DE STAD OP DEN BODEM DER ZEE.

Het werd een heldere, rustige nacht. De wilde ganzen hadden geen lust

beschutting in een of andere grot te zoeken, maar stonden boven op

den berg te slapen, en de jongen was in het korte, droge gras bij de

ganzen gaan liggen.

't Was dien nacht heldere maneschijn, zóó sterk, dat de jongen haast

niet slapen kon. Hij lag er over te denken, hoe lang hij al van huis

was geweest, en hij rekende uit, dat het drie weken geleden was, sinds

hij de reis was begonnen. En tegelijk kwam het hem in de gedachten,

dat het de avond vóór Paschen was.

"Van nacht komen alle heksen thuis van de blauwe rots," dacht hij,

en lachte in zichzelf. Want hij was een beetje bang voor dwergen en

kabouters, maar aan heksen geloofde hij heelemaal niet.

Als er dien avond een of ander hekserij gaande was, zou hij het toch

wel gezien hebben. 't Was zóó helder licht tot hoog aan den hemel,

dat ook maar 't kleinste zwarte puntje zich niet in de lucht zou

hebben kunnen bewegen, zonder dat hij het merkte.

Terwijl hij zoo lag met den neus in de lucht, en daarover dacht, kreeg

hij iets moois in het oog. De maanschijf stond vol en rond, vrij hoog

aan de lucht, en daar voor kwam een groote vogel aanvliegen. Hij vloog

niet voorbij de maan, maar 't scheen, alsof hij er uit vloog. De vogel

scheen zwart tegen den lichten achtergrond, en zijn vleugels reikten

van den eenen kant van de maanschijf naar den anderen. Hij vloog zoo

gelijkmatig in dezelfde richting, dat de jongen meende, dat hij op de

maanschijf geteekend was. 't Lichaam was klein, de hals lang en smal,

de pooten hingen naar beneden, lang en dun. De jongen zag al gauw,

dat het een ooievaar moest wezen.

Een oogenblik later daalde Mijnheer Ermerik, de ooievaar, naast hem

neer. Hij boog zich over den jongen, en stootte hem aan met den snavel

om hem wakker te maken. De jongen ging dadelijk overeind zitten.

"Ik sliep niet, Mijnheer Ermerik," zei hij. "Hoe komt het, dat u midden

in den nacht uitgaat? En hoe gaat het op het huis Glimmingen? Wilt

u Moeder Akka spreken?"

"Het is van nacht te licht om te slapen," antwoordde Mijnheer

Ermerik. "Daarom maakte ik het plan om hier heen te reizen, naar

't Karelseiland, en je eens op te zoeken, vriend Duimelot. Ik hoorde

van een zeemeeuw, dat je van nacht hier waart. Ik ben nog niet naar

't huis Glimmingen verhuisd, maar woon nog in Pommeren."

De jongen vond het heerlijk, dat Mijnheer Ermerik hem had

opgezocht. Zij spraken over allerlei als oude vrienden. Eindelijk

vroeg de ooievaar, of de jongen geen lust had eens uit te gaan,

en wat rond te rijden in den mooien nacht.

Ja, dat wilde de jongen heel graag, als de ooievaar het maar zoo wou

inrichten, dat hij vóór zonsopgang weer bij de wilde ganzen terug

was. Dat beloofde hij, en zoo gingen zij op weg.

Mijnheer Ermerik vloog weer recht op de maan af. Zij stegen al hooger

en hooger; de zee zonk diep neer, maar de vlucht ging zoo wonderlijk

gemakkelijk, dat het bijna scheen, alsof ze stil in de lucht lagen.

De jongen vond, dat het maar verbazend kort duurde, voor Mijnheer

Ermerik weer begon te dalen. Ze landden op een eenzaam zeestrand,

bedekt met effen, fijn zand. Langs de kust liep een lange rij duinen

met helm op de toppen. Ze waren niet heel hoog, maar ze beletten den

jongen toch iets van het binnenland te zien.

Mijnheer Ermerik ging op een zandhoop staan, trok zijn eene been op, en

boog den hals achterover, om den snavel onder zijn vleugel te steken.

"Je kunt hier wel wat op het strand rondloopen," zei hij tegen

Duimelot, "terwijl ik hier uitrust. Maar ga niet zoo ver weg, dat je

me niet weer terug kunt vinden."

