"Ik zal je eens wat zeggen, Duimelot," zei Bataki. "Ik heb al een
lang leven achter mij. Ik heb veel goeds en veel kwaads ontmoet, en
verscheiden keeren ben ik door de menschen gevangen. Op die manier
heb ik niet alleen hun taal leeren verstaan, maar ik heb ook veel van
hen geleerd. En ik durf beweren, dat er geen vogel hier in 't land is,
die zooveel weet van je stamgenooten als ik.
Ik heb eens jaren achtereen in een kooi gezeten, bij een mijnopzichter
hier in Falun, en in zijn huis hoorde ik wat ik je nu ga vertellen.
Heel lang geleden woonde hier in Dalecarlië een reus, die twee dochters
had. Toen de reus oud werd en voelde, dat hij sterven zou, riep hij
zijn dochters bij zich, om zijn bezittingen tusschen hen te verdeelen.
Zijn voornaamste rijkdom bestond uit een paar bergen, die vol koper
waren, en die wilde hij aan zijn dochters geven. "Maar eer ik die
erfenis afgeef," zei hij, "moet jelui me beloven, dat als ooit
een vreemdeling jelui kopermijnen mocht ontdekken, jelui hem zult
doodslaan, voor hij zijn vondst aan anderen kan laten zien."
De oudste van de reuzendochters was wreed en woest, ze beloofde
zonder aarzelen haar vader te gehoorzamen. De andere had een zachter
karakter, en de vader zag, dat zij zich bedacht, vóór ze haar gelofte
aflegde. Daarom gaf hij haar maar een derde van de erfenis, terwijl
de oudste zoowat dubbel zooveel kreeg als zij.
"Op jou kan ik vertrouwen, alsof je een man waart," zei de reus. "En
daarom zul jij het broederdeel hebben."
Onmiddellijk daarop stierf de oude reus, en langen tijd waren de beide
dochters even getrouw aan hun woord. 't Gebeurde meer dan één armen
houthakker of jager, dat hij het kopererts zag, dat aan verscheidene
kanten tegen den buitenkant van den berg aanlag, maar nauwlijks was
hij thuis gekomen, en had hij over zijn vondst gesproken, of hij werd
door een ongeluk getroffen, òf er stortte een doode denneboom op hem
neer, òf hij kwam onder een grondverschuiving. Hij had nooit tijd
aan een ander den schat te wijzen, die op 't woeste veld te vinden was.
In dien tijd was het de gewoonte, dat de boeren des zomers hun vee
diep het bosch in zonden, om daar te grazen. De herder ging mee, om
op de melk te passen, en om kaas en boter te maken. Om voor menschen
en kudden schuilplaatsen in de wildernis te maken, kapten de boeren
een plaats open midden in 't bosch, en bouwden daar een paar hutjes,
die zij zomerweihutten noemden.
Nu gebeurde het, dat een boer, die bij de Dalelf in de gemeente
Torsang woonde, zijn zomerhutten had aan de oevers van 't meer Runn,
waar de grond zoo steenig was, dat nog niemand had geprobeerd dien
te ontginnen. Op een herfstdag ging een boer met een paar lastpaarden
naar de zomerweide, om te helpen 't vee, de botervaten en kazen naar
huis te brengen. Toen hij de kudde natelde, merkte hij op, dat een
van de bokken heelemaal rood aan de horens was.
"Wat heeft de Karebok voor horens?" vroeg de boer aan de herderin.
"Dat weet ik niet," antwoordde zij. "Hij is van den zomer elken avond
met roode horens thuis gekomen. Hij vindt het zeker mooi."
"Zoo, geloof je dat," zei de boer.
"Hij doet zijn eigen zin, die bok; en als ik dat rood van zijn horens
afschuur, gaat hij dadelijk heen, en zorgt, dat hij het terug krijgt."
"Schuur dan die roode verf nog eens af," zei de boer, "dan kan ik zien,
hoe hij dat doet."
Pas waren de horens van den bok afgeschuurd, of hij liep hard het
bosch in. De boer liep hem na, en toen hij den bok inhaalde stond die
zijn horens te wrijven tegen een paar roode steenen. De boer nam de
steenen op, proefde er van, en rook er aan. Hij meende te begrijpen,
dat hij een of ander soort erts had gevonden. Terwijl hij daar stond
te peinzen, kwam een steenblok aanrollen langs een helling vlak bij
hem. De boer sprong opzij, en redde zich nog juist bijtijds; maar
de bok Kare kwam vlak onder het blok, en werd dood geslagen. Toen de
boer tegen de helling opkeek, zag hij een groote, sterke reuzenvrouw,
die bezig was nog een steenblok naar beneden te gooien, dat op hem
gemunt was.
