DE AVOND VOOR DEN MARKTDAG.

't Was de dag voor de groote veemarkt in Örebro, en het regende,

dat het goot.

't Was een regen, die niet uit te houden was. Er vielen heele stroomen

uit de wolken, en menigeen dacht: "'t Is precies, als in den tijd

van Ysätters-Kajsa. Nooit maakte ze zooveel spektakel, als tegen de

marktdagen. 't Zou juist iets voor haar zijn, zoo'n stortregen te

brengen op den avond vóór de groote markt."

Hoe langer hoe erger werd de regen. Tegen den avond kwamen echte

wolkbreuken, de wegen werden als rivieren, en de menschen, die met

hun vee op weg waren, om vroeg in den morgen in Örebro te zijn, hadden

het kwaad. Koeien en ossen werden zoo uitgeput, dat ze geen stap meer

wilden doen, en veel van die arme dieren gingen midden op den weg

liggen om te toonen, dat ze niet verder konden loopen. Allen, die aan

den weg woonden, moesten de deuren openzetten voor de marktgangers,

en ze zoo goed en kwaad, als ze konden, huisvesting geven.

't Werd overvol, niet alleen in de woonkamers, maar ook in stallen

en schuren.

Zij, die dat konden, probeerden intusschen voort te komen naar de

herberg, maar toen ze daar kwamen, hadden ze bijna spijt, dat ze niet

in een of andere kamer aan den weg gebleven waren. Alle hokken in de

schuur, en alle vakken in den paardenstal waren al bezet. Er bleef

niets anders over dan de paarden en koeien buiten in den regen te

laten staan. 't Was nog maar juist mogelijk, dat de eigenaars onder

dak konden komen.

't Was op de plaats een natte, vuile boel, en een gedrang, dat het

verschrikkelijk was. Sommige dieren stonden in heele plassen, en konden

niet gaan liggen. Er waren wel boeren, die hun dieren stroo gaven om

op te liggen, en ze met dekken toedekten, maar er waren er ook, die

in de herberg zaten te drinken en te spelen, en heelemaal vergaten,

waar ze voor zorgen moesten.

De jongen en de wilde ganzen waren dien avond op een eilandje in den

Hjälmar aangekomen. Dat was maar door een smal, ondiep watertje van

het land gescheiden, en men kon wel begrijpen, dat men daar met droge

voeten over kon komen, als het laag water was.

Op het eilandje regende het even erg als overal elders. De

jongen kon niet slapen door de droppels, die aanhoudend op hem

neervielen. Eindelijk begon hij op het eilandje rond te loopen. Hij

vond, dat hij den regen minder voelde, als hij zich bewoog.

Nauwlijks was hij een keer rond geweest, of hij hoorde een geplas in

het water, dat het eiland van het land scheidde, en dadelijk daarop

zag hij een eenzaam paard tusschen de struiken aankomen. 't Was een

oude knol, zóó mager en ellendig, als de jongen nog nooit gezien

had. Hij was als gebroken, had stijve pooten, en was zoo mager, dat

alle botten onder het vel te zien waren. Hij was zonder toom of zadel,

droeg een oud halster, waarvan een half verrot stuk touw afhing. 't

Was duidelijk, dat 't hem niet moeilijk was gevallen om los te komen.

't Paard liep regelrecht naar de plaats, waar de wilde ganzen stonden

te slapen; en de jongen werd bang, dat hij op hen zou trappen.

"Waar moet je heen? Kijk toch uit!" riep hij.

"Zoo, ben jij daar," zei het paard, en kwam op den jongen af. "Ik

heb bijna een uur geloopen om je te vinden."

"Heb je over mij hooren spreken?" vroeg de jongen verbaasd.

"Ik heb mijn ooren wel, al ben ik oud. Er wordt tegenwoordig veel

over je gesproken."

Hij had den kop onder het spreken neergebogen, om beter te kunnen zien,

en de jongen merkte op, dat hij een kleinen kop met mooie oogen en

een zachten fijnen neus had.

"Dat is zeker van huis uit een goed paard geweest, al is hij er nu,

op zijn ouden dag, akelig aan toe," dacht hij.

"Ik wou, dat je met me meê wou gaan en me helpen," zei het paard. De

jongen vond het moeilijk met iemand meê te gaan, die er zoo ellendig

uitzag, en verontschuldigde zich om het slechte weer.

