In Närke was er vroeger iets, zooals ze nergens anders hadden, en
dat was een heks, die Ysätters-Kajsa heette.
Den naam Kajsa had ze gekregen, omdat ze veel met storm en wind
te maken had, en omdat zulke windheksen altijd zoo genoemd worden,
en den bijnaam, omdat ze van de Ysätterpoel in Asker gekomen was.
Men meent wel, dat ze eigenlijk haar thuis in Asker had, maar ze
vertoonde zich gewoonlijk ook op andere plaatsen. Nergens in heel
Närke kon men zeker wezen haar niet tegen te komen.
Ze was geen akelige, sombere heks, maar vroolijk en uitgelaten, en
waar ze 't allermeest van hield, was een flinke storm. Zoodra het
maar hard genoeg waaide, trok ze uit om te dansen op de Närke-vlakte.
Närke bestaat eigenlijk alleen uit een vlakte, door met bosch begroeide
bergen omgeven. Alleen in den noordoostelijken hoek, waar de Hjälmar
uit het landschap komt, is er een gat in de lange bergenheining.
Als nu op een morgen de wind kracht heeft opgedaan op de Oostzee, en 't
land invliegt, gaat hij zonder tegenstand tusschen de stormlandsheuvels
door, en komt zonder veel moeite in Närke door de Hjälmaropening. Dan
rent hij voort over de vlakte, maar vlak in 't westen bonst hij tegen
den hoogen wand van den Kilsberg aan, en wordt teruggeworpen. Dan
kronkelt de wind als een slang om, en schuift naar het zuiden. Maar
daar staat weer een andere berg, en geeft hem een stoot, zoodat
hij naar 't oosten vliegt. En daar is er weer een, die hem naar
't noorden stuurt. En zoo gaat het voort. De wind vliegt rond in al
kleiner en kleiner kringen, en blijft eindelijk midden op de vlakte
staan ronddraaien als een tol. Maar op zulke dagen, als de wervelwinden
over de vlakte vlogen, had Ysätters-Kajsa pleizier. Dan stond ze midden
in den wervelwind rond te tollen. Haar lange haren vlogen in 't rond
op de wolken van den hemel, haar sleep zwierde over den grond als een
stofwolk, en de heele vlakte lag onder haar als één groote dansvloer.
's Morgens zat Ysätters-Kajsa gewoonlijk boven in een of anderen hoogen
spar, op den top van een rotsige berghelling, uit te kijken over de
vlakte. Als het dan winter was, en de wegen begaanbaar waren, en ze
zag veel wagens rijden, dan ging ze gauw een sneeuwstorm aanblazen, en
torende de sneeuwhoopen zóó hoog op, dat de menschen maar met moeite
's avonds konden thuiskomen. Als het zomer was en goed oogstweer,
zat Ysätters-Kajsa stil, tot de eerste hooiwagens opgeladen waren,
en dan kwam ze aanvliegen met een paar stortbuien, die voor dien dag
een eind aan het werk maakten.
't Was vast en zeker, dat ze maar zelden aan iets anders dacht,
dan aan kattekwaad doen. De kolenbranders boven op de Kilsbergen
durfden nauwlijks een dutje te doen, want, zoodra ze een onbewaakte
kolenmijn zag, sloop ze er heen, en blies die aan, zoodat ze met hooge
vlammen ging branden. En als de ertsrijders van de Laxå en de Svartå
's avonds laat uit waren, hulde Ysätters-Kajsa de wegen en sporen in
zulk een dichten mist, dat de menschen en paarden in de war kwamen,
en de zware sleden in poelen en moerassen reden.
Als de vrouw van den proost in Glanshammar op een zomerschen zondag de
koffietafel in den tuin had gedekt, en er kwam een windvlaag, die het
tafelkleed optilde, en koppen en schalen omgooide, dan wist men wel,
wie er weer aan 't grappen maken was. Als de hoed den burgemeester in
Örebro van 't hoofd geblazen werd, zoodat hij hem over de heele markt
moest naloopen, als de menschen van Vinön met hun groenteschuiten
in den Hjälmar op den grond liepen, als het te drogen gehangen
waschgoed wegvloog, of onder de stof kwam, als de rook 's avonds de
kamer insloeg, en de schoorsteen maar niet uit kon komen, dan was
't niet moeilijk te raden, wie daar buiten aan 't pret maken was.
Maar hoewel Ysätters-Kajsa veel hield van allerlei ergerlijke
plagerijen, was er toch eigenlijk niets slechts in haar. Men kon wel
merken, dat ze 't meeste kwaad deed bij menschen, die kibbelachtig en
gierig en boosaardig waren; maar betrouwbare menschen en kleine, arme
kinderen nam ze dikwijls in bescherming. En oude menschen vertellen,
dat eens, toen de kerk van Asker in brand stond, Ysätters-Kajsa kwam
aanvliegen, door rook en vuur heen op het dak van de kerk neerstreek,
en 't gevaar afweerde.
In ieder geval waren de bewoners van Närke Ysätters-Kajsa dikwijls
hartelijk moe. Maar zij werd nooit moe, hen met allerlei lawaai te
plagen. Als ze op den kant van een wolk zat, en op Närke neerkeek, dat
vriendelijk en welvarend tevreden daar lag, met prachtige boerenhoeven
op de vlakte, en rijke mijnen en fabrieken tegen de bergen op, met de
langzaam stroomende Svartå en de ondiepe vischrijke meren in de vlakte,
met de goede stad Örebro, die zich uitstrekte om het ernstige, oude
kasteel met den statigen hoektoren, dan moet ze zeker gedacht hebben:
"Hier zouden de menschen het veel te goed hebben, als ik er niet
was. Ze zouden maar slaperig en vervelend worden. Hier moet iemand
zijn als ik, die ze wakker schudt, en ze in hun humeur houdt."
En dan lachte ze luid en spottend, als een ekster, en stormde weg,
dansend en rondzwaaiend van den eenen hoek van de vlakte naar den
anderen. En als de bewoners van Närke zagen, hoe ze haar stofsleep
over de vlakte liet gaan, konden ze niet laten te lachen. Want
lastig en vervelend was ze, maar ze had een goed humeur. 't Was even
verfrisschend voor de boeren met Ysätters-Kajsa te doen te hebben,
als voor 't veld door den stormwind te worden gezweept.
Tegenwoordig beweert men, dat Ysätters-Kajsa dood en weg is, zij, even
goed als alle andere heksen. Maar dat is bijna niet te gelooven. Dat
klinkt, alsof iemand ons kwam vertellen, dat de lucht van nu af aan
stil zal staan boven de vlakte, en de wind er nooit meer over heen
zal dansen met ruischen en bruisen, en frissche lucht en stortregens.
Zij, die meenen, dat Ysätters-Kajsa dood en weg is, moeten toch maar
hooren, hoe het in Närke ging in het jaar, toen Niels Holgersson over
het landschap vloog, dan kunnen zij zelf zien, wat zij gelooven moeten.