"Wat doe je toch?" riep de boer. "Ik heb jou noch je familie ooit
kwaad gedaan."
"Neen, dat weet ik wel," zei de reuzenvrouw. "Maar ik moet je
doodslaan, omdat je mijn koperberg hebt ontdekt."
Dat zei ze met zóó'n bedroefde stem, alsof ze in 't geheel geen
lust had hem te dooden, en daardoor kreeg de boer moed met haar te
spreken. Toen vertelde zij hem van den ouden reus, van de belofte, die
ze had gedaan, en van haar zuster, die het broederdeel gekregen had.
"Ik vind het zoo akelig, al die onschuldige stakkers dood te maken,
die mijn koperberg ontdekken," zei ze, "dat ik wou, dat ik die erfenis
nooit had aangenomen. Maar wat ik beloofd heb, moet ik ook houden."
Toen begon ze weer aan het steenblok te trekken.
"Maak nu zoo'n haast niet!" riep de boer. "Om die belofte hoef je mij
niet dood te maken. Ik heb het koper niet gevonden, maar de bok. En
dien heb je al dood gemaakt."
"Vind je, dat ik daarmeê genoeg gedaan heb?" vroeg de reuzendochter
aarzelend.
"Ja zeker vind ik dat," zei de boer. "Je hebt je belofte zoo goed
gehouden, als je maar kunt."
En hij sprak zoo verstandig met haar, dat hij mocht blijven leven.
Nu bracht de boer eerst de koeien naar huis. Toen ging hij naar
de mijndistricten, en huurde knechts, die verstand van mijnwerk
hadden. Die hielpen hem een mijn aan te leggen, daar, waar de bok
gestorven was. In 't begin was hij bang, dat hij ook gedood zou
worden, maar 't was zeker zoo, dat de reuzendochter het bewaken van
haar koperberg moe geworden was. Ze maakte het hem nooit lastig. De
ertsader, die de boer had ontdekt, liep langs den buitenkant van
den berg, zoodat het niet moeilijk of lastig was het erts uit te
breken. Hij en de knechts sleepten brandhout uit het bosch, en legden
groote vuren op den berg aan. Daarop lieten zij de ertsblokken door het
eene vuur na het andere gaan, tot zij het zuivere koper te voorschijn
hadden gekregen, en het van de slakken afgescheiden.
Vroeger gebruikten de menschen meer koper voor dagelijksch gebruik dan
nu. 't Was toen een gezochte en nuttige waar, en de boer, die de mijn
bezat, werd gauw schatrijk. Hij bouwde een groote, prachtige hoeve
in de buurt van de mijn, en noemde die Kare-hoeve, naar den bok. Als
hij naar de kerk in Torsang reed, was zijn paard met zilver beslagen,
en toen zijn dochter bruiloft zou vieren, liet hij bier brouwen van
twintig ton mout, en tien groote ossen aan het spit braden.
In dien tijd bleven de menschen meestal stil elk in hun woonplaats,
en werden de nieuwtjes niet zou gauw verspreid als nu. Maar het
gerucht, dat er een groote koperberg was gevonden, bereikte toch
veel menschen, en zij, die niets beters te doen hadden, gingen op
reis naar Dalecarlië. Op Kare-hoeve werden alle arme reizigers goed
ontvangen. De boer nam ze in dienst, gaf hun een goed loon, en liet
hen erts voor hem uitbreken. Er was overvloed van erts, en hoe meer
knechts hij aan 't werk kon zetten, hoe rijker hij werd.
Maar op een avond moet het gebeurd zijn, dat vier flinke mannen met
houweelen op den schouder naar Kare-hoeve kwamen. Ze werden goed
ontvangen, als alle andere, maar toen de boer vroeg, of ze bij hem
wilden werken, zeiden ze kortaf: "Neen."
"We willen voor eigen rekening werken," zeiden ze.
"Ja, maar deze koperberg is van mij," zei de boer.
"We zijn niet van plan in jouw mijn te graven," antwoordden de
vreemden. "De berg is groot, en op wat vrij en onbeschut in de
wildernis ligt, hebben wij evenveel recht als jij."