"Je hebt het hier niet beter, dan wanneer je op mijn rug zit," zei

het paard. "Maar je durft misschien niet met zoo'n schooier van een

knol meê, als ik ben."

"O ja, dat durf ik wel," zei de jongen.

"Maak dan de ganzen wakker, zoodat we kunnen afspreken, waar ze je

morgen zullen komen halen," zei het paard.

Kort daarop zat de jongen op zijn rug. Het oude dier draafde weg,

beter, dan de jongen van hem verwacht had. Toch werd het een lange

tocht door den nacht en den storm, vóór ze stilhielden bij een groote

herberg. Daar zag het er vreeselijk ongezellig uit. In den weg waren

zulke diepe sporen ingereden, dat de jongen dacht, dat hij verdrinken

zou, als hij daarin viel. Aan het hek, dat rond om de plaats liep,

waren een dertig, veertig stuks paarden en rundvee gebonden,

zonder eenige beschutting voor den regen, en in 't midden van de

plaats stonden karren, met hooge hokken, waarin schapen en kalveren,

varkens en hoenders opgesloten zaten. 't Paard ging naar het hek, en

bleef daar staan. De jongen zat op zijn rug en met de scherpe oogen,

die hij had, zag hij duidelijk, hoe zwaar de dieren het hadden.

"Hoe komt het, dat jelui hier buiten in den regen staan?" vroeg hij.

"Wij zijn op weg naar de markt te Örebro, maar we moesten hier

binnengaan om den regen. Dit is een herberg, maar er zijn zooveel

reizigers gekomen, dat wij geen plaats in het huis kunnen krijgen."

De jongen antwoordde niet, maar zat stil rond te kijken. Er waren niet

veel dieren, die sliepen. Van alle kanten kwamen klachten en teekenen

van misnoegen. Ze hadden alle reden om te jammeren, want het weer was

nog erger geworden, dan op den dag. Er was een ijskoude wind op komen

zetten, en de regen, die nu scherp en door den wind voortgezweept

neerviel, was met sneeuw vermengd. 't Was niet moeilijk te begrijpen,

wat het paard wilde, dat de jongen voor hem doen zou.

"Zie je die prachtige hoeve wel, vlak over de herberg?" vroeg het

paard.

"Ja," zei de jongen, "die zie ik wel, en ik begrijp niet, dat ze niet

gevraagd hebben, jelui daar binnen te mogen brengen. Of is het daar

misschien ook al vol?"

"Neen, daar zijn geen gasten," zei het paard. "Zij, die daar wonen,

zijn zoo gierig en weinig behulpzaam, dat het niemand iets helpt,

als ze daar om huisvesting vragen."

"O! is het daar zoo gesteld? Dan moet jelui wel blijven, waar je bent."

"Maar ik ben juist daar geboren en opgevoed," zei het paard. "Ik weet,

dat daar een groote paardenstal is, en een groote veestal met veel

leege hokken en vakken, en ik dacht, dat je misschien zou kunnen maken,

dat we daar binnen kwamen."

"Ik geloof niet, dat ik dat durf," zei de jongen. Maar toen had hij

toch zoo'n medelijden met de dieren, dat hij het ten minste wilde

probeeren.

Hij liep de vreemde boerderij op, en zag dadelijk, dat alle

bijgebouwen gesloten waren, en alle sleutels er uit genomen. Hij

stond daar radeloos en hulpeloos, maar hij kreeg hulp van een kant,

van waar hij die niet verwacht had. 't Was een windvlaag, die kwam

aanzetten in woedende vaart, en de deur van een groote schuur vlak

voor hem opengooide.

De jongen liep natuurlijk gauw naar het paard terug.

"'t Is niet mogelijk in de stallen te komen," zei hij, "maar er is

een groote, leege hooischuur, die ze vergeten hebben te sluiten,

en daar kan ik jelui in brengen."

"Ja, graag," zei het paard. "'t Zal prettig zijn nog eens op de oude

plaats te mogen slapen. Dat is het eenige genoegen, dat ik nog van

't leven verwachten kan."

In die rijke boerenhoeve, die over de herberg lag, waren ze intusschen

dien avond veel langer opgebleven dan gewoonlijk.

