken," zei ze, "dat ik wou, dat ik die erfenis

nooit had aangenomen. Maar wat ik beloofd heb, moet ik ook houden."

Toen begon ze weer aan het steenblok te trekken.

"Maak nu zoo'n haast niet!" riep de boer. "Om die belofte hoef je mij

niet dood te maken. Ik heb het koper niet gevonden, maar de bok. En

dien heb je al dood gemaakt."

"Vind je, dat ik daarmeê genoeg gedaan heb?" vroeg de reuzendochter

aarzelend.

"Ja zeker vind ik dat," zei de boer. "Je hebt je belofte zoo goed

gehouden, als je maar kunt."

En hij sprak zoo verstandig met haar, dat hij mocht blijven leven.

Nu bracht de boer eerst de koeien naar huis. Toen ging hij naar

de mijndistricten, en huurde knechts, die verstand van mijnwerk

hadden. Die hielpen hem een mijn aan te leggen, daar, waar de bok

gestorven was. In 't begin was hij bang, dat hij ook gedood zou

worden, maar 't was zeker zoo, dat de reuzendochter het bewaken van

haar koperberg moe geworden was. Ze maakte het hem nooit lastig. De

ertsader, die de boer had ontdekt, liep langs den buitenkant van

den berg, zoodat het niet moeilijk of lastig was het erts uit te

breken. Hij en de knechts sleepten brandhout uit het bosch, en legden

groote vuren op den berg aan. Daarop lieten zij de ertsblokken door het

eene vuur na het andere gaan, tot zij het zuivere koper te voorschijn

hadden gekregen, en het van de slakken afgescheiden.

Vroeger gebruikten de menschen meer koper voor dagelijksch gebruik dan

nu. 't Was toen een gezochte en nuttige waar, en de boer, die de mijn

bezat, werd gauw schatrijk. Hij bouwde een groote, prachtige hoeve

in de buurt van de mijn, en noemde die Kare-hoeve, naar den bok. Als

hij naar de kerk in Torsang reed, was zijn paard met zilver beslagen,

en toen zijn dochter bruiloft zou vieren, liet hij bier brouwen van

twintig ton mout, en tien groote ossen aan het spit braden.

In dien tijd bleven de menschen meestal stil elk in hun woonplaats,

en werden de nieuwtjes niet zou gauw verspreid als nu. Maar het

gerucht, dat er een groote koperberg was gevonden, bereikte toch

veel menschen, en zij, die niets beters te doen hadden, gingen op

reis naar Dalecarlië. Op Kare-hoeve werden alle arme reizigers goed

ontvangen. De boer nam ze in dienst, gaf hun een goed loon, en liet

hen erts voor hem uitbreken. Er was overvloed van erts, en hoe meer

knechts hij aan 't werk kon zetten, hoe rijker hij werd.

Maar op een avond moet het gebeurd zijn, dat vier flinke mannen met

houweelen op den schouder naar Kare-hoeve kwamen. Ze werden goed

ontvangen, als alle andere, maar toen de boer vroeg, of ze bij hem

wilden werken, zeiden ze kortaf: "Neen."

"We willen voor eigen rekening werken," zeiden ze.

"Ja, maar deze koperberg is van mij," zei de boer.

"We zijn niet van plan in jouw mijn te graven," antwoordden de

vreemden. "De berg is groot, en op wat vrij en onbeschut in de

wildernis ligt, hebben wij evenveel recht als jij."

Meer werd hierover niet gesproken, en de boer ging voort den vreemden

gastvrijheid te geven. Vroeg in den morgen gingen ze uit om te werken,

vonden kopererts een eind verder, en begonnen het uit te graven. Toen

ze dat een paar dagen hadden gedaan, ging de boer naar hen toe.

"Er is hier veel erts in den berg," zei hij.

"Ja, daar moeten nog veel menschen aan werken, voor die schat gelicht

is," zei een van de vreemden.

"Dat begrijp ik wel," zei de boer. "Maar ik vind toch, dat jelui mij

belasting betalen moet voor het erts, dat je uitgraaft, omdat het

door mij komt, dat er hier mijnwerk kan worden gedaan."

"Nu begrijpen we niet, wat je bedoelt," zeiden de mannen.