Meer werd hierover niet gesproken, en de boer ging voort den vreemden
gastvrijheid te geven. Vroeg in den morgen gingen ze uit om te werken,
vonden kopererts een eind verder, en begonnen het uit te graven. Toen
ze dat een paar dagen hadden gedaan, ging de boer naar hen toe.
"Er is hier veel erts in den berg," zei hij.
"Ja, daar moeten nog veel menschen aan werken, voor die schat gelicht
is," zei een van de vreemden.
"Dat begrijp ik wel," zei de boer. "Maar ik vind toch, dat jelui mij
belasting betalen moet voor het erts, dat je uitgraaft, omdat het
door mij komt, dat er hier mijnwerk kan worden gedaan."
"Nu begrijpen we niet, wat je bedoelt," zeiden de mannen.
"Ja, ik heb door mijn verstandige manier van doen dezen berg vrij
gemaakt," zei de boer, en vertelde hun van de beide reuzendochters
en het broederdeel.
De mannen luisterden hier heel oplettend naar, maar ze schenen bij
iets anders in het verhaal stil te staan, dan wat de boer verwachtte.
"Ben je er zeker van, dat de andere reuzendochter gevaarlijker is
dan zij, die jij ontmoette?" vroegen ze.
"Ja, ik geloof niet, dat ze veel medelijden met jelui zou hebben,"
antwoordde de boer.
Met die woorden ging hij heen, maar hij hield hen in 't oog, en hij
zag na een poosje, dat ze met werken ophielden, en het bosch ingingen.
Toen de menschen op Kare-hoeve dien dag aan het avondeten zaten,
hoorden ze een vervaarlijk wolvengehuil uit het bosch, en onder het
huilen der wilde dieren door, hoorden ze menschen schreeuwen. De
boer stond dadelijk op, maar de knechts schenen geen lust te hebben
om meê te gaan.
"'t Zou wel goed zijn, als dat dievenpak door de wolven verscheurd
werd," zeiden de knechts.
"We moeten toch helpen wie in nood zijn," zei de boer, en trok met
alle vijftig knechts uit.
Al spoedig kregen ze een vreeselijk grooten troep wolven in 't oog,
die over elkaar heen rolden, en rukten, en vochten om een buit. De
knechts joegen ze weg, en vonden op den grond vier menschenlichamen,
die zoo mishandeld waren, dat niemand zou hebben begrepen, wie ze
waren, als er niet vier houweelen bij hen hadden gelegen.
Na dien tijd bleef de koperberg het eigendom van één man, tot na
den dood van den boer. Toen namen zijn zonen die over. Die werkten
gezamenlijk in de mijn, maar het erts, dat ze in één jaar opdolven,
verdeelden ze in hoopen, verlootten die, en smolten het koper ieder in
zijn eigen oven uit. Ze werden allen rijk, en machtige mijneigenaars,
en bouwden zich groote, aanzienlijke hoeven. En na hen pakten hun
erfgenamen het werk aan, openden nieuwe schachten, en breidden het
ertsopdelven verder uit. Jaar op jaar nam de mijn in beteekenis toe,
en steeds meer mijneigenaars sloten zich als deelnemers aan. Sommige
woonden er vlak bij, andere hadden hun woningen en smeltovens in
de buurt. Een groote groep gebouwen ontstond, en die plaats werd:
het district van den grooten koperberg genoemd.
Nu gebeurde het, dat het erts, dat zóó lag, dat het van boven op
te delven was, zooals men steenen uit een steengroeve breekt, afnam
en opraakte, zoodat de mijnwerkers genoodzaakt werden het erts diep
onder den grond te zoeken. Zij moesten zich door nauwe schachten en
lange, slingerende gangen voortwerken, om hun vuren aan te leggen en
den berg te doen springen. 't Is altijd een zwaar, moeielijk werk
erts te delven, maar nu kwam er de last van den rook bij, die niet
kon worden weggevoerd in de lucht, en het bezwaar om het erts langs
steile ladders naar boven te krijgen. En hoe dieper ze naar beneden
doordrongen, hoe gevaarlijker het werk werd. Nu en dan kwamen sterke
waterstroomen aanbruisen uit een hoek van de mijn, of stortte het dak
van de mijngang in, boven het hoofd van de mijnwerkers. Dat maakte
het werk in de groote mijn zóó gevreesd, dat niemand het vrijwillig
wilde doen.