De huisvader daar was een man van vijf en dertig jaar. Hij was lang,

en zag er waardig uit, met een mooi, maar heel somber gezicht. Hij

was dien dag in den regen uit geweest, en was nat geworden, als alle

andere menschen, en bij het avondeten had hij zijn oude moeder, die

nog huismoeder op de hoeve was, verzocht of zij vuur op den haard

wilde aanmaken, zoodat hij zijn kleeren kon drogen. De moeder had

daarop een klein, flauw vuurtje aangemaakt, want daar in huis waren

ze niet gewend royaal met brandhout om te gaan, en de boer had zijn

jas over een stoel voor het vuur gehangen. Toen had hij zijn voet op

den haardsteen gezet, en den arm op de knie geleund, en zoo was hij in

't vuur blijven staan kijken. Hij had zoo een paar uur gestaan, zonder

een beweging te maken, dan alleen om nu en dan een stuk brandhout op

den haard te gooien. De moeder had het avondeten afgenomen, en zijn

bed opgemaakt, en toen was zij in de kleine kamer gaan zitten. Nu en

dan kwam zij aan de deur staan, en keek verwonderd naar haar zoon,

die daar bij 't vuur stond, en niet naar bed ging.

"'t Is niets, Moeder. Ik denk maar aan vroeger," zei hij.

De zaak was, dat, toen hij daar juist voorbij de herberg kwam, een

paardenkooper naar hem toe gekomen was, en hem had gevraagd, of hij

een paard wilde koopen. Hij had hem toen een oud beest laten zien,

dat er zoo ongelukkig uitzag, dat hij den man vroeg, of hij dwaas was,

dat hij hem zulk uitschot wilde verkoopen.

"Och neen, maar ik dacht, dat je, omdat je het paard vroeger gehad

hebt, het misschien een rustigen, ouden dag zoudt willen bezorgen,

want dien heeft het wel noodig," had de paardenkooper geantwoord.

Toen had hij 't paard bekeken en het herkend. 't Was een dier,

dat hij zelf opgefokt en gedresseerd had. Maar het kwam hem niet

in den zin zoo'n oud en onbruikbaar beest daarom te koopen. Neen,

zeker niet! Hij was niet zoo dwaas zijn geld weg te gooien. Maar in

ieder geval had het zien van dat paard allerlei herinneringen bij

hem wakker geroepen, en die herinneringen hielden hem zóó wakker,

dat hij niet naar bed kon gaan.

Ja, dat paard was een flink, mooi dier geweest. Vader had het hem

heelemaal laten oppassen. Hij had hem 't eerst gereden, en hij hield

meer van dat paard, dan van eenig ander. Vader had er over geklaagd,

dat hij het te veel voer gaf, en dikwijls had hij het in stilte

haver gegeven.

Hij had nooit te voet naar de kerk willen gaan, toen hij dat paard

had; hij had altijd gereden. 't Was alleen om met dat jonge paard te

pronken. Zelf kwam hij in kleeren, die thuis geweven en genaaid waren,

en de wagen was eenvoudig en ongeschilderd, maar het paard was het

mooiste, dat op 't kerkplein kwam.

Eens had hij het gewaagd er met Vader over te spreken, of hij geen

lakensche kleeren koopen zou en den wagen schilderen. Vader had

verstomd gestaan. De zoon had gedacht, dat de oude man een beroerte

zou krijgen. Hij had toen geprobeerd Vader aan 't verstand te brengen,

dat hij, als hij zoo'n mooi paard voor den wagen had, er zelf toch

ook een beetje knap uit moest zien.

Vader had niets geantwoord. Maar een paar dagen later was hij met

het paard naar Örebro gegaan, en had het verkocht.

Dat was hard! Maar 't was duidelijk, dat Vader bang was geweest,

dat dit paard hem tot overdaad en verkwisting zou verleiden, en nu,

zoolang daarna, moest hij erkennen, dat Vader gelijk had gehad. Zoo'n

paard zou hem tot een verzoeking hebben kunnen worden. Maar in 't

begin was hij vreeselijk bedroefd geweest. Hij was nu en dan naar

Örebro gegaan, alleen om op den hoek van een straat te kunnen staan,

en 't paard voorbij te zien rijden, of om bij hem in den stal te

sluipen met een klontje suiker.

"Als Vader sterft, en ik de hoeve krijg," had hij gedacht, "koop ik

allereerst mijn paard weer terug."