"Ja, ik heb door mijn verstandige manier van doen dezen berg vrij

gemaakt," zei de boer, en vertelde hun van de beide reuzendochters

en het broederdeel.

De mannen luisterden hier heel oplettend naar, maar ze schenen bij

iets anders in het verhaal stil te staan, dan wat de boer verwachtte.

"Ben je er zeker van, dat de andere reuzendochter gevaarlijker is

dan zij, die jij ontmoette?" vroegen ze.

"Ja, ik geloof niet, dat ze veel medelijden met jelui zou hebben,"

antwoordde de boer.

Met die woorden ging hij heen, maar hij hield hen in 't oog, en hij

zag na een poosje, dat ze met werken ophielden, en het bosch ingingen.

Toen de menschen op Kare-hoeve dien dag aan het avondeten zaten,

hoorden ze een vervaarlijk wolvengehuil uit het bosch, en onder het

huilen der wilde dieren door, hoorden ze menschen schreeuwen. De

boer stond dadelijk op, maar de knechts schenen geen lust te hebben

om meê te gaan.

"'t Zou wel goed zijn, als dat dievenpak door de wolven verscheurd

werd," zeiden de knechts.

"We moeten toch helpen wie in nood zijn," zei de boer, en trok met

alle vijftig knechts uit.

Al spoedig kregen ze een vreeselijk grooten troep wolven in 't oog,

die over elkaar heen rolden, en rukten, en vochten om een buit. De

knechts joegen ze weg, en vonden op den grond vier menschenlichamen,

die zoo mishandeld waren, dat niemand zou hebben begrepen, wie ze

waren, als er niet vier houweelen bij hen hadden gelegen.

Na dien tijd bleef de koperberg het eigendom van één man, tot na

den dood van den boer. Toen namen zijn zonen die over. Die werkten

gezamenlijk in de mijn, maar het erts, dat ze in één jaar opdolven,

verdeelden ze in hoopen, verlootten die, en smolten het koper ieder in

zijn eigen oven uit. Ze werden allen rijk, en machtige mijneigenaars,

en bouwden zich groote, aanzienlijke hoeven. En na hen pakten hun

erfgenamen het werk aan, openden nieuwe schachten, en breidden het

ertsopdelven verder uit. Jaar op jaar nam de mijn in beteekenis toe,

en steeds meer mijneigenaars sloten zich als deelnemers aan. Sommige

woonden er vlak bij, andere hadden hun woningen en smeltovens in

de buurt. Een groote groep gebouwen ontstond, en die plaats werd:

het district van den grooten koperberg genoemd.

Nu gebeurde het, dat het erts, dat zóó lag, dat het van boven op

te delven was, zooals men steenen uit een steengroeve breekt, afnam

en opraakte, zoodat de mijnwerkers genoodzaakt werden het erts diep

onder den grond te zoeken. Zij moesten zich door nauwe schachten en

lange, slingerende gangen voortwerken, om hun vuren aan te leggen en

den berg te doen springen. 't Is altijd een zwaar, moeielijk werk

erts te delven, maar nu kwam er de last van den rook bij, die niet

kon worden weggevoerd in de lucht, en het bezwaar om het erts langs

steile ladders naar boven te krijgen. En hoe dieper ze naar beneden

doordrongen, hoe gevaarlijker het werk werd. Nu en dan kwamen sterke

waterstroomen aanbruisen uit een hoek van de mijn, of stortte het dak

van de mijngang in, boven het hoofd van de mijnwerkers. Dat maakte

het werk in de groote mijn zóó gevreesd, dat niemand het vrijwillig

wilde doen.

Toen werd aan ter dood veroordeelde misdadigers, en menschen, die

vogelvrij door de bosschen zwierven, meegedeeld, dat ze vergiffenis

voor hun misdrijven zouden krijgen, als ze mijnwerker in Falun

wilden worden.

In lang had niemand er aan gedacht het broederdeel te zoeken. Maar

onder al die bandelooze mannen, die naar den grooten koperberg kwamen,

waren er verscheidene, die hun leven niet veel hooger achtten dan een

avontuur, en die begonnen door de streek rond te zwerven, in de hoop

het te vinden.