De jongen was van plan allereerst een duin op te klauteren, om te zien

hoe het land binnen de duinenrij er uitzag. Maar toen hij een paar

stappen had gedaan, stootte hij met zijn klomp tegen iets hards. Hij

boog zich neer, en zag, dat het een klein koper muntje was, zoo door

roest verteerd, dat het bijna doorschijnend was. Het was zoo oud,

dat hij 't niet de moeite waard vond het bij zich te steken, maar

het wegschopte.

Maar toen hij weer overeind kwam, was hij stom van verbazing, want

op twee stappen afstands verhief zich een hooge donkere muur met een

groote poort, waar een hooge toren op stond.

Een oogenblik geleden, toen de jongen zich boog om de munt te bekijken,

lag de zee daar nog glinsterend en glanzend, en nu was zij verdwenen

achter een langen muur met tinnen en torens. En vlak voor hem, waar

vroeger niets dan een paar wierbanken gelegen hadden, ging nu de

groote poort in den muur open.

De jongen begreep wel, dat dit een of ander toovergedoe was. Maar hier

hoefde je toch niet bang voor te worden, meende hij. Dit was niet

zulke gevaarlijke hekserij of ander kwaad, waar hij vroeger altijd

bang voor was in den nacht. De muur én de poort waren zóó prachtig

gebouwd, dat hij niets voelde, dan een groot verlangen om te zien,

wat daar achter lag.

"Ik moet toch zien, wat dat wezen kan," dacht hij, en ging de poort

door.

Onder het hooge poortgewelf zaten wachters, gekleed in bonte, ruime

kleeren; ze hadden speren met lange schachten bij zich, en speelden

een soort damspel. Ze dachten alleen aan hun spel, en letten niet op

den jongen, die hen snel voorbij liep.

Binnen de poort vond hij een open plaats, met groote effen steenen

geplaveid. Daaromheen stonden hooge, prachtige huizen, en daartusschen

liepen lange smalle straten.

Op de plaats voor de poort wemelde het van menschen.

De mannen droegen lange, met pelswerk omzoomde mantels over zijden

onderkleeden, baretten, met veeren versierd, zaten schuin op hun

hoofden; op hun borst hingen prachtige ketens. Zij waren allen zoo

sierlijk uitgedost, alsof ze koningen waren.

De vrouwen droegen puntige mutsen, lange kleederen met nauwe mouwen. Ze

waren ook prachtig gekleed, maar lang zoo sierlijk niet als de mannen.

Dit alles hier was immers precies als in de boeken met oude sagen,

die Moeder een enkelen keer uit de kist haalde, om hem te laten

zien. De jongen kon zijn oogen niet gelooven.

Maar wat nog wonderlijker was om te zien dan al die mannen en vrouwen,

dat was de stad zelf. Ieder huis was zóó gebouwd, dat het den gevel

naar de straat had gekeerd. En de gevels waren zoo versierd, dat

men zou denken, dat ze wedijverden, wie de mooiste versiersels zou

kunnen vertoonen.

Als iemand heel snel achter elkaar veel nieuws ziet, kan hij niet

alles onthouden. Maar de jongen kon zich later nog herinneren, dat hij

trapgevels had gezien, die beelden van Christus en Zijn apostelen op

de verschillende treden droegen; waar beelden in nis aan nis stonden

langs den heelen wand, gevels, ingelegd met veelkleurige stukjes glas,

en gevels, die gerand en geruit waren in wit en zwart marmer.

Terwijl de jongen dit alles bewonderde, kreeg hij opeens een gevoel

van vreeselijke haast.

"Zooiets heb ik nog nooit vroeger gezien. Zooiets zal ik nooit meer

zien!" zei hij in zichzelf. En hij begon de stad in te loopen, zoo

gauw hij kon, straat in, straat uit.

De straten waren nauw en smal, maar niet leeg en somber, zooals in de

steden, die hij gezien had. Overal waren menschen. Oude vrouwen zaten

voor haar deuren te spinnen, zonder spinnewiel, alleen met behulp van

een rokken. De winkels van de kooplieden waren als marktkraampjes,

open aan den kant van de straat. Alle handwerkers zaten buiten met

hun werk. Hier werd traan gekookt, daar looide men huiden, elders

was een lange touwbaan.

Als de jongen maar tijd had gehad, zou hij van alles hebben kunnen

leeren. Hier zag bij hoe wapensmeden dunne borstharnassen hamerden,

hoe goudsmeden edelgesteenten in ringen en armbanden zetten, hoe

de draaiers hun ijzers gebruikten, hoe schoenmakers roode, zachte

schoenen verzoolden, hoe de goudwerker gouddraad draaide, en hoe de

wevers goud en zijde in hun weefsels werkten.