Nu was Vader dood, en hij zelf had nu de hoeve al een paar jaar, maar

hij had nog geen poging gedaan om het paard terug te koopen. Hij had

in lang niet aan het dier gedacht, voor nu, vanavond.

't Was vreemd, dat hij het zoo heelemaal had kunnen vergeten. Maar

Vader was een man, die gebiedend optrad, met een heel sterken wil,

en toen de zoon volwassen was, en die twee veel samen werkten, had

Vader grooten invloed op hem gekregen. En het had hem toegeschenen,

dat Vader gelijk had in alles, wat hij deed. En sinds hij zelf de

hoeve had gekregen, had hij maar geprobeerd in alles zóó te handelen,

als Vader zou gedaan hebben.

Hij wist wel, dat de menschen zeiden, dat Vader gierig was, maar

het was toch wel goed zijn beurs wat toe te houden, en geen geld

onnoodig weg te gooien. Het goed, wat men gekregen had, moest men

niet door nalatigheid verwaarloozen. 't Was beter gierig te heeten,

en op een schuldvrije hoeve te zitten, dan onder groote leeningen

gebukt te gaan, zooals de andere grondeigenaars.

Zóóver was hij in zijn gedachten gekomen, toen hij opschrikte, omdat

hij iets vreemds hoorde. 't Was alsof een schelle, spottende stem

precies herhaalde wat hij dacht:

"'t Is 't beste je beurs stijf toe te houden. 't Is beter gierig te

heeten, en op een schuldvrije hoeve te zitten, dan onder leeningen

gebukt te gaan, als de andere grondeigenaars."

't Klonk, alsof iemand den draak stak met zijn wijsheid, en hij was

op 't punt boos te worden, tot hij merkte, dat alles een vergissing

was. 't Was begonnen te waaien, en hij had hier gestaan, tot hij zoo

slaperig was, dat hij het huilen van den wind in den schoorsteen voor

werkelijk spreken gehouden had.

Hij keek naar de klok aan den muur. Die sloeg juist elf zware

slagen. 't Was vreeselijk, zoo laat als het was geworden.

"'t Wordt tijd, dat je naar bed gaat," dacht hij. Maar toen herinnerde

hij zich, dat hij nog niet de hoeve was rondgegaan, zooals hij iederen

avond placht te doen, om na te zien, of alle deuren en luiken dicht

waren, en alle lichten uit.

Dat had hij nog nooit verzuimd, sinds hij de heer des huizes daar

was geworden. Hij sloeg zijn jas om zich heen, en ging naar buiten

in den storm.

Hij vond alles in orde, behalve dat de deur van de leege schuur door

den wind was opengevlogen. Hij ging naar binnen om den sleutel te

halen, sloot de schuur, en stopte den sleutel in den zak van zijn

jas. Toen ging hij terug naar de groote kamer, deed de jas uit,

en hing die voor het vuur. Maar hij ging ook nu niet naar bed, maar

begon in de kamer heen en weer te loopen. 't Was vreeslijk weer buiten,

met dien snerpend kouden wind en den met sneeuw vermengden regen. En

zijn oud paard stond daar in den storm, zonder ook maar een dekje

als beschutting over zich heen. Hij had toch zijn ouden vriend wel

een dak boven zijn hoofd kunnen geven, nu hij eenmaal weer daar in

de buurt gekomen was.

Midden op de plaats van de herberg hoorde de jongen een oude rammelende

klok aan den wand elf uur slaan. Juist toen was hij bezig het vee

los te maken, om het naar de schuur op de boerderij te brengen.

Het nam heel wat tijd om hen wakker en gerangschikt te krijgen;

maar eindelijk waren zij klaar, en trokken op naar de boerderij met

de gierige bewoners, in een lange rij, met den jongen vooraan als gids.

Maar terwijl de jongen dat alles in orde bracht, was de boer de plaats

rondgegaan, en had de hooischuur gesloten, zoodat de deur dicht was,

toen de dieren er aankwamen. De jongen bleef verbluft staan. Neen,

hij kon het vee daar niet laten staan. Hij moest het huis in, en den

sleutel zien te bemachtigen.

"Houd je nu rustig hier, terwijl ik naar binnen ga, om den sleutel

te halen," zei hij tegen het oude paard, en meteen liep hij weg.