Hoe dat afliep voor allen, die zochten, kan niemand zeggen, maar er

is nog een verhaal van een paar mijnwerkers, die op een avond laat

bij hun patroon terugkwamen, en vertelden, dat ze een groote, zware

ertsader in het bosch gevonden hadden. Ze hadden den weg daarheen

gezien, en wilden hem dien den volgenden dag wijzen. Maar den volgenden

dag was het Zondag, en de patroon wilde dien dag niet naar het bosch

gaan, om erts te zoeken. Hij ging met al zijn volk naar de kerk. Het

was winter, en zij liepen over het ijs naar de kerk, over het meer

Varpan. Op den heenweg ging alles goed, maar op den terugweg vielen

die beide knechts in een wak, en verdronken. Toen herinnerde men zich

de oude sage van het broederdeel, en men zei, dat het zeker dat was,

wat de mannen hadden gevonden.

Om al die fouten aan de mijn te herstellen, namen de mijneigenaars

zich voor, buitenlanders te ontbieden, die bekwaam in mijnwerk waren,

en die buitenlandsche meesters leerden hun mijnpompen bouwen, die

het water wegpompten, en het erts omhoog haalden. De vreemdelingen

geloofden niet veel van de sage van de reuzendochters, maar wel

geloofden ze, dat het mogelijk was, dat er een groote ertsader

ergens in de buurt was, en zij zochten er heel ijverig naar. En op

een avond kwam een duitsche mijninspecteur bij de mijn, en vertelde,

dat hij het broederdeel gevonden had. Maar de gedachte aan den grooten

rijkdom, dien hij nu zou winnen, steeg hem naar het hoofd, en maakte

hem woest. Hij richtte nog dienzelfden nacht een gastmaal aan, dronk,

danste en dobbelde, en eindelijk raakte hij aan het twisten en vechten,

en werd door een van de drinkebroers doodgestoken.

Uit den grooten koperberg werd steeds zoo'n massa erts gehaald, dat

de mijn voor de rijkste kopermijn in alle landen gehouden werd. Die

verspreidde groote schatten, niet alleen in de naaste omgeving, en

de sommen, die daaruit voortkwamen, werden Zweden tot groote hulp

in benarde tijden. Terwille van de mijn werd de heele stad Falun

gebouwd, en als zoo merkwaardig en nuttig werd de mijn beschouwd,

dat de koningen gewoon waren naar Falun te reizen, om de mijn te

bezoeken, en haar roemden, als het geluk en de schatkamer van het rijk.

Wanneer nu de menschen er aan dachten, hoeveel rijkdom al uit die

oude mijn te voorschijn was gekomen, is 't geen wonder, dat zij,

die geloofden, dat een koperschat--dubbel zoo groot--in de buurt was,

er zich over ergerden, dat die ongenaakbaar was. Menigeen waagde zijn

leven om dien te zoeken, maar niemand won er iets bij.

Een van de laatsten, die het broederdeel zag, was een jonge

mijneigenaar uit Falun, van goede, vermogende familie, die een huis en

een smeltoven in de stad bezat. Hij wilde met een mooie boerendochter

uit Leksand trouwen, en ging daarheen om haar ten huwelijk te vragen:

maar zij wilde niet met hem trouwen, omdat ze niet in Falun wilde

wonen, waar de rook uit de smelt- en droogovens zoo zwaar en drukkend

over de stad lag, dat zij bang werd, als zij er maar aan dacht.

De jonge man had haar lief, en toen hij naar huis ging, was

hij diep bedroefd. Hij had zijn leven lang in Falun gewoond, en

hij had er nooit aan gedacht, dat het moeilijk wezen kon daar te

leven. Maar toen hij nu de stad naderde, schrikte hij. Uit de groote

mijnschacht, uit de honderden droogovens daaromheen, steeg de zware,

verstikkende zwaveldamp op, en hulde de heele stad in mist. De rook

belette de planten te tieren, zoodat het veld kaal en naakt er omheen

lag. Smeltovens, waar het vuur uit opvlamde, en die omgeven waren van

zwarte slakken, zag hij overal, niet alleen in de stad, maar in de

heele buurt. Ze stonden in alle omringende dorpen. Hij begreep, dat

wie gewoon was te leven in licht en groen lommer aan het schitterende

Siljemeer, hier niet zou kunnen aarden.