Maar de jongen had geen tijd om stil te staan. Hij draafde maar voort

om zooveel mogelijk te zien, vóór alles weer zou verdwijnen.

De hooge muur liep om de geheele stad, en omsloot die, zooals een

hek een akker omringt. Aan het eind van iedere straat zag hij hem,

met torens versierd en met tinnen gekroond. Boven op den muur liepen

krijgsknechten in glanzende harnassen en met helmen op.

Toen hij dwars door de heele stad had geloopen, kwam hij weer aan een

poort in den muur. Daarbuiten lag de zee met de haven. De jongen zag

ouderwetsche schepen, met roeibanken in het midden, hoogopgebouwd

voor en achter. Sommige werden geladen, andere wierpen juist het

anker uit. Dragers en kooplieden liepen haastig door elkaar. Overal

heerschte drukte en leven.

Maar ook hier vond hij, dat hij geen tijd had om te blijven staan. Hij

haastte zich weer de stad in, en nu kwam hij aan de Groote Markt. Daar

lag de domkerk, met drie hooge torens en diepe, met beelden versierde

gewelven. De muren waren zóó versierd door beeldhouwers, dat er

geen steen was, die niet zijn versiering had. En zulk een pracht,

als er door de open deur scheen, van gouden kruisen en altaren met

goudsmeedwerk versierd, en priesters in gewaden van goudbrokaat! Vlak

over de kerk lag een huis, dat tinnen op het dak had, en één enkelen,

hemelhoogen toren. Dat was zeker het raadhuis. En tusschen de kerk

en het raadhuis, rond om de geheele markt, verhieven zich de fraaie

gevels met de meest verschillende versieringen.

De jongen was warm en moe geworden. Hij meende nu het voornaamste

gezien te hebben, en begon daarom langzamer te loopen. De straat, die

hij nu had ingeslagen, was zeker die, waar de stedelingen hun prachtige

kleeren kochten. Hij zag véél menschen voor de kleine winkels staan,

waar de koopman stijve, gebloemde zijde, zware goudstof, fluweel

met weerschijn, lichte sluiers en ragfijne kanten over de toonbank

uitspreidde.

Tot nu toe, terwijl de jongen zoo hard liep, had niemand op hem

gelet. De menschen hadden zeker gemeend, dat het maar een kleine,

grauwe rat was, die hun voorbij stoof. Maar nu, terwijl hij langzaam

langs de straat liep, kreeg een van de kooplieden hem in het oog,

en begon hem te wenken.

De jongen werd eerst bang, en wilde gauw wegloopen, maar de koopman

wenkte maar, en lachte, en spreidde op de toonbank een heerlijk stuk

zijden damast uit, als om hem te lokken.

De jongen schudde het hoofd.

"Ik word nooit zoo rijk, dat ik ook maar één meter van dat goed kan

koopen," dacht hij.

Maar nu hadden ze hem in 't oog gekregen in alle winkels in de heele

straat. Waar hij ook heen keek, stond een winkelier, en wenkte hem. Zij

lieten hun rijke klanten staan, en dachten alleen aan hem. Hij zag,

hoe zij zich haastten naar de meest verborgen hoeken van hun winkels

om het beste te halen, wat zij te verkoopen hadden; en hoe hun handen

trilden van haast en ijver, terwijl zij het op de toonbank legden.

Toen de jongen voortliep, sprong een van de kooplieden over de

toonbank, haalde hem in, en legde zilverstof en geweven tapijten

met schitterende kleuren voor hem neer. De jongen kon niet laten te

lachen. De winkelier kon wel begrijpen, dat een arme stakker, als hij,

zulke dingen niet kon koopen. Hij bleef staan, en hield zijn beide

leege handen uit, om hen te doen begrijpen, dat hij niets bezat,

en dat ze hem met rust moesten laten.

Maar de koopman stak een vinger op, en knikte, en schoof den heelen

stapel prachtige waren naar hem toe.

"Kan hij bedoelen, dat hij dat alles voor één enkele gouden munt wil

verkoopen?" dacht de jongen verwonderd.

De koopman haalde een kleinen versleten, ouden penning te voorschijn,

den kleinsten, dien men zich kan voorstellen, en liet hem dien zien. En

hij verlangde zóó iets te verkoopen, dat hij den stapel vermeerderde

met een paar groote, zware zilveren bekers.

Toen begon de jongen in zijn zakken te zoeken. Hij wist wel, dat hij

geen cent bezat, maar hij kon niet laten nog eens te voelen.