Midden op de plaats bleef hij staan, om te overleggen, hoe hij in huis

zou komen. Terwijl hij daar stond, zag hij een paar kleine zwervers

over den weg loopen, en stilhouden voor de herberg.

De jongen zag dadelijk, dat het een paar kleine meisjes waren, en hij

liep gauw naar hen toe, omdat hij meende, dat hij misschien van haar

hulp zou kunnen krijgen.

"Zie zoo Brita Maja," zei de eene, "nu moet je niet meer schreien! Nu

zijn we bij de herberg. Hier mogen we wel binnenkomen."

Nauwlijks had het meisje dit gezegd, of de jongen riep haar toe:

"Neen, jelui moet niet probeeren in de herberg te komen. Dat is

heelemaal onmogelijk. Maar in die boerderij daar hebben ze geen

gasten. Daar moet jelui heengaan."

De meisjes hoorden de woorden duidelijk, maar ze konden niet zien,

wie ze zeide. Maar daar waren ze niet verbaasd over, want het was

immers stikdonkere nacht. De oudste van hen antwoordde dadelijk:

"We willen niet naar die hoeve gaan, want de menschen die daar wonen,

zijn boos en gierig. Het is hun schuld, dat wij beiden hier op den

weg moeten loopen bedelen."

"Dat kan wel wezen," zei de jongen, "maar jelui moet daar in ieder

geval heengaan. Jelui zult zien, dat het goed gaat."

"Ja, we kunnen het wel probeeren, maar we worden niet eens

binnengelaten," zeiden de twee kleine meisjes, liepen op het huis toe,

en klopten aan.

Weer stond de boer voor het vuur, en dacht aan het paard, toen hij

hoorde, dat iemand aanklopte. Hij ging naar buiten om te zien, wat het

was, en hij dacht er juist over, dat hij zich niet zou laten overhalen

om een of ander zwerver op te nemen. Maar op het oogenblik, dat hij het

slot open deed, was er een windvlaag bij de hand, die hem een poets

speelde. Die rukte hem de deur uit de hand, en sloeg die tegen den

muur. Hij moest er uit op de stoep, om de deur weer dicht te trekken,

en toen hij in de kamer terug kwam, stonden de meisjes al daarbinnen.

't Waren een paar arme bedelaarstertjes, havelooze, hongerige,

vuile kinders, een paar meisjes, die onder zakken gebukt liepen,

even groot als zijzelf.

"Wat zijn jelui voor kinders, die zóó laat in den nacht nog buiten

rondzwerft?" vroeg de boer onvriendelijk.

De kinderen antwoordden niet, maar zetten eerst haar zakken

neer. Toen kwamen ze op hem toe, en staken de handjes uit om hem te

begroeten. "Wij zijn Anna en Brita Maja van Engärde!" zei de oudste,

"en we wilden om nachtverblijf vragen."

Hij nam de uitgestoken handjes niet aan, en was juist van plan die

bedelkinderen weg te sturen, toen een nieuwe herinnering in hem

opkwam. Engärde,--was dat niet het hutje, waar een arme weduwe met

haar vijf kinderen gewoond had? Maar de weduwe was zijn vader een

paar honderd kronen schuldig geweest, en om zijn geld te krijgen,

had hij haar hutje laten verkoopen. Toen was de weduwe naar Norrland

gegaan met de oudste kinderen, om werk te zoeken, en de twee jongste

waren ten laste van de gemeente gekomen.

Hij werd bitter gestemd, toen hij daaraan dacht. Hij wist, dat men

het sterk had afgekeurd, dat zijn vader dat geld had opgeëischt,

dat toch zijn rechtmatig eigendom was.

"Wat voeren jelui tegenwoordig uit?" vroeg hij de kinderen op strengen

toon. "Heeft de diaconie niets voor jelui gedaan? Waarom loop jelui

nu te bedelen?"

"Dat kunnen wij niet helpen," zei het oudste meisje. "De menschen,

waar wij bij inwonen, sturen ons uit om te bedelen."

"Nu, jelui hebt de zakken vol," zei de boer, "je hebt dus niet te

klagen. Nu is 't maar 't beste, dat je er uit neemt, wat je bij je

hebt, en je genoegen eet, want hier kun je geen eten krijgen. De

vrouwen zijn al naar bed. Dan kun je in den hoek bij den haard gaan

liggen, dan hebben jelui 't ten minste niet koud."