Het gezicht van de stad maakte hem nog somberder, dan hij al was. Hij

wilde niet dadelijk naar huis gaan, maar week van den weg af, en liep

door het bosch. Daar zwierf hij den heelen dag rond, zonder er over

te denken, waar hij liep.

Tegen den avond gebeurde het, dat hij een berghelling zag, die glansde

als goud. Toen hij goed toezag, merkte hij, dat het een geweldige

ader van kopererts was. Eerst was hij blij met die ontdekking, maar

toen kwam het hem in de gedachte, dat dit broederdeel al zoovelen in

het ongeluk had gestort, en hij werd bang.

"Vandaag moet ik zeggen, dat het ongeluk mij vervolgt," dacht

hij. "Misschien moet ik nu sterven, omdat ik dien schat hier gevonden

heb."

Hij keerde dadelijk om, en ging naar huis. Na een poos ontmoette

hij een groote, statige vrouw. Ze zag er uit als een kloeke

mijnwerkersvrouw, maar hij kon zich niet herinneren, dat hij haar

vroeger had gezien.

"Ik zou wel eens willen weten, wat je in 't bosch hebt uitgevoerd,"

zei ze. "Ik heb je den heelen dag daar zien rondzwerven."

"Ik heb rondgezien naar een plaats, waar ik wonen kan!" antwoordde

de mijneigenaar, "want het meisje, waar ik van houd, wil niet in

Falun wonen."

"Denk je er niet over erts te delven uit den koperberg, dien je zoo

pas gevonden hebt?" vroeg ze verder.

"Neen, ik moet met het mijnwerk uitscheiden, anders kan ik haar,

die ik liefheb, niet tot vrouw krijgen."

"Ja, houd nu maar woord," zei de vrouw. "Dan zal je geen kwaad

overkomen."

Met die woorden ging zij heen. Maar hij haastte zich zijn woorden

waar te maken, noodgedwongen. Hij hield op met zijn werk, en liet

een hoeve bouwen ver van Falun. En toen had zij, die hij liefhad,

er niets op tegen bij hem te komen wonen."

Hiermee eindigde de raaf zijn verhaal. De jongen was werkelijk wakker

gebleven al dien tijd, maar hij had zijn beitel nu juist niet met

groote snelheid gebruikt.

"Nu, en hoe ging het verder?" vroeg hij, toen de raaf zweeg.

"Ja, het ging steeds achteruit met het koperdelven. De stad Falun is er

nog. Maar al de oude smeltovens zijn weg. De heele streek is vol oude

mijnwerkershuizen, maar zij, die er wonen, moesten zich aan landbouw

of aan boschbouw wijden. In de mijn van Falun is het erts bijna op. 't

Zou nu meer dan ooit tijd zijn om het broederdeel te vinden."

"Ik zou wel eens willen weten, of die mijneigenaar de laatste was,

die het zag," zeide de jongen.

"Ik zal je zeggen, wie het 't laatste gezien heeft, als je een gat

in den muur hebt gemaakt, en mij bevrijdt," zeide de raaf.

De jongen sprong op, en begon wat vlugger te werken. Hij vond,

dat Bataki dat op een vreemden, beteekenisvollen toon zei. 't Klonk

bijna, alsof hij den jongen den indruk wou geven, dat hij, de raaf,

de groote ertsader had gezien. Had hij hem misschien die geschiedenis

met een bepaalde bedoeling verteld?

"Je hebt hier zeker veel in de buurt rondgezworven," zei de jongen,

om wat meer licht in de zaak te krijgen. "Je hebt zeker wel een en

ander ontdekt, terwijl je boven de bergen en de bosschen zweefde."

"Ik zou je nog heel wat merkwaardigs kunnen laten zien, als je maar

klaar was met je werk," antwoordde de raaf.

De jongen begon met zoo'n ijver te hakken, dat de splinters om hem

heen vlogen. Nu was hij er zeker van, dat de raaf het broederdeel

had gevonden.

"'t Is toch heel jammer, dat jij, een raaf, heelemaal geen pleizier

kunt hebben van den schat, dien je hebt gevonden," zei hij.