Toen werd aan ter dood veroordeelde misdadigers, en menschen, die
vogelvrij door de bosschen zwierven, meegedeeld, dat ze vergiffenis
voor hun misdrijven zouden krijgen, als ze mijnwerker in Falun
wilden worden.
In lang had niemand er aan gedacht het broederdeel te zoeken. Maar
onder al die bandelooze mannen, die naar den grooten koperberg kwamen,
waren er verscheidene, die hun leven niet veel hooger achtten dan een
avontuur, en die begonnen door de streek rond te zwerven, in de hoop
het te vinden.
Hoe dat afliep voor allen, die zochten, kan niemand zeggen, maar er
is nog een verhaal van een paar mijnwerkers, die op een avond laat
bij hun patroon terugkwamen, en vertelden, dat ze een groote, zware
ertsader in het bosch gevonden hadden. Ze hadden den weg daarheen
gezien, en wilden hem dien den volgenden dag wijzen. Maar den volgenden
dag was het Zondag, en de patroon wilde dien dag niet naar het bosch
gaan, om erts te zoeken. Hij ging met al zijn volk naar de kerk. Het
was winter, en zij liepen over het ijs naar de kerk, over het meer
Varpan. Op den heenweg ging alles goed, maar op den terugweg vielen
die beide knechts in een wak, en verdronken. Toen herinnerde men zich
de oude sage van het broederdeel, en men zei, dat het zeker dat was,
wat de mannen hadden gevonden.
Om al die fouten aan de mijn te herstellen, namen de mijneigenaars
zich voor, buitenlanders te ontbieden, die bekwaam in mijnwerk waren,
en die buitenlandsche meesters leerden hun mijnpompen bouwen, die
het water wegpompten, en het erts omhoog haalden. De vreemdelingen
geloofden niet veel van de sage van de reuzendochters, maar wel
geloofden ze, dat het mogelijk was, dat er een groote ertsader
ergens in de buurt was, en zij zochten er heel ijverig naar. En op
een avond kwam een duitsche mijninspecteur bij de mijn, en vertelde,
dat hij het broederdeel gevonden had. Maar de gedachte aan den grooten
rijkdom, dien hij nu zou winnen, steeg hem naar het hoofd, en maakte
hem woest. Hij richtte nog dienzelfden nacht een gastmaal aan, dronk,
danste en dobbelde, en eindelijk raakte hij aan het twisten en vechten,
en werd door een van de drinkebroers doodgestoken.
Uit den grooten koperberg werd steeds zoo'n massa erts gehaald, dat
de mijn voor de rijkste kopermijn in alle landen gehouden werd. Die
verspreidde groote schatten, niet alleen in de naaste omgeving, en
de sommen, die daaruit voortkwamen, werden Zweden tot groote hulp
in benarde tijden. Terwille van de mijn werd de heele stad Falun
gebouwd, en als zoo merkwaardig en nuttig werd de mijn beschouwd,
dat de koningen gewoon waren naar Falun te reizen, om de mijn te
bezoeken, en haar roemden, als het geluk en de schatkamer van het rijk.
Wanneer nu de menschen er aan dachten, hoeveel rijkdom al uit die
oude mijn te voorschijn was gekomen, is 't geen wonder, dat zij,
die geloofden, dat een koperschat--dubbel zoo groot--in de buurt was,
er zich over ergerden, dat die ongenaakbaar was. Menigeen waagde zijn
leven om dien te zoeken, maar niemand won er iets bij.
Een van de laatsten, die het broederdeel zag, was een jonge
mijneigenaar uit Falun, van goede, vermogende familie, die een huis en
een smeltoven in de stad bezat. Hij wilde met een mooie boerendochter
uit Leksand trouwen, en ging daarheen om haar ten huwelijk te vragen:
maar zij wilde niet met hem trouwen, omdat ze niet in Falun wilde
wonen, waar de rook uit de smelt- en droogovens zoo zwaar en drukkend
over de stad lag, dat zij bang werd, als zij er maar aan dacht.