Hij maakte een beweging met de hand, alsof hij ze afwijzen wilde,

en in zijn oogen kwam een uitdrukking, die bijna hard was. Hij moest

immers blij zijn, dat hij een vader had gehad, die op zijn zaken

paste. Anders had hij zelf misschien als kind moeten rondloopen met

den bedelzak op den nek, zooals nu deze twee.

Nauwelijks had hij dat gedacht, of die schelle, spokende stem, die hij

dien avond nog eens gehoord had, herhaalde het woord voor woord. Hij

luisterde en begreep dadelijk, dat het niets was, enkel de wind in

den schoorsteen.

Maar dat was het wonderlijke:--als de wind zoo zijn gedachten

herhaalde, kwamen ze hem zoo dom en hard en valsch voor.

De kinderen waren intusschen naast elkander op den harden vloer gaan

liggen. Ze waren niet stil, maar lagen te mompelen.

"Wil jelui wel eens stil wezen!" zei hij. Hij was zoo prikkelbaar,

dat hij ze wel had willen slaan.

Maar dat gemompel bleef toch voortduren, en hij riep nog eens, dat

ze moesten zwijgen.

"Toen Moeder van ons wegging," antwoordde daarop een helder stemmetje,

"heeft ze me laten beloven, dat ik elken avond mijn avondgebed zou

opzeggen. En dat moet ik doen en Brita Maja ook. Zoodra we hebben

opgezegd van: "Onzen lieve Heer, die de kinderen liefhebt" zullen we

stil zijn."

De boer zat stil te luisteren, hoe de kleintjes hun gebedje

opzeiden. Toen begon hij met groote stappen heen en weer te

loopen,--heen en weer,--en hij wrong de handen, alsof hij in grooten

angst was.

Het paard weggejaagd en bedorven, en hier die twee kinders tot

zwervende bedelaars gemaakt! En dat allebei was 't werk van zijn

vader! Misschien had zijn vader toch niet altijd gelijk bij alles,

wat hij deed.

Hij ging op een stoel zitten, en steunde het hoofd in de handen. Op

eens begon zijn gezicht te trillen en te beven, en hij kreeg tranen

in de oogen, die hij haastig wegveegde. Er kwamen nieuwe tranen, die

hij even snel wegveegde, maar het hielp niet. Er kwamen telkens meer.

Nu deed zijn moeder de deur van de kleine kamer open, en hij draaide

gauw zijn stoel zóó, dat hij haar den rug toekeerde. Maar zij moest

toch iets ongewoons hebben gemerkt, want ze stond een heele poos achter

hem, alsof ze verwachtte, dat hij iets tegen haar zou zeggen. Toen

dacht ze er aan, hoe moeielijk het altijd een man valt, om te spreken

van wat hem het diepst ter harte gaat. Ze zou hem wel moeten helpen.

Ze had van uit de kleine kamer alles gezien, wat er in de groote

gebeurde, zoodat ze niets behoefde te vragen. Ze liep maar heel stil

naar de twee slapende kinderen, nam ze op, en droeg ze naar haar

eigen bed in de kleine kamer. Toen ging ze weer naar haar zoon. "Zeg

eens, Lars," zei ze, en deed, alsof ze niet zag, dat hij schreide,

"je moet mij die twee kinderen laten."

"Wat, Moeder?" zei hij, en probeerde zijn tranen meester te worden.

"Ik heb al jaren lang medelijden met hen gehad, al van den tijd af,

dat Vader hun het hutje afgenomen heeft. En dat heb jij ook."

"Ja, maar..."

"Ik wil ze hier houden en flinke menschen van hen maken. Ze zijn te

goed om te loopen bedelen."

Hij kon niet antwoorden, want de tranen kwamen met onweerstaanbare

kracht. Maar hij nam de gerimpelde hand van zijn moeder, en streelde

die.

Maar toen richtte hij zich snel op, alsof hij schrikte.

"Wat zou Vader hiervan zeggen?"

"Vader heeft zijn tijd gehad, waarin hij bestuurde. Nu is jouw

tijd gekomen," zei de moeder. "Zoolang Vader leefde, moesten we hem

gehoorzamen. Nu moet jij je toonen, zooals je bent."

De zoon was zóó verwonderd over die woorden, dat hij ophield met

schreien.

