Er was geen plaats in Zweden, waar Bataki, de raaf, zóó veel van hield
als van Falun. Zoodra de sneeuw een beetje van het veld wegsmolt in
de lente, ging hij er heen, en bleef verscheidene weken dicht bij de
oude groevestad.
Falun ligt in een laag gedeelte van het dal, waardoor een kleine
rivier stroomt. Aan het noordelijk deel van het dal ligt een helder,
klein meertje met groene oevers, vol landtongen, dat Varpan genoemd
wordt. Aan den zuidkant ligt een baai, die op een meer lijkt, en Tisken
heet, met troebel, vuil water en leelijke moerassige oevers, vol met
allerlei afval. Ten oosten loopt om het dal een mooie rij heuvels,
die op hun toppen statige dennenbosschen dragen en sappige berken;
de hellingen zijn met lommerrijke tuinen bekleed. Ten westen van
de stad ligt ook een bergrug. De top is met armoedige naaldbosschen
bedekt, en de heele helling is kaal, naakt, zonder gras of boomen,
als een echte woestenij. Het eenige, wat het veld bedekt, zijn groote
ronde steenblokken, die er over verspreid liggen.
De stad Falun, die in het diepst van het dal, aan beide zijden van de
rivier ligt, ziet er uit, alsof ze afgepast is naar den grond, waarop
ze gebouwd is. Aan de groene zij van het dal liggen al de gebouwen,
die er sierlijk of aanzienlijk uitzien. Daar liggen de beide kerken,
het raadhuis, de woning van den gouverneur, het mijnkantoor, de
bank, het hôtel, de vele schoolgebouwen, het ziekenhuis, alle mooie
villa's en woningen. Aan den zwarten kant staan, straat aan straat,
kleine roode huisjes voor één familie, lange kale schuttingen van
planken, en groote, zware fabrieksgebouwen. En achter die straten,
midden in de groote steenwoestenij, ligt de mijn van Falun, met
hijschmachines en pompen, met ouderwetsche gebouwen, die scheef op
den ondermijnden grond staan, met zwarte, steile hoopen slakken en
lange rijen droogovens voor het erts.
Wat Bataki betreft, hij keek nooit naar het oostelijk gedeelte van de
stad en ook niet naar het mooie Varpan. Maar destemeer hield hij van
't kleine meertje Tisken.
Bataki, de raaf, hield van alles, wat geheimzinnig was, alles wat
aanleiding gaf tot peinzen en nadenken, en de gedachten in beweging
bracht. En daarvan vond hij veel aan de zwarte zijde van de stad. Het
was zoodoende een groot genoegen voor hem geweest, om uit te vorschen,
waarom die oude roode houten stad niet was opgebrand, zooals alle
andere roode steden in het land. Ook had hij zich afgevraagd hoe lang
de scheeve huizen aan den kant van de mijn nog zouden kunnen blijven
staan. Hij had gepeinsd over de groote "vijzel", de reusachtige
opening in den grond midden in 't veld om de groeve, en was tot op
den bodem erin gevlogen om te onderzoeken, hoe die geweldige leege
ruimte was ontstaan. Hij had verbaasd gestaard op die steile hoopen
slakken, die om de "vijzel" en het mijngebouw heen lagen, en ze
als muren omringden. Hij had geprobeerd te begrijpen, wat dat kleine
signaalbelletje, dat met korte sombere slagen 't heele jaar door slaat,
met even groote tusschenpoozen, toch te vertellen had, en 't allermeest
had hij zich afgevraagd, hoe het er wel onder den grond zou uitzien,
waar het kopererts zoo veel honderd jaar lang was uitgebroken, en
de aarde zoo vol gangen was als een mierenhoop. Toen het eindelijk
Bataki gelukt was van dit alles eenigszins op de hoogte te komen,
zweefde hij weg naar de griezelige steenwoestenij, om er over na te
denken, waarom er geen gras tusschen de steenblokken groeide, of hij
vloog naar het meer Tisken. Dat hield hij voor het wonderlijkste, wat
hij nog ooit had aangetroffen. Hoe kon het toch komen, dat daar in 't
geheel geen visch in was, en dat het water, als het door den storm in
beweging kwam, soms heelemaal rood werd? Dat was nog te wonderlijker,
omdat een groote beek, die uit de groeve kwam en in 't meer viel,
blinkend heldergeel water had. Hij verwonderde zich over de ruïne
van vervallen gebouwen aan den oever en over het plaatsje Tisksagen,
dat daar, omgeven van groene tuinen, en door boomen beschaduwd,
tusschen de steenwoestenij en het vreemde meertje lag.
In het jaar, toen Niels Holgersson met de wilde ganzen door het
land reisde, stond er nog op het strand van het Tiskenmeer, een
eind buiten de stad, een oud huis, de zwavelkeuken genaamd, omdat
daar ieder jaar eenige maanden lang zwavel gekookt werd. 't Was
een oud vervallen gebouw, dat rood was geweest, maar langzamerhand
bruingrijs was geworden. Het had geen venster, maar enkel een rij
kijkgaten, met zwarte luiken afgesloten en bijna altijd goed met
boomen dichtgemaakt. In dat huis had Bataki nooit kunnen kijken, en
daarom wekte dat zijn verwondering meer dan iets anders. Hij sprong
rond op het dak om een gaatje te vinden, en hij zat dikwijls op den
hoogen schoorsteen, en keek door de nauwe opening.