De jonge man had haar lief, en toen hij naar huis ging, was
hij diep bedroefd. Hij had zijn leven lang in Falun gewoond, en
hij had er nooit aan gedacht, dat het moeilijk wezen kon daar te
leven. Maar toen hij nu de stad naderde, schrikte hij. Uit de groote
mijnschacht, uit de honderden droogovens daaromheen, steeg de zware,
verstikkende zwaveldamp op, en hulde de heele stad in mist. De rook
belette de planten te tieren, zoodat het veld kaal en naakt er omheen
lag. Smeltovens, waar het vuur uit opvlamde, en die omgeven waren van
zwarte slakken, zag hij overal, niet alleen in de stad, maar in de
heele buurt. Ze stonden in alle omringende dorpen. Hij begreep, dat
wie gewoon was te leven in licht en groen lommer aan het schitterende
Siljemeer, hier niet zou kunnen aarden.
Het gezicht van de stad maakte hem nog somberder, dan hij al was. Hij
wilde niet dadelijk naar huis gaan, maar week van den weg af, en liep
door het bosch. Daar zwierf hij den heelen dag rond, zonder er over
te denken, waar hij liep.
Tegen den avond gebeurde het, dat hij een berghelling zag, die glansde
als goud. Toen hij goed toezag, merkte hij, dat het een geweldige
ader van kopererts was. Eerst was hij blij met die ontdekking, maar
toen kwam het hem in de gedachte, dat dit broederdeel al zoovelen in
het ongeluk had gestort, en hij werd bang.
"Vandaag moet ik zeggen, dat het ongeluk mij vervolgt," dacht
hij. "Misschien moet ik nu sterven, omdat ik dien schat hier gevonden
heb."
Hij keerde dadelijk om, en ging naar huis. Na een poos ontmoette
hij een groote, statige vrouw. Ze zag er uit als een kloeke
mijnwerkersvrouw, maar hij kon zich niet herinneren, dat hij haar
vroeger had gezien.
"Ik zou wel eens willen weten, wat je in 't bosch hebt uitgevoerd,"
zei ze. "Ik heb je den heelen dag daar zien rondzwerven."
"Ik heb rondgezien naar een plaats, waar ik wonen kan!" antwoordde
de mijneigenaar, "want het meisje, waar ik van houd, wil niet in
Falun wonen."
"Denk je er niet over erts te delven uit den koperberg, dien je zoo
pas gevonden hebt?" vroeg ze verder.
"Neen, ik moet met het mijnwerk uitscheiden, anders kan ik haar,
die ik liefheb, niet tot vrouw krijgen."
"Ja, houd nu maar woord," zei de vrouw. "Dan zal je geen kwaad
overkomen."
Met die woorden ging zij heen. Maar hij haastte zich zijn woorden
waar te maken, noodgedwongen. Hij hield op met zijn werk, en liet
een hoeve bouwen ver van Falun. En toen had zij, die hij liefhad,
er niets op tegen bij hem te komen wonen."
Hiermee eindigde de raaf zijn verhaal. De jongen was werkelijk wakker
gebleven al dien tijd, maar hij had zijn beitel nu juist niet met
groote snelheid gebruikt.
"Nu, en hoe ging het verder?" vroeg hij, toen de raaf zweeg.
"Ja, het ging steeds achteruit met het koperdelven. De stad Falun is er
nog. Maar al de oude smeltovens zijn weg. De heele streek is vol oude
mijnwerkershuizen, maar zij, die er wonen, moesten zich aan landbouw
of aan boschbouw wijden. In de mijn van Falun is het erts bijna op. 't
Zou nu meer dan ooit tijd zijn om het broederdeel te vinden."
"Ik zou wel eens willen weten, of die mijneigenaar de laatste was,
die het zag," zeide de jongen.
"Ik zal je zeggen, wie het 't laatste gezien heeft, als je een gat
in den muur hebt gemaakt, en mij bevrijdt," zeide de raaf.
De jongen sprong op, en begon wat vlugger te werken. Hij vond,
dat Bataki dat op een vreemden, beteekenisvollen toon zei. 't Klonk
bijna, alsof hij den jongen den indruk wou geven, dat hij, de raaf,
de groote ertsader had gezien. Had hij hem misschien die geschiedenis
met een bepaalde bedoeling verteld?
"Je hebt hier zeker veel in de buurt rondgezworven," zei de jongen,
om wat meer licht in de zaak te krijgen. "Je hebt zeker wel een en
ander ontdekt, terwijl je boven de bergen en de bosschen zweefde."
"Ik zou je nog heel wat merkwaardigs kunnen laten zien, als je maar
klaar was met je werk," antwoordde de raaf.