"Ik toon me toch, zooals ik ben," zei hij.

"Neen," antwoordde zijn moeder. "Dat doe je niet. Je probeert aldoor

op Vader te lijken. Vader heeft slechte tijden beleefd, en dat heeft

hem bang gemaakt om arm te worden. Hij meende, dat hij wel gedwongen

was allereerst om zichzelf te denken. Maar jij hebt nooit iets zwaars

doorgemaakt, dat je hard heeft kunnen maken. Je hebt meer dan je noodig

hebt, en 't zou heel onnatuurlijk zijn, als je niet aan anderen dacht."

Toen de kleine meisjes in huis gekomen waren, was de jongen ze

nageslopen, en al dien tijd had hij zich in een donker hoekje

verborgen. Het had niet lang geduurd, voor hij den schuursleutel in

't oog kreeg, die uit den jaszak stak. "Als nu de boer de kinderen

de deur uit zet, pak ik den sleutel, en loop er meê weg," dacht hij.

Maar toen werden de kinderen niet weggejaagd, en de jongen zat nog

in den hoek, en begreep niet, wat hij beginnen moest.

De moeder sprak lang met haar zoon, en terwijl zij sprak, hield hij

op met schreien, en eindelijk zat hij met zoo'n goede uitdrukking op

zijn gezicht, en zag er uit als een ander mensch. En aldoor streelde

hij die oude gerimpelde hand.

"Ja, nu moeten we toch naar bed," zei de oude vrouw, toen ze zag,

dat hij weer kalm was.

"Neen," zei hij, en stond snel op. "Ik kan nog niet naar bed gaan. Er

is nog een gast, dien ik nu van nacht ontvangen mag."

Hij zei niets meer, maar hij trok haastig zijn jas aan, stak een

lantaarn aan, en ging naar buiten. Buiten woei dezelfde felle wind,

en 't was er even koud, maar toen hij op de stoep kwam, begon hij te

neuriën. Hij vroeg zich af, of het paard hem nog kennen zou, en of

het blij wezen zou, als het weer in zijn ouden stal terugkwam.

Toen hij over de plaats liep, hoorde hij een deur slaan in den wind.

"Dat is de schuurdeur, die weer is opengewaaid," dacht hij, en ging

er heen om die te sluiten.

Een oogenblik later stond hij bij de schuur, en wilde juist de deur

sluiten, toen hij daarbinnen iets hoorde ritselen.

Dat kwam, omdat de jongen gezorgd had gelijk met hem naar buiten

te komen, en hij was dadelijk naar de schuur geloopen, waar hij het

vee had verlaten. Maar ze stonden niet meer buiten in den regen. Een

sterke windvlaag had al lang geleden de schuurdeur opengestooten, en

hen onder dak gebracht, maar 't was het geluid, dat de jongen maakte,

toen hij in de schuur sprong, wat de boer hoorde. Nu lichtte hij met de

lantaarn in de schuur, en zag toen, dat over den heelen vloer slapend

vee lag. Geen mensch was te zien. De dieren waren niet vastgebonden,

maar lagen hier en daar in het stroo. Hij werd boos op die indringers,

en begon te roepen en te schreeuwen om de slapende dieren te wekken,

en ze naar buiten te jagen. Maar zij bleven stil liggen, alsof ze

niet van plan waren zich te laten storen. De eenige, die opstond,

was een oud paard, dat heel langzaam op hem toekwam.

Op eens werd de boer stil. Hij herkende het paard al aan zijn manier

van loopen. Hij hief de lantaarn op, om het te kunnen zien, en het

dier kwam dicht bij hem, en legde den kop op zijn schouder.

En de boer begon hem te streelen. "Mijn best paard," zei

hij. "Mijn best paard! Wat hebben ze je gedaan? Ja, beste, ik zal

je terugkoopen. Je hoeft nooit meer van de plaats weg. Je zult het

goed hebben, jongen. Die anderen, die je hebt meêgebracht, mogen

hier blijven, maar jij moet met me meê naar den stal. Nu kan ik je

zooveel haver geven, als je eten kunt, zonder dat ik dat in stilte

hoef te doen. Je bent ook nog niet heelemaal op. Je zult nog eens het

mooiste paard op het Kerkplein worden, dat zul je! Mijn best beest."

Niels Holgersson's Wonderbare Reis · 第 82 / 140 题