Op een dag ging het Bataki al heel slecht. 't Had sterk gestormd. Een
kijkgat aan de oude zwavelkeuken was opengewaaid, en Bataki was er
dadelijk door gevlogen, om in het gebouw te zien. Maar nauwlijks was
hij erin, of het luik sloeg weer dicht, en Bataki was gevangen. Hij
verwachtte, dat de wind het luik wel weer open zou gooien, maar die
scheen daar in 't geheel geen plan op te hebben.
Er viel vrij wat licht in 't gebouw door spleten in den muur,
en Bataki had ten minste het genoegen te kunnen uitvinden, hoe 't
er daar binnen uitzag. Er was niet anders te zien, dan een groote
oven, met een paar ingemetselde pannen, en die had hij al gauw
voldoende bekeken. Maar toen hij weer naar buiten wilde, bleek het,
dat het nog altijd onmogelijk was. De wind wilde het luik niet meer
opengooien. Geen enkele deur, geen kijkgat, dat niet gesloten was. De
raaf was doodeenvoudig gevangen.
Bataki begon om hulp te roepen, en hield dat den heelen dag vol. Er
zijn zeker geen dieren, die zoo volhardend zijn in 't leven maken als
raven, en al gauw werd het ver in 't rond bekend, dat hij gevangen
zat. De grijs gestreepte kat van Tisksagen was de eerste, die het
ongeluk begreep. Hij vertelde het aan de kippen, en die riepen het toe
aan de voorbijvliegende vogels. Spoedig was het bekend bij de kraaien,
duiven, roeken en musschen in de stad Falun. Zij vlogen dadelijk naar
de oude zwavelkeuken om meer van de zaak te weten te komen. Ze hadden
diep medelijden met de raaf, maar geen van hen kon iets bedenken om
hem te helpen.
Op eens riep Bataki hun toe, met zijn scherpe, knorrige stem:
"Stil! jelui daar buiten! Luister nu naar mij! Als jelui me helpen
wilt, ga dan heen, en zoek de oude wilde gans, Akka van Kebnekaise en
haar troep. Ik denk, dat ze in dezen tijd van 't jaar in Dalecarlië
zijn. Vertel Akka hoe 't met me gesteld is. Ik geloof, dat zij de
eenige bij zich heeft, die me helpen kan."
Agar, de postduif, de beste bode in 't heele land, vond den troep
wilde ganzen bij de Dalelf, en toen de schemering viel, kwamen Akka
en zij aanvliegen, en streken neer bij de zwavelkeuken. Duimelot zat
op Akka's rug, maar de andere reisgenooten hadden ze op een eiland
in Runn gelaten, omdat Akka meende, dat ze meer schade dan nut zouden
hebben gedaan, als ze mee naar Falun gekomen waren.
Toen Akka een poos met Bataki aan het overleggen was geweest, nam
ze Duimelot op den rug, en vloog naar een boerderij, die vlak bij de
zwavelkeuken lag. Ze zweefde langzaam over de tuinen en beukenhagen,
die het plaatsje omgaven, terwijl zij en de jongen aldoor naar beneden
keken. 't Was duidelijk te zien, dat hier kinderen waren, die gewoon
waren om het huis te spelen, en het duurde ook niet lang, of ze
vonden wat ze noodig hadden. In een vroolijk lentebeekje klapperde
een rad van een klein smederijtje, en daar in de buurt vond de jongen
een beitel. Op een paar schragen lag een half afgewerkte canoe en
daarnaast een bosje touw.
Daarmeê vlogen ze terug naar de zwavelkeuken. De jongen maakte het
touw om den schoorsteen vast, liet het in de diepte neer, en gleed
er langs naar beneden. Toen hij Bataki had begroet, die hem met veel
mooie woorden bedankte, omdat hij gekomen was, begon hij een gat in
den muur te hakken met den beitel.
De zwavelkeuken had geen dikke muren, maar de jongen kreeg met
iederen houw maar een splintertje los--zóó dun, dat een rat het met
zijn voortanden wel had kunnen losknagen. 't Was duidelijk, dat hij
den heelen nacht zou moeten werken en misschien nog langer, eer hij
zoo'n groot gat gemaakt had, dat Bataki er door kon.
De raaf verlangde zóó om los te komen, dat hij niet kon slapen, maar
onder het werk naast den jongen bleef staan. In 't begin was Niels
heel vlijtig, maar na een poosje merkte de raaf, dat de slagen steeds
met grooter tusschenpoozen kwamen, en eindelijk heelemaal ophielden.
"Je bent zeker moe," zei de raaf. "Je kunt misschien niet langer
werken!"
"Neen, ik ben niet moe," zei de jongen, en nam den beitel weer op,
"maar ik heb al in lang geen enkelen nacht behoorlijk geslapen. Ik
weet niet, hoe ik me wakker zal houden."
Nu ging het werk een poosje vlug door, maar toen kwamen de slagen weer
met al langer tusschenpoozen. De raaf maakte den jongen weer wakker,
maar hij begreep, dat, als hij hem niet op een of andere manier
wakker kon houden, hij wel zou moeten blijven, waar hij was--niet
alleen dien nacht, maar zeker ook nog den heelen volgenden dag.
"Zou misschien het werk beter gaan, als ik je een verhaal
vertelde?" vroeg hij.
"Ja, dat kon wel," zei de jongen, maar tegelijk gaapte hij, en was
zóó slaperig, dat hij nauwlijks zijn werktuig kon vasthouden.