DE LEVENDE STAD.

Den tweeden Paaschdag, tegen den namiddag, waren de wilde ganzen en

Duimelot weer op reis. Ze vlogen voort over Gothland.

Het groote eiland lag vlak en effen onder hen. 't Veld was geruit,

precies als in Skaane, en er waren veel kerken en hoeven. Maar

er was dit verschil, dat hier meer weiden met boomen tusschen de

velden lagen, en dan waren de hoeven niet in een kring gebouwd. En

groote landgoederen met oude kasteelen, met torens voorzien en met

uitgestrekte parken, waren er in het geheel niet.

De wilde ganzen hadden den weg over Gothland genomen ter wille van

Duimelot. Hij was nu al twee dagen lang zichzelf niet geweest, en had

geen vroolijk woordje gezegd. Dat kwam, omdat hij alleen aan die stad

dacht, die zich op zoo'n wonderbare manier aan hem had vertoond. Hij

had nog nooit iets zóó moois en prachtigs gezien, en hij kon er maar

geen vrede meê hebben, dat hij haar niet had kunnen redden. Hij was

anders zoo zachtmoedig niet, maar nu treurde hij echt over de mooie

gebouwen en statige menschen.

Akka en de ganzerik hadden geprobeerd Duimelot te overtuigen, dat hij

een droom of een visioen had gehad, maar de jongen wilde daar niet

van hooren. Hij was er zoo zeker van, dat hij werkelijk gezien had,

wat hij had gezien, dat niemand hem die overtuiging kon ontnemen. Hij

liep zóó bedroefd rond, dat zijn reisgenooten ongerust over hem werden.

Juist toen de jongen 't ergste gedrukt scheen, was de oude Kaksi bij

den troep teruggekeerd. Ze was van den kant van Gothland teruggekomen,

en had over het geheele eiland moeten reizen, eer ze van een paar

kraaien had gehoord, dat haar reiskameraden op Klein Karelseiland

waren. Toen Kaksi hoorde, wat Duimelot scheelde, zei ze op eens:

"Als Duimelot treurt over een stad, zullen we hem wel gauw

troosten. Kom maar meê, dan zal ik jelui naar een plaats brengen,

die ik gisteren zag. Hij hoeft niet lang bedroefd te wezen."

Toen hadden de ganzen afscheid van de schapen genomen, en nu waren ze

op weg naar de plaats, die Kaksi Duimelot wou laten zien. Hoe bedroefd

hij ook was, hij kon niet laten als gewoonlijk naar 't land beneden

zich te kijken, waar hij heen vloog.

Hij vond, dat het er uitzag, alsof het heele eiland van den beginne

af aan zulk een hooge steile klip geweest was als Karelseiland, maar

veel grooter natuurlijk. Maar later was het op een of andere manier

afgeplat. Iemand had een groote rol genomen, en die er over gerold,

alsof het een stuk deeg was. Niet dat het heelemaal vlak en gelijk

geworden was als brooddeeg--dat was het niet. Toen ze langs de kust

vlogen, had hij op verscheiden plaatsen hooge, witte kalkmuren gezien,

vol grotten en met groen begroeid, maar op de meeste plaatsen waren

zij met den weg gelijk gemaakt, en het strand liep vlak en eentonig

uit in zee.

Op Gothland hadden ze een mooien, vredigen, feestelijken middag. 't Was

zacht lenteweer, de boomen stonden vol in knop, de lentebloemen tooiden

den grond onder de loofboomen, de lange, dunne hangers der populieren

wiegden in den wind, en in de kleine tuintjes, die bij ieder huis

lagen, stonden de kruisbessenstruiken heelemaal groen. De warmte en de

lente hadden de menschen naar buiten gelokt op wegen en langs hagen,

en waar ook maar een paar van hen bijeen waren, begonnen zij te spelen.

't Waren niet alleen de kinderen, die speelden, maar ook de

volwassenen. Ze wierpen naar een doel met steenen, en gouden ballen

vlogen in de lucht met zulk een vaart, dat zij de wilde ganzen bijna

bereikten. 't Was vroolijk en aardig groote menschen te zien spelen, en

de jongen zou er wel pleizier in gehad hebben, als hij zijn wrevel maar

had kunnen overwinnen, omdat hij de oude stad niet had kunnen redden.

Hij moest toch erkennen, dat dit een mooie tocht was. Er was zooveel

gezang en geluid in de lucht. Kleine kinderen speelden een spelletje,

waarbij ze in een kring stonden, en zongen er bij. En het Leger

des Heils ging er ook op uit. Hij zag een heele schaar menschen,

in zwart en rood gekleed, op een heuvel zitten, en op guitaren en

andere koperen instrumenten spelen. Langs een weg kwamen een groote

menigte menschen. Dat waren Good Templars, die ook op reis gingen. Hij

herkende ze aan de groote vanen met goud opschrift, die over hen heen

wapperden. En ze zongen het eene lied na het andere, zoo lang hij ze

kon hooren.