Alle andere kooplieden stonden om hen heen, en probeerden te zien,

hoe die handel zou afloopen, en toen ze merkten, dat de jongen in

zijn zakken begon te voelen, sprongen ze over de toonbanken, namen

de handen vol gouden en zilveren sieraden, en boden hem die aan. En

allen wezen ze hem, dat al, wat ze als betaling begeerden, maar één

enkele kleine penning was.

Maar de jongen keerde zijn vest- en broekzakken om, opdat ze zouden

zien, dat hij niets bezat. Toen kregen zij de tranen in de oogen,

al die deftige kooplieden, die zooveel rijker waren dan hij. Hij

werd er eindelijk door bewogen, dat ze er zóó angstig uitzagen,

en hij dacht na, of hij hen niet op een of andere manier zou kunnen

helpen. En toen kwam hem dat oude geroeste muntje in de gedachten,

dat hij zoo pas aan het strand had gezien.

Hij begon hard door de straten voort te draven, en het liep hem mee,

zoodat hij bij dezelfde poort kwam, waardoor hij was binnengekomen. Hij

vloog er door, en begon naar het kleine geroeste muntje te zoeken,

dat hij zoo juist aan het strand had gezien. Hij vond het ook, maar

toen hij het had opgeraapt, en er meê de stad in wilde loopen, zag hij

alleen de zee voor zich. Geen stadsmuur, geen poort, geen wachters,

geen straten, geen huis was te zien. Alleen de zee!

De jongen kon niet helpen, dat hij tranen in de oogen kreeg. Hij had in

't begin geloofd, dat wat hij zag, niets anders was dan een visioen,

maar dat had hij vergeten. Hij had er alleen aan gedacht, hoe mooi

alles was. Hij voelde een groot verdriet, omdat de stad verdwenen was.

Op hetzelfde oogenblik werd Mijnheer Ermerik wakker, en kwam naar hem

toe. Maar hij hoorde het niet. De ooievaar moest hem met den snavel

aanstooten om zich te doen opmerken.

"Ik geloof, dat je hier staat te slapen, zooals ik," zei Mijnheer

Ermerik.

"Ach, Mijnheer Ermerik!" zei de jongen. "Wat was dat voor een stad,

die hier zoo pas stond?"

"Heb je een stad gezien?" zei de ooievaar. "Je hebt geslapen en

gedroomd, zooals ik zei."

"Neen, ik heb niet gedroomd," zei Duimelot, en hij vertelde den

ooievaar alles, wat hij beleefd had. Toen zei Mijnheer Ermerik: "Ik

voor mij, Duimelot, geloof, dat je hier op 't strand in slaap gevallen

bent, en dat alles gedroomd hebt. Maar ik wil je wel vertellen,

dat Bataki, de kraai, die de geleerdste van alle vogels is, me eens

heeft verteld, dat hier aan dit strand vroeger een stad heeft gelegen,

die Vineta heette. Die was zoo rijk en gelukkig, dat nooit een stad

heerlijker is geweest; maar de inwoners gaven zich helaas! over aan

trots en pronkerij. Tot straf daarvoor, zegt Bataki, werd de stad

Vineta door een stormvloed overstroomd en in de zee verzonken. Maar

de inwoners kunnen niet sterven, en ook hun stad kan niet verwoest

worden. En eens in de honderd jaar stijgt de stad in den nacht op

uit de zee, in al haar pracht, en ligt op de oppervlakte der aarde

één uur lang."

"Ja, dat moet het wezen," zei Duimelot, "want dat heb ik gezien."

"Maar als dat uur voorbij is, zinkt ze weer neer in de zee, als niet

een koopman in Vineta in dien tijd iets aan een levend wezen heeft

verkocht. Als jij, Duimelot, maar een penning hadt gehad, al was

die ook nog zoo klein, om den koopman meê te betalen, was Vineta op

het strand blijven liggen, en de menschen daar hadden mogen leven en

sterven als alle andere menschen."

"Och, mijnheer Ermerik," zei de jongen, "nu begrijp ik, waarom u mij

is komen halen van nacht. Dat was omdat u meende, dat ik de oude

stad zou kunnen redden. Het spijt me zoo, dat het niet is gegaan,

zooals u wilde, Mijnheer Ermerik!"

Hij hield de handen voor de oogen, en schreide. Het was moeilijk te

zeggen, wie er 't meest bedroefd uitzag, de jongen of Mijnheer Ermerik.

Niels Holgersson's Wonderbare Reis · 第 48 / 140 题