"Ik wil hier niet meer over praten, vóór ik gezien heb, dat je een

gat in den muur kunt maken, en mij bevrijden," zei de raaf.

De jongen werkte zóó, dat het ijzer brandend heet werd. Hij meende,

dat hij Bataki's bedoeling gemakkelijk kon begrijpen.

De raaf kon toch geen erts voor eigen rekening delven, en daarom was 't

zeker zijn plan, die ontdekking aan Niels Holgersson over te doen. Dat

was 't waarschijnlijkste en ook het natuurlijkste. Maar als de jongen

't geheim eenmaal wist, zou hij hier terugkomen, zoodra hij weer een

mensch was geworden, en dien schat nader onderzoeken. En als hij geld

genoeg had, dan zou hij de heele gemeente Vemmenhög koopen, en daar

een kasteel laten bouwen zoo groot als Vittskövle. En op een dag zou

hij dan den boer Holger Nielsson en zijn vrouw bij zich vragen op 't

kasteel. En als ze dan aankwamen, zou hij op de stoep staan en zeggen:

"Kom binnen, alstublieft, en doe alsof u hier thuis is." En ze zouden

hem natuurlijk niet herkennen, maar zich verwonderd afvragen, wie

die deftige mijnheer was, die hen had uitgenoodigd.

"Zoudt u niet graag op zoo'n mooie plaats wonen?" zou hij dan zeggen.

"Ja, natuurlijk, maar dat is niets voor ons," zouden ze antwoorden.

"Ja, dat is het juist. De bedoeling is, dat u dit krijgt, als betaling

voor den grooten witten ganzerik, die jaren geleden is weggevlogen,"

zou hij dan zeggen.

De jongen werkte al flinker met den beitel. Het eerste, waar hij zijn

geld voor gebruiken zou, was een nieuw huisje op de hei van Sunnerbo

te bouwen voor Asa, het ganzenhoedstertje en kleine Mads. Veel grooter

en mooier dan het oude natuurlijk. En dan zou hij 't heele Takermeer

koopen, en dat aan de eenden geven. En dan zou hij...

"Nu moet ik zeggen, dat je flink hebt gewerkt," zei de raaf. "Ik

geloof, dat het gat al groot genoeg is."

Het lukte de raaf werkelijk er uit te komen. De jongen kroop hem na

en zag toen Bataki op een steen zitten, een paar stappen verder.

"Nu zal ik mijn belofte houden, Duimelot," zei Bataki heel plechtig,

"en je zeggen, dat ik het broederdeel heb gezien. Maar ik zou je niet

raden er naar te gaan zoeken, want het heeft me jaren werk gekost,

eer ik het te weten kwam."

"Ik dacht, dat je me zeggen zou, waar het was, als belooning, omdat

ik je uit je gevangenschap heb bevrijd," zei de jongen.

"Dan moet je toch wel heel slaperig zijn geweest, terwijl ik je van

het broederdeel vertelde," zei Bataki. "Anders zou je zooiets zeker

niet hebben verwacht. Hoorde je dan niet, dat allen, die wilden bekend

maken waar het broederdeel was, ongelukkig werden? Neen, jongen! Bataki

heeft lang genoeg geleefd, om te leeren zijn mond te houden."

Met die woorden sloeg hij de vleugels uit, en vloog weg. Akka stond

op het veld bij de zwavelstokerij te slapen. Maar het duurde lang,

eer de jongen naar haar toeging, om haar te roepen. Hij was mismoedig

en bedroefd, omdat hij een grooten schat had verloren, en vond,

dat hij niets had om zich op te verheugen.

"Ik geloof niet, dat die geschiedenis van de reuzendochters waar is,"

zei hij in zichzelf. "En ik geloof niet aan de wolven en het zwakke

ijs; maar ik geloof, dat toen arme mijnwerkers de groote ertsader

midden in 't woeste bosch vonden, ze zóó opgewonden van vreugde

werden, dat ze die later niet meer konden vinden. En ik geloof,

dat die teleurstelling zoo zwaar werd, dat ze het leven niet konden

uithouden. Want zoo voel ik het nu."

Niels Holgersson's Wonderbare Reis · 第 89 / 140 题