De jongen begon met zoo'n ijver te hakken, dat de splinters om hem
heen vlogen. Nu was hij er zeker van, dat de raaf het broederdeel
had gevonden.
"'t Is toch heel jammer, dat jij, een raaf, heelemaal geen pleizier
kunt hebben van den schat, dien je hebt gevonden," zei hij.
"Ik wil hier niet meer over praten, vóór ik gezien heb, dat je een
gat in den muur kunt maken, en mij bevrijden," zei de raaf.
De jongen werkte zóó, dat het ijzer brandend heet werd. Hij meende,
dat hij Bataki's bedoeling gemakkelijk kon begrijpen.
De raaf kon toch geen erts voor eigen rekening delven, en daarom was 't
zeker zijn plan, die ontdekking aan Niels Holgersson over te doen. Dat
was 't waarschijnlijkste en ook het natuurlijkste. Maar als de jongen
't geheim eenmaal wist, zou hij hier terugkomen, zoodra hij weer een
mensch was geworden, en dien schat nader onderzoeken. En als hij geld
genoeg had, dan zou hij de heele gemeente Vemmenhög koopen, en daar
een kasteel laten bouwen zoo groot als Vittskövle. En op een dag zou
hij dan den boer Holger Nielsson en zijn vrouw bij zich vragen op 't
kasteel. En als ze dan aankwamen, zou hij op de stoep staan en zeggen:
"Kom binnen, alstublieft, en doe alsof u hier thuis is." En ze zouden
hem natuurlijk niet herkennen, maar zich verwonderd afvragen, wie
die deftige mijnheer was, die hen had uitgenoodigd.
"Zoudt u niet graag op zoo'n mooie plaats wonen?" zou hij dan zeggen.
"Ja, natuurlijk, maar dat is niets voor ons," zouden ze antwoorden.
"Ja, dat is het juist. De bedoeling is, dat u dit krijgt, als betaling
voor den grooten witten ganzerik, die jaren geleden is weggevlogen,"
zou hij dan zeggen.
De jongen werkte al flinker met den beitel. Het eerste, waar hij zijn
geld voor gebruiken zou, was een nieuw huisje op de hei van Sunnerbo
te bouwen voor Asa, het ganzenhoedstertje en kleine Mads. Veel grooter
en mooier dan het oude natuurlijk. En dan zou hij 't heele Takermeer
koopen, en dat aan de eenden geven. En dan zou hij...
"Nu moet ik zeggen, dat je flink hebt gewerkt," zei de raaf. "Ik
geloof, dat het gat al groot genoeg is."
Het lukte de raaf werkelijk er uit te komen. De jongen kroop hem na
en zag toen Bataki op een steen zitten, een paar stappen verder.
"Nu zal ik mijn belofte houden, Duimelot," zei Bataki heel plechtig,
"en je zeggen, dat ik het broederdeel heb gezien. Maar ik zou je niet
raden er naar te gaan zoeken, want het heeft me jaren werk gekost,
eer ik het te weten kwam."
"Ik dacht, dat je me zeggen zou, waar het was, als belooning, omdat
ik je uit je gevangenschap heb bevrijd," zei de jongen.
"Dan moet je toch wel heel slaperig zijn geweest, terwijl ik je van
het broederdeel vertelde," zei Bataki. "Anders zou je zooiets zeker
niet hebben verwacht. Hoorde je dan niet, dat allen, die wilden bekend
maken waar het broederdeel was, ongelukkig werden? Neen, jongen! Bataki
heeft lang genoeg geleefd, om te leeren zijn mond te houden."
Met die woorden sloeg hij de vleugels uit, en vloog weg. Akka stond
op het veld bij de zwavelstokerij te slapen. Maar het duurde lang,
eer de jongen naar haar toeging, om haar te roepen. Hij was mismoedig
en bedroefd, omdat hij een grooten schat had verloren, en vond,
dat hij niets had om zich op te verheugen.
"Ik geloof niet, dat die geschiedenis van de reuzendochters waar is,"
zei hij in zichzelf. "En ik geloof niet aan de wolven en het zwakke
ijs; maar ik geloof, dat toen arme mijnwerkers de groote ertsader
midden in 't woeste bosch vonden, ze zóó opgewonden van vreugde
werden, dat ze die later niet meer konden vinden. En ik geloof,
dat die teleurstelling zoo zwaar werd, dat ze het leven niet konden
uithouden. Want zoo voel ik het nu."