De jongen kon later nooit meer Gothland hooren noemen, zonder te

denken aan spel en zang.

Lang had hij naar beneden zitten kijken, maar nu hief hij toevallig de

oogen op. Niemand kan zijn verbazing beschrijven. Zonder dat hij het

gemerkt had, waren de ganzen aan de westkust gekomen. Nu lag de wijde

blauwe zee voor hem. Toch was het niet de zee, die zoo merkwaardig was,

maar een stad, die aan 't strand lag.

De jongen kwam van het oosten, en de zon was aan het dalen in het

westen. Toen hij de stad naderde, stonden haar muren en torens en hooge

gevelhuizen en kerken heel zwart tegen den lichten avondhemel. Hij

kon daarom niet zien, hoe ze er werkelijk uitzagen. En een oogenblik

geloofde hij, dat hier een even prachtige stad lag, als die hij in

den Paaschnacht had gezien.

Toen hij dicht bij de stad kwam, zag hij, dat zij leek op die andere

uit de zee, en er toch ook niet op leek. 't Was 't zelfde verschil,

alsof men den eenen dag een man zag gekleed in purper en met rijke

versierselen, en den anderen dag ontkleed en in lompen.

Ja, deze stad was zeker eens juist geweest als die andere, waar hij

aan zat te denken. Deze was ook omgeven door een stadsmuur met torens

en poorten. Maar de torens in de stad, die aan land gebleven was,

waren zonder spits, vervallen en leeg. De poorten waren zonder deuren,

de wachters en krijgsknechten waren verdwenen. Al de schitterende

pracht was weg. Alleen de naakte, grauwe steenen waren nog over.

Toen de jongen verder boven de stad kwam, zag hij, dat zij voor

't grootste gedeelte met kleine, lage huizen bebouwd was, maar hier

en daar waren nog een paar hooge gevelhuizen en een paar kerken uit

den ouden tijd over. De wanden van de gevelhuizen waren niet gekalkt,

en geheel zonder versierselen, maar omdat de jongen zoo kort geleden

de verzonken stad had gezien, meende hij wel te begrijpen, hoe ze

versierd geweest waren: sommige met beelden en andere met wit en zwart

marmer. En zoo was het ook met de oude kerken. De meesten waren zonder

spits en naakt van binnen. De vensteropeningen stonden leeg, de vloeren

waren met gras begroeid, en langs de wanden groeide de klimop naar

boven. Maar nu wist hij, hoe zij er eens hadden uitgezien, dat ze

met beeldhouwwerk en schilderijen waren bedekt geweest, dat op het

koor versierde altaren en gouden kruizen hadden gestaan, en dat daar

priesters hadden dienst gedaan, in goudbrokaat gekleed.

De jongen zag ook de smalle straten, die leeg waren op dezen

feestdag. Hij wist nu welk een stroom statige menschen er zich eens

hadden bewogen. Hij wist, dat ze als groote werkplaatsen waren geweest,

vol van allerlei werk.

Maar wat Niels Holgersson niet zag, was, dat de stad nog op dat

oogenblik mooi èn merkwaardig was. Hij zag de gezellige hutjes niet in

de achterstraten, met de zwarte wanden, noch het witte vogelkruid en

de roode geraniums achter de heldere vensterruitjes, of de vele mooie

tuinen en lanen, of de schoonheid der ruïnen vol groene ranken. Zijn

oogen waren zóó vol van de heerlijkheid van het verleden, dat hij

niets goeds in het tegenwoordige kon zien.

De wilde ganzen vlogen een paar keer heen en weer, opdat Duimelot

alles goed zou kunnen zien. Eindelijk sloegen ze neer op den met gras

begroeiden vloer, in de ruïne van een kerk, om daar den nacht door

te brengen.

Toen ze zich al hadden klaar gemaakt om te slapen, was Duimelot nog

wakker, en keek door de gebarsten gewelven op naar den bleekrooden

avondhemel. Toen hij zoo een poos gezeten had, dacht hij, dat hij

er niet meer over wilde treuren, dat hij de verzonken stad niet had

kunnen redden.

Neen, dat wilde hij niet meer, nu hij deze gezien had. Als die stad

uit de zee daar niet weer was neergezonken, zou ze misschien over

eenigen tijd even vervallen zijn, als deze hier. Dan was 't maar beter,

dat ze daar in al haar heerlijkheid in het verborgen bleef bestaan.

"'t Was 't beste, dat 't ging zooals het ging," dacht hij. "Al had

ik de macht de stad te redden,--ik geloof niet, dat ik het doen zou."

Daarna treurde hij niet meer over het gebeurde.

En er zijn wel velen onder de jongeren, die zoo denken. Maar als de

menschen oud worden, en zich hebben gewend om met weinig tevreden te

zijn--dan genieten ze meer van het Visby, dat bestaat, dan van een

prachtig Vineta op den bodem der zee.

Niels Holgersson's Wonderbare Reis · 第 49 / 140 题